Bijlage 7: Bijlage bij de toelichting 5: Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Houtsestraat ong. te Balgoij Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0033
Datum:
21 januari 2022
Samensteller:
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets:
ing. D.F. Knoops
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
E. Baeten
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
2.5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
16
3.3
Houtopstanden
17
4 Samenvatting
18
4.1
Soortenbescherming
18
4.2
Gebiedsbescherming
18
4.3
Houtopstanden
18
5 Conclusie
19
5.1
Conclusie
19
5.2
Uitvoerbaarheid
19
5.3
Vervolgstappen
19
5.4
Te treffen maatregelen
19
1 Inleiding Aan de Houtsestraat ong. te Balgoij is een maisakker gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om 4 woningen op de planlocatie te realiseren. Tevens zal een watergang op de planlocatie gerealiseerd worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘agrarisch met waarden’ naar ‘wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden. • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen te Houtsestraat ong. te Balgoij en betreft een maisakker.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Houtsestraat ong. te Balgoij (figuur 1.2). In de huidige situatie wordt de planlocatie gebruikt als maisakker. Tevens is er een kavelsloot aanwezig. Bebouwing is afwezig. In figuur 1.2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Houtsestraat ong. te Balgoij. De planlocatie is ten zuiden van het centrum van Wijchen en ten noorden van het centrum van Balgoij gelegen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door boomgaarden, agrarische percelen en vrijstaande woningen. Op een afstand van 450 m is de dichtstbijzijnde grote weg, namelijk de N845, gesitueerd. Op een afstand van circa 1,2 km stroomt de Maas.
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 4 woningen en de realisatie van een watergang. De functie van het perceel dient te wijzigen naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • realiseren watergang: graafwerkzaamheden en grondtransport; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie 4 woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.3 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO Oost B.V.).
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021 en is uitgevoerd door ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 00 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
7
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
8
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe grootschalige activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten significant aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk als deze er toe leiden dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe.
Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Als door een activiteit het betreffende rustgebied kleiner wordt dan 500 hectare, kan deze activiteit alleen doorgaan als aansluitend voldoende hectare aan het betreffende ganzenrustgebied wordt toegevoegd. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
9
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie vervult een functie als maisakker. Ten tijde van het veldbezoek was het mais geoogst en betrof de planlocatie een stoppelveld. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van een stoppelveld en inheemse planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, mais, kluwenhoornbloem, knotwilg en paardenbloem. Wegens het ontbreken van bebouwing is het voorkomen van beschermde muurvegetatie uitgesloten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.
Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 20122022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De bever leeft in het overgangsgebied van land en water, zoals moerassen, beken, rivieren en meren. Dergelijk gebied is op en rondom de planlocatie niet bekend. Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van essentieel leefgebied van de bever op de planlocatie uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in boomrijke gebieden en bossen. Op de planlocatie is slechts sprake van twee knotwilgen, welke tevens behouden blijven. Wegens het ontbreken van boomrijk gebied is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als essentieel leefgebied van de rode eekhoorn.
De kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter hebben veelal een voorkeur voor kleinschalige (cultuur-)landschappen met voldoende dekking. De hermelijn, en in mindere mate ook de bunzing, prefereren daarnaast een waterrijke omgeving. Als jachtgebied wordt gebruikt gemaakt van landschapselementen zoals oeverhoekjes, bosjes en hagen. De kleine marterachtigen begeven zich voornamelijk in dichte vegetatie. Buiten de dekking van de vegetatie zijn kleine marterachtigen kwetsbaar voor predatoren zoals roofvogels, vossen of huiskatten (Bouwens, handreiking kleine marters, 2017). In tegenstelling tot de kleine marterachtigen begeven steenmarters zich vaker in en rondom stedelijk gebied, en in bebouwing zoals woningen. De planlocatie betreft een maisakker en dekking biedende structuren als bosjes en hagen ontbreken. Wegens het ontbreken van het voorkeurshabitat en dekking biedende structuren is het voorkomen van functioneel leefgebied of een verblijfplaats van een de hermelijn, wezel, bunzing of steenmarter uitgesloten.
11
De das leeft bij voorkeur in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijke kenmerken van het dassenhabitat zijn een groot voedselaanbod, goed vergraafbare bodem, voldoende dekking en weinig verstoring. Maisakkers kunnen gebruikt worden door de das als foerageergebied (BIJ12 Kennisdocument das, 2017). De das is veelvuldig waargenomen in de omgeving van de Balgoijsche Wetering, op een afstand van circa 1 km van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Ook in andere (bos)gebieden ten oosten van de planlocatie zijn waarnemingen van de das bekend (NDFF 2012-2022). Op basis van deze gegevens is het aannemelijk dat zich binnen een straal van 2 km van de planlocatie één of meerdere dassenburchten bevinden. De omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een mozaïek van weilanden, boomgaarden, en maisakkers. Derhalve biedt de omgeving voldoende foerageermogelijkheden voor de das. Op de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen die op aanwezigheid van een das duiden (zoals loopsporen, neusputjes, wissels, latrineputjes etc.). Derhalve zijn er geen redenen om aan te nemen dat de planlocatie een essentiële functie als foerageergebied voor de das vervult. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de das zijn derhalve uitgesloten. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten.
Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Wegens het ontbreken van bebouwing op de planlocatie is het voorkomen van een verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen op voorhand uitgesloten. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegenemen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Op de planlocatie zijn twee knotwilgen gesitueerd. Deze bomen zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Deze zijn niet aangetroffen. Tevens blijven de knotwilgen binnen de beoogde ingreep behouden. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie zijn geen hoge structuren, als bebouwing en bomenlanen, aanwezig. Derhalve is het op voorhand uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie vervult als essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute.
Negatieve effecten op essentiële vliegrouten en essentiële foerageergebieden zijn uitgesloten.
12
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en vinpootsalamander (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en vinpootsalamander. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Beschermde amfibieën stellen veelal specifieke eisen aan het habitat, zoals een goede waterkwaliteit en aanwezigheid van voldoende oevervegetatie. Op de planlocatie stroomt een kavelsloot, welke niet voldoet aan veel van de gestelde eisen. Waarnemingen van beschermde amfibieën binnen een straal van 2 km bevinden zich langs de maasbankdijk (afstand tot planlocatie circa 1 km) en ten noorden van de Drutenseweg (afstand tot planlocatie circa 1,3 km). Beide locaties betreffen vrijstaande poelen. De wateren op deze locaties staan derhalve ook niet in verbinding met de kavelsloot op de planlocatie.
Daarnaast zijn er binnen een straal van 1 km van de planlocatie geen waarnemingen van beschermde amfibieën bekend en ontbreken dekkende (overwinterings-)structuren op de planlocatie, waardoor er eveneens geen sprake is van geschikt terrestrisch habitat. Tevens blijft de kavelsloot binnen de beoogde ontwikkeling behouden en wordt enkel een watergang aan deze sloot gerealiseerd. Op basis van het ontbreken van geschikt voorplantingswater, landhabitat en de grote afstand tot bekende waarnemingen, is het voorkomen van essentieel leefgebied van de Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en vinpootsalamander uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied (welke een maisakker betreft) uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Beschermde vissen stellen veelal specifieke eisen aan het habitat, zoals een goede waterkwaliteit, aanwezigheid van waterplanten en dergelijke. Op de planlocatie is een kavelsloot aanwezig met troebel water. Er is derhalve geen sprake van een specifiek habitat met goede waterkwaliteit. Derhalve is het voorkomen van beschermde vissoorten uitgesloten. De realisatie van een watergang welke aangesloten wordt op deze sloot leidt derhalve ook niet tot negatieve effecten op beschermde vissoorten. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
13
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: beekrombout, grote vos en teunisbloempijlstaart (NDFF 2012-2022). De grote vos en teunisbloempijlstaart komen hoofdzakelijk voor in en rondom bosgebieden. Het leefgebied van de beekrombout bestaat uit de omgeving van beken, kanalen en rivieren. De planlocatie betreft een maisakker, waardoor er geen sprake is van bosgebieden en/of beken, kanalen en rivieren. Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van essentieel leefgebied van de grote vos, teunisbloempijlstaart en beekrombout uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismuis, houtduif, merel, Turkse tortel en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw broed hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Wegens het ontbreken van bebouwing op de planlocatie is het voorkomen van een nestlocatie van de huismus en gierzwaluw uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen waargenomen ter hoogte van Houtsestraat 5. Dit adres is voorzien van een groene tuin, welke aannemelijk gebruikt wordt als foerageergebied door de huismussen. De planlocatie betreft een maisakker en vervult derhalve geen functie als foerageergebied. Van aantasting van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Op de planlocatie zijn geen bebouwing, uilenkasten of geschikte bomen met nestholten voor uilen aanwezig. Derhalve is het voorkomen van een nestlocatie van de kerkuil en steenuil uitgesloten. Er is een steenuilenkast waargenomen in een tuin naast de planlocatie. Het is onbekend of deze kast daadwerkelijk in gebruik is. De afstand tussen de kast en de locatie van de nieuwbouw betreft circa 70 meter.
De planlocatie betreft een maisakker en wordt mogelijk (wanneer mais geoogst is) gebruikt als foerageergebied door de steenuil. Gezien de ruimschoots aanwezige foerageeralternatieven in de directe omgeving (c.q. boomgaarden en weilanden), welke doorgaans geschikter zijn dan een maisakker, kan worden uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie als foerageergebied betreft. In de nieuwe situatie wordt het gedeelte van de maisakker dat niet bebouwd wordt omgevormd tot grasweide. Hiermee wordt de planlocatie geschikter als foerageergebied voor de steenuil. Om verstoring van een eventueel nest op een afstand van 70 meter te voorkomen, dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de steenuil opgestart te worden (broedseizoen betreft 1 februari t/m 31 juli, zie Te treffen maatregelen). Tevens is er een nestlocatie van de kerkuil op een afstand van circa 55 meter van de planlocatie vastgesteld in 2019 (NDFF 2019/waarneming.nl). Tussen de nestlocatie van de kerkuil en de planlocatie is bebouwing en hoog opgaand groen aanwezig. Van verstoring van de nestlocatie door de werkzaamheden is derhalve geen sprake. Zoals onderbouwd bij de bovenstaande alinea over de steenuil is er tevens geen sprake van essentieel foerageergebied van de kerkuil. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de kerkuil zijn uitgesloten.
14
Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De maisakker kan wanneer de mais is geoogst gebruikt worden als foerageergebied. Echter vervult deze wegens de ruimschoots betere alternatieven in de omgeving geen essentiële functie. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De planlocatie vormt voor algemene grondbroedende broedvogels mogelijk geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
15
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 10 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 10 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: arcgis.com). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 4 woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).
De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering):
16
a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (10 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 370 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 600 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 15 km ligt het dichtstbijzijnde Weidevogelgebied (geen kaartweergave). Het dichtstbijzijnde Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 11 km van de planlocatie (geen kaartweergave).
Op een afstand van circa 3,4 km ligt de dichtstbijzijnde Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 370 m tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 600 m tot de Groene ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl).
3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing.
17
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
10 km
Geen
N.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
370 m
Geen
N.v.t.
Groene ontwikkelingszone
600 m
Geen
N.v.t.
Weidevogelgebied
15 km
Geen
N.v.t.
Ganzenrustgebied
11 km
Geen
N.v.t.
Beschermingszone natte landnatuur
3,4 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing.
18
5 Conclusie 5.1
Conclusie De realisatie van 4 woningen en het uitgraven van een watergang aan de Houtsestraat ong. te Balgoij is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen • De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten buiten het broedseizoen van de steenuil en algemene broedvogels. Werkzaamheden kunnen worden opgestart in de periode 1 augustus t/m 31 januari. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
19
Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Buizerd (Buteo buteo) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Kerkuil (Tyto alba) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
20
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Houtsestraat ong. te Balgoij en betreft een maisakker.
Figuur 2
Langs de maisakker is een kavelsloot gesitueerd.
21
Figuur 3
De kavelsloot was ten tijde van het veldbezoek troebel.
Figuur 4
Naast de maisakker is een bedrijfsmatige boomgaard gesitueerd.
22
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 23