CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage V Archeologisch vooronderzoek

Raad openbaar Wijchen 25 april 2024, gemeente wijchenBij agendapunt: 136450 Beslisnota Vaststellen bestemmingsplan "De Lymen" Batenburg53.231 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 7

RAAP-RAPPORT 6010

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg Gemeenten West Maas en Waal en Wijchen Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Colofon Titel: Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeente n West Maas en Waal en Wijchen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Versie: 13-01-2023 Auteur: E.M. Witmer, MA Projectcode: BALYM2 Bestandsnaam: RAAPrap_6010_BALYM2_20230113 Autorisatie: ir. E.H. Boshoven

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2023 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Samenvatting In opdracht van Natuurmonumenten heeft RAAP in mei t/m augustus 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het ‘deelgebied booronderzoek’ binnen het plangebied De Lymen tus sen Appeltern en Batenburg in de gemeente Wijchen. Op verzoek van de opdrachtgever zijn tevens zeven boringen uitgevoerd in een zone die op basis van het vooronderzoek is vrijgegeven (deels in de gemeente West Maas en Waal). De resultaten van het booronderzoek komen grotendeels overeen met de verwachting van het vooronderzoek. De bodemopbouw bestaat uit oever- en uiterwaardafzettingen op crevasse-, verlandings- en geulafzettingen. Conform de verwachting, varieert de diepteligging van het beddingzand vrij sterk. Hoewel in het plangebied geen vindplaatsen in de vorm van nederzettingsterreinen of grafvelden worden verwacht, kan met name aan de diverse restgeulen in het gebied een hoge archeologische verwachting worden toegekend voor watergerelateerde objecten. Ook bestaat er een kans op het aantreffen van kano - of scheepswrakken in het beddingzand in het gehele plangebied. Aangezien dergelijke objecten niet of nauwelijks op te sporen zijn middels een booronderzoek, wordt in het kader van de voorgenomen ingrepen vervolgonderzoek geadviseerd.

Een dergelijk onderzoek kan plaatsvinden in de vorm van een opgraving - variant archeologische begeleiding. Het archeologisch onderzoek vindt dn tegelijkertijd plaats met de civieltechnische werkzaamheden. Eventuele vondsten worden hierbij direct ex situ veiliggesteld (gedocumenteerd en verzameld). Indien er bodemingrepen ter plaatse van restgeulen plaatsvinden, wordt aanbevolen om de ouderdom van de restgeulen te bepalen middels 14 C-dateringen zodat de archeologische verwachting kan worden verfijnd. De strategie en voorwaarden voor een gravend onderzoek worden vastgelegd in een Programma van Eisen, dat dient te worden opgesteld door een senior KNA -archeoloog en dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Aan de restgeulen in het plangebied kan wel een hoge archeologische verwachting voor relatief bijzondere (aan water gerelateerde) archeologische vondsten worden toegekend, zoals fuiken, kano’s, rituele deposities en/of vondsten van organisch materiaal. Zoals tevens is aangegeven in het vooronderzoek, wordt voor het deel van het plangebied dat buiten ‘deelgebied booronderzoek’ valt, geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aanget roffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Wijchen, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[3]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 5 1.2 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 8 1.3 Inrichtingsplan ..................................................................................................................................... 9 1.4 Doel- en vraagstelling ........................................................................................................................ 10

2 Archeologische verwachting ........................................................................................................... 11 3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 14 3.1 Methode ............................................................................................................................................ 14 3.2 Resultaten ......................................................................................................................................... 16 3.3 Archeologische relevantie .................................................................................................................. 27

4 Conclusies en advies ...................................................................................................................... 29 4.1 Conclusie .......................................................................................................................................... 29 4.2 Advies ............................................................................................................................................... 29 4.3 Tot slot .............................................................................................................................................. 29

Literatuur .......................................................................................................................................... 30 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ......................................................................................... 31

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[4]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van Natuurmonumenten heeft RAAP in mei t/m augustus 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg in de gemeenten West Maas en Waal en Wijchen (figuur 1). Het onderzoek vond plaats in het kader van een ontgrondingsvergunning. Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wet telijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente Wijchen is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderhavig onderzoek betreft een vervolgonder zoek op basis van een bureauonderzoek (Witmer, 2022). Tijdens het vooronderzoek werd vervolgonderzoek (verkennend booronderzoek) aanbevolen voor het rood gearceerde deel in figuur 1 (hierna ‘deelgebied booronderzoek’), dat geheel binnen de gemeente Wijchen valt. Voor het resterende deel van het plangebied (deels in gemeente West Maas en Waal) werd vrijgave geadviseerd. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van gemeente Wijchen is een middelmatige archeologische verwachting gekoppeld aan een zone tot circa 415 m vanaf de oostelijke grens van het plan- en deelgebied.

Binnen deze zone is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en 30 cm -mv. Een strook van circa 20 m breedte langs de noordoostgrens van het plan- en deelgebied heeft een hoge archeologische verwachting, waarvoor tevens een vrijstellingsgrens geldt van 100 m 2 en 30 cm -mv. Voor het overige, overgrote deel van het ‘deelgebied booronderzoek’ geldt een lage archeologische verwachting met een vrijstellingsgrens van 2.000 m 2 en 30 cm -mv. In het bestemmingsplan Buitengebied Wijchen 1 is voor de zone met middelmatige verwachting een vrijstellingsgrens van 1.000 m 2 en 30 cm -mv opgenomen. Voor de hoge verwachtingszone staat in het bestemmingsplan een vrijstellingsgrens van 120 m 2 en 30 cm -mv. De zone met lage archeologische verwachting heeft geen archeologische dubbelbestemming. De precieze locatie, omvang en diepte van de geplande bodemingrepen zijn nog niet bekend. De omvang en diepte van de bodemingrepen is nog niet precies bekend. Waarschijnlijk worden de vrijstellingsgrenzen overschreden. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is dan verplicht conform het vigerend beleid. N.B. Voor het westelijke deel van het plangebied, dat deels binnen gemeente West Maas en Waas valt, is op basis van het bureauonderzoek (Witmer, 2022) geen verder onderzoek aanbevolen.

Op verzoek van de opdrachtgever worden hier wel enkele boringen uitgevoerd om de dikte van het kleipakket te

1

NL.IMRO.0296.BGBBuitengebied-DF02; vastgesteld op 31 januari 2013.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[5]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

bepalen. De boorbeschrijvingen (boring 1 t/m 7) zijn opgenomen in bijlage 2, maar worden niet in detail besproken in dit rapport. Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[6]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 1. Ligging plangebied (blauw omlijnd). Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd binnen de rood gearceerde zone (‘deelgebied booronderzoek’). Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[7]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek

Inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Opdrachtgever

Natuurmonumenten

Bevoegde overheid

Gemeente Wijchen

Plaats

Appeltern en Batenburg

Gemeente

West Maas en Waal en Wijchen

Provincie

Gelderland

Centrumcoördinaten (X/Y)

170.434/426.345

Toponiem

De Lymen

Kadastrale gegevens

Kad. gem. Appeltern, sectie O, perceelnrs. 238, 241, 531, 532 en 539; kad. gem. Batenburg, sectie E, perceelnrs. 74, 75, 76, 82, 87, 507, 518, 519, 520, 521, 522, 523, 546, 632, 633, 634 en 657

Oppervlakte plangebied

69,4 hectare

Afbakening plangebied

Tijdens onderhavig onderzoek is het plangebied onderzocht.

Onderzoeksperiode

Mei t/m augustus 2022

Uitvoerder

RAAP Oost

Projectleider

E.M. Witmer, MA

Projectmedewerkers

F. Berghuis, MA

RAAP-projectcode

BALYM2

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer

5263942100

Beheer en plaats documentatie

RAAP regio Oost te Zutphen en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.

Tabel 1. Administratieve gegevens.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[8]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1.3 Inrichtingsplan

Figuur 2. Inrichtingsplan (nog in ontwerp; figuur opdrachtgever).

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[9]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1.4 Doel- en vraagstelling Het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is uitgevoerd om de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw en eventuele bodemverstoringen in kaart te brengen. Het verkennend veldonderzoek had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid, de mate van bodemverstoring en de diepteligging van het verwachte archeologische niveau in het plangebied. Daarmee wordt de gespecificeerde archeologische verwachting getoetst en waar nodig aangepast en kunnen uitspraken worden gedaan over de gaafheid van archeologisch relevante niveaus. Deze onderzoeksfase is onderdeel van het traject van archeo logisch vooronderzoek, dat als einddoel heeft de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats vast te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd die in de lopende tekst worden beantwoord: •

Hoe ziet de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?

•

Komt de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw in het plangebied overeen met hetgeen op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting verwacht werd?

•

In hoeverre is er rond 5 à 6,5 m NAP sprake van een archeologisch relevant nive au, zoals aan de overzijde van de Maas (uiterwaarden Demen-Dieden) is aangetroffen?

•

Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting te worden bijgesteld?

•

Waar en op welke diepte bevinden zich de archeologisch interessante lagen?

•

Is de bodemopbouw in het plangebied zodanig (intact) dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is?

•

Zijn er aanwijzingen voor (grotere) archeologische vindplaatsen?

•

Kan het archeologisch relevante niveau gewaardeerd worden? Zo ja, wat is de waardering en zo nee, welke informatie is nodig om tot een waardering te komen?

Algemeen •

Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?

•

Op welke wijze kan bij de planvorming met archeologische resten worden o mgegaan?

•

Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen verwachte resten systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)?

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[10]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2 Archeologische verwachting Onderstaande is vrijwel integraal overgenomen uit het bureauonderzoek (Witmer, 2022): Het plangebied ligt ter plaatse van laat-pleistocene rivierafzettingen (Laagterras en Terras X; afgedekt door de Laag van Wijchen) van de Formatie van Kreftenheye. De top van de laat-pleistocene rivierafzettingen is waarschijnlijk geërodeerd door latere rivieractiviteit. Vanaf de bronstijd (mogelijk al eerder) tot en met de Romeinse tijd werd het plangebied doorkruist door de stroomgordel Huisseling Demen. Vanaf de Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen meanderde hier de Maas van vóór de bedijking. De huidige loop van de Maas is door de mens gestuurd sinds de bedijking in de 12 e /13 e eeuw, en later door het aanleggen van kribben en door andere waterstaatkundige werkzaamheden. De aanwezigheid van enkele wielen buitendijks wijzen erop dat er dijkdoorbraken hebben plaatsgevonden. Sinds de bedijking in de 12 e /13 e eeuw zijn de uiterwaarden ontwikkeld. Uit de resultaten van het bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied een archeologische verwachting geldt voor resten vanaf de bronstijd tot en met de nieuwe tijd.

Uit de periode vanaf de bronstijd tot en met de late middeleeuwen, vóór de bedijking, kunnen vindplaatsen van bewoning en landgebruik worden verwacht op de hogere delen in het landschap (kronkelwaardruggen, oeverwal), grofweg tussen 5 en 6,5 m NAP op basis van onderzoek in de uiterwaarden van Demen-Dieden. 2 Er geldt specifiek een hogere archeologische verwachting van bewoningsresten vanaf de bronstijd tot en met de late middeleeuwen voor de oeverwal zuidelijk van Batenburg, waa rop op bodemkaarten ‘oud land’ is vermeld. In de zuidwesthoek van Batenburg, net buiten het plangebied ( Ringdijk 4), is een historische locatie bekend die vanaf 1443 in geschriften wordt vermeld. Deze locatie is in voorafgaand bureauonderzoek abusievelijk als kloosterlocatie aangeduid . Dit betrof in werkelijkheid ‘slechts’ een boerderij / bouwhof. 3 Er zijn betrouwbare topografische kaarten van het plangebied beschikbaar uit de periode vanaf de laat 18 e eeuw. Op basis hiervan worden in het gehele plangebied geen resten van bewoning uit de (late) nieuwe tijd verwacht. Uit de nieuwe tijd worden overwegend resten van landgebru ik en werkzaamheden gerelateerd aan de waterhuishouding verwacht, zoals een sluis, kribben, steigers en dergelijke.

In de restgeul vlakbij de dijk kunnen watergerelateerde (punt)vondsten uit de periode vanaf de late bronstijd t/m de nieuwe tijd worden gedaan, zoals visfuiken, beschoeiingen, kano’s en/of rituele deposities. In het ‘deelgebied booronderzoek’ heeft kleiwinning plaatsgevonden. Dat betekent dat de bodem hier is afgegraven. Middels onderhavig bureauonderzoek kon niet worden vastgesteld in hoever re eventuele archeologische resten op deze afgegraven locaties al dan niet geheel verdwenen zijn. Tevens kon op basis van het bureauonderzoek niet worden bepaald in hoeverre de Maas eventuele archeologische resten heeft opgeruimd. Middels een verkennend booronderzoek kan de archeologische verwachting worden getoetst en verfijnd.

2

Janssens & Ellenkamp, 2021. In het jaar 1443 schonk edelman Dirk van Bronckhorst, heer van Batenburg, onder andere uiterwaard “die Liem” (de Lijm) en een “bouwing” (gebouw/bouwhof), te weten een voorganger van de huidige boerderij aan Ringdijk 4. Dat deze boerderij in het bezit is geweest van het kapittel, verklaart mogelijk waarom de zuidwesthoek van Batenburg al eeuwenlang op kaarten als ‘Het Klooster’ is aangeduid. 3

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[11]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Bovenstaande gegevens zijn samengevat in een kaartbeeld ( figuur 3).

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[12]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 3. Verwachtingskaart op basis van het bureauonderzoek (Witmer, 2022). Rectificatie: binnen de gele cirkel is abusievelijk een kloosterlocatie aangeduid; dit betreft ‘slechts’ een boerderij/gebouw met als oudst bekende vermelding in 1443 en ligt net buiten onderhavig plangebied.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[13]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

3 Veldonderzoek 3.1 Methode Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een verkennend booronderz oek. De gevolgde onderzoeksmethode voor het veldwerk is bepaald op basis van de resultaten van het bureauonderzoek (Witmer, 2022). De zone (zuid)westelijk van het Laakse Bos is op basis van het vooronderzoek vrijgegeven vanwege vrij recente rivieractiviteit van de Maas. Op verzoek van de opdrachtgever zijn hier zeven boringen verricht om de dikte van het kleidek te bepalen (bijlage 2; boring 1 t/m 7). Binnen het ‘deelgebied booronderzoek’ zijn 92 boringen verricht; verdeeld over zes boorraaien die zoveel mogelijk dwars op de verwachte geomorfologische structuren zijn geplaatst (zie figuur 3). Binnen de raaien is geboord om de 25 m om geulen en zandopduikingen goe d in kaart te kunnen brengen. De raaien liggen op circa 200 m afstand van elkaar. Een intensiever boorgrid werd nog niet zinvol geacht. Eerst diende te worden vastgesteld in hoeverre de kleiwinning en rivieractiviteit van de Maas tot verstoring en erosie van eventuele archeologische niveaus heeft geleid. Het veldonderzoek is uitgevoerd in twee fasen. Fase 1 betrof alle boringen buiten de dijkbeschermingszone, te weten: boringen 8 t/m 11, 22 t/m 30, 38 t/m 47, 54 t/m 66, 73 t/m 85 en 92 t/m 94. Deze boringen zijn tussen 23 en 30 mei uitgevoerd.

Tijdens Fase 2 zijn alle boringen binnen de dijkbeschermingszone uitgevoerd, namelijk boringen 1 t/m 7, 12 t/m 21, 31 t/m 36, 48 t/m 53, 67 t/m 72, 86 t/m 91 en 95 t/m 100. Alle boorgaten van Fase 2 zijn gevuld met bentonietkorrels. De uitvoering van Fase 2 vond tussen 29 juli en 5 augustus plaats. Aangezien de gewassen (maïs, rapen, graan) tijdens Fase 2 volop waren gegroeid, is besloten om in fase 2 de raaien van de beplanting zoveel mogelijk te volgen. Daarmee is iets afgeweken van het oorspronkelijke boorplan. Boring 37 stond te midden van bramen en berenklauw is zodoende niet uitgevoerd (figuur 4). Vrijwel alle boringen zijn doorgezet tot in de top van het beddingzand, tot maximaal 650 cm -mv. Daarbij is gebruik gemaakt van een Edelmanboor (7 cm) en een gutsboor (3 cm). Voor zeer uitgedroogde pakketten, zoals bij de dijkteen, is een Edelmanboor van 5 cm gebruikt om grip te houden op het sediment. Op grotere diepte is soms een gutsboor van 2 cm gebruikt om zandige lagen onder de grondwaterspiegel vast te kunnen houden. De boringen zijn tijdens het veldwerk lithologisch conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989) digitaal beschreven in het boorbeschrijvingssysteem van RAAP (Deborah3) en met behulp van een RTK-GPS ingemeten.

Hoewel het onderzoek een verkennend onderzoek betreft, is het opgeboorde materia al in het veld door middel van verbrokkeling en versnijding gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals houtskool, vuursteen, aardewerk, metaal, bot, verbrande leem en fosfaatvlekken).

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[14]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 4. Boorpuntenkaart.

Figuur 5. Foto van F. Berghuis tijdens het booronderzoek (foto auteur).

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[15]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

3.2 Resultaten 3.2.1

Veldwaarnemingen

Het plangebied ligt in de uiterwaarden van de Maas. Tijdens Fase 1 was het plangebied deels net ingezaaid met maïs en rapen en deels in gebruik als weide/grasland. Op de akkers werden aan het maaiveld enkele stukken onbewerkt vuursteen waargenomen, evenals recent afval (blikjes, plastic e.d.) dat vermoedelijk is afgezet ten tijde van hoogwater. Zoals ook uit het vooronderzoek bleek (Witmer, 2022), zijn er abrupte hoogteverschillen waarneembaar die gerelateerd zijn aan kleiwinning. Tijdens Fase 2 stond het gewas al hoog en zijn geen aanvullende veldwaarnemingen gedaan.

3.2.2

Algemene geologie en bodem

De bodemopbouw van het ‘deelgebied booronderzoek’ bestaat uit oever- en uiterwaardafzettingen op accretie- en geulafzettingen met daaronder beddingzand. De diep te van het zand varieert sterk vanwege de aanwezigheid van geulen en zandopduikingen. Met name in raai 2, 3, 4 en 5 is de bovengrond verstoord als gevolg van kleiwinning (Witmer, 2022). Het maaiveld ligt hier zo’n 1 à 1,3 m lager dan in raai 1 en 6. De verstoorde laag bestaat uit zwak tot matig humeuze, sterk tot uiterst siltige klei met (vaak grijze) zand - en/of kleibrokken. Rond 35 à 40 cm mv is vaak een humeuze laag van circa 10 cm dik aanwezig; daaronder lijkt de bodemopbouw intact. Vermoedelijk is de basis van de humeuze laag (rond 50 cm -mv) tevens de basis van de tichelgaten, en zijn de gaten later opgevuld geraakt met uiterwaardafzettingen. Het onderscheid tussen de oever-, uiterwaard- en geulafzettingen is vrij arbitrair. Onder bovengenoemde verstoring, dan wel direct onder de zwak tot matig humeuze dunne bouwvoor (circa 15-20 cm dikte), is doorgaans lichtbruin(grijz)e, matig tot sterk siltige klei aanwezig met (zeer) dunne zand- of siltlaagjes. Afzettingen met dergelijke fijne gelaagdheid zijn overwegend als uiterwaardafzettingen geïnterpreteerd. De dikte van de uiterwaardafzettingen varieert sterk. Uiterwaardafzettingen zijn sinds de bedijking in de 12 e of 13 e eeuw afgezet.

Het maaiveld binnendijks ligt op circa 6,5 m NAP en buitendijks (in de niet-afgetichelde zones) op circa 7,3 m NAP. Waarschijnlijk is het uiterwaarddek derhalve grofweg 75 cm dik in zones waar geen kleiwinning heeft plaatsgevonden. Met name nabij de Maas bestaat de bovengrond uit sterk siltige tot zandige klei (al dan niet gelaagd) met een aflopend profiel en wat ijzer- en mangaanvlekken. Dit wordt als oeverpakket geïnterpreteerd. De oever- en/of uiterwaardafzettingen gaan op wisselende diepte geleidelijk over naar slappere, matig tot sterk siltige klei met ijzer- en mangaanconcreties en met meer en/of dikkere zandlagen. Deze slappere, gelaagde afzettingen kunnen als geulafzettingen en/of accretielagen (aanwas) worden beschouwd. Vrijwel parallel aan de dijk is een restgeul aanwezig. De basis van de geul ligt op ruim 6,5 m -mv. De geul- en verlandingsafzettingen zijn gelaagd en worden naar boven toe humeuzer en/of venig. De humeuzere en venige lagen zijn kenmerkend voor stilstandsfasen qua sedimentatie, waardoor plantengroei en veenvorming kon plaatsvinden. De venige en/of humeuze afzettingen zijn daarom als verlandingsfasen van de restgeul geïnterpreteerd. Zandige lagen in de geul duiden op een actieve fase

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[16]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

of reactivatie van de geul. De geulen zijn soms opgevuld met zwak of matig siltige, (zeer) slappe klei die sterk op komklei lijkt. 4 Met name in de noordelijke helft is boven de slappe geulafzettingen met ijzer - en mangaanconcreties vaak een erosieve overgang waargenomen naar zandig sediment. Dit kan als event worden beschouwd waarin plotseling sprake was van een hogere rivierdynamiek, waarbij grover sediment werd afgezet. In de boorbeschrijvingen is dit als crevasse beschreven. Het beddingzand is op zeer wisselende diepte aangetroffen: variërend van 95 cm -mv (5,8 m NAP; boring 16) tot dieper dan 650 cm -mv (-1,01 m NAP; boring 19). De top van het beddingzand bevindt zich overwegend op 2 à 3 m -mv. Doorgaans bestaat het beddingzand uit (lichtgeel)grijs, zwak of matig siltig, slecht tot matig goed gesorteerd, matig fijn (of grover), niet -afgerond zand. Het onderscheid tussen de dikke zandlagen in de geulen (soms enkele decimeters dikte) en het beddingzand is met name gemaakt op basis van afwezigheid van kleilagen en op basis van consistentie: doorgaans stuitte de boor op het beddingzand, terwijl er vrij gemakkelijk door een zandlaag in een geul kon worden geboord. Boring 1 t/m 7 Boring 1 t/m 7 (figuur 4) vallen in een zone waar in het bureauonderzoek geen vervolgonderzoek is aanbevolen omdat hier geen ingrepen dieper dan de bouwvoor (30 cm) waren gepland.

Bovendien is de Maas met name nabij Appeltern nog tot in de late nieuwe tijd actief geweest, waardoor eventuele archeologische resten waarschijnlijk zijn geërodeerd. Op verzoek van de opdrachtgever zijn hier wel enkele boringen geplaatst om de dikte van het kleidek te bepalen. De boringen zijn te verspreid geplaatst om concrete uitspraken te doen over archeologie en geomorfologische structuren. Conform de verwachting komt de bodemopbouw overeen met raaien 1 t/m 6: ook ter hoogte van boring 1 t/m 7 bestaat de bodemopbouw uit uiterwaard-, geul- en verlandingsafzettingen (restgeul), waarbij de diepte van het beddingzand in de boringen varieert van 190 cm -mv (4,98 m NAP; boring 5) tot 495 cm -mv (1,82 m NAP; boring 4). In boring 3 werd een rommelig pakket aangetroffen dat tot 110 cm -mv (4,94 m NAP) als slootvulling is geïnterpreteerd. Daaronder ligt een kleiig gelaagd pakket dat als geul is geïnterpreteerd. Op 229 cm mv (3,75 m NAP) werd gestuit op compact zand dat mogelijk de bedding van de geul is. Het fragmentje houtskool en bouwpuin dat in de top hiervan werd gevonden, is naar alle waarschijnlijkheid verspoeld.

4

De term ‘komklei’ kan eigenlijk niet worden gebruikt voor afzettingen buitendijks en van ná de bedijking.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[17]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

3.2.3

Bijzonderheden per boorraai

Raai 1 (boring 8 t/m 21) Boring 8 t/m 16 vallen in een zone waar weinig of geen kleiwinning heeft plaatsgevonden. Het maaiveld ligt op circa 7,10 à 7,15 m NAP en duikt omlaag (tot circa 5,77 m NAP) tussen de restgeul en de dijk. In deze raai is een bodemverstoring tot circa 35 à 45 cm -mv waargenomen. Conform de verwachting op basis van het bureauonderzoek, is ter hoogte van boring 17 t/m 21 een verlande restgeul aanwezig. De geul is dieper dan 6,5 m (dieper dan -0,01 m NAP; boring 19; beddingzand niet bereikt). Ter hoogte van boring 13 en 14 loopt een andere geul van circa 4,2 m diepte (2,95 m NAP). In boring 8, 9 en 10 (Maaszijde) zijn uiterwaard- op oever- op geulafzettingen waargenomen en bevindt het beddingzand zich op 2,5 à 3 m -mv (4,17 à 4,69 m NAP). De opbouw van de overige boringen in deze raai bestaat uit uiterwaard- op geulafzettingen met daaronder beddingzand op variërende diepte. De indicatoren in deze raai zijn ofwel in verstoorde, ofwel in verspoelde context gevonden en worden derhalve niet als archeologisch relevant beschouwd. Er is geen archeologisch relevant niveau waargenomen.

Figuur 6. Dwarsprofiel van raai 1 op basis van waarnemingen. ‘PA1’ = enkel fragment zacht roodbakkend bouwpuin; ‘PO1/PO2’ = enkele c.q. meerdere fragmenten hard roodbakkend bouwpuin; ‘HK2’ = fragmenten houtskool.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[18]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 7. Dwarsprofiel van raai 1 met interpretatie van de bodemopbouw. Boring 14 en boring 19 zijn uitgevoerd ter hoogte van twee verschillende restgeulen. ‘PA1’ = enkel fragment zacht roodbakkend bouwpuin; ‘PO1/PO2’ = enkele c.q. meerdere fragmenten hard ro odbakkend bouwpuin; ‘HK2’ = fragmenten houtskool.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[19]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Raai 2 (boring 22 t/m 36) en raai 3 (boring 38 t/m 53 Raaien 2 en 3 (boringen 22 t/m 53) liggen in een zone waar kleiwinning tot het relatief diepste niveau heeft plaatsgevonden (zie Witmer, 2022). Het maaiveld ligt grofweg op 6,0 m NAP. Ter hoogte van boring 52 en 53 heeft weinig of geen kleiwinning plaatsgevonden; hier ligt het maaiveld op respectievelijk 7,79 m NAP en 7,35 m NAP. Waarschijnlijk is ter hoogte van raai en 2 en 3 circa 1,35 à 1,8 m aan bovengrond verdwenen. Daaronder is een bodemverstoring tot circa 50 cm -mv waargenomen met uitschieters tot 140 cm -mv (boring 32). Of de geul van boring 29 overeenkomt met de geul van boring 14, is niet duidelijk. Op basis van luchtfoto’s en het AHN3 kan wel worden gesteld dat boring 19 (raai 1), boringen 32 en 33 (raai 2) en boringen 47 en 48 in dezelfde restgeul zijn uitgevoerd. De geul is hier minder diep dan in raai 1: maximaal 385 cm -mv (2,06 m NAP) in boring 48. In boring 36, aan de voet van de dijk, werd in de bovenste 90 cm puin waargenomen. Op basis van de boring bestaat de bovenste 40 à 45 cm uit een (20 e -eeuwse) dijkteen met daaronder, tot 90 cm -mv, de bouwvoor van voor de aanleg van de dijk. Gezien het harde baksel dateert deze laag vermoedelijk uit de nieuwe tijd. Enkele brokjes puin zijn van zachter baksel en zijn derhalve mogelijk ouder.

Figuur 8. Dwarsprofiel van raai 2 op basis van de waarnemingen. PA = fragment(en) zacht roodbakkend bouwpuin; PO = fragmenten hard roodbakkend bouwpuin. 1 = enkel fragment; 2 = fragmenten; 3 = veel fragmenten.

Figuur 9. Dwarsprofiel van raai 2 met interpretatie van de bodemopbouw. PA = fragment(en) zacht roodbakkend bouwpuin; PO = fragmenten hard roodbakkend bouwpuin. 1 = enkel fragment; 2 = fragmenten; 3 = veel fragmenten.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[20]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 10. Dwarsprofiel van raai 3 op basis van de waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel zacht roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

Figuur 11. Dwarsprofiel van raai 3 met interpretatie van de bodemopbouw. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel zacht roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[21]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Raai 4 (boring 54 t/m 72) en raai 5 (boring 73 t/m 91) De boringen in raaien 4 en 5 zijn uitgevoerd in een zone waar tevens kleiwinning heeft plaatsgevonde n. In deze raaien ligt het maaiveld grofweg op 6,3 à 6,5 m NAP en derhalve zo’n 30 tot 50 cm hoger dan ter hoogte van raaien 2 en 3. Ook hier is aan de dijkzijde een zone niet of nauwelijks afgegraven en mogelijk zelfs opgehoogd. Daar ligt het maaiveld op 7,5 à 7,7 m NAP. Daaruit kan worden afgeleid dat in het merendeel van de boringen van raai 4 en 5 circa 1 à 1,4 m van de bodem is afgegraven met de kleiwinning. De bodemopbouw in raai 4 en 5 komt verder grotendeels overeen met de opbouw van raai 1 t/m 3. Ter hoogte van boring 64 (raai 4) is een restgeul aanwezig. De restgeul bij boring 68 (raai 4) komt overeen met de geul van eerdergenoemde boringen 19 (raai 1) , boringen 32 en 33 (raai 2), en boringen 47 en 48 (raai 3). Of de geul doorloopt tot in raai 5, i s onduidelijk. In raai 5 bevindt het beddingzand zich relatief ondieper (rond 4,0 m NAP) ten opzichte van raai 4 (grofweg rond 3,6 m NAP).

Figuur 12. Dwarsprofiel van raai 4 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; PO1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

Figuur 13. Dwarsprofiel van raai 4 met interpretatie van de bodemopbouw. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; PO1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[22]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Raai 5 (boring 73 t/m 91)

Figuur 14. Dwarsprofiel van raai 5 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1/PA3 = enkele / veel fragmenten zachtgebakken bouwpuin; PO1 = spikkel hardgebakken bouwpuin; RL1 = spikkel verbrande leem. PO5 = ondoordringbaar puin.

Figuur 15. Dwarsprofiel van raai 5 met interpretatie van de bodemopbouw. HK1 = spikkel houtskool; PA1/PA3 = enkele / veel fragmenten zachtgebakken bouwpuin; PO1 = spikkel hardgebakken bouwpuin; RL1 = spikkel verbrande leem. PO5 = ondoordringbaar puin.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[23]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Raai 6 (boring 92 t/m 100) Raai 6 is uitgevoerd ter hoogte van een oeverwal en ten zuiden van Batenburg. Het maaiveld ligt hier grofweg op 7,4 m NAP. Derhalve werd verwacht dat hier weinig tot geen kleiwinning heeft plaatsgevonden. De bodemopbouw is hier wat zandiger en wordt derhalve geïnterpreteerd als dikker oeverpakket in vergelijking met boorraaien 1 t/m 5. De bodem was hier zeer sterk uitgedroogd, waardoor geen goede waarnemingen konden worden gedaan. Op basis van de vlekkerigheid wordt de bovenste 50 à 70 cm -mv als verstoord beschouwd. Ter hoogte van boringen 94 en 95 is de top van onderliggende geulafzettingen geërodeerd bij een event dat als crevasse is aangeduid. Hoewel de top hiervan zwak humeus is, is dit in het veld als ‘geen archeologisch niveau’ aangemerkt. Hoewel deze zone in het vooronderzoek met een hogere archeologische verwachting werd aangemerkt, zijn in het veldonderzoek geen concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vindplaats waargenomen.

Figuur 16. Dwarsprofiel van raai 6 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = fragment zachtgebakken bouwpuin.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[24]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 17. Dwarsprofiel van raai 6 met interpretatie van de bodemopbouw. Dwarsprofiel van raai 6 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = fragment zachtgebakken bouwpuin.

3.2.4

Archeologische indicatoren

Hoewel het verkennend booronderzoek niet tot doel had archeologische vindplaatsen op te sporen, de boordichtheid en boordiameter waren hiertoe ontoereikend, zijn tijdens het veldonderzoek enkele boringen archeologische indicatoren aangetroffen (zie tabel 2). Indicatoren die duidelijk in een verstoorde context zijn aangetroffen, worden niet als archeologisch relevant beschouwd en worden derhalve niet nader beschreven. De indicatoren die in geulafzettingen zijn waargenomen, zijn naar verwachting verspoeld. Ze kunnen wel wijzen op de nabijheid van een vindplaats. De kleine spikkels houtskool in de geulafzettingen waren zeer moeilijk te onderscheiden van plantenresten of mangaanconcreties en zijn derhalve mogelijk abusievelijk als houtskool beschreven. Alle waargenomen indicatoren waren sterk gefragmenteerd. Derhalve zij n ze in het veld beschreven en gedetermineerd en vervolgens niet verzameld. De vondsten worden na oplevering van de rapportage gemeld in ARCHIS.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[25]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Boring

Diepte (cm -mv)

Diepte (m NAP)

Context

Indicator

3

215-225

3,89-3,79

Basis geul; verspoeld

Spikkel houtskool en zacht, oranjerood bouwpuin

14

340-380

3,74-3,64

Basis geul; verspoeld

Vermoedelijk enkele spikkels houtskool. Zeer gefragmenteerd en erg lastig te onderscheiden van plantenrestjes in hetzelfde pakket.

18

135

4,62

Geul, verspoeld

Enkele fragmentjes (sub)recent bouwpuin

19

40-80

5,09-4,69

Geul; verspoeld

Klein brokje (sub)recent bouwpuin

23

50-85

5,31-4,96

Uiterwaardafzettingen

Spikkel houtskool

36

0-45

5,39-5,94

Dijkteen

Enkele fragmenten bouwpuin

45-90

5,94-5,49

Dijkteen/bouwvoor

Spikkels bouwpuin; subrecent en ouder (zachter baksel)

41

75-95

5,12-4,92

Uiterwaardafzettingen

Spikkel houtskool

46

70-80

5,17-5,07

Sterk siltig zand; oever-achtig

Spikkel houtskool

48

90-115

5,01-4,76

Verlanding geul

Spikkel verbrande leem

220

3,71

Verlanding geul

Spikkel verbrande leem

52

130-190

6,49-5,89

Geul

Brokje bouwpuin; mogelijk erin gedrukt van bovenaf

53

315-330

4,20-4,05

(verlanding) geul

Veel spikkels; vermoedelijk hooutskool. Zeer gefragmenteerd en erg lastig te onderscheiden van plantenrestjes in hetzelfde pakket.

58

65-75

5,60-5,50

Oeverafzetting; direct onder verstoring

Spikkeltje houtskool

63

80-90

5,50-5,40

Mogelijk niveau. Zeer zwak humeus, iets gevlekt

Spikkel houtskool, spikkel verbrande leem, klein brokje zachtgebakken oranjerood puin

64

265-280

3,65-3,50

Verlanding geul

Spikkel houtskool

91

40-55

7,30-7,15

Dijkteen of cultuurlaag

Brokjes zachtgebakken oranjerood puin

80-95

6,90-6,75

Dijkteen of oeverachtig

Brokje (sub)recent bouwpuin

95-110

6,75-6,60

Vermoedelijk dijk

Stuit op handmatig ondoordringbaar puin, vermoedelijk dijk

94

70-80

6,60-6,50

Vermoedelijk verstoord

Spikkel houtskool

95

310-365

4,26-3,71

Verlanding geul (verspoeld)

Spikkel houtskool

97

55-140

6,88-6,03

Oeverwal

Spikkel zachtgebakken, oranjerood puin en spikkel houtskool

100

100-115

6,44-6,29

Oeverwal, verstoord?

Spikkel houtskool

Tabel 2. Overzicht van de archeologische indicatoren aangetroffen in het plangebied.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[26]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

3.3 Archeologische relevantie In het merendeel van de boringen is de bovenste ±50 cm -mv verstoord. Conform de verwachting van het vooronderzoek, is ter hoogte van de raaien 2 t/m 4 een groot deel van de bovengrond (grofweg 1 à 1,8 m) afgegraven bij kleiwinning. Op basis van het vooronderzoek was nog niet duidelijk in hoeverre een eventueel archeologisch relevant niveau nog aanwezig kon zijn, met name omdat aan de overzijde van de Maas, in de uiterwaarden van Demen-Dieden, een bewoningsniveau onder de uiterwaardafzettingen werd aangetroffen tussen grofweg 5 en 6,5 m NAP (Janssens & Ellenkamp, 2021). In onderhavig plangebied is echter geen begraven A-horizont aangetroffen. Aan de zone zuidelijk van Batenburg werd op basis van het vooronderzoek een hogere archeologische verwachting gekoppeld vanwege de aanwezigheid van een oeverwal en omdat hier weinig van de bovengrond is afgegraven. Bovendien heeft ter hoogte van Ringdijk 4, net buite n onderhavig plangebied, ten minste sinds de 15 e eeuw bebouwing gestaan die in voorafgaand bureauonderzoek ten onrechte als ‘klooster’ is aangeduid (zie H2) bebouwing bekend sinds 1443. Uit de boringen in raai 6 blijkt echter dat ook op de oeverwal zuidelijk van Batenburg een bodemverstoring tot minimaal 50 cm mv aanwezig is.

Hoewel er verspreid over de raai wel enkele archeologische indicatoren z ijn waargenomen, is het gros van de indicatoren uit een verstoorde context afkomstig. Er is geen archeologisch relevant niveau in raai 6 waargenomen. Conform de verwachting zijn er in de ondergrond van het gehele plangebied sterke welvingen van geulen en opduikingen van het beddingzand (kronkelwaardruggen) aanwezig als gevolg van rivieractiviteit en is typerend voor een kronkelwaard. De locatie van de geulen en (blauwe en groene boorpunten in figuur 18) en van de opduikingen van het beddingzand (oranje en rode stippen) komt redelijk overeen met de verwachting op basis van het vooronderzoek, hoewel de restgeul aan de noordwestzijde van het ‘deelgebied booronderzoek’ smaller is dan op voorhand werd verwacht. De restgeulen die op figuur 3 zijn afgebeeld, zijn doorgaans al op Rivierkaarten uit de 19 e eeuw getekend. De ouderdom van de geulen is niet bekend. De geulen zijn gevormd door de Maas en kunnen zodoende grofweg gedateerd worden tussen de Romeinse tijd en de nieuwe tijd laat. Vermoedelijk is de geul langs de dijk het oudst, aangezien de Maas later richting haar huidige loop is verplaatst. Ter hoogte van de opduikingen van het beddingzand is tevens geen archeologisch relevant niveau aangetroffen.

De restgeulen kunnen wel als archeologisch relevant worden beschouwd voor watergerelateerde archeologische resten. Archeologische resten in restgeulen betreffen doorgaans ‘puntvondsten’, zoals resten van fuiken, kano’s, beschoeiingen of rituele deposities.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[27]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 18. Diepte van het beddingzand (gekleurde stippen) geprojecteerd over de verwachtingskaart van het vooronderzoek (Witmer, 2022). N.B. De gele stip is abusievelijk als ‘klooster’ op deze kaa rt aangeduid. Dit betrof een boerderij/bouwhof uit de 15 e eeuw (zie H2).

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[28]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

4 Conclusies en advies 4.1 Conclusie De resultaten van het booronderzoek komen grotendeels overeen met de verwachting van het vooronderzoek. In een groot deel van het plangebied heeft een diepe bodemverstoring (1 à 1,8 m; mogelijk dieper) plaatsgevonden tijdens kleiwinning. Enkel in het meest westelijke deel van het ‘deelgebied booronderzoek’ (raai 1) en het meest oostelijke deel (raai 6) heeft weinig tot geen kleiwinning plaatsgevonden. Eén van de te toetsen vragen uit het vooronderzoek was in hoeverre er rond 5 à 6,5 m NAP nog een archeologisch relevant niveau aanwezig kon zijn, zoals aan de overzijde van de Maas is aangetroffen in de uiterwaarden van Demen-Dieden. Tijdens onderhavig booronderzoek is geen archeologisch relevant niveau waargenomen. Aan de restgeulen in het plangebied kan een hoge archeologische verwachting voor relatief bijzondere (aan water gerelateerde) archeologische vondsten worden toegekend, zoals fuiken, kano’s, r ituele deposities en/of vondsten van organisch materiaal.

4.2 Advies Hoewel in het plangebied geen vindplaatsen in de vorm van nederzettingsterreinen of grafvelden worden verwacht, kan met name aan de diverse restgeulen in het gebied een hoge archeologische verwachting worden toegekend voor watergerelateerde objecten. Ook bestaat er een kans op het aantreffen van kano- of scheepswrakken in het beddingzand in het gehele plangebied. Aangezien dergelijke objecten niet of nauwelijks op te sporen zijn middels een b ooronderzoek, wordt in het kader van de voorgenomen ingrepen vervolgonderzoek geadviseerd. Een dergelijk onderzoek kan plaatsvinden in de vorm van een opgraving - variant archeologische begeleiding. Het archeologisch onderzoek vindt dn tegelijkertijd plaats met de civieltechnische werkzaamheden. Eventuele vondsten worden hierbij direct ex situ veiliggesteld (gedocumenteerd en verzameld). Indien er bodemingrepen ter plaatse van restgeulen plaatsvinden, wordt aanbevolen om de ouderdom van de restgeulen te bepalen middels 14 C-dateringen zodat de archeologische verwachting kan worden verfijnd. De strategie en voorwaarden voor een gravend onderzoek worden vastgelegd in een Programma van Eisen, dat dient te worden opgesteld door een senior KNA -archeoloog en dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Zoals tevens is aangegeven in het vooronderzoek, wordt voor het deel van het plangebied dat buiten ‘deelgebied booronderzoek’ valt, geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Er fgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).

4.3 Tot slot Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Wijchen, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[29]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Literatuur Janssens, M.P.J. & G.R. Ellenkamp, 2021. PROGRAMMA VAN EISEN RAAP-PVE 2465 Vier deelgebieden Uiterwaarden Demen-Dieden Gemeente Oss Archeologisch proefsleuvenonderzoek. RAAP-Programma van Eisen 2465. Weesp. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. SIKB, 2016. Beoordelingsrichtlijn Archeologie. BRL SIKB 4000. SIKB, Gouda. Weerts, H., J. Schokker, K. Rijsdijk & C. Laban, 2006. Geologische overzichtskaart van Nederland. TNO Bouw en Ondergrond, Utrecht. Witmer, E.M., 2022. Plangebied De Lymen te Batenburg, gemeenten Wijchen en West Maas en Waal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. RAAP-rapport 5709, RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[30]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen Figuren: Figuur 1. Ligging plangebied (blauw omlijnd). Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd binnen de rood gearceerde zone (‘deelgebied booronderzoek’). Inzet: ligging in Nederland (ster).

7

Figuur 2. Inrichtingsplan (nog in ontwerp; figuur opdrachtgever).

9

Figuur 3. Verwachtingskaart op basis van het bureauonderzoek (Witmer, 2022). Rectificatie: binnen de gele cirkel is abusievelijk een kloosterlocatie aangeduid; dit betreft ‘slechts’ een boerderij/gebouw met als oudst bekende vermelding in 1443 en ligt net buiten onderhavig plangebied.

13

Figuur 4. Boorpuntenkaart.

15

Figuur 5. Foto van F. Berghuis tijdens het booronderzoek (foto auteur).

15

Figuur 6. Dwarsprofiel van raai 1 op basis van waarnemingen. ‘PA1’ = enkel fragment zacht roodbakkend bouwpuin; ‘PO1/PO2’ = enkele c.q. meerdere fragmenten hard roodbakkend bouwpuin; ‘HK2’ = fragmenten houtskool.

18

Figuur 7. Dwarsprofiel van raai 1 met interpretatie van de bodemopbouw. Boring 14 en boring 19 zijn uitgevoerd ter hoogte van twee verschillende restgeulen. ‘PA1’ = enkel fragment zacht roodbakkend bouwpuin; ‘PO1/PO2’ = enkele c.q. meerdere fragmenten hard roodbakkend bouwpuin; ‘HK2’ = fragmenten houtskool.

19

Figuur 8. Dwarsprofiel van raai 2 op basis van de waarnemingen. PA = fragment(en) zacht roodbakkend bouwpuin; PO = fragmenten hard roodbakkend bouwpuin. 1 = enkel fragment; 2 = fragmenten; 3 = veel fragmenten.

20

Figuur 9. Dwarsprofiel van raai 2 met interpretatie van de bodemopbouw. PA = fragment(en) zacht roodbakkend bouwpuin; PO = fragmenten hard roodbakkend bouwpuin. 1 = enkel fragment; 2 = fragmenten; 3 = veel fragmenten.

20

Figuur 10. Dwarsprofiel van raai 3 op basis van de waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel zacht roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

21

Figuur 11. Dwarsprofiel van raai 3 met interpretatie van de bodemopbouw. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel zacht roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

21

Figuur 12. Dwarsprofiel van raai 4 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; PO1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

22

Figuur 13. Dwarsprofiel van raai 4 met interpretatie van de bodemopbouw. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; PO1 = spikkel hard roodbakkend bouwpuin; RL1 is fragmentje verbrande leem.

22

Figuur 14. Dwarsprofiel van raai 5 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1/PA3 = enkele / veel fragmenten zachtgebakken bouwpuin; PO1 = spikkel hardgebakken bouwpuin; RL1 = spikkel verbrande leem. PO5 = ondoordringbaar puin.

23

Figuur 15. Dwarsprofiel van raai 5 met interpretatie van de bodemopbouw. HK1 = spikkel houtskool; PA1/PA3 = enkele / veel fragmenten zachtgebakken bouwpuin; PO1 = spikkel hardgebakken bouwpuin; RL1 = spikkel verbrande leem. PO5 = ondoordringbaar puin.

23

Figuur 16. Dwarsprofiel van raai 6 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = fragment zachtgebakken bouwpuin.

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

24

[31]

Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg, gemeenten W est Maas en W aal en W ijchen ; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 17. Dwarsprofiel van raai 6 met interpretatie van de bodemopbouw. Dwarsprofiel van raai 6 met waarnemingen. HK1 = spikkel houtskool; PA1 = fragment zachtgebakken bouwpuin.

25

Figuur 18. Diepte van het beddingzand (gekleurde stippen) geprojecteerd over de verwachtingskaart van het vooronderzoek (Witmer, 2022). N.B. De gele stip is abusievelijk als ‘klooster’ op deze kaart aangeduid. Dit betrof een boerderij/bouwhof uit de 15 e eeuw (zie H2).

28

Tabellen: Tabel 1. Administratieve gegevens.

8

Tabel 2. Overzicht van de archeologische indicatoren aangetroffen in het plangebied.

26

Bijlagen: Bijlage 1. Tijdschaal Bijlage 2. Boorbeschrijvingen

RAAP-rapport 6010 / versie 13-01-2023

[32]

Bijlage 1. Tijdschaal Archeologische perioden Datering

Tijdperk

Recente tijd

- 1945 C

Nieuwe tijd

- 1850

B

- 1650

A

- 1500

Laat B Laat A

Vroeg

Middeleeuwen

D: Ottoonse tijd

C: Karolingische tijd B: Merovingische tijd

A: Volksverhuizingstijd Laat

Romeinse tijd

Midden

Vroeg Laat

IJzertijd

Midden

Vroeg Laat

Bronstijd

Midden

Prehistorie

Vroeg Laat

Neolithicum (Nieuwe Steentijd)

Midden Vroeg Laat

Mesolithicum (M idden Steentijd)

Midden Vroeg Laat

Paleolithicum (Oude Steentijd)

Jong B Jong A Midden

Oud tabel1_standaard_Archeologisch_RAAP_2014

- 1250 - 1050 - 900 - 725

- 525 - 450

- 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000

- 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700

- 12.500 - 16.000

- 35.000 - 250.000

Bijlage 2. Boorbeschrijvingen

Boring: BALYM2_1 Kop algemeen: Projectcode: BALYM2, Boornummer: 1, Beschrijver(s): EW/FB, Datum: 04-08-2022, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 300 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 169126.131, Y-coördinaat in meters: 426932.779, Precisie coördinaat: 1 dm, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 6.087, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Gelderland, Gemeente: Wijchen Uitvoering: Opdrachtgever: Natuurmonumenten, Uitvoerder: RAAP Oost 0 / 6.09 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 45, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig zandig, Bijmengsel humus: matig humeus, Lithologie vrijveld: uitgedroogd Bodem: Bodemkundige interpretatie: bouwvoor 45 / 5.64 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 45, Ondergrens laag in cm: 65, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig zandig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Consistentie: stevig, Lithologie vrijveld: gevlekt Bodem: IJzer/mangaan: enkele Fe-vlekken, Brokken en vlekken: zand- en kleibrokken 65 / 5.44 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 65, Ondergrens laag in cm: 120, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-bruin-grijs

Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Sublagen1: siltlagen-enkele-dun, Consistentie: stevig Bodem: IJzer/mangaan: enkele Fe-vlekken 120 / 4.89 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 120, Ondergrens laag in cm: 135, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: licht-bruin Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Sublagen1: zandlagen-veel-dun Bodem: IJzer/mangaan: enkele Fe-vlekken 135 / 4.74 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 135, Ondergrens laag in cm: 140, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: licht-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig zandig, Sublagen1: zandlagen-veel-dun Bodem: IJzer/mangaan: enkele Fe- en Mn-vlekken 140 / 4.69 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 140, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 160, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: zwak zandig, Sublagen1: zandlagen-veel-wisselende diktes, Schelpresten: schelp (onbepaald)-fragment-weinig (1-10%), Lithogenese: zandige/kleiige geulafzettingen Bodem: IJzer/mangaan: enkele Fe- en Mn-vlekken, Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd 160 / 4.49 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 160, Ondergrens laag in cm: 240, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Sublagen1:

zandlagen-veel-wisselende diktes, Sublagen2: humuslagen-veel-wisselende diktes, Plantenresten: resten (onbepaald)-weinig (1-10%), Lithogenese: verlandingsafzettingen (restgeul) Bodem: IJzer/mangaan: enkele Fe- en Mn-vlekken, Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd 240 / 3.69 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 240, Ondergrens laag in cm: 250, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: donker-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Bijmengsel grind: zwak grindig, Sublagen1: zandlagen-veel-dun, Sublagen2: humuslagen-veelwisselende diktes, Plantenresten: hout-spoor (<1%), Lithogenese: zandige/kleiige geulafzettingen Bodem: IJzer/mangaan: enkele Mn-vlekken, Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd 250 / 3.59 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 250, Ondergrens laag in cm: 300, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: sterk siltig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Sublagen1: zandlagen-veel-dun, Sublagen2: humuslagen-veelwisselende diktes, Lithogenese: verlandingsafzettingen (restgeul) Bodem: Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd Laag opmerking: Opmerking: Gestaakt ivm vee Einde boring 300 / 3.09

bron: Balym2_definitief.geojson - 22-08-2022 16:47:53

Boring: BALYM2_2 Kop algemeen: Projectcode: BALYM2, Boornummer: 2, Beschrijver(s): EW/FB, Datum: 04-08-2022, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 250, Grondwaterstand: 120 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 169113.307, Y-coördinaat in meters: 426888.114, Precisie coördinaat: 1 dm, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 5.627, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Gelderland, Gemeente: Wijchen Uitvoering: Opdrachtgever: Natuurmonumenten, Uitvoerder: RAAP Oost 0 / 5.63 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 30, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Lithologie vrijveld: uitgedroogd Bodem: Bodemkundige interpretatie: bouwvoor 30 / 5.33 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 30, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 100, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Schelpresten: schelp (onbepaald)-gruis-spoor (<1%), Lithologie vrijveld: gevlekt Bodem: Brokken en vlekken: zand- en kleibrokken 100 / 4.63

Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 100, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 130, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: zwak zandig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Sublagen1: zandlagen-enkele-zeer dun, Plantenresten: resten (onbepaald)-spoor (<1%), Lithogenese: zandige/kleiige geulafzettingen 130 / 4.33 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 130, Ondergrens laag in cm: 140, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: zwart-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: sterk siltig, Bijmengsel humus: sterk humeus, Sublagen1: kleilagen-enkele-dun, Lithogenese: zandige/kleiige geulafzettingen 140 / 4.23 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 140, Ondergrens laag in cm: 160, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: zwart-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig zandig, Bijmengsel humus: sterk humeus, Sublagen1: zandlagen-zeer veel-zeer dun, Consistentie: slap, Lithogenese: verlandingsafzettingen (restgeul) 160 / 4.03 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 160, Ondergrens laag in cm: 175, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: zwart Lithologie: Grondsoort: veen, Bijmengsel: sterk kleiig, Sublagen1: zandlagen-veel-dun, Veensoort: veen (niet gedifferentieerd), Plantenresten: rietspoor (<1%), Lithogenese: verlandingsafzettingen (restgeul) 175 / 3.88 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 175,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=d26c446d-0a80-4d37-ba9d-640c18f57868