CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4: motivering bijlage 2 Waterparagraaf Eindsestraat 32 Balgoij

Raad openbaar Wijchen 5 maart 2026, gemeente wijchenBij agendapunt: 264962 Beslisnota Vaststellen omgevingsplan Eindsestraat 32, Balgoij2.493 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

WATERPARAGRAAF WONINGEN EINDSESTRAAT 32 BALGOIJ WATERHUISHOUDING Wettelijk kader Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Weging van het waterbelang De weging van het waterbelang (voorheen: watertoets) geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van de beoogde ruimtelijke ingreep voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 1.

Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Het projectgebied is gelegen in het buitengebied ten oosten van de kern Balgoij. Het maaiveld binnen het projectgebied ligt op een hoogte van 8,1 tot 8,4 m +NAP (bron: AHN Viewer). Geomorgologisch is het projectgebied gelegen op een ‘stroomrug of stroomgordel’, ontstaan door fluviatiele processen (door erosie of afzetting van materiaal door rivierwater). Het reliëf bestaat uit korte hellingen, de steilste hellingen zijn kleiner dan 1° en het lokaal maximaal hoogteverschil ligt tussen 0,5 – 1,5 m (bron: bodemdata.nl). De bodem van het projectgebied bestaat uit ‘kalkloze ooivaaggronden’ met lichte zavel. Dit zijn kalkloze rivierkleigronden zonder minerale eerdlaag, en geen roest en grijze vlekken beginnend binnen 50 cm. De bouwvoor bestaat uit lichte zavel (bron: bodemdata.nl). De gemiddeld kleinste grondwaterspiegeldiepte (GHG) op 90 cm diepte. De gemiddeld grootste grondwaterspiegeldiepte (GLG) ligt 151 cm diepte. Het projectgebied valt daarmee binnen grondwatertrap VIIo (bron: bodemdata.nl). Oppervlakte- en afvalwatersysteem Binnen het projectgebied zijn geen A/B/C-watergangen gelegen. In de directe omgeving van het projectgebied, is aan de overzijde van de Eindsestraat een A-watergang gelegen. Rond deze Watergang zijn aan weerszijden beschermingszones aanwezig.

Deze beschermingszones reiken niet tot over het projectgebied (bron: Legger wateren waterschap Rivierenland). Het projectgebied is gelegen naast het openbaar riool onder de Eindsestraat. Ecosysteem Het projectgebied is niet gelegen in het Gelders natuurnetwerk of binnen een Ecologische verbindingszone.

2 2. Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn de thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven (zie ook punt 3). Het Beleidsplan water en riolering Wijchen (2023-2027) beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de weging van het waterbelang wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt. Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater. Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken.

De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap. Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. In de Waterschapsverordening (en de bijbehorende beleidsregels) heeft het Waterschap vastgelegd onder welke voorwaarden lozing op oppervlaktewater en ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen mogelijk zijn. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater. 3. Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft op welke wijze op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. Onderdeel hiervan is een motivering van getroffen maatregelen om negatieve effecten op/van het watersysteem tot een minimum te beperken, inclusief de ruimtelijke consequenties daarvan. 3.1 Leefomgeving algemeen Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik.

Water is mede-ordenend bij de beoogde ruimtelijke ingreep (evenwichtige toedeling van functies aan locaties), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering). Gevolgen van/voor het plan De ruimtelijke ingreep voorziet in een afname van de hoeveelheid bebouwing en van de hoeveelheid verharding. Maatregelen voor de opvang en berging van hemelwater zijn op basis daarvan niet aan de orde. Echter voorziet het plan wel in het realiseren van nieuw verhard oppervlak. Opvang en berging van hemelwater dat hiervan afstroomt, is wel verplicht.

3 3.2 Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt.

Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan Het schoon hemelwater afkomstig van de verharde oppervlakten bij de bestaande bedrijfswoning blijft op dezelfde wijze verwerkt worden. Het schoon hemelwater afkomstig van de verharde oppervlakten bij de nieuwe woningen wordt op eigen terrein verwerkt. Verontreiniging van het schone hemelwater wordt voorkomen door de toepassing van niet-uitlogende materialen bij de bouw van de beide nieuwe woningen en door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Door de beperkte omvang van de beoogde ruimtelijke ingreep is het niet zinvol om waterstromen zichtbaar en beleefbaar te maken. 3.3 Klimaatverandering Beleidsuitgangspunten De gemeent streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het projectgebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken.

Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Gevolgen van/voor het plan Het projectgebied is niet uitzonderlijk gevoelig voor klimaatverandering. De groene aankleding van het projectgebied blijft behouden en wordt op onderdelen versterkt. In combinatie met het gegeven dat de bebouwde en verharde situatie verbetert door de sloop van de aanwezige kassen en de vermindering van de hoeveelheid erfverharding, wordt het projectgebied daardoor minder gevoelig voor klimaatverandering.

4 3.4 Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het projectgebied en 5) Afvoer naar riool. Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Waterschapsverordening (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m 2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd.

Omdat op minder dan 100 m van oppervlaktewater het hemelwater op/in de bodem wordt gebracht, schrijft het waterschap voor dat een berging gerealiseerd moet worden van 664 m3/ha verhard oppervlak (Waterschapsverordening). Gevolgen van/voor het plan Per saldo heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een aanzienlijke afname van de hoeveelheid verharding binnen het projectgebied tot gevolg. De hydrologische situatie binnen het projectgebied zal daardoor verbeteren. Het aanleggen van extra waterberging is echter verplicht voor al het nieuwe verharde oppervlak. Het hemelwater afkomstig van de verharde oppervlakken bij de beide nieuwe woningen wordt daarom afgekoppeld en opgevangen in bij de woningen op eigen terrein aan te leggen infiltratievoorzieningen (wadi/ infiltratiesloot). Vanuit die voorzieningen vindt bodeminfiltratie plaats. De benodigde capaciteit van de voorzieningen voor waterberging bedraagt per nieuwe woning in totaal 300 x 0,0664 = 19,9 m3. De bodem van de benodigde infiltratievoorzieningen zal minstens 0,50 m boven de GHG van 0,90 m beneden maaiveld aangelegd worden. Op beide nieuwe woonpercelen is meer dan voldoende ruimte aanwezig voor de aanleg van de benodigde infiltratievoorzieningen.

Mocht er meer neerslag vallen dan de rekenhoeveelheid voor de bepaling van de infiltratiecapaciteit, dan kan het overtollige water afstromen over het aangrenzende agrarische gebied ten noorden van het projectgebied. 3.5 Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de projectlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of –fluctuatie. Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water).

5 Gevolgen van/voor het plan De ontwateringsdiepte (het peilverschil tussen het grondwater en het vloerpeil van de begane grond = bouwpeil) voldoet ruimschoots aan de gemeentelijke eis. Deze bepaalt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG = 0,90 m-mv) niet hoger mag zijn dan dan 1,0 m onder het vloerpeil van de begane grond. Het bouwpeil is bepaald op 0,20 m boven het peil van de Eindsestraat. Aangezien de Eindsestraat op dezelfde hoogte of hoger ligt dan het maaiveld ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen, bedraagt de ontwateringsdiepte hiermee 0,90 + 0,20 = 1,10 m. Eveneens wordt voldaan aan de door het waterschap op basis van de Waterschapsverordening geeiste drooglegging. Het waterschap eist een drooglegging (het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het vloerpeil van de begane grond) van 1,3 m om overlast te voorkomen. Het projectgebied ligt in peilgebied Citters II, peilvak CIT004 met een zomeren winterpeil van 5,75 m+NAP. Voor het bepalen van de drooglegging is het zomer-peil van het oppervlaktewater relevant. De droogleggingseis voor het vloerpeil begane grond van 1,30 m boven het zomerpeil wordt met het oog op het vloerpeil van 8,45 m+NAP ruimschoots gehaald. 3.6 Afvalwater Iedere nieuwbouwwoning moet afzonderlijk op de openbare riolering zijn aangesloten.

In het kader van het planvoornemen worden de extra woningen aangesloten op de bestaande openbare drukriolering onder de Eindsestraat. De aansluiting van de 2 nieuwe woningen zal plaatsvinden via het bestaande openbare pompgemaal, via welke ook de bestaande woning Eindsestraat 32 is aangeslotenop de drukriolering. De afvoer van het afvalwater van de nieuwe woningen zal onder vrij verval naar de pompput plaatsvinden en vervolgens naar de drukriolering gepompt worden. De capaciteit van de openbare drukriolering en het pompgemaal zijn voldoende groot om het afvalwater vanaf de beide nieuwe woningen te ontvangen. 4. Overwegingen en conclusie Overwegingen Gezien de terreinhoogte en grondwaterstanden wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Hemelwater afkomstig van de beide nieuwe woningen wordt op eigen terrein verwerkt en niet afgevoerd naar de riolering en/of het oppervlaktewatersysteem. Conclusie Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en omgekeerd. Het wateraspect vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Per saldo verbetert de situatie door de afname in verhard oppervlak. 5. Overleg met waterbeheerder Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder.

Veelal is de waterbeheerder het waterschap, maar kan ook Rijkswaterstaat, de provincie of de gemeente zijn. Het advies of resultaat van het vooroverleg dient te worden verwerkt in de waterparagraaf. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (www.digitalewatertoets.nl). Het hieruit voortvloeiende advies moet, in geval van een relevant waterschapsbelang, worden uitgewerkt in de waterparagraaf.

6 Het planvoornemen is op 22 augustus 2024 aangemeld via de digitale watertoets. Daarbij is gebleken dat slechts geringe waterschapsbelangen in het geding zijn. De relevante zaken uit de digitale watertoets zijn in de voorliggende waterparagraaf verwerkt. Als relevant zijn beoordeeld zaken met betrekking tot klimaatadaptatie (klimaatbestendige inrichting leefomgeving), verharding (mogelijk watercompensatie aan te leggen) en waterkwaliteit (geen uitlogende materialen). De gemeentelijk waterbeheerder heeft positief geadviseerd over het planvoornemen. Weging Waterbelang van de waterbeheerders Het voor het planvoornemen van het waterschap ontvangen Wateradvies luidt als volgt. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (par. 5.1.3 art. 5.37) moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegeneerd wateradvies. Het Wateradvies is als bijlage bij de motivering voor het plan beschikbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=1b051361-356d-4285-8467-d118bbdf34db