Bijlage II m.e.r.-beoordelingsnotitie De Lymen
Tekst van het document
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door
m.e.r.-beoordelingsnotitie De Lymen De Lymen Natuurmonumenten 130339 Definitief 28 maart 2023 130339/23-005.415 A.F. van der Meer MSc N.C. van der Zijden MSc N.C. van der Zijden MSc
Paraaf
-
Bijlage(n)
1
ALGEMEEN
1.1
Inleiding
Uiterwaard De Lymen is een uiterwaard van 65 ha. De uiterwaard ligt aan de Gelderse zijde van de Maas, tussen de kernen Batenburg en Appeltern, zie afbeelding 1.1. In De Lymen liggen vier opgaven: - de realisatie van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), in de vorm van riviernatuur; - de invulling van Kaderrichtlijn Water (KRW)-maatregelen voor de Maas in samenwerking met Rijkswaterstaat; - de realisatie van minimaal 1 cm waterstandsdaling op de Maas als onderdeel van de afspraken binnen Meanderende Maas; - de realisatie toegankelijk natuurgebied met struinnatuur. Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat zijn gezamenlijk eigenaar van deze uiterwaard en treden ook gezamenlijk op als initiatiefnemer. De uiterwaard is door de provincie Gelderland opgenomen in het Gelders Natuurnetwerk (GNN), daarom wil de provincie Gelderland hier riviernatuur realiseren middels het aanleggen van een nevengeul. De te realiseren riviernatuur is een palet van open water, moeras, natte en droge graslanden en ooibos. Daarnaast draagt dit project bij aan andere doelen. Met dit project wordt invulling gegeven aan de KRW. Het realiseren van een nevengeul in deze uiterwaard is als maatregel opgenomen in het KRW-programma. Daarnaast versterkt het realiseren van een nevengeul de natuurwaarden in uiterwaard De Lymen. En tot slot draagt het realiseren van een nevengeul bij Batenburg bij aan waterveiligheid.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c | Postbus 24087 | 3502 MB Utrecht | +31 (0)30 765 19 00 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Door het verruimen van het winterbed van de Maas wordt waterstandsdaling van de Maas gerealiseerd. Met dit project wordt gestreefd naar een waterstandsdaling van de Maas van 1 cm.
Afbeelding 1.1 Projectgebied De Lymen
1.2
m.e.r.-(beoordelings)plicht
Voor het voornemen neemt het bevoegd gezag, Rijkswaterstaat en de Gemeente Wijchen een besluit, namelijk respectievelijk het vaststellen van het projectplan Waterwet en het bestemmingsplan. De bijbehorende procedures worden hieronder toegelicht. Projectplan Waterwet Het hoofdbesluit voor de realisatie van de KRW-opgave is, op grond van artikel 5.4 van de Waterwet, een projectplan Waterwet voor het aanpassen van een waterstaatswerk. Deze is vast te stellen door Rijkswaterstaat, de beheerder van het waterstaatswerk. Natuurmonumenten voert het project uit mede namens Rijkswaterstaat. Daarvoor geldt de reguliere procedure, tenzij het bevoegd gezag daar anders toe besluit. Het bevoegd gezag (Rijkswaterstaat) mag de uitgebreide procedure van toepassing verklaren. Rijkswaterstaat heeft aangegeven vanuit zorgvuldigheid de voorkeur te hebben om de uitgebreide procedure te volgen. Bestemmingsplan De werkzaamheden zijn binnen de gemeente Wijchen niet inpasbaar binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de werkzaamheden inpasbaar te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
1.2.1
m.e.r.-beoordeling
m.e.r.-beoordelingsplicht Milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft als doel het meewegen van milieueffecten bij een plan of besluit. De Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage vormen het wettelijke kader voor m.e.r. In het Besluit milieueffectrapportage staat welke activiteiten en plannen/besluiten m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn.
2 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
In het geval van de realisatie van de nevengeul en natuurontwikkeling in De Lymen, kunnen besluiten in de categorieën C16.1 en D3.2 van toepassing zijn: - C16.1 ‘ontgronding’: · de ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem; - D3.2 - ‘realiseren waterstandsdaling’: · de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken. C16.1 - Ontgronden Het besluit ten aanzien van ontgronding is een ontgrondingsvergunning. Voor de ontgrondingsvergunning geldt, conform artikel 3.48 lid 1 sub l. van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022), een vrijstelling indien niet meer wordt ontgrond dan nodig voor het bereiken van de KRWdoelstellingen. Dat is hier het geval. Binnen het project Meanderende Maas is een Programma van Eisen KRW1 vastgesteld. Die maatregelen en uitgangspunten gaan worden toegepast op deze uiterwaard. Een analyse daarvan wijst uit dat in de gehele uiterwaard enige maaiveldverlaging toegepast moet worden, bijvoorbeeld door het toepassen van flauwe oevers.
Daarnaast zullen de natte omstandigheden die horen bij riviernatuur (gekoppeld aan de ecologische doelstellingen vanuit KRW), alleen te realiseren zijn door middel van het afgraven van andere delen van de uiterwaard. Oftewel, ontgronding zal verspreid over de gehele uiterwaard plaatsvinden, maar enkel ter realisatie van KRW-doelstellingen. Hierdoor is een ontgrondingenvergunning niet nodig, deze conclusie is afgestemd met en bevestigd door de Provincie Gelderland. Omdat er geen ontgrondingsvergunning nodig is, is er geen m.e.r.-plichtig moederbesluit bij deze categorie. D3.2 - Realiseren waterstandsdaling Voor het realiseren van waterstandsdaling moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen waarbij categorie D3.2 van toepassing is. De moederbesluiten voor deze activiteit zijn het bestemmingsplan en het Projectplan Waterwet. Er geldt voor deze categorie geen drempelwaarde, aangezien de kolom ‘gevallen’ leeg is. Daarom moet voor de realisatie van De Lymen een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling worden opgesteld. Het bevoegde gezag moet op basis van de m.e.r.-beoordelingsnotitie bepalen of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten waarvoor het doorlopen van de procedure voor milieueffectrapportage noodzakelijk is.
Het bevoegd gezag voor het projectplan en de m.e.r.-beoordeling is Rijkswaterstaat, het bevoegd gezag voor het bestemmingsplan en de m.e.r.-beoordeling is de gemeente Wijchen. Inhoud m.e.r.-beoordelingsnotitie Rijkswaterstaat en gemeente Wijchen beoordelen op grond van de Wet milieubeheer of vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, het doorlopen van de procedure voor milieueffectrapportage (MER) noodzakelijk is. Deze beoordeling vindt plaats in deze notitie. In onderstaand kader staat waar deze beoordeling aan moet voldoen.
1. Kenmerken van de projecten De kenmerken van de projecten moeten in aanmerking worden genomen, en met name: - de omvang en het ontwerp van het gehele project; - de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; - het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; - de productie van afvalstoffen; - verontreiniging en hinder;
1
Projectorganisatie Meanderende Maas, Programma van Eisen KRW Meanderende Maas, 117909-2.1.1b/20-016.723, 5 november 2020.
3 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
-
-
het risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).
2. Locatie van de projecten De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in aanmerking worden genomen, en met name: - het bestaande en goedgekeurde landgebruik; - de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan; - het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: · wetlands, oeverformaties, riviermondingen; · kustgebieden en het mariene milieu; · berg- en bosgebieden; · natuurreservaten en -parken; · gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; · gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; · gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; · landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.
Soort en kenmerken van het potentiële effect De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de onder punten 1 en 2 uiteengezette criteria, in aanmerking worden genomen met aandacht voor het effect van het project op de (samenhang tussen) bevolking en menselijke gezondheid, biodiversiteit, land, bodem, water, lucht, klimaat, materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap, met inachtneming van: - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); - de aard van het effect; - het grensoverschrijdend karakter van het effect; - de intensiteit en de complexiteit van het effect; - de waarschijnlijkheid van het effect; - de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; - de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Procedure Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken na indienen van bovenstaande informatie een besluit of al dan niet een m.e.r.-procedure wordt doorlopen.
In de motivering van haar beslissing dat al dan niet een m.e.r.-procedure nodig is, verwijst het bevoegd gezag in ieder geval naar de relevante criteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (bijlage III van 2014/52/EU, zie onderstaand kader). Als geen m.e.r.-procedure nodig is, verwijst bevoegd gezag ook naar de mitigerende maatregelen die aan deze beslissing ten grondslag liggen. Bevoegd gezag geeft hierbij aan op welk moment de maatregelen gerealiseerd moeten zijn. Bij een reguliere m.e.r.-beoordelingsplicht zal het bevoegd gezag het besluit dat er al dan niet een m.e.r.-procedure nodig is, openbaar moeten publiceren en ter inzage leggen. Als geen m.e.r.procedure nodig is, dan moet dat ook gepubliceerd worden in de Staatscourant. Bij een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht is een besluit of er al dan geen m.e.r.-procedure nodig is, ook verplicht.
4 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Dan hoeft dit besluit niet gepubliceerd te worden. In beide gevallen moet het besluit dat er geen m.e.r. nodig is bij formele stappen in de moederprocedure worden overlegd.
1.3
Leeswijzer
Voorliggende m.e.r.-beoordelingsnotitie bestaat uit zes hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op de kenmerken van het project. Hoofdstuk 3 geeft een analyse van de omgeving. Hoofdstuk 4 beschrijft de mogelijke effecten van het realiseren van de KRW-opgave en natte natuur gekoppeld aan de bestaande functies en waarden in de omgeving. Hoofdstuk 5 bevat de conclusie over de m.e.r. plicht. Aan het einde van de notitie is een literatuurlijst opgenomen.
2
KENMERKEN VAN HET PROJECT
Dit hoofdstuk beschrijft de eisen en voorwaarden waaraan het realiseren van de KRW-opgave en riviernatuur gaan voldoen. De kenmerken worden beschreven aan de hand van de punten die zijn gevraagd in bijlage III van de Europese richtlijn (zie kader in paragraaf 1.2.2). De kenmerken (dit hoofdstuk) gekoppeld aan de gevoeligheid van het gebied (hoofdstuk 3) leiden tot de effectbeschrijving en -beoordeling (hoofdstuk 4). De kenmerken volgende kenmerken worden in aanmerking worden genomen: - de omvang en het ontwerp van het gehele project (H2.1); - het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit (H2.2); - verontreiniging en hinder (H2.3); - de risico's voor de menselijke gezondheid (H2.4); - het risico van zware ongevallen en/of rampen (H2.5). In de beoordeling moet rekening gehouden worden met effecten van andere projecten die tegelijkertijd worden uitgevoerd. Meanderende Maas wordt uitgevoerd in de periode 2023 - 2028. Meanderende Maas en De Lymen leiden samen tot waterstandsdaling zoals overeengekomen in het kader van Meanderende Maas, en hebben positieve effecten op natuurwaarden. De gelijktijdige uitvoering kan leiden tot een cumulatie van stikstofdeposities. Hier wordt in de effectbeoordeling rekening mee gehouden. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten in dit gebied.
Hier wordt in de m.e.r.-beoordeling niet verder op ingegaan. Bij de realisatie van natte natuur worden geen afvalstoffen geproduceerd, anders dan de emissies door de gebruikte machines bij de aanleg, dit wordt beschreven bij het kenmerk ‘verontreiniging en hinder’. Productie van afvalstoffen is daarom niet relevant voor deze m.e.r.-beoordeling.
2.1
Omvang en het ontwerp van het gehele project
Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat hebben het voornemen om natuur te ontwikkelen in de Maasuiterwaarden tussen Batenburg en Appeltern. Dit gebied bestaat op dit moment uit intensief agrarisch gebied van 65 ha met akkers en graslanden. Door een aantal inrichtingsmaatregelen wordt het gebied omgevormd tot natuur met het landschapstype: rivier- en moeraslandschap (N01.03). Dit landschapstype bestaat uit een aantal beheertypen, zoals rivier, zoete plas, moeras, droog schraalland en overstromingsgrasland, ruigteveld, rivier en beekbegeleidend bos. Overzicht Het ontwerp bestaat uit een stelsel van ondiepe, laag dynamische geulen met slikkige, deels rietbegroeide oevers (zie afbeelding 2.1) in de hele uiterwaard. De droge delen zullen verruigen en, met name op de hogere delen, zal ooibos tot ontwikkeling komen. Naast de geulen zullen ook een aantal bestaande laagtes licht uitgediept worden en zal een aantal nieuwe, ondiepe poelen worden gegraven. Deze zullen niet permanent watervoerend zijn, maar zullen worden gevoed door regenwater, dat in droge perioden langzaam zal uitzakken (Natuurmonumenten, Bureau Drift, H+N+S, 2022).
5 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Afbeelding 2.1 Ontwerp nevengeul De Lymen
Maaiveldontwerp In het voorlopige ontwerp is de ligging en diepte van de geulen al nauwkeurig bepaald. Dit is gedaan aan de hand van grondboringen, waarmee een beeld is verkregen van de onderliggende zandspiegel. Dit onderliggende reliëf vertegenwoordigt de oorspronkelijke topografie en deze wordt in het ontwerp versterkt, zie hiervoor afbeelding 2.2. Tussen de geulen en de Maas is een aantal drempels aangebracht die bij verschillende afvoeren vanuit de Maas overstromen. Hierbij komt een afvoer van 650 m3/s of hoger, gemiddeld zo’n 40 dagen per jaar voor. Een afvoer van 1.300 m3/s wordt zo’n 4 dagen per jaar overschreden en een afvoer van 1.900 m3/s komt gemiddeld slechts één keer per jaar voor (Natuurmonumenten, Bureau Drift, H+N+S, 2022).
Afbeelding 2.2 Maaiveldontwerp met debieten waarbij drempels overstromen. Bij hogere waterstanden stroomt het gebied achterwaarts in
6 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Afbeelding 2.3 Representatieve technische doorsnede met zandspiegel en vergravingen (hoogte 1:250, lengte 1:1000)
Beheer Het gebied zal hoofdzakelijk worden beheerd door toepassing van verlengde seizoensbegrazing met runderen. Wellicht zal het in de toekomst ook nodig zijn begrazing door paarden in te zetten. Waar en wanneer nodig, zal aanvullend geklepeld worden om te voldoen aan de vegetatielegger van Rijkswaterstaat. De nevengeul wordt beheerd zodat deze zowel aan haar ecologische als hydrologische functie kan voldoen. De afspraken over het beheer tussen Natuurmonumenten worden vastgelegd in een beheervisie en beheerovereenkomst. Recreatieve toegankelijkheid Het gehele gebied zal vrij toegankelijk zijn. Omwonenden en recreanten kunnen overal door het gebied struinen. Daarnaast zullen met name de eerste jaren een aantal doorgaande wandelroutes worden uitgemaaid. Deze zullen tevens als beheerpaden fungeren. Wanneer geulen bij hogere waterstanden instromen en wandelroutes deels onderlopen, dan zal een select aantal verbindingen toegankelijk blijven middels stapstenen. Een deel van het gebied zal tijdens hoogwater juist ook niet toegankelijk zijn, om de rust voor bepaalde diersoorten te waarborgen. In overleg met de gemeenten zal aan de buitenkant van de dijk een fietspad worden voorzien. Vanaf het water kan het gebied eventueel toegankelijk worden gemaakt voor kanovaarders. Voor hen zou langs de oever een kleine inham gemaakt kunnen worden, waaraan zij aan land kunnen komen.
2.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Natuurlijke hulpbronnen betreffen niet-vernieuwbare en vernieuwbare grondstofvoorraden, milieuvoorraden (schoon water, schone lucht, ruimte) en biodiversiteit. Voor het realiseren van de natuurontwikkeling worden geulen gegraven en wordt het maaiveld afgegraven. Zand en klei dat hierbij vrijkomt kan, indien het voldoet aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit, worden hergebruikt voor het profileren van de geulen en het verlengen van grondlichamen tegen de dijk ten behoeve van recreatiemogelijkheden. Dit vermindert een vrijwel niet-vernieuwbare voorraad. Om het ontwerp zoals beschreven in paragraaf 2.1 te realiseren vinden er graafwerkzaamheden en verplaatsing van grond plaats in het uiterwaardgebied De Lymen. Op basis van een eerste boring op 10 locaties is 91.000 m³ afvoerbare klei aanwezig. Om de nevengeul te realiseren is er een verplaatsing van grond van 110.000 m³, deels zandig, deels bovengrond nodig. Dit kan (grotendeels) bij de profilering van de nevengeul worden gebruikt. Omdat voor realisatie van de nevengeul gebruik wordt gemaakt van de natuurlijke hulpbron (klei)grond, gaat hoofdstuk 3 verder in op de effecten hiervan.
2.3
Verontreiniging en hinder
Bij dit criterium gaat het om de productie van verontreiniging en hinder vanuit de kenmerken van het project. Verontreiniging en hinder kan mogelijk plaatsvinden in de doorlooptijd van de aanlegfase en de gebruiksfase. Deze paragraaf beschrijft de productie van verontreiniging en hinder vanuit het project. Hoofdstuk 4 gaat in gaan op de daadwerkelijke (resterende) effecten.
7 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Aanlegfase De in de aanlegfase te gebruiken voertuigen en machines maken geluid en stoten uitlaatgas uit. Ook kan er sprake zijn van morsen van olie en brandstof (bijvoorbeeld bij calamiteiten, schade en/of breuk van leidingen). De voertuigen voldoen aan wet- en regelgeving. De uitvoering van de werkzaamheden start in 2024 en zal verder plaatsvinden in 2025. De aan- en afvoer van materieel en materiaal zal via het water plaatsvinden. De aanleg voldoet aan de relevante wet- en regelgeving. Ondanks het toepassen van de relevante wet- en regelgeving kan er sprake zijn van nadelige effecten. Het kenmerk verontreiniging en hinder in de aanlegfase is daarmee relevant voor de m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 4 gaat hier verder op in bij de thema’s natuur en milieukwaliteit. Gebruiksfase In de gebruiksfase is er geen sprake van verontreiniging en hinder. De nevengeul zal fungeren als een natuurlijk deel van het watersysteem van de Maas. Het kenmerk verontreiniging en hinder in de gebruiksfase is daarmee niet relevant voor deze m.e.r.-beoordeling.
2.4
Risico van zware ongevallen en/of rampen
Het project kent geen directe risico’s op zware ongevallen en of rampen. In dit project worden wel maatregelen, zoals het graven van de KRW-geul, voorzien in de nabijheid van de primaire waterkering. Het is om rampen, zoals dijkdoorbraken en overstromingen, te voorkomen van belang dat de veiligheid en stabiliteit van de waterkering niet afneemt. Paragraaf 4.1 gaat daarom in op de waterstanden en hoogwaterveiligheid.
2.5
Risico's voor de menselijke gezondheid
Ontplofbare oorlogsresten Op basis van een bureauonderzoek van Saricon B.V. (2022) is het hele plangebied onverdacht op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO). In de onverdacht verklaarde gebieden kunnen de werkzaamheden regulier, dus zonder explosievenopsporing, plaatsvinden. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Risico gaat hierbij om een combinatie van de kans van een ongeval en het effect ervan. Tijdens de gebruiksfase gaat het om extensieve recreatie, er zijn geen risico’s voor externe veiligheid. Bouwveiligheid Voor het project gelden de wettelijke regels voor bouwveiligheid. Het project moet voldoen aan de protocollen van Rijkswaterstaat. Dit betekent dat de stabiliteit van de oevers geborgd is, er geen overstromingsrisico’s zijn. en ook de veiligheid van de werknemers tijdens de aanlegfase geborgd is. Conclusie risico’s voor de menselijke gezondheid Vanuit ontplofbare oorlogsresten, externe veiligheid en bouwveiligheid worden geen bijzondere risico’s verwacht. Aanzienlijke milieueffecten zijn daarmee uitgesloten.
8 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
2.6
Conclusie kenmerken project
Op basis van de beschreven kenmerken zijn omgevingseffecten als gevolg van ontgravingen voor de realisatie van de KRW-opgave, niet op voorhand uitgesloten. Het projectgebied en haar omgeving kan nog aanvullende eigenschappen en/of kwetsbaarheden bevatten die geraakt kunnen worden bij de voorgenomen activiteit. Dit kan bijvoorbeeld gaan om wetgeving die van toepassing is op (een deel van) het gebied, kwetsbare (dier)soorten die in het gebied leven of elementen met een cultuurhistorische waarde. Het is daarom nodig om te kijken naar de locatie van de voorgenomen activiteit en de aanwezige waarden (hoofdstuk 3), om daarna de effecten en de waarden te kunnen koppelen en beoordelen (hoofdstuk 4).
3
LOCATIE VAN HET PROJECT
Dit hoofdstuk gaat in op de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn. De kenmerken worden beschreven aan de hand van de punten die zijn gevraagd in bijlage III van de Europese richtlijn (zie kader in paragraaf 1.2.2). De kenmerken van het project (vorig hoofdstuk) gecombineerd met kenmerken en gevoeligheid van het gebied (dit hoofdstuk) bepalen of het nodig is om te beoordelen of er effecten optreden. Deze effectbeschrijving en -beoordeling staat in hoofdstuk 4. Dit hoofdstuk gaat achtereenvolgens in op: - het bestaande en goedgekeurd landgebruik; - relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen; - het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: · wetlands, oeverformaties, riviermondingen; · kustgebieden en het mariene milieu; · berg- en bosgebieden; · natuurreservaten en -parken; · gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; · gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; · gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; ·
landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
3.1
Bestaand en goedgekeurd landgebruik
Het huidig landgebruik bestaat uit agrarische percelen (afbeelding 3.1) van zowel grasland als akkerbouw (maïsteelt). De Maasoever op de ingreeplocatie bestaat uit zandige strandjes, kort gemaaid gras en enkele grote oude (baken)bomen. Het plangebied voor de inrichting van De Lymen is gelegen binnen twee gemeenten: Wijchen en (voor een klein deel) WestMaas en Waal. Onderstaand wordt per gemeente aangegeven wat de huidige bestemming is.
9 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Afbeelding 3.1 Agrarische percelen in uiterwaard De Lymen, foto in oostelijke richting (bron: Natuurbalans, 2022)
Het vigerende bestemmingsplan binnen de gemeente Wijchen is het bestemmingsplan 'Buitengebied Wijchen', vastgesteld op 31 maart 2013, zie afbeelding 3.2. Op de projectlocatie liggen de enkelbestemmingen 'Agrarisch met waarden - 3' en 'Natuur - 2'. De gronden met deze enkelbestemmingen zijn ingevolge artikel 6, respectievelijk artikel 15 van het bestemmingsplan mede bestemd voor 'water en waterhuishoudkundige doeleinden'. De voorgenomen ontwikkeling is in de gemeente Wijchen inpasbaar binnen de omschrijving van de enkelbestemmingen, alleen binnen de bestemming ‘Natuur - 2’ is opgenomen dat het uitvoeren van graafwerkzaamheden strijdig is. De werkzaamheden zijn binnen de gemeente Wijchen dus niet inpasbaar binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de realisatie van de KRW-maatregelen inpasbaar te maken kan een nieuw bestemmingsplan of wijzigingsplan worden opgesteld, of kan een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden aangevraagd. Voor de realisatie van De Lymen is in overleg met de gemeente Wijchen gekozen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen.
10 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Afbeelding 3.2 Bestemmingsplan buitengebied Wijchen
Het vigerende bestemmingsplan binnen de gemeente West Maas en Waal is het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal', vastgesteld op 9 juli 2014, zie afbeelding 3.3. Op de projectlocatie liggen de enkelbestemmingen 'Agrarisch met Waarden - Uiterwaard' en 'Water' en de gebiedsaanduiding 'Ecologische Hoofdstructuur'. Dubbelbestemmingen worden bij de Omgevingsvergunning Werkzaamheden geanalyseerd. De gronden met de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Uiterwaard' zijn ingevolge artikel 6 van het bestemmingsplan mede bestemd voor 'het behoud, beheer en/of herstel van landschappelijk en ecologische waarden' en 'watergangen'. De gronden met de bestemming 'Water' zijn ingevolge artikel 18 mede bestemd voor 'waterhuishoudkundige doeleinden' en 'Waterberging'. Binnen het grondgebied van de gemeente West Maas en Waal zijn de werkzaamheden inpasbaar met het vigerende bestemmingsplan.
Afbeelding 3.3 Bestemmingsplan buitengebied West Maas en Waal
11 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
3.2
Relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen
Dit criterium gaat erover of er gebieden zijn binnen of rond de locatie, die belangrijke, hoogwaardige of schaarse middelen bevatten. Dit gaat bijvoorbeeld over waterlichamen. Grenzend aan de projectlocatie ligt de Maas, die is aangewezen als KRW-waterlichaam. De effectbeoordeling gaat daarom in op waterkwaliteit en KRW.
3.3
Opnamevermogen van het natuurlijke milieu
Bijlage III van de EU-richtlijn vraagt om de kwetsbaarheid van het natuurlijke milieu te beschrijven. Met daarbij bijzondere aandacht voor verschillende typen gebieden. Hieronder wordt voor de relevante type gebieden: natuur (paragraaf 3.3.1), landschap en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang (paragraaf 3.2.2) aangegeven wat de huidige situatie is. Paragraaf 3.3.3 gaat in op de huidige milieukwaliteit.
3.3.1
Natuur
Natura 2000-gebied Alle Wetlands die Nederland heeft aangemeld bij het Ramsarbureau zijn inmiddels ook aangewezen als Natura 2000-gebied. Bij de beoordeling van effecten is het Natura 2000-regime aangehouden. De ingreeplocatie ligt ruim buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op circa 7 km afstand van de ingreeplocatie (afbeelding 3.4).
Afbeelding 3.4 Ligging van De Lymen (rode omlijning) ten opzichte van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het betreft Vogelrichtlijngebied (lichtpaarse vlakken) en Habitatrichtlijngebied (donkerpaarse vlakken)
12 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Gelders Natuurnetwerk De maatregel ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het natuurdoeltype waar het voornemen plaats vindt is geclassificeerd als N00.001 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur. Het gebied is door provincie Gelderland beschikbaar gesteld voor ontwikkeling naar natuur (N01.03 Rivier- en moeraslandschap). Het voornemen ligt binnendijks circa 100 m van natuurbeheertype N12.06 Ruigteveld en N12.03 Glanshaverhooiland. Buitendijks sluit het gebied aan bij N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos en N10.02 Vochtig hooiland. Omdat het projectgebied binnen het GNN valt, is het van belang dat de mogelijke effecten op dit gebied als gevolg van de maatregel goed worden onderzocht. Hier wordt verder op ingegaan in hoofdstuk 4. Beschermde soorten Uit de quickscan ‘Beschermde Natuur Maasuiterwaarden De Lymen (Natuurbalans, 2022)’ bleek dat (leefgebied van) de volgende, in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten, aanwezig kunnen zijn in het plangebied.
De volgende soorten zijn relevant voor het plangebied en het project: - vogels met een jaarrond beschermd nest: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk en steenuil; - algemene broedvogels; - vleermuizen: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis; - gebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, eekhoorn en steenmarter. Omdat uit de quickscan blijkt dat in het plangebied beschermde soorten aanwezig kunnen zijn, worden in hoofdstuk 4 dit mogelijke effect en bijbehorende maatregelen toegelicht.
3.3.2
Landschap en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Landschappelijke waarden Het gebied is onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), deelgebied 150: Maasuiterwaarden Heumen-Alphen. Dit deelgebied heeft de volgende kernkwaliteiten: - dynamische rivier met geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied én verbinding tussen Midden-Europa (Frankrijk) en de Noordzee(kust); - noordoever Maas met variabel, grotendeels agrarisch, maar ook industrieel/recreatief cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen; - waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën (onder andere knoflookpad), ringslang, vissen en bever, leefgebied das, leefgebied steenuil, leefgebied kamsalamander; - plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos; in het bijzonder De Maasheggen bij Overasselt; - cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken (kades en sluisjes); - kleiwinningen; - onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen en steenfabrieken); - rust, ruimte en duisternis met uitzondering van de omgeving van stedelijke gebieden; - abiotiek: aardkundige waarden (onder meer reliëf van oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen), kwel, bodem). Paragraaf 4.5 beschrijft de effecten op de landschappelijke waarden.
Historische geografische structuren, patronen en elementen Een groot deel van de uiterwaard is reeds vergraven in het verleden en heeft daarmee geen geomorfologische waarden meer. Verder zijn er op de geomorfologische kaart van Nederland meanderruggen en geulen in de uiterwaard aanwezig. Daarnaast zijn langs de Maas bakenbomen aanwezig. Hier wordt in de effectbeoordeling rekening mee gehouden.
13 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Historisch-bouwkundige structuren, patronen en elementen Er zijn geen rijksmonumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten aanwezig in het plangebied. Het dichtstbijzijnde beschermde dorpsgezicht is Batenburg. Echter wordt deze niet geraakt door de komst van de nevengeul, omdat de maatregel enkel in de uiterwaard plaatsvindt en niet in het dorp Batenburg. De dijk is als cultuurhistorisch lijnelement waardevol. Hier wordt in de effectbeoordeling rekening mee gehouden. Archeologische waarden De resultaten van het booronderzoek komen grotendeels overeen met de verwachting van het vooronderzoek. (RAAP, 2022). In een groot deel van het plangebied heeft een diepe bodemverstoring (1 à 1,8 m; mogelijk dieper) plaatsgevonden tijdens kleiwinning. Enkel in het meest westelijke deel van het ‘deelgebied booronderzoek’ (raai 1) en het meest oostelijke deel (raai 6) heeft weinig tot geen kleiwinning plaatsgevonden. Eén van de te toetsen vragen uit het vooronderzoek was in hoeverre er rond 5 à 6,5 m NAP nog een archeologisch relevant niveau aanwezig kon zijn, zoals aan de overzijde van de Maas is aangetroffen. Tijdens onderhavig booronderzoek is geen archeologisch relevant niveau waargenomen.
Aan de restgeulen in het plangebied kan een hoge archeologische verwachting voor relatief bijzondere (aan water gerelateerde) archeologische vondsten worden toegekend, zoals fuiken, kano’s, rituele deposities en/of vondsten van organisch materiaal. Hier wordt in de effectbeoordeling rekening mee gehouden. Tijdens het booronderzoek is gebleken dat kleiwinning in het gebied heeft plaatsgevonden. Uit het onderzoek is niet vast te stellen in hoeverre archeologische resten al zijn verdwenen, als gevolg van de kleiwinning. Daarnaast niet is vast te leggen in hoeverre de Maas eventuele archeologische resten al heeft opgeruimd.
3.3.3
Milieukwaliteit
Bodemopbouw De bovenlaag (groen - HLc) bestaat voornamelijk uit een kleiige laag met daaronder een grofzandige (roze - KRz2 en KRz3) tot grindige laag die op zijn beurt weer op een kleidek (bruin) in de diepe ondergrond ligt. Daaronder ligt een diep pakket grof zand (geel - PZWAz4). Door de grove laag (roze - KRz2 en KRz3) stroomt het freatisch grondwater naar de Maas. Hierdoor kan verwacht worden dat in gegraven wateren die de doorlatende laag aansnijden kwel optreedt.
Afbeelding 3.5 Bodemopbouw (bron: Dinoloket)
14 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Bodemkwaliteit Uit het verkennend (water)bodemonderzoek (IDDS, 2022) blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie de kwaliteit van de waterbodem varieert tussen Altijd toepasbaar en Nooit toepasbaar. De bovengrond is in het algemeen meer verontreinigd dan de ondergrondlagen. In één van de monsters (boring 25) wordt de interventiewaarde in de diepere ondergrond overschreden en voor deze locatie is sanering noodzakelijk indien er tot en met minstens deze diepte wordt gegraven. De bovengrond is op basis van PFAS niet toepasbaar. Deze grond kan (ervan uitgaande dat geen sprake is van uitschieters) echter wel stroomafwaarts worden toegepast in het projectgebied, omdat dit gebied zich binnen volledig binnen hetzelfde oppervlaktewaterbodemlichaam bevindt. Watersysteem In het gebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De uiterwaard grenst direct aan de Maas.
3.4
Conclusie locatie van het project
Op basis van de gebiedsbeschrijving is duidelijk dat er gevoelige gebieden aanwezig zijn binnen het plangebied. Het is daarom nodig om de kenmerken van het project en de waarden te koppelen en beoordelen (hoofdstuk 4). Het plangebied vormt namelijk leefgebied voor beschermde soorten en ligt in en nabij GNN; de locatie zelf is aangeduid als locatie waar GNN ontwikkelt gaat worden (waar het project invulling aan geeft). Bovendien zijn in het gebied delen aanwezig met een hoge archeologische verwachting voor watergerelateerde objecten. Met name het buitendijkse gebied betreft beschermd landschap. Hoofdstuk 4 beoordeelt daarom of er effecten optreden.
4
SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT
Dit hoofdstuk gaat in op de mogelijke effecten (bijvoorbeeld vernietiging, doorsnijding, verstoring en veranderingen bodemomstandigheden) per relevant thema. Hierbij wordt ingegaan op: - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); - de aard van het effect; - het grensoverschrijdend karakter van het effect; - de intensiteit en de complexiteit van het effect; - de waarschijnlijkheid van het effect; - de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; - de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; - de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Als er sprake is van aanzienlijke milieueffecten waarvoor geen mitigerende maatregelen worden getroffen, dan moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Bij elk thema of criterium is aangegeven of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Op basis van de beschreven kenmerken in hoofdstuk 2 en 3 gaan we in dit hoofdstuk in op de volgende aspecten van het project en de omgeving: - rivierkunde; - water; - bodem; - natuur; - landschap en plaatsen van historisch-, cultureel- of archeologisch belang; - milieukwaliteit; - gebruiksfuncties.
15 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
4.1
Rivierkunde
Waterstand en hoogwaterveiligheid Het doel van dit project is het realiseren van een waterstandsdaling van circa 1 cm. Met de aanleg van de nevengeul krijgt het water uit de Maas bij hoog water dus meer ruimte. De kans op een waterstand die leidt tot overstroming wordt verlaagd, waarmee het effect op de waterveiligheid dus naar verwachting positief is. Effecten op de stabiliteit van het dijklichaam zijn uitgesloten. Door kadeverlaging wordt de inundatiefrequentie van de uiterwaard hoger, omdat de uiterwaard met een natuurfunctie dient om meer ruimte aan de rivier te geven als overstromingsgebied door toegenomen dynamiek. Dit is positief voor de te ontwikkelen natuurtypen, die gebaat zijn bij natuurlijke variatie. Er zijn geen aanzienlijke effecten op de waterstand of hoogwaterveiligheid waarvoor een MER moet worden doorlopen. Stroombeeld in de vaarweg en dwarsstroming In het ontwerp van de nevengeul is rekening gehouden met het stroombeeld en de dwarsstroming van de Maas. De nevengeul is zodanig ontworpen er geen tot minimale effecten zijn op het stroombeeld in de vaarweg of hinderlijke dwarsstroming: de geul is benedenstrooms aangesloten en de plaats, hoogte en overstromingsfrequenties van de drempels zijn gebaseerd op het voorkomen van rivierkundige effecten. De bevaarbaarheid van de Maas wordt niet beïnvloed.
Sedimentatie en erosie zomer- en winterbed In het ontwerp van de nevengeul is rekening gehouden met sedimentatie en erosie. De geulen en verlagingen zijn zo ontworpen dat de uiterwaard vanaf de benedenstroomse zijde volstroomt. Pas als de uiterwaard vol water staat, stroomt ook de kade aan de bovenstroomse zijde over. Zo wordt grote stromingen in het gebied voorkomen. De aantakking van de geul op de Maas is zo vormgegeven dat er geen ongewenste aanzanding of erosie van het zomer- of winterbed plaats vindt.
4.2
Water
Grondwaterstand Met het graven van de nevengeul en het verlagen van het maaiveld wordt het winterbed van de Maas verlaagd. De grondwaterstanden en de grondwaterkwaliteit zijn een afgeleide van de waterstanden en de kwaliteit van het Maaswater. Dit komt doordat de Maas insnijdt in het eerste watervoerend pakket. In een reguliere situatie is het grondwaterpeil in uiterwaard De Lymen iets hoger dan het Maaspeil (bron: MER eerste fase Meanderende Maas). Dit betekent dat de Maas drainerend werkt. Het graven van een nevengeul leidt daardoor tot een toename van kwel in de nevengeul, maar een afname in de overige delen van de uiterwaard De Lymen. Echter, door maaiveldverlaging in de uiterwaard komt de grondwaterstand wel dichter bij het maaiveld. De inrichting van de nevengeul zorgt daarom lokaal voor beperkte veranderingen in de grondwaterstand ten opzichte van maaiveld. Binnendijks effect op de grondwaterstand in de reguliere situatie zijn naar verwachting verwaarloosbaar, doordat het zomerbed van de Maas een dominante invloed heeft op de grondwaterstanden en stijghoogten. In overeenstemming met Waterschap Rivierenland worden deze binnendijkse effecten op grondwater worden komend jaar, en als nodig meerjarig, gemonitord met behulp van peilbuizen. Bij hoogwatersituaties leidt dit tot een verhoging van de kweldruk binnendijks, maar deze is beperkt ten opzichte van de huidige kweldruk.
Doordat de weerstand van de bodem afneemt (er is minder slecht doorlatende grond aanwezig), leidt de nevengeul in principe tot een verhoging van de kweldruk. De bijdrage van de nevengeul is, in vergelijking met de huidige kweldruk van de Maas, beperkt. Dit wordt nog onderbouwd met geohydrologisch onderzoek. Als uit modellering blijkt dat effect optreedt (kwel of wegzijging), worden maatregelen genomen met kleiafdichtingen van ontgravingen. Kwelstroming wordt hiermee tegengegaan waardoor er geen wezenlijke verandering in de binnendijkse grondwaterstand en kweldruk verwacht worden. Door het tegengaan van deze kweldruk middels het afdichten met een kleipakket als dat nodig is, treedt er geen effect op.
16 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Oppervlaktewatersysteem Het gehele gebied ligt buitendijks en grenst direct aan de Maas en is daarmee onderdeel van het watersysteem van de Maas. Er is geen effect op de oppervlaktewaterkwantiteit van het watersysteem van de Maas. Daarnaast zijn er geen directe effecten op het binnendijkse oppervlaktewatersysteem, anders dan genoemd onder grondwater. Er zijn geen significant negatieve effecten op het oppervlaktewatersysteem. Waterkwaliteit Het realiseren van een nevengeul in uiterwaard De Lymen is een KRW-maatregel en draagt dus bij aan de doelstelling: het verbeteren van de waterkwaliteit. Het belang hiervan wordt benadrukt in de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 6 mei 2022. Hierin wordt de uitspraak gedaan dat een project geen tijdelijke negatieve effecten op waterkwaliteit mag hebben. De natuurwaarde in de uiterwaard wordt verhoogd met de komst van een nevengeul. Een verhoogde natuurwaarde resulteert in een verbeterde ecologische waterkwaliteit. Het effect op waterkwaliteit is daarmee positief.
4.3
Bodem
Het realiseren van de nevengeul veroorzaakt grondverzet. Op basis van verkennend (water)bodemonderzoek (IDDS, 2022) is geconstateerd dat in één van de monsters de interventiewaarden overschreden worden. Als voor deze locatie sanering noodzakelijk is, verbetert de feitelijke kwaliteit van de bodem. Er zal voldaan worden aan het Besluit bodemkwaliteit. Het project veroorzaakt vanuit het aspect bodem dus geen aanzienlijke milieueffecten. In het gebied zijn geen aardkundige waarden (meer) aanwezig. Er is geen effect.
4.4
Natuur
Gelders Natuurnetwerk De voorgenomen activiteit gaat om het omvormen van landbouwgrond naar natuur, en draagt dus bij aan het realiseren van het GNN. Door de maatregel wordt het areaal rivier gebonden natuur vergroot. De maatregelen dragen bij aan zowel de kwaliteit van het leefgebied, als aan een diversiteit aan soorten, als ook aan de verbindende functie door de aantakking op de Maas. Het type natuur verandert. De omvang van het GNN blijft gelijk. Er zijn positieve effecten op de kernkwaliteiten (zoals beschreven paragraaf 3.3.2) doordat het areaal rivier gebonden natuur wordt vergroot. Zo worden dynamische rivierprocessen en -transporten bevorderd en kleinschalige landschappen versterkt bij realisatie van de nevengeul. Er is dus een positief effect op het GNN. KRW De realisatie van de geul is erop gericht om de waterkwaliteit van het oppervlaktewater geomorfologisch en ecologisch naar een gewenst niveau te brengen. Er is door de aanleg van de nevengeul een positief effect op de KRW. Natura 2000-gebied Zoals beschreven in paragraaf 3.3.1 ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op 7 km afstand van het plangebied. De voorgenomen activiteit zal geen invloed hebben op dit Natura 2000-gebied omdat het plangebied van uiterwaard De Lymen buiten de invloedssfeer hiervan ligt. Er is geen kans op externe werking.
Ook effecten van stikstofuitstoot (NOx) en -depositie op stikstofgevoelige habitats en soorten worden als nihil ingeschat, gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, de aard van de herbestemming en de aard en duur van de werkzaamheden om tot die werkzaamheden te komen. Deze conclusie is getrokken op basis van onderzoek in het project Meanderende Maas, waarbij vergelijkbare grondverzet maatregelen op aanzienlijk grotere schaal plaatsvinden. Bovendien wordt voor dit project de bestemming van landbouwgrond omgezet naar natuur. Hierdoor is er in de gebruiksfase van De Lymen en er tijdens de aanleg geen stikstofemissie meer als gevolg van landbouwkundig gebruik, en neemt de stikstofemissie in de nieuwe gebruikssituatie af ten opzichte van de huidige emissie.
17 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
In Meanderende Maas zijn minimale effecten van stikstofdepositie verwacht en deze zijn tijdens de aanlegfase bij De Lymen nog kleiner, en vervolgens positief in de gebruiksfase. De beperkte effecten van stikstofdepositie zijn dermate gering dat hiervoor geen MER hoeft worden doorlopen, wel worden ter onderbouwing van deze redeneerlijn, de formele besluiten voorzien van Aerius-berekeningen. Doordat de effecten in beide projecten zeer gering zijn, is er geen sprake van cumulatieve effecten. Met de Aerius-berekeningen wordt bij uitwerking van de plannen onderbouwd dat bovenstaande aannames correct zijn. Daartoe worden de uitkomsten van deze berekeningen voor aanleg en uitwerking van de plannen gedeeld. Beschermde soorten Uit de Natuurtoets is gebleken dat er een aantal beschermde soorten aanwezig zijn in en rond het projectgebied, namelijk een aantal soorten vogels met een jaarrond beschermd nest, broedvogels, vleermuizen en gebonden zoogdieren. Per klasse worden de effecten en te nemen maatregelen beschreven. - vogels met een jaarrond beschermd nest: · de nesten van vogels met een jaarrond beschermd nest zijn niet aangetroffen in het projectgebied. Er zijn dus geen effecten en geen maatregelen nodig; - broedvogels: · voor verschillende broedvogels is uiterwaard De Lymen broedgebied.
Om in de realisatiefase negatieve effecten ten aanzien van broedvogels te voorkomen, dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen van aanwezige broedvogels. Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om de ingreeplocatie voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken voor vogels om er te broeden, op voorwaarde dat met zekerheid is vastgesteld dat er geen essentiële functies, zoals verblijfplaatsen en vliegroutes, voor andere beschermde soorten aanwezig zijn. Zie voor verdere uitwerking van de mitigerende maatregelen ‘quickscan beschermde natuur Maasuiterwaarden De Lymen’ (natuurbalans, 2022). Met inachtneming van deze maatregelen zijn negatieve effecten op broedvogels tijdens de realisatiefase uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase heeft nevengeul De Lymen een positief effect op broedvogels. Omdat de uiterwaard wordt omgevormd tot natuur draagt de toekomstige uiterwaard bij aan een verbeterde habitat voor broedvogels met meer beschutting en minder verstoring; - vleermuizen: · het projectgebied biedt geen geschikte verblijfplaats, geen foerageergebied en geen vliegroute voor de vleermuis.
Hieruit blijkt dat er als gevolg van het project geen verstoring van vleermuizen plaatsvindt; - gebonden zoogdieren: · voor de verblijfplaats van de bever geldt dat deze zich op een locatie bevindt waar geen verstoring zal plaatsvinden als effect van het project. Risico is dat na uitwerking van de plannen de uiterwaard een verblijfplaats gaat worden voor de bever en deze mogelijk de stabiliteit van de dijk aan gaat tasten. Tijdens de inrichting wordt dit risico meegenomen en als nodig zullen hiertegen maatregelen worden getroffen. Voor de bunzing en de steenmarter die zijn aangetroffen, geldt dat de locatie waar zij waargenomen zijn (binnen de projectlocatie) nu geen geschikte leeflocatie is, en na de voorgenomen maatregel wel. Het effect van de ingreep voor deze soorten is daarom juist positief. Voor de das geldt dat er ruimte afstand zit tussen de projectlocatie en de locatie waar zij gesignaleerd zijn. Negatief effect is daarmee uitgesloten. Voor de eekhoorn geldt dat er geen nesten zijn waargenomen, en dat het uitgestrekte agrarische landschap geen geschikt leefgebied is voor deze soort. negatieve effecten zijn daarmee voor de eekhoorn uitgesloten.
18 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
4.5
Landschap en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Landschappelijke waarde De uiterwaard is nu agrarisch van aard. Met het realiseren van de nevengeul krijgt de uiterwaard een natuurfunctie, waarmee de landschappelijke waarde van het gebied een positieve impuls krijgt. Dit komt voort uit de Interprovinciale Structuurvisie Meanderende Maas, waarin de thema’s ‘Riviernatuurpark’, ‘Rijk cultuurhistorisch landschap’, ‘Aantrekkelijk recreatielandschap’ en ‘Economische kracht’ centraal staan. In het uiterwaardgebied De Lymen staat het thema Riviernatuurpark, een rivier- en moeraslandschap met ooibos en rietmoeras, centraal. Daarnaast wordt met de komst van de nevengeul de oude boogmeander weer zichtbaar gemaakt in het landschap en worden de bakenbomen behouden en daarmee de structuur langs de gehele Maas. Hieraan wordt gewerkt met alle betrokken partijen. Aanzienlijke negatieve milieueffecten op het landschap en ruimtelijke kwaliteit zijn dus uitgesloten. De kernkwaliteiten blijven behouden en/of worden versterkt. Historische geografische structuren, patronen en elementen Het projectgebied bevat geen cultuurhistorische objecten en structuren met hoogwaardige geografische waarden, omdat het gebied enkel uit agrarische grond bestaat. Effect op cultuurhistorie is daarmee uitgesloten.
Archeologische waarden Zoals beschreven in paragraaf 3.3.2, is gebleken uit het onderzoek van RAAP dat het projectgebied mogelijk archeologische waarde heeft. Aan de restgeulen in het plangebied kan een hoge archeologische verwachtingswaarde voor relatief bijzondere (aan water gerelateerde) archeologische vondsten worden toegekend, zoals fuiken, kano’s, rituele deposities en/of vondsten van organisch materiaal. Archeologisch beleid is erop gericht om vondsten te bewaren in de bodem (in situ) of op te graven en veilig te stellen. Met archeologische begeleiding tijdens de realisatie van het project wordt geborgd dat eventuele (onverwachte) vondsten/opgravingen veilig kunnen worden gesteld. Er is daarmee geen significant negatief effect op archeologische waarden.
4.6
Milieukwaliteit
Aanlegfase Tijdens de aanlegfase van Nevengeul De Lymen vinden verschillende werkzaamheden plaats in het uiterwaardgebied. Zo zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden om de nevengeul uit te graven. Hierbij wordt voldaan aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit lozen buiten inrichtingen/ Activiteitenbesluit. Daarnaast wordt grond verplaatst binnen het projectgebied en verloopt de aan- en afvoer van grond via het water. De aan- en afvoer van materiaal en materieel zorgt tijdens de realisatie dan voor een beperkt extra vervoersbewegingen, denk aan medewerkers die naar het projectgebied toe moeten. Er wordt geen grootschalige hinder verwacht. De realisatie verloopt volgens de wettelijke normen en standaarden. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase heeft het projectgebied geen negatief effect op de referentiesituatie op het gebied van zowel geluid, luchtkwaliteit als externe veiligheid. Het projectgebied krijgt een andere bestemming (natuur) ten opzichte van de referentiesituatie (landbouw) maar de milieukwaliteit voor het projectgebied en haar omgeving neemt daardoor niet af. De milieukwaliteit neemt op het gebied van geluid en luchtkwaliteit iets toe, omdat agrarisch vervoer van, naar en in het projectgebied niet meer plaatsvindt.
19 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
4.7
Gebruiksfuncties
Scheepvaart Naast de onderzochte mogelijke effecten op het stroombeeld in de vaarweg en de dwarsstroming (zoals beschreven in paragraaf 4.1), verandert het project niets aan de referentiesituatie voor de scheepvaart. Omdat de voorgenomen activiteit enkel in de uiterwaard plaatsvindt, en niet in de vaarweg van de Maas, is geen sprake van een aanzienlijk milieueffect waarvoor het doorlopen van een m.e.r. noodzakelijk is. Landbouw Uiterwaard De Lymen heeft in de referentiesituatie de volgende bestemmingen: - ‘agrarisch met waarden - uiterwaard’; - ‘natuur’; - ‘water’. De huidige landbouwgrond wordt, met wijziging van het bestemmingsplan, omgezet naar natuur. De gebruiksfunctie landbouw is met wijziging van het bestemmingsplan niet meer relevant omdat het gebied een natuurbestemming heeft gekregen, en hoeven er geen maatregelen getroffen te worden om de gebruiksfunctie landbouw te behouden. Recreatie Het hoofddoel van dit project is natuurontwikkeling, waarbij recreatief medegebruik wordt gefaciliteerd. In de uiterwaard worden graspaden voor extensieve recreatie aangelegd. Daarnaast wordt een fietspad aangelegd. .
4.8
Conclusie soort en kenmerken van het potentiële effect
Bij het project ‘De Lymen’ ontstaan milieueffecten op verschillende milieuthema’s: zowel negatieve als positieve effecten. De negatieve effecten van de ingreep hebben een geringe omvang, duur en/of frequentie. Dit betreft zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Bij alle thema’s zijn de negatieve effecten beperkt of kunnen deze worden weggenomen door het nemen van maatregelen. Zo wordt de grond met klei afgedicht wanneer er negatief effect optreedt als gevolg van kweldruk. De positieve effecten die project ‘De Lymen’ heeft, zijn het een verbetering van de hoogwaterveiligheid (waterstandsdaling), de versterking van natuurwaarden en positieve effecten op de KRW, en een verbetering van de landschappelijke waarde. Concluderend is er daarmee geen sprake van aanzienlijke negatieve milieueffecten waarvoor de procedure van milieueffectrapportage doorlopen moet worden.
5
SAMENVATTING EN CONCLUSIE
De voorgenomen activiteit is het omvormen van landbouwgrond naar natuur en de inrichting van een nevengeul, die bijdraagt aan de KRW-doelstellingen en zorgt voor een natuurlijk watersysteem. Daarom geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De vraag in deze notitie was of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het project In hoofdstuk 2 zijn de kenmerken van het project besproken. Op basis van de beschreven kenmerken waren omgevingseffecten als gevolg van de realisatie van de KRW-opgave niet op voorhand uitgesloten. Het projectgebied en haar omgeving kan nog aanvullende eigenschappen en/of kwetsbaarheden bevatten die geraakt kunnen worden bij de voorgenomen activiteit. Hieronder vallen de wetgeving die van toepassing is op (een deel van) het gebied, kwetsbare (dier)soorten die in het gebied leven, elementen met een cultuurhistorische waarde of elementen die invloed hebben op de scheepvaartfunctie van de Maas.
20 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
Locatie van het project In hoofdstuk 3 is de plaats van het project besproken. Op basis van de gebiedsbeschrijving was duidelijk dat er gevoelige gebieden aanwezig zijn binnen het plangebied: het gebied is aangemerkt als GNN. In de omgeving (aan de overzijde van de Maas) liggen gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Brabant. Daarnaast vormt het plangebied vormt leefgebied voor beschermde soorten. Bovendien zijn in het gebied delen aanwezig met een hoge archeologische verwachting voor watergerelateerde objecten. Met name het buitendijkse gebied betreft beschermd landschap. Kenmerken van de potentiële effecten In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten besproken. Het doel van het project is invulling geven aan de KRW-opgave en de specifieke kenmerken van het GNN in het gebied. Dit wordt met het voornemen bereikt, zodat het project positieve effecten heeft op de natuur en het watersysteem (KRW). De negatieve effecten van de ingreep hebben een geringe omvang, duur en/of frequentie of kunnen worden weggenomen met maatregelen. Dit betreft zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Er worden geen belangrijk nadelige effecten voor het milieu verwacht. Er is daarmee geen sprake van aanzienlijke milieueffecten waarvoor de procedure van milieueffectrapportage doorlopen moet worden.
Bij de effectbeoordeling is, naast de in hoofdstuk 2 beschreven maatregelen ten aanzien van hoogwaterveiligheid, natuur en archeologie aanvullend uitgegaan van het garanderen van de bereikbaarheid van de dijk als (recreatieve) route en, indien nodig, het beperken van kwel bij hoog water door klei in de bodem van de nevengeul te verwerken. Verder zijn er geen aanvullende maatregelen nodig. Conclusie Op basis van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten van het project, worden geen belangrijke nadelige effecten verwacht van het project. Ook aard, plaats, potentiële effecten en cumulatieve effecten in samenhang beschouwend zijn er geen belangrijke nadelige effecten te verwachten. Hierdoor wordt het doorlopen van een procedure voor milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.
21 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief
6 -
-
REFERENTIES Natuurmonumenten, Bureau Drift, H+N+S Landschapsarchitechten. Natuurontwikkeling De Lymen Voorlopig ontwerp. 14 september 2022. Natuurbalans - Limes Divergens BV. Quick Scan Beschermde Natuur Maasuiterwaarden De Lymen, Toetsing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming en gebiedsbescherming. 6 april 2022. Saricon B.V. De Lymen briefrapportage ontplofbare oorlogsresten. 09 mei 2022. RAAP. Plangebied De Lymen te Appeltern en Batenburg - Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek. 22 augustus 2022. Witmer, E.M., 2022. Plangebied De Lymen te Batenburg, gemeenten Wijchen en West Maas en Waal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. RAAP-rapport 5709, RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Provincie Noord-Brabant; Provincie Gelderland, 2020. Interprovinciale structuurvisie Meanderende Maas. Ingenieursteam Meanderende Maas, 2020. Milieueffectrapport (MER) eerste fase Meanderende Maas.
Gebruikte internetbronnen: - https://www.natuurmonumenten.nl/projecten/meer-maas.
22 | 22
Witteveen+Bos | 130339/23-005.415 | Definitief