CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7: Quickscan natuurwaardenonderzoek 2021

Raad openbaar Wijchen 30 juni 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 30066 Beslisnota Vaststelling Bestemmingsplan TKWM 202210.561 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING TUSSEN KASTEEL EN WIJCHENS MEER TE WIJCHEN

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming tussen Kasteel en Wijchens Meer te Wijchen Opdrachtgever

BJZ.nu Twentepoort Oost 16A 7609 RG Almelo

Rapportnummer Versienummer

7381.003 D1

Status

Eindrapportage

Datum

18 november 2021

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

De heer drs. J.G.T. Driessen

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer ing. M.H.M. Gijsbers

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik ontwikkelingsgebied en omgeving ............................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen ......................................................................................................................... 15 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Vissen ............................................................................................................................. 16 Ongewervelden............................................................................................................... 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 16

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Algemene broedvogels ................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 7381.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van BJZ.nu opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming ter plaatse van het ontwikkelingsgebied dat ligt tussen het Kasteel en de Wijchens Meer te Wijchen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De quickscan betreft een actualisatie van de door Econsultancy in 2018 uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming (7381.001 d.d. 25 september 2018) en aanvullend ecologische toetsing in 2019 (7381.002 d.d. 15 augustus 2019). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 1 van 23

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik ontwikkelingsgebied en omgeving

Het ontwikkelingsgebied (± 2,2 ha) is gelegen tussen het kasteel en de Wijchens Meer, in de kern van Wijchen. Het ontwikkelingsgebied bestaat uit drie deelgebieden. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 178.571, Y = 424.221. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

Deelgebied A (± 0,6 ha) bestaat uit het pand van uitvaartverzorgingscentrum Jan Wessels met bijbehorend achter terrein, het grasveld rondom het gedenkmonument alsmede de weg ‘de Meerdreef’ en het fietspad daarlangs. Deelgebied B (± 0,5 ha) betreft het parkeerterrein aan de Oosterweg met omliggende openbare ruimte en Deelgebied C (± 1,1 ha) bestaat uit het pand van het voormalige gemeentekantoor alsmede de parkeerterreinen en openbare ruimte aan het Europaplein. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek op 15 oktober 2021.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 2 van 23

Figuur 2. Luchtfoto ontwikkelingsgebied en directe omgeving.

Figuur 3. Grasveld rondom herdenkingsmonument in deelgebied A.

Figuur 4. Grasveld met enkele bomen deelgebied A.

Figuur 5. Uitvaartverzorgingscentrum Jan Wessels in deelgebied A.

Figuur 6. Parkeerterrein deelgebied B.

Figuur 7. Boom op parkeerterrein deelgebied B.

Figuur 8. Parkeerterrein deelgebied B.

Figuur 9. Parkeerterrein deelgebied C.

Figuur 10. Parkeerterrein deelgebied C.

Figuur 11. Oude gemeentekantoor zuidzijde.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 3 van 23

Figuur 12. Oude gemeentekantoor noordzijde in deelgebied C.

2.2

Figuur 13. Oude gemeentekantoor noordzijde in deelgebied C.

Figuur 14. Parkeerterrein noordzijde oude gemeentekantoor deelgebied C.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De ontwikkeling heeft als doel een kwaliteitsimpuls te geven voor het gehele centrum van Wijchen. Daarnaast moet het project de ‘‘parels’’ Kasteel Wijchen, Wijchens Meer en de Markt met elkaar verbinden. In figuur 15 staat het bestemmingsplan weergegeven. Binnen dit bestemmingsplan zijn de grootste delen aangewezen als de bestemming ‘Gemengd’ en ‘Verkeer’. Aangezien de exacte invulling nog uit te werken is wordt uitgegaan van een worst-case benadering. De uitgangspunten hierbij zijn hierbij sloop van het aanwezige uitvaartcentrum en oude gemeentekantoor, kap van aanwezige bomen en verwijdering van het groen nabij het gedenkmonument en rondom de parkeerplaatsen.

Figuur 15. Bestemmingsplan tussen Kasteel en Wijchens Meer 2022 (Bron: BJZ.nu).

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 4 van 23

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. De veldbezoeken van eerdere rapportages zijn afgelegd op 4 september 2018 en op 1 juli 2019. Een derde veldbezoek heeft plaatsgevonden in het kader van het hernieuwde bestemmingsplan op 15 oktober 2021. Tijdens de veldbezoeken is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende de veldbezoeken is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 5 van 23

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 6 van 23

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 7 van 23

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 8 van 23

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1

Vogels

5.1.1 Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In stedelijk gebied betreft voornamelijk soorten als huismus, gierzwaluw, slechtvalk en roek. Huismus De aanwezige bebouwing (uitvaartcentrum en oude gemeentehuis) is niet geschikt als nestlocatie voor de huismus. Dit vanwege de afwezigheid van een dakpannen dak en het ontbreken van overige potentiële nestlocaties voor de huismus. Tevens zal bij verwijdering van het groen in de tuin bij het uitvaartcentrum en rondom het oude gemeentekantoor geen sprake van het verloren gaan van essentieel foerageergebied. Dit vanwege het beperkt aantal wintergroene beplanting dat worst-case in het plan verwijderd wordt tezamen met de aanwezigheid van veel geschikt groen in de directe omgeving. Dit in de vorm van met name beukenhagen (rondom het uitvaartcentrum) en wintergroene struiken en hagen in de kasteeltuin (nabij het oude gemeentekantoor), die kunnen dienen als schuil- en foerageermogelijkheid. Negatieve effecten ten aanzien van de huismus zijn bij de voorgenomen ontwikkeling uit te sluiten. Gierzwaluw De bebouwing binnen het plangebied is niet geschikt als nestlocatie van de gierzwaluw door de aanwezigheid van een plat dak en/of het ontbreken van geschikte openingen tot ruimtes onder het dak of in de dakrand.

Negatieve effecten ten aanzien van de gierzwaluw zijn bij de voorgenomen ontwikkeling op voorhand uit te sluiten. Slechtvalk Het uitvaartcentrum is niet geschikt als nestlocatie voor de slechtvalk vanwege de beperkte hoogte. Binnen de ontwikkelingslocatie zijn verder geen nestlocaties van de slechtvalk bekend en zijn bij eerdere onderzoeken tijdens het broedseizoen van deze soorten in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie geen waarnemingen van laagvliegende slechtvalken gedaan. De aanwezigheid van nestlocatie van de slechtvalk binnen het ontwikkelingsgebied kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Steenuil en kerkuil Voor steenuil en kerkuil zijn vanwege de afwezigheid van nestlocaties, als knotwilgen met geschikte holtes, boerenschuren of nestkasten geen geschikt nestlocaties binnen de ontwikkelingslocatie aanwezig. Vanwege de afstand tot geschikte nestlocaties in de omgeving tezamen met de ligging in de dorpskern is een essentiële functie als foerageergebied tevens uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten bij de voorgenomen ontwikkeling kunnen worden uitgesloten.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 9 van 23

Overige jaarrond beschermde broedvogels In de bomen op en in de directe omgeving (tot circa 50 meter) van de ontwikkelingslocatie zijn geen (potentiële) nesten aangetroffen van in Gelderland jaarrond beschermde soorten als buizerd, roek, sperwer, havik en ransuil. Tevens zijn geen sporen gevonden als braakballen, ruiveren, prooiresten of plukplaatsen, waardoor de aanwezigheid van een nest van deze soorten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Mogelijk gebruiken deze soorten de onderzoekslocatie wel als foerageerhabitat. Bovengenoemde soorten hebben echter dusdanig groot foerageergebied dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden het verloren van essentieel foerageergebied. 5.1.2 Broedvogels (vogels met jaarrond beschermd nest bij zwaar ecologisch belang) De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten, mezen en bosuil, of makers van grote nesten als ekster. Daarnaast vallen ook de in de omgeving voorkomende soorten als torenvalk en ijsvogel in deze categorie. Voor deze soorten geldt dat de nestlocatie enkel jaarrond beschermd is, indien er zwaarwegende ecologische belangen zijn en onvoldoende alternatieve in de omgeving om als nestlocatie te gebruiken. Torenvalk In de parochietuin nabij deellocatie A is een torenvalkenkast aanwezig (zie figuur 16).

Tijdens het veldbezoek zijn rondom de kast geen sporen van torenvalk gevonden of waarneming van torenvalk gedaan. Daarbij is de kast geplaatst midden in het dorpscentrum, waar weinig geschikt leefgebied beschikbaar is voor deze soort. Dit tezamen met het ontbreken van waarnemingen tijdens eerdere veldbezoeken in de omgeving maakt dat het gebruik van de kast als nestlocatie redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Verstoring van een nestlocatie van de torenvalk kan worden uitgesloten.

Figuur 16. Torenvalk kast in omgeving.

Bosuil Voor de bosuil zijn geen geschikte nestlocaties als nestkasten of grote boomholtes aangetroffen op de ontwikkelingslocatie. Tevens zijn direct aangrenzend aan het gebied geen geschikte nestlocaties voor de bosuil aangetroffen. Gezien de afstand tot geschikte nestlocatie kunnen negatieve effecten ten aanzien van een eventueel aanwezige nestlocatie van de bosuil worden uitgesloten. IJsvogel In de omgeving zijn waarnemingen van de ijsvogel bekend. Dit betreffen waarnemingen in de omgeving van de Wijchens Meer, waar ook nestlocaties bekend zijn. Aangezien binnen het plangebied geen oppervlaktewateren aanwezig zijn en deze soort hieraan gebonden is, kunnen negatieve effecten ten aanzien van de ijsvogel worden uitgesloten van de plannen.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 10 van 23

Overige soorten Op de ontwikkelingslocatie zijn in een boom op het parkeerterrein in deelgebied B (nabij Oosterweg) twee eksternesten aangetroffen (zie figuur 17). Deze zijn afgelopen jaar ook in gebruik geweest door een ekster. Tevens zijn verspreid over de projectlocatie nestlocatie geschikt voor soorten als pimpelmees en koolmees aangetroffen, onder andere in de vorm van nestkasten. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van bovengenoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben, vanwege voldoende alternatieve nestlocaties in de omgeving.

Figuur 17. Aangetroffen eksternesten op het parkeerterrein.

5.1.3

Overige broedvogels (niet jaarrond beschermd)

Door de aanwezigheid van bomen en struiken zijn binnen de ontwikkelingslocatie geschikte nestlocaties aanwezig voor algemene broedvogels als merel, heggenmus, winterkoning, roodborst, Turkse tortel en houtduif. Daarnaast kunnen op het oude gemeentekantoor, door de aanwezigheid van ballastgrind op het dak, soorten als scholekster en diverse meeuwensoorten tot broeden komen als kokmeeuw en zilvermeeuw. Bij kap van bomen, verwijdering van het groen en sloopwerkzaamheden kunnen broedgevallen van deze soorten mogelijk verstoord en vernietigd worden. 5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens et al. 2017), NDFF en bekende inventarisatie is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen Het aanwezige uitvaartcentrum binnen ontwikkelingslocatie A en oude gemeentekantoor binnen deelgebied C is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Dit vanwege open stootvoegen in spouwmuren die toegang verlenen tot de ruimte in de spouw (zie figuur 18 en figuur 19). Deze soorten kunnen de verblijfplaatsen gebruiken als kraam-, zomer-, paar- en mogelijk milde winterverblijfplaats. Het oude gemeentekantoor is tevens geschikt als massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Bij sloop van deze panden is mogelijk van verstoring en vernietiging van verblijfplaatsen van vleermuizen.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 11 van 23

Figuur 18. Open stootvoegen in uitvaartcentrum.

Figuur 19. Open stootvoegen in oude gemeentekantoor.

Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In de bomen nabij het herdenkingsmonument zijn geschikte holtes en spleten gevonden die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen (zie figuur 20 en 21). De overige bomen binnen de ontwikkelingslocatie bevatten geen geschikte holtes voor vleermuizen. Bij kap van desbetreffende bomen kunnen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen als ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis verstoord en vernietigd worden.

Figuur 20. Geschikte holte vleermuizen.

Figuur 21. Geschikte holte vleermuizen.

Foerageerhabitat De bomen binnen de ontwikkelingslocatie kan gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden als foerageergebied door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis. De plannen zullen echter geen aantasting van essentieel foerageergebied vormen. Mocht hier een deel van verdwijnen dan blijven er in de toekomst voldoende alternatieve foerageermogelijkheden aanwezig in de omgeving in de vorm van de Wijchens Meer, de kasteeltuin en overige wegbeplanting in de omgeving. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De Wijchens Meer met zijn oevers ten zuiden van deelgebied A vormt een potentiële vliegroute voor vleermuizen (zie figuur 22). Vanwege de ligging van de weg ‘de Meerdreef’ tussen de ontwikkelings-

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 12 van 23

locatie en Wijchens Meer en het feit dat geen groen op de oever verwijderd wordt, zal er geen sprake zijn van verstoring van een vliegroute van vleermuizen nabij de meeroevers. Het openbaar groen langs de Kasteellaan aan de noordkant van deelgebied C vormt tevens een potentiële vliegroute voor vleermuizen (zie figuur 22). Aangezien dit plan enkel mogelijk leidt tot verwijdering van enkele bomen aan de zuidzijde van de Kasteellaan (ter hoogte van het oude gemeentekantoor), kunnen de bomen aan de noordzijde van Kasteellaan als vliegroute blijven dienen. Indien deze bomen aan de noordzijde van de Kasteellaan behouden blijven, is er geen sprake van het mogelijk verloren gaan van een vliegroute van vleermuizen.

Figuur 22. Potentiële vliegroutes in omgeving van de ontwikkelingslocatie

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingskaarten en de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie bewoningssporen van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren binnen de provincie Gelderland waargenomen: bever, bunzing, eekhoorn, das, wezel en steenmarter. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Eekhoorn De bomen binnen het ontwikkelingsgebied zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van nesten of geschikte nestholtes voor eekhoorn. Deze zijn niet aangetroffen binnen de ontwikkelingslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn zijn niet aan de orde bij de voorgenomen plannen. Das Op en in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie (binnen 200 meter) zijn geen dassenburchten aangetroffen. Daarbij is de ontwikkelingslocatie te geïsoleerd gelegen van de bekende dassen-

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 13 van 23

burchten in het Oosterpark waardoor gebruik als foerageergebied niet te verwachten is. Dit tezamen met ontbreken van sporen van de das maakt dat negatieve effecten ten aanzien van de das kunnen worden uitgesloten door de voorgenomen ontwikkeling. Steenmarter In de omgeving komt de steenmarter voor. Steenmarters gebruiken grotendeels gebouwen en schuurtjes als verblijfplaats. Echter, kunnen in de zomerperiode tevens takkenrillen, takkenhopen en grotere holen in bosschages gebruikt worden. Op de locatie ontbreken takkenrillen, takkenhopen of beschutte grote holen in bosschages waar deze soort gebruik kan van maken. Wel is de te slopen bebouwing binnen het ontwikkelingsgebied in potentie geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter. Deze bebouwing is van binnen geïnspecteerd op sporen van de steenmarter. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de bebouwing niet in gebruik is door de steenmarter. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van de steenmarter zijn bij de voorgenomen plannen niet aan de orde. Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen als de in de omgeving voorkomende bunzing en wezel zijn sinds maart 2019 beschermd in de provincie Gelderland.

De soorten maken gebruik van beschutte oude holen van onder andere konijnen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen, holle bomen, ruimtes onder boomwortels, hooizolders en stallen. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Deelgebied A bestaat grotendeels uit kort grasveld en deelgebied B en C zijn vrijwel geheel verhard of bebouwd met enkel wat siergroen en bomen. Deze locaties vormen hierdoor en door de ligging midden in het drukke centrumgebied van Wijchen weinig geschikte locaties voor soorten als wezel en bunzing. Deze soorten zullen eerder hun verblijfplaats hebben in de beschutte oeverbosschages nabij de Wijchens Meer (zie figuur 23) of bosrijke tuinen in de omgeving. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van kleine marterachtigen zijn bij de voorgenomen plannen redelijkerwijs uit te sluiten.

Figuur 23. Geschikte verblijfplaats voor marterachtigen aan de meeroever.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 14 van 23

Bever In de omgeving van de Wijchens Meer komt de bever voor. Aan de meeroever nabij deelgebied A is een (oude) beverburcht aanwezig. Daarnaast bevinden zich in de omgeving van de Wijchens Meer nog twee andere beverburchten. Het gehele meer maakt deel uit van het leefgebied van deze bever. Aangezien de bouwwerkzaamheden op meer dan 50 meter van de burcht plaatsvinden en hiertussen nog de weg ‘de Meerdreef’ ligt is, is verstoring van de werkzaamheden niet aan de orde. Bovendien blijven de oevers aan het meer in de huidige staat gehandhaafd en vindt geen kap van bomen plaats aan de meeroevers, waardoor geen sprake is van het verloren gaan van essentieel foerageergebied van de bever. Negatieve effecten ten aanzien van verblijfplaatsen van de bever zijn niet aan de orde. Overige soorten Het voorkomen van overige streng beschermde grondgebonden zoogdieren is vanwege het ontbreken van een geschikte rust- en verblijfplaatsen en/of op basis van verspreidingsgegevens uitgesloten. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De ontwikkelingslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en diverse muizensoorten. Bovengenoemde soorten kunnen mogelijk verstoord worden bij de voorgenomen ingreep. 5.4

Reptielen

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON en de NDFF is in de omgeving van Wijchen de levendbarende hagedis de enige reptielensoort die is waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis wordt voornamelijk waargenomen in bossen, bosranden, heideterreinen en structuurrijke weg- en spoorbermen. Deze habitattypes zijn niet binnen de ontwikkelingslocatie aanwezig. Daarbij zijn in de omgeving van de Wijchens Meer niet eerder levendbarende hagedissen waargenomen. Waarnemingen in de omgeving hebben enkel betrekking op het gebied de Hatertse en Overasseltse vennen verder ten oosten van Wijchen. Negatieve effecten ten aanzien van reptielen kunnen worden uitgesloten. 5.5

Amfibieën

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON en de NDFF zijn in de omgeving van Wijchen de volgende beschermde amfibieënsoorten waargenomen: poelkikker, Alpenwatersalamander, kamsalamander, knoflookpad, rugstreeppad en heikikker. Binnen de ontwikkelingslocatie zelf is geen oppervlaktewater aanwezig waardoor voortplantingswateren voor (beschermde) amfibieënsoorten kunnen worden uitgesloten. De Wijchens Meer direct ten zuiden van deelgebied A vormt geen geschikt voortplantingshabitat voor beschermde amfibieënsoorten. Dit mede door de hoge dichtheden aan vis in de Wijchens Meer. De kasteelgracht ten noorden van deelgebied C vormt vanwege de steile oevers, het ontbreken van uitgebreide oever- en onderwatervegetatie en de lage waterkwaliteit tevens geen geschikt voortplantingswater voor beschermde amfibieën. Wel biedt de kasteelgracht en de omgeving van de Wijchens Meer onderkomen aan algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander. Deze soorten kunnen tevens op de ontwikkelingslocatie worden aangetroffen. Dergelijke algemene soorten kunnen bij verwijdering van groen mogelijk incidenteel verstoord worden.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 15 van 23

5.6

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.7

Ongewervelden

Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Daarbij zijn in de directe omgeving geen waarnemingen van beschermde libellen bekend. Negatieve effecten ten aanzien beschermde libellen zijn niet aan de orde bij de voorgenomen ontwikkeling. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. In de omgeving zijn wel enkele waarnemingen bekend van de grote vos en iepenpage. Voor deze soorten zijn geen geschikte waardplanten aanwezig binnen het ontwikkelingsgebied als hoge vrijstaande iepen, zoete kersen en specifieke wilgensoorten. Negatieve effecten ten aanzien van deze beschermde vlindersoorten zijn niet aan de orde. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn binnen het ontwikkelingsgebied uit te sluiten.

Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde binnen het ontwikkelingsgebied aanwezig en/of er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie. 5.8

Vaatplanten

De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Het plangebied bestaat uit bebouwing, verharding, groenstroken, oevers en een watergang. De meeste beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming komen niet voor in deze habitattypes. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende beschermde soorten aangetroffen: drijvende waterweegbree, kartuizeranjer en wilde ridderspoor (bron: ndff.nl). Daarbij is drijvende waterweegbree op voorhand uit te sluiten qua habitat en betreffen kartuizeranjer en wilde ridderspoor uitgezaaide exemplaren, die geen bescherming genieten (bron: ndff.nl en verspreidingsatlas.nl). Vernietiging van groeiplaatsen van beschermde soorten zijn bij de voorgenomen ontwikkeling niet aan de orde.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 16 van 23

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingrepen in het ontwikkelingsgebied kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Algemene broedvogels

Voor de broedvogels die te verwachten zijn binnen het ontwikkelingsgebied zijn, geldt in dit geval dat indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden er op voorhand geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot mogelijk broedende vogels in het groen op het dak van het oude gemeentekantoor. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedvogel op het moment van de ingreep. Mocht groenverwijdering en sloop van het pand niet geheel buiten het broedseizoen kunnen plaatsvinden dan dient een inspectie op afwezigheid van broedvogels plaats te vinden. 6.2

Vleermuizen

Indien het uitvaartcentrum en oude gemeentekantoor gesloopt worden of één van de bomen met doorlopende holtes gekapt worden dan zou in het geval van een verblijfsfunctie van vleermuizen de ontwikkeling wel kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op de geschiktheid van de bebouwing en holtebomen voor vleermuizen, is in dat geval eerst aanvullend onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van de bebouwing of bomen voor vleermuizen te kunnen vaststellen bij sloop van de panden of kap van desbetreffende bomen. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode mei tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van de werkzaamheden. Bij aanwezigheid van een verblijfplaats van een vleermuizensoort dient ten behoeve van sloop of kap een ontheffing te worden aangevraagd voor het verstoren/vernietigen van een verblijfplaats. Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de verblijfplaatsen verblijfplaats behouden dienen te blijven.

Deze maatregelen zullen in dat geval onder andere kunnen bestaan het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen, sloop/kap buiten de kwetsbare periode en het realiseren van voorzieningen in de nieuwbouw. Aangezien de maatregelen gerealiseerd kunnen worden in de omgeving binnen de ontwikkelingsruimte van het plangebied tezamen met het groot openbaar belang van het project is de verwachting dat de ontheffing verkregen zal worden. Er worden ten aanzien van vleermuizen, na het verkrijgen van de ontheffing, geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 17 van 23

6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën als egel, bruine kikker, gewone pad en diverse muizensoorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Indien noodzakelijk dient een aanwezig dier zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 18 van 23

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

Het ontwikkelingsgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 8 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 24).

Figuur 24. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet aan de orde. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn niet op voorhand niet uit te sluiten. Voor een eerdere versie van het bestemmingsplan is een stikstofberekening gemaakt met AERIUS-calculator, waaruit bleek dat de het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar en een vergunningsaanvraag niet aan de orde was ((Econsultancy rapport 8542.003, d.d. 5 april 2020). Vanwege de wijziging van het bestemmingsplan wordt geadviseerd deze berekening te actualiseren aan het huidige bestemmingsplan om effecten van stikstof van de plannen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 19 van 23

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 950 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 25 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 25. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk.

De onderzoekslocatie is gelegen op 950 meter afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van onderdelen van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN of GO niet aan de orde.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 20 van 23

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht bij de provincie Gelderland. Wel is de gemeentelijke kapverordening van toepassing.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 21 van 23

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van BJZ.nu een quickscan Wet natuurbescherming ter plaatse van het ontwikkelingsgebied dat ligt tussen het Kasteel en de Wijchens Meer te Wijchen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De ontwikkeling heeft als doel een kwaliteitsimpuls te geven voor het gehele centrum van Wijchen. Daarnaast moet het project de ‘‘parels’’ Kasteel Wijchen, Wijchens Meer en de Markt met elkaar verbinden. Aangezien de exacte invulling nog uit te werken is wordt uitgegaan van een worst-case benadering. De uitgangspunten hierbij zijn hierbij sloop van het aanwezige uitvaartcentrum en oude gemeentekantoor, kap van aanwezige bomen en verwijdering van het groen nabij het gedenkmonument en rondom de parkeerplaatsen.

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van groen en slopen van het oude gemeentekantoor buiten het broedseizoen uitvoeren of vooraf inspecteren op afwezigheid van broedvogels

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

ja

mogelijk1

ja1

afhankelijk van nader onderzoek

1

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

voldoende alternatieven in omgeving

vliegroutes

ja

nee

nee

nee

geen sprake van verloren essentiële vliegroute

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als egel en diverse muizensoorten

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als gewone, bruine kikker en kleine watersalamander

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

RAPPORT 7381.003 versie D1

aanvullend onderzoek nodig bij sloop van uitvaartcentrum, oude gemeentekantoor en/of kap van bomen met holtes geschikt voor vleermuizen

Pagina 22 van 23

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

op 8 km

mogelijk

ja

Afhankelijk van nader onderzoek

Natuurnetwerk Nederland

op 950 m

nee

nee

nee

Houtopstanden

n.v.t

stikstofdepositieonderzoek dient geactualiseerd te worden

gemeentelijke kapverordening is wel van toepassing

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient bij sloop van de bebouwing (uitvaartcentrum en oude gemeentekantoor) dan wel kap van bomen met geschikte holtes voor vleermuizen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen over de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing dan wel holtebomen. Bij aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen dienen maatregelen genomen te worden om de functionaliteit van de verblijfplaatsen in het gebied te behouden. Deze maatregelen dienen ter goedkeuring te worden gelegd bij de provincie Gelderland middels een ontheffingsaanvraag. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen verder op voorhand voorkomen worden door verwijdering van groen en sloop van het oude gemeentekantoor buiten het broedseizoen uit te voeren. Mocht groenverwijdering en sloop van het pand niet geheel buiten het broedseizoen kunnen plaatsvinden dan dient een inspectie op afwezigheid van broedvogels plaats te vinden. Verder dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt geadviseerd het eerder uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek te actualiseren aan het huidige bestemmingsplan.

Met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Boxmeer, 18 november 2021

RAPPORT 7381.003 versie D1

Pagina 23 van 23

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, periode 2011-2021 Literatuur Gelderland van Kessel, N. & J. Kranenbarg 2012. Vissenatlas Gelderland. Ecologie en verspreiding van zoetwatervissen in Gelderland. Uitgeverij Profiel, Bedum. Kurstjens, G., P. Calle & B. Peters 2006. De libellen van de Gelderse Poort: natuurlijk rivierenlandschap soortenrijker dan verwacht. Brachytron 9(1&2): 49-57. Limpens, H.J.G.A. 2005. Vleermuizen in de Gelderse Poort. Een onderzoek naar het voorkomen en landschapsgebruik van vleermuizen in het rivierenlandschap van de Gelderse Poort. VZZ-rapport 2005.25. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem. te Linde, B. & L.J. van den Berg 2003. Atlas van de flora van Oost Gelderland. Stichting de Maandag, Ruurlo. Majoor, F., V. de Boer & J. van Diermen 2008. Broedvogels in de Gelderse Poort. Trends vanaf 1990 en recente ontwikkeling 2002-2007. SOVON-inventarisatierapport 2008/3.

SOVON, Beek-Ubbergen. Spitzen - van der Sluijs, A.M., G.W. Willink, R. Creemers, F.G.W.A. Ottburg, R.J. de Boer, P.M.L.Pfaff, W.W. de Wild, D.J. Stronks, R.J.H. Schröder, M.T. de Vos, D.M. Soes, P. Frigge &P.J.H. Struijk 2007. Atlas reptielen en amfibieën in Gelderland 1985 - 2005. Stichting RAVON, Nijmegen. Literatuur Wijchen Centrum en Wijchens Meer en omgeving BTL advies. Flora- en faunaonderzoek Wijchens Meer fase III. Econsultancy. Vleermuizenonderzoek (4207.001) Kasteellaan 22-24 te Wijchen. Econsultancy. Quickscan flora en fauna (6645.001) Oosterpark te Wijchen. Gemeente Wijchen. Notitie stand van zaken dassenburcht en dassenwissels Oosterpark maart 2018. Rapport quickscan Wet natuurbescherming (7381.001) tussen kasteel en de Wijchens Meer te Wijchen Rapport ecologische toetsing Deellocatie A (7381.002) tussen kasteel en de Wijchens Meer te Wijchen

RAPPORT 7381.003 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

RAPPORT 7381.003 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=c8cf068a-7caa-4fb7-b4e5-4d8c2594d04a