Bijlage 7 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Conclusie en advies
Op basis van de landschappelijke ligging op een rivierduinrug, -welving dan wel binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het plangebied is een lage verwachting toegekend voor huisplaatsen van de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd. Op basis van de opgestelde specifieke archeologische verwachting en de beperkte omvang van het plangebied wordt geadviseerd om deze verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase. Met dit onderzoek wordt de bodem systematisch onderzocht op de
KSP Archeologie
24
aanwezigheid van archeologische indicatoren. Daarnaast wordt ook de bodemopbouw en de intactheid daarvan vastgesteld. Aan de hand van de Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel karterend booronderzoek (Tol e.a. 2012) wordt een booronderzoek aanbevolen in een grid van 20 x 25 m (methode E1, brede zoekoptie). Gezien de hoge archeologische verwachting voor meerdere perioden en meerdere type vindplaatsen wordt gekozen voor de brede zoekoptie.
KSP Archeologie
25
3
Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase
3.1
Werkwijze
Op basis van de opgestelde specifieke archeologische verwachting is een karterend booronderzoek uitgevoerd conform de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek (versie 2.0, Tol et al. 2012). In dit geval is conform ‘het stroomdiagram keuze onderzoeksmethode karterend IVO deel 1’ (protocol 4003, VS08) een karterend booronderzoek uitgevoerd voor kleine plangebieden met een brede verwachting. Dit is een booronderzoek met een boordichtheid van minimaal 20 boringen per hectare (methode E1). Aangezien het plangebied met een oppervlakte van ca. 740 m2 relatief klein is, zijn er 5 boringen gezet (Bijlage 4). Hiermee is een boordichtheid van 67 boringen per hectare gehaald. Vanwege het geringe oppervlak en de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een meetlint. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont of doorgezet tot maximaal 2,0 m beneden maaiveld. Het opgeboorde sediment is met de hand gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk.
De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2
Veldsituatie
Vanwege de aanwezige bebouwing (dierenonderkomens), hekken en beplanting was het lastig om een indruk van het reliëf te verkrijgen. Ten zuidwesten van de inrit van het terrein, gelegen aan de noordoostzijde, was het gedeelte van de dierenverblijven vrij vlak. Onderstaande foto geeft een indruk van het terrein (Figuur 10). De inrit van het terrein ligt net links van de foto.
Figuur 10: Het plangebied gezien vanaf de Zesweg in zuidoostelijke richting (bron: KSP Archeologie).
KSP Archeologie
26
3.3
Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens
3.3.1 Lithologie en geologie In de meeste boringen bestond de onverstoorde natuurlijke ondergrond uit zwak tot sterk zandige leem, die is geïnterpreteerd als een komklei behorend tot de Laag van Wijchen van de Formatie van Kreftenheye. In boring 3 is onder de leem zwak siltig matig grof zand aangetroffen dat is geïnterpreteerd als beddingzand behorend tot de Formatie van Kreftenheye. In boring 4 is geen leemlaag aangetroffen binnen 120 cm -mv. Mogelijk dat er geen leem is afgezet. Hier bestaan de onverstoorde natuurlijke afzettingen uit zwak siltig matig grof zand. Mogelijk dat het bovenste deel van het zand eolisch is afgezet en tot het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel kan worden gerekend en dat het onderste deel mogelijk beddingzand van de Formatie van Kreftenheye betreft. In de boringen 2, 3 en 5 is boven de leemlaag zwak siltig matig grof zand aangetroffen dat is geïnterpreteerd als eolisch afgezet rivierduinzand behorend tot het Laagpakket van Delwijnen. Aangezien het om een dun pakket gaat en er niet sprake is van een typische duinmorfologie is het zand ook te interpreteren als dekzand afkomstig uit de vlechtende riviervlakte ten tijde van de Jonge Dryas. Het eolisch afgezette zand is afgedekt door een 15 tot 45 cm dikke bouwvoor die aan de onderzijde vaak is verploegd met het eolisch afgezette zand.
In boring 1, gelegen aan het einde van de inrit bij overkapping gebouw, bevond zich boven de leemlaag een 45 cm dikke verstoorde laag grond (mengsel) met daarboven de bouwvoor. De algemene indruk van het terrein is, vanwege het ondiep voorkomen van een leemlaag en dunne eolische bedekking, dat het gebied van oorsprong behoorlijk nat moet zijn geweest en niet geschikt was voor bewoning en landbouw. 3.3.2 Bodem De bodem bestaat uit een 15-45 cm dikke Ap-horizont (bouwvoor) die in de meeste boringen via een 10-30 cm dikke verploegde laag van de Ap- met de C-horizont overgaat in het zand van de C-horizont. De Ap-horizont is in de meeste boringen vrij dun, dus of er oorspronkelijk sprake is geweest van een loopodzol kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Op grond van het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw blijkt dat veel grond in de omgeving van het plangebied nog in gebruik was als heide met daarbinnen kleine percelen die als akker werden gebruikt. Waarschijnlijk heeft de ontginning van de heide naar akker van deze percelen niet veel eerder plaatsgevonden dan begin 19e eeuw. Was dat wel het geval geweest dan zou de bouwvoor door plaggenbemesting veel dikker zijn geweest en ook duidelijk te herkennen zijn als een Aap-horizont (kleine ‘a’ staat voor antropogene ophoging), wat nu niet het geval was.
Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor restanten van een oorspronkelijke podzolbodem, die onder een loopodzolbodem aanwezig zou moeten zijn geweest. Mogelijk dat deze is verploegd en opgenomen in de bouwvoor. Daarnaast zijn er tevens geen aanwijzingen aangetroffen dat de oorspronkelijke bodem een vorstvaaggrond is geweest. 3.4
Archeologische indicatoren
Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat er vindplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied wordt klein geacht. 3.5
Toetsing van de archeologische verwachting
Uitgaande dat de oorspronkelijke bodem een podzolbodem is geweest, dan is deze in het hele plangebied verstoord door ploegwerkzaamheden. Aangezien binnen het plangebied ondiep een leemlaag aanwezig is en de eolische zandbedekking vrij dun is, zal het plangebied veel last hebben gehad van stagnerend regenwater op de leemlaag, waardoor het gebied niet aantrekkelijk was voor bewoning en landbouw. Daarnaast zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats.
KSP Archeologie
27
Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan. Daarnaast zijn er geen indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats. De hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen van jagersverzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum wordt daarom naar laag bijgesteld. Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken. Hoewel het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont intact is aangetroffen, zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats uit deze periode. Daarom wordt de hoge verwachting uit het bureauonderzoek om archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan te treffen voor het plangebied naar laag bijgesteld.
De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.
KSP Archeologie
28
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie
Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een rivierduinrug, -welving dan wel binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het plangebied is een lage verwachting toegekend voor huisplaatsen van de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem is verdwenen maar dat het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is. Ook is gebleken dat binnen het plangebied ondiep een leemlaag aanwezig is met een vrij dunne eolische zandbedekking, waardoor het plangebied veel last zal hebben gehad van stagnerend regenwater, waardoor het gebied niet aantrekkelijk was voor bewoning en landbouw. Daarnaast zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats.
Op basis hiervan is de hoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4.2
Beantwoording van de onderzoeksvragen
Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? In de meeste boringen bestond de onverstoorde natuurlijke ondergrond uit zwak tot sterk zandige leem, die is geïnterpreteerd als een komklei behorend tot de Laag van Wijchen van de Formatie van Kreftenheye. In boring 3 is onder de leem zwak siltig matig grof zand aangetroffen dat is geïnterpreteerd als beddingzand behorend tot de Formatie van Kreftenheye. In boring 4 is geen leemlaag aangetroffen binnen 120 cm -mv. Mogelijk dat er geen leem is afgezet. Hier bestaan de onverstoorde natuurlijke afzettingen uit zwak siltig matig grof zand. Mogelijk dat het bovenste deel van het zand eolisch is afgezet en tot het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel kan worden gerekend en dat het onderste deel mogelijk beddingzand van de Formatie van Kreftenheye betreft. In de boringen 2, 3 en 5 is boven de leemlaag zwak siltig matig grof zand aangetroffen dat is geïnterpreteerd als eolisch afgezet rivierduinzand behorend tot het Laagpakket van Delwijnen. Aangezien het om een dun pakket gaat en er niet sprake is van een typische duinmorfologie is het zand ook te interpreteren als dekzand. Het eolisch afgezette zand is afgedekt door een 45 tot cm dikke bouwvoor die aan de onderzijde vaak is verploegd met het eolisch afgezette zand.
In boring 1, gelegen aan het einde van de inrit bij overkapping gebouw, bevond zich boven de leemlaag een 45 cm dikke verstoorde laag grond (mengsel) met daarboven de bouwvoor. De bodem bestaat uit een 15-45 cm dikke Ap-horizont (bouwvoor) die in de meeste boringen via een 10-30 cm dikke verploegde laag van de Ap- met de C-horizont overgaat in het zand van de C-horizont. De Ap-horizont is in de meeste boringen vrij dun, dus of er oorspronkelijk sprake
KSP Archeologie
29
is geweest van een loopodzol kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor restanten van een oorspronkelijke podzolbodem, die onder een loopodzolbodem aanwezig zou moeten zijn geweest. Mogelijk dat deze is verploegd en opgenomen in de bouwvoor. Daarnaast zijn er tevens geen aanwijzingen aangetroffen dat de oorspronkelijke bodem een vorstvaaggrond is geweest.
4.3
Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom laag ingeschat.
Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? Niet van toepassing. Geen resten aangetroffen.
Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? Niet van toepassing. Geen resten aangetroffen.
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was een hoge archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bewoningresten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het bodemprofiel is verstoord, er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats en dat het gebied van oorsprong vrij nat moet zijn geweest en daardoor ongeschikt was voor bewoning. Op grond daarvan is de hoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek gaven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.
In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Aangezien de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is laag wordt ingeschat, vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Selectieadvies
Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen in het plangebied, het ontbreken van archeologische indicatoren en de van oorsprong vrij natte situatie vanwege de ondiep aanwezig leemlaag en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Wijchen), die vervolgens een selectiebesluit neemt.
KSP Archeologie
30
Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden. Het rapport is beoordeeld door de beleidsadviseur archeologie (Ester van der linden, datum selectiebesluit 15-02-2022). Het advies van KSP Archeologie wordt overgenomen. Er is geen vervolgonderzoek nodig. Het plangebied kan voor het aspect archeologie worden vrijgegeven voor verdere ontwikkeling.
KSP Archeologie
31
Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Boreel, G.L., Witmer, E.M. (2019). Plangebied Sleedoornweg/Kelvinstraat te Wijchen, gemeente Wijchen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek). RAAP, rapport 3824, Weesp. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Flokstra, L.M., Heunks, E. (2003). Plangebieden Sportpark Woezik-Noord en Hofsedam, gemeente Wijchen; een inventariserend archeologisch onderzoek. RAAP, rapport 939, Amsterdam. Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Gelderland. Bureau Lantschap. Kremer, H. (2014). Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek. Kraanvogelstraat 15 te Wijchen, gemeente Wijchen. Synthegra, rapport S130077, Leusden. Magnée-Nentjes, M. (2006). Waarnemingen in de rioolsleuf in de Helmkruidstraat te Wijchen.
Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie, Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 2, Nijmegen. Meij, L. van der, Voeten, D.F.A.E., Winter, J. de, Dyselinck, T.A.F. (2010). Wijchen Hoefsestraat 16 en Zesweg 7. Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen en proefsleuven. BAAC, rapport A-10.0022, ’s-Hertogenbosch. Nederlands Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.
NL, Classificatie van onverharde
Nijdam, L. (2010). Wijchen plangebied Zesweg 9a. Een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC, rapport V-10.0201, ’s-Hertogenbosch. RAAP-rapport 1828 (2009). Archeologie beleid gemeente Wijchen, archeologische waarden- en verwachtingskaart. Kaartbijlage 1, blad 2. RAAP-rapport 1828 (2009). Archeologie beleid gemeente Wijchen, archeologische beleidskaart. Kaartbijlage 2, blad 2. Schorn, E.A. (2020). Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase (booronderzoek) Zesweg (ten oosten van nr. 10) te Wijchen. Gemeente Wijchen. KSP Archeologie, rapport 20768, Duiven Spek, T. (2004). Het Drentse esdorpen landschap: een historisch geografische studie. Uitgeverij Matrijs, Utrecht.
KSP Archeologie
32
Stouthamer, E., Cohen, K.M. & Hoek, W.Z. (2015). De vorming van het land: geologie en geomorfologie. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Tol, A.J., Verhagen J.W.H.P., Verbruggen M. (2012). Leidraad inventariserend veldonderzoek versie 2.0. Deel: karterend booronderzoek. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Vroon, H.R.J., (2000). De bodemgesteldheid van het land Winterle-Oerle. Wageningen, Alterra. Rapport 71.
Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008 – heden). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/ahn3/extract/ Archeologische Monumenten Kaart (2014). Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl. Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer.kadaster.nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemkwaliteit: www.bodemloket.nl Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart.xml. Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25.000: www.topotijdreis.nl (Kadaster). Brouwer, F. & M.M. van der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J. & Geurts, A.H. (2012).
Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. http://persistent‐ identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13‐nqjn‐zl Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Dirks, G.H.P. & Nieuwenhuizen, W. (2013). HISTLAND: historisch-landschappelijk informatiesysteem. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-werkdocument 331.
Geologische overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Geraadpleegd via https://www.grondwatertools.nl/geologische-overzichtskaart. Referentie: Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsma, I.L.,
KSP Archeologie
33
Westerhof, W.E. & Wong, T.E. (2003). De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie Ondergrond maart 2020). Alterra, Wageningen UR. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index.xmlLegenda: Maas, G. J., S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). "Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017)." http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50.000 versie tot 2006: http://geoplaza.vu.nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www.ikme.nl KLIC-meldingen via www.kadaster.nl Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmt s Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl Rijksmonumenten (2019): Geraadpleegd via openbaar/wfs
WFS server: https://data.geo.cultureelerfgoed.nl/
Topografische kaart van Nederland schaal 1:25.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top25raster/wms?request=GetCapabilities&service=wms. Kadaster. Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V.1 & V.2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen.nl Vooronderzoek en Opsporing niet-gesprongen explosieven: https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/
Websites Geologische eenheden (formaties): https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator
KSP Archeologie
34
Bijlage 1
KSP Archeologie
Geomorfologische kaart
Bijlage 2
KSP Archeologie
Bodemkaart
Bijlage 3
KSP Archeologie
Archeologische gegevens
Bijlage 4
KSP Archeologie
Boorpuntenkaart
KSP Archeologie
Bijlage 5 Boorbeschrijvingen Projectnummer
: 21215
Boring
X (m RD)
Y (m RD)
Z (m+NAP) via AHN3
Project
: Zesweg Wijchen
1
179.140
425.120
7,96
Datum
: 25-01-2022
2
179.132
425.128
7,94
Beschrijver
: Erik Schorn
3
179.132
425.113
7,88
Type grond
: Zand
4
179.122
425.126
7,88
Boordiameter
: Edelman 15 cm
5
179.112
425.117
7,94
Bijzonderheden
: Geen
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Horizont
Opmerkingen
1
35
Z4s1
h2
zwgr
Ap
bestrating
50
Z4s1
h1
zwgr/ge
Ap/C
verploegd
95
Z4s1
lgegr/brgr
X
mengsel, verstoord
120
Lz1
lgr
Fe3
C
Laag van Wijchen
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
2
20
Z4s1
h2
zwgr/lgr
Opmerkingen vermengd met bestratingszand
naast oprit
45
Z4s1
h2
zwgr
60
Z4s1
h1
zwgr/orge Fe3
Ap/C
90
Z4s1/Z5s1
lgegr
Fe3
C
verploegd Laagpakket van Delwijnen
110
Lz1
lgr
Fe3
C
Laag van Wijchen
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
3
25
Z4s1
h2
zwgr
dierenverblijf
45
Z4s1
h1
zwgr/ge
60
Z4s1
85
Z4s1
gr
90
Lz3
110
Z4s1
Boring
Diepte in cm
Textuur
4
45
Z4s1
dierenverblijf
55
Z4s1
90
Bijzondere bestanddelen
Ap/X bs1
Vondsten
Vondsten
Ap
Vondsten
Ap verploegd Laagpakket van Delwijnen
Fe3
Ap/C
Fe3
C
Fe3, leembrokjes
C
gr
Fe3
C
gr
Fe3
C
Laag van Wijchen Formatie van Kreftenheye
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
h2
brgr
h1
brgr/or
Fe3
Ap/C
Z4s1
orge
Fe3
C
verploegd Laagpakket van Delwijnen?
120
Z4s1
br
Fe3, ijzerverbindingen
C
ijzerverbindingen zorgen voor bruine kleur
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
5
15
Z4s1
h2
zwgr
dierenverblijf
45
Z4s1
h1
brgr/dge
Fe3
Ap/C
60
Z4s1
ge
Fe3
C
90
Z4s1
lgegr
Fe2
C
100
Lz1
lgr
Fe3
C
Vondsten
Ap
Ap
Pagina 1 van 1
verploegd Laagpakket van Delwijnen Laag van Wijchen
Vondsten
KSP Archeologie
Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Samengesteld door E.A. Schorn (BAAC) naar aanleiding van de publicatie: De steentijd van Nederland (2005). Onder redactie van: Jos Deeben, Erik Drenth, Marie-France van Oorsouw en Leo Verhart.
KSP Archeologie
KSP Archeologie
Archeologische periodes volgens het Archeologisch Basis Register Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
KSP Archeologie