CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming

Raad openbaar Wijchen 30 maart 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 75031 Beslisnota Bestemmingsplan Oosterweg ong. Wijchen6.536 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Oosterweg ong. te Wijchen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2021-1283

Datum:

28 januari 2022

Samensteller:

ir. ing. D. de Boer

Collegiale toets:

ing. G. Fairhurst

Opdrachtgever:

J.W. Wessels

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

8

2.4

Houtopstanden

9

2.5

Houdbaarheid en toepassing

10

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Gebiedsbescherming

17

3.3

Houtopstanden

19

4 Samenvatting

20

4.1

Soortenbescherming

20

4.2

Gebiedsbescherming

20

4.3

Houtopstanden

21

5 Conclusie

22

5.1

Conclusie

22

5.2

Uitvoerbaarheid

22

5.3

Vervolgstappen

22

5.4

Te treffen maatregelen

22

1 Inleiding Aan de Oosterweg ong. te Wijchen is een braakliggend perceel met een kleine bosschage gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het braakliggende gedeelte een vrijstaande woning te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd naar ‘wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. J.W. Wessels heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen de Ooststeeg ong. te Wijchen. De planlocatie bevat een kleine bosschage (links) en een deel braakliggend terrein (rechts).

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Oosterweg ong. te Wijchen (figuur 1.2). De planlocatie betreft een braakliggend perceel met een kleine bosschage aan de oostzijde. Het perceel heeft een laag onderhoudsbeeld met ruig begroeid gras. De bosschage bestaat hoofdzakelijk uit dunne bomen. De bodem van de bosschage is bedenkt met bladmateriaal en enkele lage vaatplanten, zoals gewone braam en Robertskruid. Op de planlocatie is geen verharding, oppervlaktewater of bebouwing aanwezig. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Oosterweg ong. te Wijchen. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Wijchen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen en vrijstaande bebouwing. Op een afstand van circa 1,5 km is een spoorlijn gesitueerd. Op circa 500 meter ten oosten van de planlocatie is de N324 gesitueerd.

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een vrijstaande woning. De bosschage blijft in de huidige staat behouden. Mogelijk worden enkele bomen aan de straatzijde (ten westen van de bosschage) gekapt. De functie van het perceel dient te wijzigen naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • mogelijk kapwerkzaamheden van bomen buiten de bosschage: algemene kapwerkzaamheden; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie vrijstaande woning: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.3 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Kbma B.V.).

6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022 en is uitgevoerd door ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 0 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk aantasten. 8

Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe grootschalige activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten significant aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk als deze er toe leiden dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.

Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Als door een activiteit het betreffende rustgebied kleiner wordt dan 500 hectare, kan deze activiteit alleen doorgaan als aansluitend voldoende hectare aan het betreffende ganzenrustgebied wordt toegevoegd. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand;

9

h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: dreps, drijvende waterweegbree, glad biggenkruid, kartuizeranjer, korensla en wilde ridderspoor (NDFF 2012-2022). Wegens het ontbreken van oppervlaktewater is het voorkomen van drijvende waterweegbree op voorhand uitgesloten. De overige vorengenoemde beschermde vaatplanten hebben als voorkeursbiotoop kalkarme akkers (korensla en glad biggenkruid), kalkgraslanden (kartuizer anjer) of kalkrijke akkers (wilde ridderspoor) (FLORON verspreidingsatlas, 2021). De planlocatie voldoet niet aan het voorkeursbiotoop van de bovengenoemde beschermde vaatplanten, aangezien deze geen akker betreft. Tevens zijn beschermde vaatplanten niet binnen een straal van 1 km van de planlocatie waargenomen (NDFF 2012-2022).

Het voorkomen van beschermde vaatplanten op de planlocatie is uitgesloten. De planlocatie betreft een braakliggend perceel met een relatief laag onderhoudsbeeld, en een kleine bosschage. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, gewone braam, gewone klimop, Robertskruid, ruwe berk, schietwilg en zomereik. Wegens het ontbreken van bebouwing is het voorkomen van beschermde muurvegetatie uitgesloten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De bever leeft in waterrijke gebieden zoals moerassen, beken, rivieren en meren. Op en rondom de planlocatie is geen sprake van dergelijk habitat. Derhalve is het op voorhand uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de bever. De kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter hebben veelal een voorkeur voor kleinschalige (cultuur-)landschappen met voldoende dekking. De hermelijn, en in mindere mate ook de bunzing, prefereren daarnaast een waterrijke omgeving. Als jachtgebied wordt gebruikt gemaakt van landschapselementen zoals oeverhoekjes, bosjes en hagen. Marterachtigen begeven zich voornamelijk in dichte vegetatie. Buiten de dekking van de vegetatie zijn kleine marterachtigen kwetsbaar voor predatoren zoals roofvogels, vossen of huiskatten (Bouwens, handreiking kleine marters, 2017). In tegenstelling tot de kleine marterachtigen komt de steenmarter ook regelmatig in menselijke bebouwing voor, zoals schuren maar ook daken van woningen. 11

Vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de kleine marterachtigen en steenmarter zijn beschermd onder de wet Natuurbescherming. Op dergelijke plaatsen zijn door veelvuldig gebruik vaak veel sporen te vinden (c.q. uitwerpselen, prooiresten, pootafdrukken etc.). Hoewel op de planlocatie enige mate van dekking aanwezig is in de bosschage, is geen sprake van zeer veel dekking door hagen en bosjes. Tevens zijn op de planlocatie geen sporen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van kleine marterachtigen of steenmarters. Het voorkomen van een vaste rust- of verblijfplaats van de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter zijn derhalve uitgesloten. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op deze soorten zijn derhalve eveneens uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in bossen en boomrijke gebieden. De kleine bosschage op de planlocatie kan mogelijk sporadisch bezocht worden door de rode eekhoorn. Echter vervult de bosschage geen functie als verbinding tussen boomrijke gebieden. Tevens zijn er geen nesten van de rode eekhoorn in de bosschage waargenomen. Derhalve zijn er geen redenen om aan te nemen dat de bosschage behoort tot het functioneel leefgebied van de eekhoorn. Negatieve effecten op de rode eekhoorn zijn uitgesloten. In het kader van compensatieplan Huurlingsedam fase 2a is een dassentunnel aangelegd waarvan de zuidelijke pijp uitkomt op de planlocatie.

Op 15 juni 2021 zijn diverse verse sporen van de das en structuren ten behoeve van de das aangetroffen op de planlocatie (tijdens een quickscan ten behoeve van het naastgelegen perceel). Deze sporen en structuren betroffen de dassentunnel, een dassenraster, dassenpoort, loopsporen, een mestputje en graafsporen (bijlage 3). Tijdens het veldbezoek op 11 januari 2022 zijn naast de vaste structuren, zoals de dassentunnel, dassenraster en dassenpoort, wederom loopsporen en verse graafsporen op de planlocatie waargenomen. Tevens zijn aan de akkerrand ten oosten van de planlocatie pootafdrukken van de das waargenomen (figuur 3.1 en figuur 3.2 d). Dit bevestigd dat de planlocatie en omgeving hiervan nog steeds (veelvuldig) bezocht worden door de das.

Figuur 3.1 Aangelegde structuren ten behoeve van de das en waargenomen sporen op 11 januari 2022.

12

Figuur 3.2 Sporen van de das. (A en B) verse graafsporen. De graafsporen zijn waargenomen op punt 1 zoals aangegeven in figuur 3.1. (C) een loopspoor van de das. Het loopspoor is waargenomen op punt 3 zoals aangegeven in figuur 3.1. (D) een verse pootafdruk van de das. Deze pootafdruk is waargenomen op de akker naast de planlocatie, op de locatie zoals aangegeven bij punt 2 in figuur 3.1. Vaste voorplantingsplaatsen en rustplaatsen (gedefinieerd als een dassenburcht), en essentiële onderdelen van het leefgebied (gedefinieerd als migratierouten, wissels en essentieel foerageergebied) zijn beschermd. Een dassenburcht is een gangenstelsel van ondergrondse holen dat door een das gegraven is. Pijpen vormen de ingang naar een dassenburcht. Burchten zijn vaak in hellingen en terreinverhogingen te vinden, aangezien hier een goede waterafvoer is zodat de burcht niet onder water kan lopen (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Op de planlocatie is geen sprake van een helling, terreinverhoging, aanwezigheid van pijpen of andere sporen die duiden op aanwezigheid van een burcht. Derhalve is het voorkomen van een burcht (c.q. voortplantingsplaats of rustplaats) op de planlocatie uitgesloten. Gezien de duidelijke (loop)sporen in noord-zuidelijke richting is er zeer aannemelijk sprake van een wissel.

Op basis van de graafsporen wordt de bosschage mogelijk ook sporadisch gebruikt voor algemene foerageeractiviteiten. Om de zeer aannemelijke functie als wissel te waarborgen binnen de beoogde ontwikkeling zal een Ecologisch Werkprotocol opgesteld dienen te worden (zie Vervolgstappen). De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name het konijn, egel en muizen. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). 13

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in bebouwing is derhalve op de planlocatie uitgesloten. Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. De bomen op de planlocatie zijn veelal dun. Hierdoor is het voorkomen van holten op voorhand onwaarschijnlijk. Op basis van een nauwkeurige inspectie is volledig uitgesloten dat de bomen beschikken over holten, bastdelen, scheuren of andere openingen die geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Tevens blijft de bosschage behouden en worden er enkel mogelijk bomen ten westen van de bosschage gekapt.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Het gebruik als essentiële vliegroute is uitgesloten, aangezien de planlocatie geen verbinding vormt. Het is aannemelijk dat de bomen op het perceel sporadisch gebruikt worden voor foerageeractiviteiten door vleermuizen. Gezien de aanwezigheid van voldoende alternatieven in de omgeving is het uitgesloten dat deze foerageerfunctie essentieel is. Van aantasting van essentiële vliegrouten en essentiële foerageergebieden is derhalve geen sprake. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker, rugstreeppad en vuursalamander (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en vuursalamander. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.

Op de planlocatie is geen sprake van oppervlaktewater. Derhalve is het voorkomen van voortplantingswater op de planlocatie uitgesloten. Ook is er in de nabije omgeving van de planlocatie geen geschikt oppervlaktewater aanwezig. Hoewel op de planlocatie structuurrijke elementen in beperkte mate aanwezig zijn, zoals ruig gras en bladmateriaal, is er geen sprake van terrestrisch habitat van beschermde amfibieën wegens het ontbreken van voorplantingswater in de directe omgeving en ontbreken van waarnemingen van beschermde amfibieën binnen een straal van 700 m (NDFF 2012-2022). Negatieve effecten op de Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en vuursalamander zijn uitgesloten. Wegens het ontbreken van waarnemingen van de rugstreeppad binnen een straal van 1 km in de afgelopen 3 jaar is het treffen van maatregelen om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen niet benodigd. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: adder en levendbarende hagedis (NDFF 2012-2022). Waarnemingen van beide soorten zijn afkomstig van heidegebied op een afstand van >1,3 km van de planlocatie (NDFF 2012-2022). 14

Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De adder komt voor in heide- en hoogveengebieden en soms op open plekken in bossen. Op de planlocatie is slechts sprake van een kleine bosschage. Deze bosschage is niet aangesloten op andere bosschages, waardoor er geen sprake is van een samenhangend geheel. Gezien de grote afstand tussen de locatie van waarneming (>1,3 km), het aantal waarnemingen in de periode 2012-2022 binnen een straal van 2 km (namelijk 1) en de slechte verbinding tussen de locatie van waarneming en de planlocatie, is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de adder. De levendbarende hagedis leeft bij voorkeur in heide- en hoogveengebieden. Ook kan de soort voorkomen in open bossen en ruige graslanden. De soort is vochtminnend en wordt veelal aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. De planlocatie voorziet slechts in een kleine bosschage, welke niet aangesloten is op andere bosschages. Het braakliggende deel is slechts lichtelijk verruigd en op de planlocatie is geen sprake van vochtige terreindelen.

Gezien de kleinschaligheid, grote afstand tot de locatie van waarnemingen (>1,3 km) en het ontbreken van een goede verbinding is het voorkomen van functioneel leefgebied van de levendbarende hagedis op de planlocatie uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, iepenpage en gevlekte witsnuitlibel (NDFF 2012-2022). De gevlekte witsnuitlibel komt voor bij laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater en dergelijke habitats is het voorkomen van functioneel leefgebied van de gevlekte witsnuitlibel uitgesloten. De grote vos en iepenpage komen voor in- en langs bosgebied. Waardplanten van de soorten betreffen iep en zoete kers (grote vos) en iep (iepenpage). Waardplanten zijn op de planlocatie niet aanwezig.

Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van functioneel leefgebied van de grote vos en iepenpage derhalve uitgesloten. Er is op de planlocatie geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauwe reiger, gaai, houtduif, kauw, vink en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 50 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument huismus, 2017). De gierzwaluw broedt hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).

15

Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig, waardoor het voorkomen van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw op voorhand uitgesloten zijn. Het voorkomen van functioneel leefgebied is wegens voldoende alternatieven nabij bebouwing in de omgeving eveneens uitgesloten. Wegens het ontbreken van bebouwing en nestkasten is het voorkomen van nestlocaties van gebouw bewonende uilen, zoals de kerkuil en steenuil, ook uitgesloten. De bomen op de planlocatie betreffen veelal dunne berken, waardoor het voorkomen van geschikte holten voor de bosuil uitgesloten is. In deze bomen zijn geen grote nesten of horsten waargenomen welke tot roofvogels kunnen behoren, zoals de buizerd en sperwer. De planlocatie is relatief klein van omvang. Mogelijk vinden er op de planlocatie sporadisch foerageeractiviteiten van roofvogels of uilen plaats. De planlocatie vervult echter geen functie als functioneel leefgebied van uilen en roofvogels. Rondom de planlocatie is beter foerageergebied aanwezig. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

16

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 8,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 8,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: geocontent.rvo.nl). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een vrijstaande woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).

De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

17

Gezien er sprake is van een grote afstand (8,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 610 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 630 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). De Beschermingszone natte landnatuur ligt op een afstand van circa 1 km van de planlocatie (figuur 3.3). De dichtstbijzijnde Weidevogelgebieden en Ganzenrustgebieden zijn gelegen op een afstand van respectievelijk 13 km en 9 km. Wegens de grote afstand tot deze gebieden is hiervan geen kaartmateriaal vervaardigd.

Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 610 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 630 m tot de Groene Ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl).

18

Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot de Beschermingszone natte landnatuur (bron: gldanders.planoview.nl).

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

19

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie vervult zeer aannemelijk een functie als dassenwissel. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

art. 3.10

Nee, maar EWP*

Mogelijke functie planlocatie

Planten Grondgebonden zoogdieren Das

Wissel

Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)

*

Er zal een EWP (Ecologisch werkprotocol) opgesteld worden om de functionaliteit van de dassenwissel te behouden.

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

8,5 km

Geen

N.v.t.

Gelders Natuurnetwerk

610 m

Geen

N.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

630 m

Geen

N.v.t.

Weidevogelgebied

13 km

Geen

N.v.t.

Ganzenrustgebied

9 km

Geen

N.v.t.

Beschermingszone natte landnatuur

1 km

Geen

N.v.t.

20

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

21

5 Conclusie 5.1

Conclusie De realisatie van een vrijstaande woning aan de Oosterweg ong. te Wijchen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming mits volgens een EWP ten behoeve van de das wordt gewerkt. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen Om de functionaliteit van de zeer aannemelijk aanwezige dassenwissel te behouden dient een Ecologisch werkprotocol opgesteld te worden.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

22

Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Kerkuil (Tyto alba) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Sporen van de das op 15 juni 2021

23

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Oosterweg ong. te Wijchen en betreft deels een braakliggend terrein.

Figuur 2

Het braakliggende gedeelte. 24

Figuur 3

De bosschage welke aanwezig is op de planlocatie.

Figuur 4

De bosschage. 25

Bijlage 2 Sporen van de das op 15 juni 2021 Ten behoeve van een quickscan van het perceel ten westen van de huidige planlocatie, is de huidige planlocatie op 15 juni 2021 onderzocht op sporen van de das. In figuur 1 is weergegeven waar sporen van de das zijn aangetroffen. De cijfers corresponderen met de foto’s in deze bijlage.

Figuur 1

Overzicht van de aangelegde en natuurlijke structuren van de das.

Figuur 2

Nummer 1: dassenpoort. 26

Figuur 3

Nummer 2: dassentunnel.

Figuur 4

Nummer 3: dassentunnel.

27

Figuur 5

Nummer 4: graafsporen.

Figuur 6

Nummer 5: mestputje.

28

Figuur 7

Nummer 6: doorgang onder hekwerk.

Figuur 8

Nummer 7: doorgang onder hekwerk.

29

Figuur 9

Nummer 8: loopspoor bij doorgang onder hek.

30

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=baf9e045-3cbb-4bd7-9ea6-ae9621336a54