Bijlage 5 Ecologisch Werkprotocol
Tekst van het document
Ecologisch werkprotocol Oosterweg ong. te Wijchen Uitvoering in kader van de Wet natuurbescherming – Soortbescherming Das
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0128
Datum:
22 februari 2022
Samensteller:
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets:
ir. ing. D. de Boer
Opdrachtgever:
J. W. Wessels
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel
4
1.3
Verplichtingen uitvoerende partij
5
2 Flora en fauna
6
2.1
Ecologische onderzoeken
6
2.2
De das
7
2.3
Effecten beoogde ontwikkeling
8
3 Maatregelen
9
3.1
Algemene zorgplicht
9
3.2
Maatregelen voorafgaand de werkzaamheden
10
3.3
Maatregelen tijdens de werkzaamheden
13
4 Calamiteiten
14
4.1
Melding van een calamiteit
14
4.2
Herkenning van calamiteiten
14
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan de Oosterweg ong. te Wijchen is een braakliggend perceel met een kleine bosschage gesitueerd (figuur 1.1). De heer J.W. Wessels is voornemens hier een vrijstaande woning te realiseren. De functie van het terrein voorziet niet in de beoogde ingreep en dient derhalve gewijzigd te worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt mogelijk tot negatieve effecten op beschermde natuurwaarde. Derhalve is in januari 2022 hier een ecologisch oriënterend onderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de bosschage aan de oostzijde een functie vervult als wissel voor de das en (mogelijk) sporadisch wordt gebruikt als foerageergebied (de Boer, 2022).
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Oosterweg ong. te Wijchen.
De realisatie van een vrijstaande woning resulteert niet in aantasting van essentieel leefgebied mits de bestaande dassenwissel behouden en functioneel kan blijven. Om dit te waarborgen, alsmede (mogelijke) overtreding wet natuurbescherming te voorkomen, is voorliggend ecologisch werkprotocol opgesteld. Daarnaast dient de huidige functie van de kleine bosschage behouden te blijven of gewijzigd te worden naar Groen of Natuur.
1.2
Doel Deze rapportage is opgesteld om negatieve effecten ten aanzien van das, naar aanleiding van de voorgenomen activiteiten, te ondervangen alsmede om overtreding van Wet natuurbescherming te voorkomen. Naast het voorkomen van negatieve effecten dient deze rapportage als middel voor een goed verloop en vlotte doorstroming van de werkzaamheden. 4
1.3
Verplichtingen uitvoerende partij De initiatiefnemer heeft een nalevings- en instructieplicht ten aanzien de maatregelen. Tevens dienen werkuitvoerders onder responsabiliteit van de initiatiefnemer zich te conformeren aan de bepalingen van deze rapportage. Kort samengevat bestaan de verplichtingen van de aannemer uit de volgende aspecten: • • • • •
Naleving maatregelen; Voorkomen calamiteiten; Beschermen van de aanwezige wettelijk beschermde dieren; Schade aan planten, dieren en landschap tot het minimum beperken; Goede instructie van personeel en onderaannemers.
5
2 Flora en fauna 2.1
Ecologische onderzoeken Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is voorafgaand op 11 januari 2022 een ecologisch oriënterend onderzoek (quickscan) uitgevoerd (de Boer, 2022). Daarnaast heeft er op 15 juni 2021 op het naastgelegen perceel een ecologisch onderzoek plaatsgevonden (de Boer 2021). Uit beide onderzoeken bleek dat in de bosschage aan de oostzijde van de planlocatie sporen aanwezig waren van de das. Quickscan 15 juni 2021 Tijdens dit onderzoek is het perceel aan de westzijde van de planlocatie onderzocht. Hierbij is ook de directe omgeving verkend, waarbij sporen van de das zijn aangetroffen in de kleine bosschage aan de oostzijde. Daarnaast was er een dassenraster met dassentunnel* aanwezig (figuur 2.1). In de kleine bosschage aan de oostzijde zijn meerdere sporen van de das waargenomen, waaronder graafsporen en een mestputje. Gezien de hoeveelheid (verse) sporen, kan geconcludeerd worden dat deze strook van de planlocatie zeer aannemelijk een functie vervult als wissel en mogelijk tevens als (algemeen) leefgebied van de das (De Boer, 2021). * Ten behoeve van de ontwikkeling van een woonwijk ten zuiden van de planlocatie (Huurlingsedam) is door Stichting Das&Boom in 2016 een onderzoek naar het leefgebied van de das in een groot deel van Wijchen uitgevoerd.
Ten behoeve hiervan is er een dassentunnel met dassenraster aangelegd van zuid naar noord onder de Oosterweg door .
Figuur 2.1 Overzicht van de sporen (d.d. 15-06-2021) van de das en aangelegde structuren t.b.v. de das. Quickscan 11 januari 2022 Tijdens het veldbezoek is het perceel nogmaals grondig onderzocht naar sporen van de das. Hier zijn wederom veelvuldig sporen van de das aangetroffen in de kleine bosschage aan de oostzijde (figuur 2.2.). Hieronder vallen loopsporen van zuid naar noord (richting de dassentunnel), prenten en 6
graafsporen. Aan de westzijde van de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen van de das. Tevens zijn er geen burchten of dassenpijpen aangetroffen. Er is derhalve geen sprake van een rust- of voortplantingsplaats op de planlocatie of de directe omgeving (binnen de invloedsferen) hiervan. Gezien de duidelijke (loop)sporen in noord-zuidelijke richting is er zeer aannemelijk sprake van een wissel (frequent gebruikte looproute). Op basis van de graafsporen wordt de bosschage mogelijk ook sporadisch gebruikt voor algemene foerageeractiviteiten (De Boer 2022).
Figuur 2.2 Overzicht van de sporen (d.d. 11-01-2022) van de dat en aangelegde structuren t.b.v. de das.
2.2 De das Ecologie De das (figuur 2.3) is een sociaal dier dat vrijwel altijd in een dassenclan leeft. Een clan bestaat meestal uit één dominante man en één dominante vrouw met jongen en jaarlingen (de jongen van het voorgaande jaar). De grootte van een clan is afhankelijk van de grootte van het leefgebied en het voedselaanbod (BIJ12, 2017; Zoogdierenvereniging Das, 2020). Dassen leven in verschillende type burchten. Naast de hoofdburcht zijn er vaak ook (kleinere) bijburchten en vluchtpijpen, welke tijdelijk worden gebruikt en meestal op strategische plaatsen liggen, zoals dicht bij een voedselbron. Afhankelijk van de periode in het jaar wordt de hoofdburcht of een van de bijburchten bewoond. Deze dassenpijpen liggen verspreid in het territorium, waarin verschillende foerageergebieden en looproutes aanwezig en met elkaar verbonden zijn (BIJ12, 2017). Dassen zijn schemer en nacht actieve dieren, waarbij ze de burcht vaak pas ’s avonds verlaten opzoek naar voedsel. Hierbij worden veelal wissels (looproutes) gebruikt om van de burcht naar het foerageergebied te komen en terug. Het dieet van de das bestaat voor het grootste deel uit regenwormen (circa 40-80 %).
Het overige deel van het dieet bestaat uit overige ongewervelde (kevers, pissebedden, duizendpoten slaken etc.), noten, bessen en seizoensgebonden gewassen als mais en graan en soms ook kleine zoogdieren en amfibieën (Dinther et al., 2010; Bommel et al., 2015).
7
Figuur 2.3 De das (Meles meles) (bron: Blom Ecologie). Beschermingsregime De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt uiteen in drie beschermingsregimes: 1. soorten op grond van de Vogelrichtlijn (art. 3.1 Wnb); 2. soorten op grond van de Habitatrichtlijn (art. 3.5 Wnb); 3. andere (nationaal beschermde) soorten (art. 3.10 Wnb). De das is een nationaal beschermde soort in de zin van art. 3.10 van de Wnb. Voor zover hier van belang is het op grond van Wnb art. 3.10 lid 1 onder b verboden om: ‘de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a (waaronder de das) opzettelijk te beschadigen of te vernielen’ Foerageergebieden en wissels worden in beginsel niet beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb. Dit is alleen anders als: 1. het foerageergebied of wissel samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats, of 2. sprake is van essentieel foerageergebied. Onder essentieel foerageergebied wordt verstaan: ‘een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen’.
2.3 Effecten beoogde ontwikkeling Binnen de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van directe aantasting van rust- of voortplantingsplaatsen van de das. Daarnaast is er geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied. Het is mogelijk dat de aanwezige dassenwissel een belangrijke functie heeft voor de das. Derhalve dient er gewaarborgd worden dat de wissel ten alle tijden behouden en functioneel blijft, om negatieve effecten op de das alsmede overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen.
8
3 Maatregelen Naast de bepalingen in de verleende beschikking geldt ten alle tijden onverminderd de Algemene zorgplicht. Hiervoor dienen onderstaande maatregelen getroffen te worden. Tevens dienen maatregelen getroffen te worden om de functionaliteit van de dassenwissel ten alle tijdens te behouden.
3.1
Algemene zorgplicht De uitvoerende partij is verantwoordelijk voor een correcte uitvoering van werkzaamheden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om dit in de praktijk te realiseren zijn hiervoor per werkzaamheid zowel maatregelen in het kader van de Algemene zorgplicht als schade beperkende maatregelen beschreven (tabel 3.1). In het kader van de Algemene zorgplicht gelden een aantal maatregelen die over het gehele werk toepasbaar zijn. In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Een ieder die redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kan hebben voor in het wild levende dieren en planten, dient deze handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen om nadelige effecten te voorkomen. Het volledige artikel is onderstaand beschreven. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a.
Dergelijk handelen achterwege laat, dan wel, b. Indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Ten aanzien van de Algemene zorgplicht worden geen specifieke maatregelen voorgeschreven. De invulling hiervan ligt bij de uitvoerder. De Algemene zorgplicht kan als het volgt worden gedefinieerd (stowa.nl): • Het in redelijkheid vermijden van activiteiten waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig zijn voor in het wild levende dieren en planten; • Het zorgen dat op hoofdlijnen bekend is waar in het beheergebied actuele natuurwaarden en bijzondere potenties aanwezig zijn; • Zorg besteden aan de instandhouding van soorten en hun leefgebieden (biodiversiteit). Voor een aantal beschermde soorten vraagt de wet extra waarborging. De gedragscode moet gezien worden als de concretisering van de Algemene zorgplicht voor die soorten. Tabel 3.1
Maatregelen Algemene zorgplicht.
Type
Omschrijving
Toepassing
Alle werkzaamheden
De werkzaamheden en het betreden van de bosschage mogen niet uitgevoerd worden tussen de schemerperiode. Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden tussen zonsopkomst en zonsondergang.
Alle fauna, vleermuizen
Alle werkzaamheden
Een werkrichting hanteren en werkzaamheden zo min mogelijk onderbreken (continuïteit).
Alle fauna
m.n.
das
en
9
3.2 Maatregelen voorafgaand de werkzaamheden De maatregelen die getroffen dienen te worden voorafgaand aan de werkzaamheden worden beschreven in tabel 3.2. De correcte uitvoering van de nog toe te passen maatregelen is de verantwoording van de uitvoerende partij. In geval van onduidelijkheden of vragen ten aanzien van de maatregelen dient contact opgenomen te worden met een ecoloog. Tabel 3.2
Maatregelen voorafgaand de werkzaamheden.
Type
Omschrijving
Toepassing
Bestemmingsplan
De huidige functie van de kleine bosschage behouden te blijven of gewijzigd te worden naar Groen of Natuur
Das
Aanleg takkenril
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient er een takkenril te worden aangelegd op de grens van de kleine bosschage. Hiermee wordt extra dekking voor de das gerealiseerd. De takkenril dient tenminste 1 m hoog en 0,5 m breed te worden.
Das en overige fauna
Aanplant zuidoostelijk strook
Om de bestaande bosschage te versterken dient aan de zuidzijde bomen en struiken worden aangeplant. Nieuwe aanplant dient van voldoende kwaliteit te zijn (voorzien in voedsel en/of verrijken bodemleven).
Das
Er dient een gelaagdheid gecreëerd te worden waarbij de binnenzijde aangeplant wordt met bomen en hoge heesters (minimale afstand van 2 m) en de zuid- en oostranden worden ingepland met lage struiken en heesters (minimale afstand 0,5 m) (figuur 3.2 en 3.3). De volgende soorten worden geadviseerd: Bomen: zomereik (max 15%), ruwe berk, sporkehout en hazelaar. Struiken en heesters: eenstijlige meidoorn, gewone vlier, wilde lijsterbes en mispel. Plaatsen raster
Een deel van het reeds aanwezige dassenraster aan de noordzijde van de planlocatie dient opengebroken worden ten behoeve van een oprit. Derhalve dient dit raster omgeleid te worden, zodat functionaliteit behouden blijft. Mogelijk moet hiervoor ook het terugkeerrooster verplaats worden.
Das
Parallel aan de kleine bosschage dient van noord naar zuid een dassenraster geplaats te worden. Hiermee wordt voorkomen dat de das het terrein van de woning op kan en verstoring voorkomen. Het raster dient tenminste 1 m hoog te worden en een maaswijdte van maximaal 60 mm. Het raster dient tenminste 20 cm ingegraven te worden waarbij het gaas 30 cm in een hoek wordt geplaatst richting de bosschage. Werken buiten kwetsbare periodes
Voor de kap- en aanplant, aanleg van de takkenril, realisatie van het raster en alle heiwerkzaamheden dient er gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode van de das en de algemene broedperiode van vogels. Deze werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden in de periode 15 juli – 31 november. Overige werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden mits er rekening wordt gehouden met het vogelbroedseizoen (betreffende de periode 15 maart – 15 juli) en er buiten de schemerperiodes gewerkt wordt.
Das en overige fauna
10
Figuur 3.1 Locaties van de nieuwe takenril, aanplant en dassenraster.
Figuur 3.2
Beplantingsprincipe van lage heesters en struiken en bomen/hoge heesters.
11
Figuur 3.3 Beplantingsprincipe voor lage heesters en struiken op de zuid- en oostranden en bomen in het midden van het gebied.
12
3.3 Maatregelen tijdens de werkzaamheden Tijdens de werkzaamheden dienen een aantal maatregelen in het kader van wet natuurbescherming plaats te vinden. Deze maatregelen zijn beschreven in tabel 3.3. Tabel 3.3
maatregelen tijdens de werkzaamheden.
Type
Omschrijving
Toepassing
Waarborgen maatregelen flora & fauna
Gedurende de uitvoering van de werkzaamheden dient een afschrift van de beschikking én het ecologisch werkprotocol op de locatie aanwezig te zijn.
Alle fauna
Alert tijdens uitvoering
Ter plaatse van bosschages, hagen en dichte opgaande vegetatie kunnen zich (jonge) vogels, amfibieën en zoogdieren (das) ophouden. De uitvoerders dienen alert te zijn op plots overstekende dieren of dieren die zich verschansen in de directe omgeving hiervan. Indien de dieren zich ophouden op de planlocatie of binnen 5 meter hiervan dienen de werkzaamheden onderbroken te worden totdat de dieren zich buiten deze zone bevinden.
Alle fauna
Toepassen vleermuis- en dasvriendelijke verlichting
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode apriloktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Verlichting in en gericht op de bosschage dient ten alle tijden voorkomen te worden.
Das en vleermuizen
Betreding bosschage
Tijdens de werkzaamheden in de bosschage dient betreding en vernielingen van aanwezige dassenwissels (figuur 3.4) voorkomen te worden. Daarnaast dient betreding de bosschage tijdens de gebruiksfase zoveel mogelijk voorkomen worden.
Das
Ontzien ondergroei
Aanwezige ondergroei in de bosschage dient zoveel mogelijk ontzien en behouden te blijven.
Das
Onvoorziene aanwezigheid dassenpijpen
Indien er tijdens de werkzaamheden dassenpijpen worden aangetroffen op de planlocatie, dient er een ecologische deskundige worden ingezet, om te bepalen of de werkzaamheden verder uitgevoerd kunnen worden. Ten alle tijden dienen de dassenpijpen intact gehouden te blijven.
Das
Figuur 3.4 Links een dassenwissel en rechts een cluster van dassenpijpen (foto niet genomen op de planlocatie) (bron: Blom Ecologie).
13
4 Calamiteiten 4.1
Melding van een calamiteit Ondanks de zorgvuldige samenstelling en uitvoering van het werkplan kan er een calamiteit ten aanzien van beschermde flora en fauna plaats vinden. Wanneer een calamiteit plaatsvindt is het van groot belang dat de aanleiding, gebeurtenis en de gevolgen adequaat geregistreerd worden door betrokkenen en/of leidinggevende op het meldingsformulier calamiteiten (Bijlage I). Door de ter zake deskundige wordt beoordeeld hoe ernstig de calamiteit is. Indien nodig wordt er een melding gedaan bij de handhavende partij. Na de melding zal een ter zake deskundige (ecoloog) beoordelen welke maatregelen getroffen dienen te worden om de ontstane situatie op te heffen en gedurende het vervolg van de werkzaamheden een herhaling wordt voorkomen.
4.2 Herkenning van calamiteiten Een calamiteit is een onverwachte situatie gedurende de werkzaamheden die leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Iedere afwijking van het werkplan kan leiden tot een calamiteit. Voorbeelden van calamiteiten: • Onvoorziene aanwezigheid van de das tijdens de werkzaamheden; • Onvoorziene aanwezigheid van dassenpijpen op de locatie van de nieuwbouw.
14
Bronvermelding De Boer, 2021. Quickscan Wet natuurbescherming Oosterweg 188 te Wijchen. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. De Boer, 2022. Quickscan Wet natuurbescherming Oosterweg ong. te Wijchen. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.gelderland.maps.arcgis.com www.ndff.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.zoogdiervereniging.nl
15
Bijlage I | Calamiteitenformulier Denk rustig na, neem elke calamiteit serieus en voorkom meer schade. Datum: Locatie:
Zaaknummer:
Naam melder: Functiemelder: Telefoonnummer: Calamiteit betreft: Nadere omschrijving calamiteit: Benoem zoveel mogelijk details. Zijn er beschermde soorten doodgegaan/vernietigd? Zo ja hoeveel en welke soorten. Welke vervolgmaatregelen zijn getroffen?
Melder heeft contact opgenomen met: Betrokken ecoloog (c.q. ter zake deskundige): Maatregelen:
Goedgekeurd op:
Paraaf:
16
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 17