CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Toelichting bestemmingsplan

Raad openbaar Wijchen 29 september 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 73099 Beslisnota Vaststellen bestemmingsplan Boskant 127 te Wijchen11.335 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan – Toelichting “Buitengebied, Boskant 127, Wijchen”

Realisatie van een woning in een bestaand bijgebouw op het perceel Boskant 127, Wijchen 24 april 2022 Identificatienummer: NL.IMRO.0296.BGBboskant127-ONBP

INHOUDSOPGAVE Pagina Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Ligging en globale begrenzing Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

Hoofdstuk 2 2.1 2.2

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

5.1 5.2

10 11 14

Milieu- en omgevingsaspecten

Milieueffectrapportage Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en Milieuzonering Geurhinder Bodem Externe veiligheid Kabels en leidingen Waterparagraaf Flora en Fauna Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en Parkeren

Hoofdstuk 5

6 8

Beleidskader

Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4

3 3 4 5

Planbeschrijving

Huidige situatie Toekomstige situatie

Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3

Inleiding

18 18 18 19 20 21 21 23 23 29 32 34

Juridisch planopzet

Algemene opzet Toelichting op de regels en verbeelding

35 35

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen 6.2 Plan specifiek

37 37

Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4

Overleg en Inspraak

Inleiding Inspraak / vooroverleg Vaststellingsprocedure Beroep

38 38 38 38

Bijlagen bij de Toelichting Bijlage 1: Watertoets Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 2 van 38

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Inleiding De eigenaren (verder: initiatiefnemers) van het perceel Boskant 127, Wijchen hebben het voornemen een woning te realiseren in een bestaand bijgebouw. Het bijgebouw is reeds in gebruik als gastenverblijf. De woning wordt energieneutraal gerealiseerd. Ook wordt de bestaande woning verduurzaamd. Daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast met inheemse beplanting. Het plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan geeft hier invulling aan en geeft de kaders aan waarbinnen de ontwikkeling mogelijk is. 1.2

Ligging en globale begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Boskant 127 in de gemeente Wijchen. De Boskant is een buurtschap in het zuidoosten van de gemeente Wijchen, gelegen in de provincie Gelderland. Het buurtschap behoort bij het dorp Alverna. De Boskant ligt tussen Wijchen en het buurtschap de Bullenkamp.

Afbeelding 1: Globale ligging van het plangebied (bron: www.perceelloep.nl)

Het plangebied is gelegen in een bosrijke omgeving. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele burgerwoningen. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Wijchen, sectie Q, nummer 80. Het plangebied heeft een oppervlakte van 5.200 m². Op afbeelding 2 is de ligging en de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 3 van 38

Afbeelding 2: Luchtfoto van het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ten aanzien van alle gronden is van toepassing het bestemmingsplan “Buitengebied Wijchen”, zoals op 31 januari 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Wijchen. Volgens dit bestemmingsplan rusten op de gronden de enkelbestemmingen “Wonen” en “Natuur-1”. Daarnaast is er voor bijna het gehele perceel een dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 2” opgenomen, voor een klein gedeelte geldt de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 1”. En is er een gebiedsaanduiding opgenomen “milieuzone – hydrologische beschermingszone”.

Afbeelding 3: Uitsnede verbeelding van het geldende bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 4 van 38

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieu hygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 5 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 6 is de financiële haalbaarheid onderbouwd. Ten slotte is in hoofdstuk 7 de bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan gevolgde procedure beschreven.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 5 van 38

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Wijchen, in het buurtschap de Boskant. Het is een bosrijke omgeving met voornamelijk burgerwoningen en enkele solitaire recreatiewoningen in de omgeving. In de directe omgeving zijn geen bedrijven meer aanwezig. De afgelopen jaren hebben er verschillende functieveranderingen plaatsgevonden waardoor agrarische bedrijven zijn beëindigd en nieuwe burgerwoningen zijn gerealiseerd. Functionele structuur omgeving Binnen het plangebied is een twee-onder-één kap woning aanwezig, op korte afstand van de Boskant. Het perceel is gedeeltelijk als tuin ingericht en gedeeltelijk als weiland in gebruik. Het betreffende bijgebouw is een voormalige paardenstal en momenteel in gebruik als gastenverblijf. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie.

Afbeelding 6: Foto´s huidige situatie westzijde van het bijgebouw _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 6 van 38

Afbeelding 7: Foto´s huidige situatie oostzijde

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 7 van 38

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemers zijn voornemens het bijgebouw om te vormen tot permanente woning. Initiatiefnemers hebben de gemeente verzocht het bijgebouw te mogen gebruiken als seniorenwoning, zodat de ouders op korte afstand kunnen wonen en de initiatiefnemers in de toekomst zorg kunnen verlenen aan de ouders op de momenten dat het nodig is. In de toekomst zou de woning geschikt kunnen zijn als starterswoning voor de kinderen van de initiatiefnemers. Parkeren dient op eigen perceel plaats te vinden. Er is voldoende ruimte op het perceel om de parkeerbehoefte op te vangen. De woning wordt energieneutraal gerealiseerd. Ook wordt de bestaande woning verduurzaamd. Daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast met inheemse beplanting. De realisatie en de instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt geborgd in het bestemmingsplan.

Afbeelding 8: Landschappelijke inpassing (bron: Oostzee Ontwerp en Omgeving)

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 8 van 38

Om de woning energieneutraal te maken zijn de initiatiefnemers voornemens de buitenzijde van het bijgebouw te isoleren. Het streven is een energie neutrale woning te realiseren. Deze verduurzaming is ook direct een kans om het aanzicht te verbeteren. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie. Een nieuwe schil rondom de woning geeft het bijgebouw de uitstraling van een schuurwoning, waarmee de uitstraling aanzienlijk zal verbeteren.

Afbeelding 9: Impressie toekomstige situatie

Bebouwing De nieuwe woning krijgt een ontsluiting via het bestaande erf op de Boskant. Het erf wordt gezamenlijk gebruikt, er is dan ook geen extra ontsluiting noodzakelijk. De woning wordt met de voorgevel georiënteerd op het bestaande erf. In het bestemmingsplan is een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter opgenomen. Daarmee is er de ruimte om een schil te realiseren rondom de bestaande bebouwing, maar zal de hoofdmassa beperkt wijzigen. Voor het bouwvlak is aangesloten bij de omvang van het oorspronkelijke gebouw. Oorspronkelijk zat de paardenstal vast aan het grote bijgebouw, zodat er inpandig meer ruimte ontstaat voor de noodzakelijke installaties voor een energie neutrale woning. Er hoeft geen nieuw bijgebouw opgericht te worden, omdat er gezamenlijk gebruik gemaakt kan worden van het aanwezige bijgebouw.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 9 van 38

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan de Rijksoverheid inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie Het voorgenomen initiatief voorziet in de realisatie van een energie neutrale woning in een bestaand bijgebouw. Het perceel wordt landschappelijk ingepast met inheemse beplanting. Hiermee wordt een passende combinatie van functies voorgesteld die aansluit op de kenmerken en identiteit van het gebied. De ontwikkeling past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 10 van 38

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd. Beoordeling en conclusie Er is uitsluitend sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij er geen nationale belangen in het geding zijn. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een verplicht motiveringsinstrument, dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.

Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503). In een bestemmingsplan moet worden aangegeven, dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Ook moet een motivering worden opgenomen dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Beoordeling en conclusie Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2016:1503) blijkt, dat het toevoegen van één woning niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling.

Om deze reden is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie gaaf Gelderland Op 19 december 2018 is de Omgevingsvisie gaaf Gelderland vastgesteld en op 1 maart 2019 in werking getreden. De provincie wil Gelderland in de toekomst ‘gaaf’ houden, en vindt dat we daar nu wat voor moeten doen. De provincie staat voor stevige uitdagingen. De wereld verandert ingrijpend en snel. Er zijn grote, grensoverschrijdende ontwikkelingen die ook Gelderland raken. Het energievraagstuk, _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 11 van 38

klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, verdere verstedelijking in combinatie met krimp, toenemende mobiliteit op de weg en in de lucht, digitalisering en internationalisering. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Dat is het streven. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Energietransitie: van fossiel naar duurzaam Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer Circulaire economie: sluiten van kringlopen Biodiversiteit: werken met de natuur Bereikbaarheid: duurzaam verbonden Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam

Een visie met werking: vier Gelderse DOE principes De provincie wil ontwikkelingen stimuleren, ruimte maken voor nieuwe technologieën en werkgelegenheid, kansen pakken op het terrein van duurzaamheid, economische kracht en verbondenheid. Niet zomaar en overal, maar met oog voor de veiligheid en de kwaliteiten die Gelderland uniek maken. Doe-principes in het kort: • • • •

Doen: We kijken breed met focus en zoeken actief ruimte Laten: We stimuleren niets buiten onze visie Zelf: We nemen zelf verantwoordelijkheid en geven het goede voorbeeld Samen: We doen het samen en met oog voor innovatie

Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is gebaseerd op de Rijksladder voor duurzame verstedelijking. De Rijksladder is al van kracht. Ook als de provincie deze Rijksladder niet in haar verordening opneemt, zijn partijen gebonden aan de Rijksladder. De ladder is beoogd als instrument om niet te denken in termen van ‘waar mag iets wel of niet’ maar in termen van ‘denk goed na, volg de juiste stappen’ om te komen tot nieuwe ontwikkelingen binnen en buiten stedelijk gebied en bij het stellen van prioriteiten bij overcapaciteit. Goede afwegingen bij keuzes voor nieuwbouw en prioritering bij overcapaciteit in landelijk en stedelijk gebied zijn belangrijk. De provincie wil en durft te variëren in het maken van de goede keuzes. Soms is een toevoeging aan het landelijk gebied een plus die gewenst is. Dit kan zijn op het gebied van kleinschalig wonen, werken, vrijetijdseconomie etc. Het uitgangspunt is wel dat grote ontwikkelingen in of dichtbij stedelijke gebieden plaatsvinden. Wonen in Dynamisch Gelderland De kwantitatieve regionale opgave voor wonen wordt door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Deze opgave werken partijen in de regio in het kader van de Regionale Woonagenda verder uit. De bestaande gebouwde voorraad staat daarbij centraal.

Afspraken worden gemaakt over aanpassing van bestaande woningen, sloop met vervangende nieuwbouw, verdunning, het benutten van kansen van functieverandering en tenslotte de nieuwbouw. Duurzaamheid en kwaliteit gaan hand in hand. Kwaliteit moet meer inhouden dan kwalitatieve aspecten (betaalbaarheid, aandeel huur en aandeel ouderenwoningen). Het gaat ook om gebruikskwaliteit, bouwkundige kwaliteit, energetische kwaliteit en kwaliteit van de woonomgeving. De kwaliteitsaspecten worden geagendeerd via de Regionale Woonagenda's, waarbij alle relevante partijen in een regio betrokken worden. Daarbij kan het gaan _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 12 van 38

over betaalbaarheid, het aandeel huur en het aandeel ouderenwoningen en andere kwalitatieve aspecten, afhankelijk van de situatie in de betreffende regio. Omgevingsverordening Gelderland De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. Voor de planontwikkeling is het thema Wonen van belang.

In artikel 2.2.1.1 (Wonen) is bepaald dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het Kwalitatief Woonprogramma voor de betreffende regio en het Regionaal Programma Wonen. Het gaat om alle nieuwe woningen die in een bestemmingsplan worden opgenomen. Andere thema’s binnen de Omgevingsverordening zijn plussenbeleid, glastuinbouw en intrekgebied. Plussenbeleid heeft betrekking op de intensieve veehouderij en is dus niet van toepassing op het voorliggende initiatief. Er is geen sprake van glastuinbouw en is dus niet van toepassing op het voorliggende initiatief. Voor de bescherming van het grondwater is een intrekgebied opgenomen in de verordening. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater. Beoordeling Het plangebied maakt, zoals navolgende kaart ook laat zien, geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN).

Afbeelding 10: Uitsnede Gelders Natuurnetwerk (Bron: Provincie Gelderland)

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 13 van 38

Dit plan voorziet in het toevoegen van één extra woning in een bestaand bijgebouw binnen een bestaande woonbestemming. Per saldo versterkt dit plan de kernkwaliteiten en levert het een bijdrage aan de ontwikkelingsdoelen. Het landschappelijk inpassingsplan staat daarbij aan de basis. Er worden verschillende landschapselementen aangelegd waarmee de natuurwaarde van het GNN gebied wordt verhoogd. Dit komt onder andere ten goede aan de landschapsstructuur en de biotopen van verschillende insectensoorten en zoogdieren. De kernkwaliteiten van het gebied worden hiermee per saldo versterkt. De uitvoering van de landschappelijke inpassing is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de toename van de natuurwaarden planologisch is verankerd. Conclusie Het initiatief past binnen de omgevingsvisie en -verordening Gelderland.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Strategische visie In maart 2007 is de Strategische Visie Wijchen 2025 vastgesteld. In deze visie wordt een doorkijk gegeven naar de gewenste ontwikkeling van de gemeente Wijchen tot het jaar 2025. De visie richt zich op een viertal leidende thema's, te weten: bedrijvig Wijchen, sociaal sterk, duurzaam groen en de Wijchense identiteit. Duurzaam en kwalitatief zijn ook sleutelwoorden voor de ontwikkeling van het buitengebied en de kleine kernen. De grote rijkdom aan natuur- en landschapswaarden vormt het uitgangspunt voor verdere ontwikkeling. Wijchen zet in op een beheerste groei van recreatie, verbrede landbouw, ontwikkeling van groene en blauwe diensten en vitale kernen. Er wordt een groene relatie tussen het stedelijk gebied met het buitengebied nagestreefd met zo weinig mogelijk barrières. De groen-blauwe relatie tussen de kern Wijchen en het omringende buitengebied wordt verbeterd teneinde groen en water tot in de kern te laten doorlopen. In de Strategische visie 2025 zijn de belangrijkste 'groene' ambities als volgt verwoord: 1. 2. 3. 4.

verdere ontwikkeling alleen met respect voor landschap, cultuurhistorie en natuur; meer ruimte voor water; duurzame inrichting; nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan hun bijdrage aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit.

De groene ambities zijn nader vorm gegeven in het gemeentelijke Groenstructuurplan kleine kernen (april 2004) en het Landschapsontwikkelingsplan (december 2006).

3.3.2 Structuurvisie Wijchen De Structuurvisie Wijchen, die door de gemeenteraad op 9 juli 2009 is vastgesteld, betreft een doorvertaling van de strategische opgaven die zijn geformuleerd in de strategische visie Wijchen 2025. Uitgegaan wordt van een compacte groei en het benutten van de potenties van bestaand stedelijk gebied zonder daarbij de bestaande kwaliteit aan te tasten, in combinatie met een vitaal platteland en sterke kleine kernen. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 14 van 38

De gemeente wil de komende 10 jaar onder meer: 1. 2. 3. 4. 5.

herstel hydrologie kwelgebieden in Oost Wijchen; ontwikkeling en versterking van de EVZ Heumen – Horssen; aanleg van landschapselementen en (erf)beplantingen, die passen bij het gebied; versterken van cultuurhistorische landschapselementen en patronen; nieuwe woningen in het buitengebied alleen in geval van functieverandering of landgoederen in het kader van de Natuurschoonwet; 6. kleinschalige bedrijvigheid in het kader van verbreding van de landbouw in het buitengebied; 7. ruimte voor versterking en ontwikkeling agrarische sector; 8. behoud en versterking bestaande recreatie terreinen; 9. extensieve recreatie in het landelijk gebied door een goede en aantrekkelijke ontsluiting; 10. behoud en versterking van een goede woon- en leefomgeving. Door deze ontwikkeling met ruimtelijk beleid te begeleiden is er geen sprake van aantasting van ruimtelijke kwaliteit, maar veeleer van behoud en versterking van kwaliteiten. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dienen de uitgangspunten uit de structuurvisie in acht genomen te worden. Beoordeling Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de structuurvisiekaart.

Afbeelding 11: Uitsnede Structuurvisiekaart Wijchen (Bron: gemeente Wijchen)

Op het bestaande woonperceel komt naast de bestaande woning één extra woning. Daarmee levert het plan een directe bijdrage aan een urgent maatschappelijk probleem als ook aan de gemeentelijke doelstelling uit de structuurvisie om te zorgen voor voldoende huisvesting voor ouderen en te stimuleren dat ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 15 van 38

Naast bovengenoemde maatschappelijke meerwaarde draagt de ontwikkeling ook bij aan het versterken van de landschapskwaliteiten van het kleinschalige rivierduinenlandschap. Dit gebeurd onder andere door het aanleggen van landschap(s)elementen en (erf-) beplantingen die passen in het gebied. De nieuwe woning draagt zo bij aan het landschap en de structuur van het buitengebied. Conclusie Het plan past binnen de structuurvisie Wijchen.

3.3.3 Woonagenda Subregio Nijmegen e.o. 2020-2030 Met de woonagenda leggen de samenwerkende gemeenten in de subregio Nijmegen e.o. een gezamenlijke koers vast om tegemoet te komen aan de woonopgaven voor de jaren 2020-2030. Het centrale doel is het zorgen voor een blijvend goed woon- en leefklimaat voor alle huidige en toekomstige inwoners van de subregio, met voldoende woningen, kwantitatief en kwalitatief voor iedereen die dat nodig heeft. In de woonagenda zijn diverse afspraken gemaakt en ambities uitgesproken. Eén van de belangrijkste ambities die in de woonagenda wordt genoemd is het versnellen van de woningbouw om aan de groei van de woningbehoefte te kunnen voldoen en op het huidige woningtekort te kunnen inlopen. Om die reden wil de subregio tot 2030 20.500 woningen realiseren, waarvan 1.430 woningen in de gemeente Wijchen. Beoordeling en conclusie Het planvoornemen sluit aan bij de ambities van de woonagenda. Er wordt immers een woning gerealiseerd en bijgedragen aan de woningbouwopgave. Het plan past binnen de “Woonagenda Subregio Nijmegen e.o. 2020-2030.

3.3.4 Woonvisie Wijchen 2025 De Woonvisie Wijchen zet de koers van het gemeentelijk woonbeleid uit naar de toekomst. Hierin wordt omschreven waar moet worden bijgestuurd, afgeremd of versneld om de doelen van het woonbeleid te bereiken. De woonvisie heeft twee uitgangspunten: het thuisgevoel versterken en verder kijken dan de trends van nu. Om het woningaanbod in balans te krijgen wordt in de woonvisie gesproken over meer mogelijkheden voor starters, jonge gezinnen, (vitale) senioren en mensen met een zorgvraag. Het is de bedoeling dat starters en jonge gezinnen in de gemeente kunnen blijven of komen wonen. Dit kan onder andere door mogelijkheden te bieden voor splitsing van bestaande woningen, waardoor een koopwoning binnen het financiële bereik van starters kan komen. Daarnaast is het de bedoeling dat (vitale) senioren en mensen met een zorgvraag langer zelfstandig kunnen wonen. Dit leidt tot een toenemende behoefte aan nieuwe woonvormen, zoals verschillende generaties onder één dak en het toevoegen van woningen in een vorm waarbij de eindgebruiker centraal staat. Beoordeling Voorliggend plan maakt één extra woning mogelijk binnen een bestaand bijgebouw. Daarmee draagt het plan als particulier initiatief summier bij aan het kwantitatieve woningbouwprogramma binnen de gemeente.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 16 van 38

In de woonvisie benadrukt de gemeente het belang dat ouderen langer zelfstandig blijven wonen. Voorliggend plan heeft als achterliggend doel dat de ouders van initiatiefnemers langer woonachtig kunnen blijven op de plek en verzorgd kunnen worden door hun kinderen. De nieuwe woning zal als levensloopbestendige woning worden ingericht. Het plan komt daarmee tegemoet aan een belangrijke doelstelling uit de woonvisie. Conclusie Het initiatief past binnen de Woonvisie Wijchen 2025.

3.3.5 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen", vastgesteld door de gemeente Wijchen op 31 januari 2013. In 2014 is het bestemmingsplan herzien, zonder wezenlijke wijzigingen voor het plangebied als gevolg. Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Wonen - 1', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' en een gebiedsaanduiding 'milieuzone - hydrologische beschermingszone'. Onderstaand een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan. In het plangebied geldt tevens het "Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen", vastgesteld op 3 mei 2017. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.11.

Afbeelding 12: Uitsnede verbeelding van het geldende bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen de bestemming 'Wonen - 1' is per bestemmingsvlak maximaal 1 woning toegestaan. In onderhavig bestemmingsvlak is al een woning aanwezig. Het bouwen van een nieuwe woning in het plangebied is daarom strijdig met het geldende bestemmingsplan. Binnen het plangebied is tevens een klein gedeelte als “Natuur” bestemd. Dit gedeelte is in het voorliggende bestemmingsplan conform het feitelijk gebruik ook als wonen bestemd, overeenkomstig het provinciale Gelders Natuurnetwerk (afbeelding 9). _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 17 van 38

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieueffectrapportage Met dit bestemmingsplan wordt één woning mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit m.e.r. moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Beoordeling en conclusie De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage C en D van het Besluit m.e.r., omdat er gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Er worden geen m.e.r.(beoordelings-)plichtige activiteiten mogelijk gemaakt. Er is daarom geen m.e.r.(beoordelings-)procedure noodzakelijk en er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. 4.2 Geluid Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: • • •

de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg.

Beoordeling en conclusie Het initiatief voorziet in de realisatie van een woning in een bestaand bijgebouw. De woning is geluidsgevoelig volgens de Wgh. Gelet op de lage verkeersintensiteit van de (smalle) Boskant, de grote afstand tot de weg en de ligging achter een (groter) bijgebouw is er geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Er kan op voorhand met zekerheid worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hiermee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:   

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 18 van 38

het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  

het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2ìg/m3).

Beoordeling en conclusie De ontwikkeling betreft de realisatie van een woning in een bestaand bijgebouw. Daarmee is op voorhand zeker, dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het plan leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en levert geen relevante wijziging in de verkeersafwikkeling op. Een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.4

Bedrijven en Milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden, zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 19 van 38

Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Beoordeling en conclusie Vanuit milieuzonering is het van belang om het wederzijds effect van de nieuwe woning en bedrijven uit de omgeving te beoordelen. In de omgeving zijn voornamelijk burgerwoningen en enkele solitaire recreatiewoningen. In de omgeving van het plangebied zijn twee agrarische bedrijven aanwezig (Geitweg 4 en Boskant 116). Beide bedrijven vallen in de milieucategorie 3.1, waarmee de richtafstand 50 meter bedraagt. De feitelijke afstanden tussen deze bedrijven en de nieuwe woning is met 450 en 400 meter ruimschoots voldoende. Er is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' zorgt niet voor belemmeringen voor het initiatief. 4.5 Geurhinder Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling In de omgeving van het plangebied zijn twee agrarische bedrijven aanwezig. Het agrarisch bedrijf aan de Geitweg 4 is in de bestaande situatie in gebruik als grondgebonden landbouwbedrijf. Op de locatie liggen planologische gebruiksmogelijkheden om er landbouwdieren te houden, met uitzondering van de vestiging van intensieve veehouderij. De minimale afstand die vanuit geurbelasting wordt gehanteerd bij vaste afstand dieren buiten de bebouwde kom bedraagt 50 meter. De feitelijke afstand bedraagt 450 meter. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 20 van 38

Het agrarische bedrijf aan de Boskant 116 is een melkrundveebedrijf. De minimale afstand die vanuit geurbelasting wordt gehanteerd bij vaste afstand dieren buiten de bebouwde kom bedraagt 50 meter. De feitelijke afstand bedraagt 400 meter. Conclusie Het aspect 'geur' zorgt daarom ook niet voor belemmeringen van het plan.

4.6 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald, dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. Voor de gevallen waarin de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, bepaalt de Wet bodembescherming dat de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een woning in een bestaand bijgebouw, met beperkte uitbreiding, planologisch mogelijk. Daarmee is de toekomstige functie een gevoeligere functie dan het huidige gebruik. Zodoende is er een quickscan bodem uitgevoerd om te achterhalen of de bodemkwaliteit voldoende is voor het beoogde gebruik. Uit de quickscan komt naar voren dat er geen aanleiding is naderonderzoek uit te voeren. De locatie is onverdacht en geschikt voor het toekomstig gebruik. De quickscan is beoordeeld en akkoord bevonden door het bevoegd gezag. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 4.7

Externe veiligheid

Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 21 van 38

individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Planbeoordeling Het plan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning in een bestaand bijgebouw. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 10 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

Afbeelding 13: Uitsnede provinciale risicokaart met het plangebied in de rode cirkel.

Gasleiding Op minimaal 350 m afstand ten oosten van het plangebied ligt een gasleiding. De afstand is dermate groot dat het plangebied buiten het invloedsgebied van deze leiding ligt. Het toevoegen van één woning zorgt voor een beperkte verhoging van de personendichtheid. De toename in de personendichtheid is dusdanig beperkt dat het groepsrisico niet berekenbaar zal toenemen. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 22 van 38

In de omgeving van de nieuwe woning liggen geen andere risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect externe veiligheid.

4.8

Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan. 4.9

Waterparagraaf

4.9.1. Algemeen Wettelijk kader Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal bestuursakkoord water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In een ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met water en watervoorzieningen. Het beoogde ruimtegebruik mag immers geen negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie en vice versa. Dit moet zijn onderzocht en onderbouwd in de waterparagraaf van bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing. De watertoets betreft het belang van de waterbeheerders: het waterschap, het rijk, de provincie en de gemeente. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding.

Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap (of resultaat van de digitale watertoets) in de waterparagraaf verwerkt. Onderdelen van de waterparagraaf zijn: beschrijving beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie (oude en nieuwe situatie), motivering welke ruimtelijke keuzes gemaakt zijn en wat daar de waterhuishoudkundige gevolgen van zijn. Die gevolgen mogen niet negatief zijn.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 23 van 38

Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeentelijk waterbeleid In de Strategische waternota van de gemeente Wijchen zijn de thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Deze zijn ook onder punt 3 samengevat. In het kader van de watertoets moet een vertaalslag worden gemaakt naar de concrete plansituatie. Tevens beschikt de gemeente over een Gemeentelijk rioleringsplan GRP, waarin de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid.

4.9.2 Beschrijving watersysteem Geomorfologie en grondwatersysteem De planlocatie maakt deel uit van het waardevolle landschap ‘Rivierduin Wijchen-Bergharen’. De bodem van het plangebied bestaat uit rivierduinzand. De codering Zd30 duidt op kalkloze zandgrond,.vnl. grof zand. De bodem ter plaatse bestaat uit grof zand; een humeuze toplaag ontbreekt hierbij. Deze bodem heeft geen hydromorfe kenmerken, de waterdoorlatendheid is in principe groot. De geldende grondwatertrap is hier VII*. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) is bij VII normaal gesproken dieper dan 80 cm. Het * achter deze code duidt echter op een zeer droog deel van deze eenheid; de GHG ligt hier dan ook dieper dan 140 cm onder het maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand, de GLG is >160 cm beneden maaiveld Oppervlakte- en afvalwatersysteem Binnen het plangebied liggen geen watergangen of beschermingszones van watergangen. In de bestaande situatie is het plangebied voor het afvalwater (zowel de bestaande woning als het gastenverblijf) aangesloten op de openbare drukriolering in de Boskant. Ecosysteem Het plangebied ligt buiten, maar grenst wel aan, het Gelders Natuurnetwerk. Ter plaatse van het plangebied geldt een hydrologische beschermingszone om de lokale waterhuishoudkundige omstandigheden op orde te brengen en te houden.

Doel hiervan is zo de ecologische diversiteit van de natte landnatuur duurzaam in stand te houden. In paragraaf 3.2 is reeds gemotiveerd dat de ecologische kwaliteiten van het gebied door het plan worden versterkt. Verder leidt het initiatief niet tot het dempen of aantasten van oppervlaktewater en komt de nieuwe woning in een bestaand

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 24 van 38

bijgebouw en binnen een bestaand woonperceel. Het plan heeft geen negatief effect op de lokale waterhuishoudkundige omstandigheden. 4.9.3 Waterbeleid en waterbeheer Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens art. 7 en 10 en Activiteitenbesluit art. 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wm art 10.33).

Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet art. 3.5). Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet art. 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van Awatergangen.

Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 25 van 38

4.9.4 Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan 4.9.4.1 Leefomgeving en ruimtegebruik Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie. Gevolgen van/voor het plan Het plan betreft de realisatie van één nieuwe (schuur)woning. Er zal geen sprake zijn van een noemenswaardige toename in verhard oppervlak. Daarmee wordt er geen wateroverlast verwacht. Tevens wordt de woning hydrologisch neutraal gebouwd. Dit is met een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan geborgd. In de regels van dit plan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee tevens geborgd wordt dat het vloerpeil van de begane grond minstens 1 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) komt te liggen. Daarmee is er voldoende ontwateringsdiepte.

4.9.4.2 Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater alleen lozen via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren.

_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 26 van 38

Gevolgen van/voor het plan Afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Daarmee heeft onderhavig plan geen negatief effect op de waterkwaliteit. Binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied zijn geen watergangen of andere vormen van oppervlaktewater aanwezig. 4.9.4.3 Klimaatadaptatie Beleidsuitgangspunten De gemeent streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen.

Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan. Gevolgen van/voor het plan Als onderdeel van de inventarisatie van het toepassen van duurzame technieken aan de woning vormt ook het hergebruik van hemelwater. In theorie blijkt een besparing mogelijk van 50% van het verbruikte water bij een soortgelijke woning op jaarbasis. Het bewateren van de tuin bijvoorbeeld kan door een opslagsysteem, prima door regenwater besproeid worden. Dit leidt tot een besparing van drinkwater. Overtollig hemelwater kan zeer goed infiltreren in de (zand)bodem. Binnen het plangebied is er voldoende ruimte om het hemelwater af te voeren, daarnaast is het vloerpeil van de bestaande bebouwing circa 20 cm hoger dan het bestaande maaiveld, waardoor het hemelwater niet naar binnen kan stromen. Ook de steeds vaker voorkomende klimaatbuien zijn daarin geen belemmering. 4.9.4.4 Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater.

Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting Blad: 27 van 38

in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m² (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100m of meer van het oppervlaktewater wordt geinfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan Er zal geen sprake zijn van een noemenswaardige toename in verhard oppervlak. Daarmee wordt de grens van een toename van 1.500 m², die het waterschap stelt, niet overschreden. Het hemelwater wordt op eigen terrein verwerkt. Dit is met een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van dit plan. Het hemelwater wordt niet op de openbare riolering geloosd of naar een buurperceel afgevoerd. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om infiltratievoorzieningen te realiseren. 4.9.4.5 Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem.

Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele risico’s van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling (verdroging) of –fluctuatie (zie ook Klimaatverandering). Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan In de regels van dit plan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geborgd dat het vloerpeil van de begane grond minstens 1 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) komt te liggen. Daarmee is er voldoende ontwateringsdiepte. 4.9.5 Overwegingen en conclusie Overwegingen Het plan betreft de realisatie van één nieuwe (schuur)woning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=a5468519-3bc1-459d-81d6-7d6088c4b956