Bijlage 4 Bodemonderzoeken
Tekst van het document
RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken Akkerweg 3A te Wijchen
PROJECTNUMMER: B20.7877 Versie: 01
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A te Wijchen
PROJECTNUMMER: B20.7877 Versie: 01
OPDRACHTGEVER: Mevrouw A. Hendriks
DATUM: 9 september 2020
Auteur:
Autorisatie:
M. Schimmel MSc. Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
ing. H.M.W. van der Donk Senior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B20.7877/R7877-01/GO
De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2
SAMENVATTING Mevrouw Hendriks heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en nader bodemonderzoek en een onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek, voor de Akkerweg 3A te Wijchen. De onderzoeken worden uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en de tussentijdse resultaten tijdens de verkennende fase. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017, NEN 5740/A1:2016, de NTA 5755:2010 en de NEN 5707:2015/C2:2017. De verkennende onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest en PFAS) op de onderzoekslocatie te bepalen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling. De doelen voor het nader grondonderzoek naar de grondverontreiniging met zink zijn: Verifiëren of en in welke mate sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink ter plaatse van boring PB05 uit onderhavig onderzoek; Het eventueel verticaal en horizontaal afperken van de ernstige grondverontreiniging met zink in de ondergrond plaatse van boring PB05 uit onderhavig onderzoek en daarmee het bepalen van de omvang van de grondverontreiniging; Het vaststellen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Verhoeven Milieutechniek B.V.
(certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Conclusies historische gegevens Uit de beschikbare historische gegevens kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend van de bodemkwaliteit; • Ten zuidwesten van de onderzoekslocatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in zowel de boven- als ondergrond analytisch maximaal licht verhoogde gehalte voor PCB zijn aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor barium en koper aangetoond; • Ten oosten van de onderhavige onderzoekslocatie (Akkerweg 9) is eveneens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bovengrond maximaal licht verhoogde gehalte voor koper is aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.
Echter zijn in het grondwater hoge waarden voor zware metalen aangetoond; • Kadastraal perceel 1988 is altijd in agrarisch gebruik geweest (geen voormalige bebouwing); • Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat op de locatie geen boomgaarden of kassen aanwezig zijn geweest; • Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat op de locatie circa 2 gedempte sloten aanwezig zijn geweest; • De bovengrondse brandstoftank die volgens www.bodemloket.nl op de onderzoekslocatie aanwezig is (geweest), is tijdens het locatiebezoek niet waargenomen. Tevens zijn bij de gemeente Wijchen en de ODRN geen tankgegevens van de locatie bekend. Volgens de opdrachtgever is geen bovengrondse tank aanwezig (geweest) en worden mogelijk de losse gasketels bedoeld; • Uit het locatiebezoek blijkt dat op de bebouwing geen asbestverdachte dakbedekking aanwezig is. Wel worden ter plaatse van het erf puinbijmengingen verwacht, waardoor de grond ter plaatse van het erf verdacht is op de aanwezigheid van asbest. Derhalve dient ter plaatse van het erf een verkennend onderzoek naar asbest middels proefgaten en asbestanalyses te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 voor een oppervlakte van maximaal 1.000 m²; Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
3
In verband met de voorgenomen herontwikkeling dient op basis van bovengenoemde gegevens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN5740, om de actuele bodemkwaliteit vast te leggen. Daarnaast dient een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd ter plaatse van het erf om vast te stellen dat er geen asbest in de bodem aanwezig is. In verband met de voorgenomen herontwikkeling en mogelijke afvoer van grond dient er tevens ter plaatse van de gehele locatie een aanvullend onderzoek op PFAS uitgevoerd te worden. Conclusies diverse onderzoeken Verkennend en nader bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit van de onderzoekslocaties werd voor kadastraal perceel 1988 (weiland) de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de grond maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de algemene kwaliteit van kadastraal perceel 1989 (erf) werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de ondergrond van boring PB05 (na uitsplitsing) licht tot sterk verhoogde gehalten voor zink zijn aangetoond. In het grondwater (gecombineerd voor erf en weiland) zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor metalen aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Nader onderzoek naar zink in ondergrond Op basis van de resultaten uit de verkennende fase is direct een nader onderzoek uitgevoerd middels aanvullende boringen ter plaatse en in de directe omgeving van boring PB05. Hierbij zijn in geen van de monsters ter verificatie, verticale en horizontale afperking sterk verhoogde gehalten voor zink aangetoond. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Aangezien tijdens het nader onderzoek in de aanvullende boringen geen gehalten voor zink zijn aangetoond boven de interventiewaarde, is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De aangetroffen sterke verontreiniging met zink is zeer plaatselijk (voor de bestaande woning) in de ondergrond (1,0 – 2,0 m-mv) aangetroffen en de herkomst hiervan is niet bekend.
Aangezien de verontreiniging is aangetroffen in de ondergrond en er geen duidelijk bron is aan te wijzen, kan worden aangenomen dat de verontreiniging historisch van aard is. PFAS Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters in de onderzochte grondmengmonsters MMPFAS01 en MMPFAS02 van de (boven)grond (0,0-1,0 m-mv, zand) voldoet de grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens grondwaterbeschermingsgebieden.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
4 Verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft het erf (perceel 1989) is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetoond (< 1,0 mg/kg d.s.). Ter plaatse van de overige locatie, buiten het erf, zijn geen bodemvreemde bijmengingen en asbestverdachte materialen (> 20 mm) aangetroffen, waardoor de onverdachte hypothese kan worden aanvaard en hier geen verkennend onderzoek naar asbest behoeft te worden uitgevoerd. Algehele conclusie en aanbevelingen Met de uitgevoerde onderzoeken is, ons inziens, de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de Akkerweg 3A te Wijchen (kadastraal 1988 en 1989), in voldoende mate onderzocht. Op basis van de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek is op de locatie geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De aangetroffen sterke verontreiniging met zink is zeer plaatselijk (voor de bestaande woning) in de ondergrond (1,0 – 2,0 m-mv) aangetroffen. Aangezien hier geen herontwikkeling en/of civieltechnische werkzaamheden zijn voorzien, zijn geen sanerende maatregelen van toepassing.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens derhalve geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling rekening houdend met onderstaande opmerking. Indien in de toekomst civieltechnische werkzaamheden plaatsvinden, waarbij men in contact komt met de met zink verontreinigde ondergrond ter plaatse van boring PB05 zijn mogelijk wel sanerende maatregelen van toepassing. Hiervoor dient voorafgaand aan de werkzaamheden een Plan van Aanpak te worden ingediend bij de gemeente Wijchen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Opgemerkt dient te worden dat gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen kunnen gelden.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .................................................................................................................................................. 6
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6
3.
LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725) ...................................................................................................... 7
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE .......................................................................................... 9 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 9 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 9
5.
HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 9
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 10 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ................................................................................. 10 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 11
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 13 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 13 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 14
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 15 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 15 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 15 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 19
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 21 9.1. VERKENNEND EN NADER BODEMONDERZOEK ......................................................................................... 21 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 21 9.3. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 22
10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 23
BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuis, proefgaten en verontreinigingscontour grondverontreiniging met zink Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingen PFAS Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest Relevante historische gegevens
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
6
1.
INLEIDING Mevrouw Hendriks heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en nader bodemonderzoek en een onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek, voor de Akkerweg 3A te Wijchen. De onderzoeken worden uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en de tussentijdse resultaten tijdens de verkennende fase. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], NEN 5740/A1:2016 [2], de NTA 5755:2010 [3] en de NEN 5707:2015/C2:2017 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren M.W.W.M. van Mol BSc. en ing. H.M.W. van der Donk.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN Verkennend bodem- en asbestonderzoek De verkennende onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest en PFAS) op de onderzoekslocatie te bepalen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling. Nader grondonderzoek naar zink De doelen voor het nader grondonderzoek naar de grondverontreiniging met zink zijn: Verifiëren of en in welke mate sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink ter plaatse van boring PB05 uit onderhavig onderzoek; Het eventueel verticaal en horizontaal afperken van de ernstige grondverontreiniging met zink in de ondergrond plaatse van boring PB05 uit onderhavig onderzoek en daarmee het bepalen van de omvang van de grondverontreiniging; Het vaststellen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
De onderzoekslocatie is gelegen aan de Akkerweg 3A te Wijchen en staat kadastraal bekend als gemeente Wijchen, sectie C, nummers 1988 en 1989. Kadastraal perceel 1988 betreft een agrarisch perceel. Ter plaatse van kadastraal perceel 1989 (erf) zijn een woonhuis met bijbehorende voormalige schuur, verbouwd als woonhuis, aanwezig. De oppervlakte van perceel 1988 bedraagt circa 3.565 m². De oppervlakte van perceel 1989 bedraagt circa 540 m². Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
7
3.2.
Historisch onderzoek (NEN 5725)
Algemeen Voorafgaand aan het de onderzoeken is een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. Door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) is bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) historische gegevens opgevraagd en verkregen (d.d. 20 juli 2020). De aangeleverde stukken zijn door VMT bestudeerd. Tevens zijn de websites van de provincie Gelderland, www.bodemloket.nl, www.google.nl en www.topotijdreis.nl, geraadpleegd. Aanvullend is een vragenlijst ingevuld door de opdrachtgever. De relevante historische gegevens zijn opgenomen in bijlage 8 (inclusief ingevulde vragenlijst). Voormalig en huidig bodemgebruik Volgens www.topotijdreis.nl is kadastraal perceel 1988 altijd in agrarisch gebruik geweest (geen voormalige bebouwing). Op kadastraal perceel 1989 (erf) is vanaf circa 1967 een woonhuis met voormalige schuur, die tevens is verbouwd als woonhuis, aanwezig. Het voornemen bestaat om de verouderde woning, dichtst bij de Akkerweg ter plaatse van perceel 1989, te slopen en ter plaatse van kadastraal perceel 1988 een nieuwe woning te realiseren. Bodemkwaliteitsgegevens (binnen 50 m van onderzoekslocatie) Er zijn, voor zover bekend, op de onderzoekslocatie geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Wel is ten zuidwesten van de locatie aan de Heikampseweg C1295, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Ecopart, kenmerk 15102A, d.d. 19 maart 2019).
Hieruit blijkt dat in zowel de bovenals ondergrond analytisch maximaal licht verhoogde gehalten voor PCB zijn aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor barium en koper aangetoond. Tevens is aan de oostkant, op 50 meter van de onderhavige onderzoekslocatie aan de Akkerweg 9, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Ecopart, kenmerk 15102D, d.d. 23 maart 2010). Hieruit blijkt dat in het grondwater hoge waarden aan zware metalen zijn aangetroffen. Deze worden in het gebied vaker aangetroffen zonder dat hiervan de oorzaak te achterhalen is. Verder is in de bovengrond maximaal een licht verhoogde gehalte voor koper aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde waarden aangetroffen. Historisch kaartmateriaal Op basis van www.topotijdreis.nl blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie in het verleden geen boomgaarden of kassen aanwezig zijn (geweest). Wel zijn op de onderzoekslocatie circa 2 gedempte sloten aanwezig (geweest). (Voormalige) bovengrondse brandstoftank Op basis van www.bodemloket.nl zou op onderhavige onderzoekslocatie een bovengrondse brandstoftank aanwezig zijn (geweest). Uit de bodeminformatie bekend bij de gemeente Wijchen en ODRN blijkt echter geen tankgegevens beschikbaar te zijn.
Volgens de opdrachtgever is op de locatie, zover als bekend, geen bovengrondse tank aanwezig (geweest), zoals is bevestigd op de historische vragenlijst. Mogelijk worden de losse gasketels bedoeld, die zijn gebruikt bij het koken. Wel bevindt zich ter plaatse van de Akkerweg 9 een ondergrondse olietank. Gezien de ligging ten opzichte van onderhavige onderzoekslocatie, heeft dit naar verwachting geen invloed op de bodemkwaliteit ter plaatse. Asbest Op basis van gegevens van de websites www.kadaster.nl en www.topotijdreis.nl is ter plaatse van perceel 1989 (asbestverdachte) bebouwing aanwezig. Daarnaast blijkt uit de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland dat asbestverdachte dakbedekking aanwezig is op (een deel van) de opstallen. Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
8 Locatiebezoek Tijdens het locatiebezoek, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, zijn op de locatie geen bodembedreigende activiteiten aangetroffen of overige waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Op de aanwezige bebouwing is geen asbest asbestverdachte dakbedekking waargenomen. Tevens is tijdens het locatiebezoek geen bovengrondse brandstoftank waargenomen. PFAS Op 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond/slib van de locatie moet worden afgevoerd dient onderzoek plaats te vinden naar PFAS (28 parameters) en/of GenX. Aangezien van onderhavige onderzoekslocatie mogelijk grond afgevoerd wordt, is geadviseerd om de grond aanvullend te onderzoeken op PFAS. De locatie is niet verdacht op GenX, waardoor deze parameter niet behoeft te worden meegenomen. Conclusies historische gegevens Uit de beschikbare historische gegevens kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend van de bodemkwaliteit; • Ten zuidwesten van de onderzoekslocatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat in zowel de boven- als ondergrond analytisch maximaal licht verhoogde gehalte voor PCB zijn aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor barium en koper aangetoond; • Ten oosten van de onderhavige onderzoekslocatie (Akkerweg 9) is eveneens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bovengrond maximaal licht verhoogde gehalte voor koper is aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Echter zijn in het grondwater hoge waarden voor zware metalen aangetoond; • Kadastraal perceel 1988 is altijd in agrarisch gebruik geweest (geen voormalige bebouwing); • Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat op de locatie geen boomgaarden of kassen aanwezig zijn geweest; • Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat op de locatie circa 2 gedempte sloten aanwezig zijn geweest; • De bovengrondse brandstoftank die volgens www.bodemloket.nl op de onderzoekslocatie aanwezig is (geweest), is tijdens het locatiebezoek niet waargenomen. Tevens zijn bij de gemeente Wijchen en de ODRN geen tankgegevens van de locatie bekend. Volgens de opdrachtgever is geen bovengrondse tank aanwezig (geweest) en worden mogelijk de losse gasketels bedoeld; • Uit het locatiebezoek blijkt dat op de bebouwing geen asbestverdachte dakbedekking aanwezig is.
Wel worden ter plaatse van het erf puinbijmengingen verwacht, waardoor de grond ter plaatse van het erf verdacht is op de aanwezigheid van asbest. Derhalve dient ter plaatse van het erf een verkennend onderzoek naar asbest middels proefgaten en asbestanalyses te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 voor een oppervlakte van maximaal 1.000 m²; In verband met de voorgenomen herontwikkeling dient op basis van bovengenoemde gegevens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN5740, om de actuele bodemkwaliteit vast te leggen. Daarnaast dient een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd ter plaatse van het erf om vast te stellen dat er geen asbest in de bodem aanwezig is. In verband met de voorgenomen herontwikkeling en mogelijke afvoer van grond dient er tevens ter plaatse van de gehele locatie een aanvullend onderzoek op PFAS uitgevoerd te worden.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
9
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale geologie en hydrogeologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen en https://www.grondwatertools.nl/grondwatertoolsviewer gebruikt. 4.1.
Bodemopbouw
Uit de grondwaterkaart van Nederland blijkt dat op de onderzoekslocatie een dunne deklaag van circa 1 meter aanwezig is. De deklaag is een matig doorlatende laag, waarvan de sedimenten tot de Formatie van Boxtel behoren. De deklaag is samengesteld uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerende pakket is 27 meter dik en bestaat voornamelijk uit midden en grof zandige afzettingen van de Formatie van Kreftenheye, Peize en Waalre. Het eerste watervoerende pakket wordt van het tweede watervoerende pakket gescheiden door een circa 1 meter dik kleipakket met hier en daar ingesloten zandige lagen (Formatie van Waalre). Hieronder bevind zich het tweede watervoerend pakket tot 46 m-mv. 4.2.
Geohydrologie
De grondwaterstromingsrichting in het eerste watervoerend pakket alsmede in het freatisch vlak is globaal zuidwestelijk gericht. De freatische grondwaterstromingsrichting kan worden beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, nabijgelegen oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locatie is voor zover als bekend niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.
HYPOTHESE Op basis van de reeds beschikbare informatie wordt momenteel voor kadastraal perceel 1988 (weiland) de hypothese gesteld voor een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Voor kadastraal perceel 1989 (erf) is uitgegaan van een verdachte locatie (bodem en asbest) met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Tevens is de aanwezigheid van PFAS in de grond een aandachtspunt.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
10
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken
Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Aangezien perceel 1989 (erf) verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging is voorgesteld om beide percelen (1988 en 1989) te onderzoeken conform de NEN 5740/A1, voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof (VED-HE-NL) voor een oppervlakte van maximaal 5.000 m². De boringen bij perceel 1989 worden doorgezet tot 1,0 m-mv. Daarnaast wordt de bovengrond van beide percelen afzonderlijk geanalyseerd en de onverdachte ondergrond gecombineerd. Voor de onverdachte ondergrond wordt, conform de NEN 5740:2009/A1:2016 voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL), minimaal 1 analyse ingezet. Ter plaatse van de twee gedempte sloten worden twee dwarsraaien van elk drie boringen tot 2,0 m-mv geplaatst. Hiervoor worden geen extra NENanalyses ingezet. Aanvullend onderzoek op PFAS De onderzoeksopzet voor het aanvullend bodemonderzoek naar PFAS is afgeleid van de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuus belaste nietlijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigende stof (VED-HO-NL) met een oppervlakte van maximaal 1 hectare. Hierbij wordt de bovengrond van de gehele onderzoekslocatie (tot maximaal 1,0 m-mv) onderzocht op PFAS (in totaal 2 analyses advieslijst Bodemplus, 30 parameters).
Het onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. Verkennend onderzoek naar asbest (erf) Voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van kadastraal perceel 1989 (erf) is uitgegaan van de NEN 5707/C2 voor een diffuse locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging (maximaal 1.000 m2). Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden met een schep proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarna alle proefgaten dieper zijn doorgeboord middels een Edelmanboor met brede diameter (12 cm) tot in de onverdachte/ongeroerde ondergrond. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest wordt tevens een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Van de meest verdachte grondlagen uit de proefgaten, worden mengmonsters samengesteld voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm).
De veldwerkzaamheden voor het onderzoek naar asbest worden gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek (inclusief PFAS).
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
11 Nader grondonderzoek naar zink De werkzaamheden van het nader grondonderzoek worden conform de NTA 5755:2010 uitgevoerd. Bij het uitvoeren van een nader onderzoek conform de NTA 5755:2010 wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd conceptueel model. Tabel 6.1: Conceptueel model grondverontreiniging met chroom, zink en PCB Conceptueel model Oorzaak van de verontreiniging Omvang van de verontreiniging
Spoed van de sanering / Zorgplicht Onderzoeksopzet
Onbekend Vooralsnog kan niet worden uitgesloten of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink aangezien ter plaatse van PB05 tijdens onderhavig verkennend bodemonderzoek een sterk verhoogd gehalte voor zink is aangetoond in de ondergrond (1,0-1,0 m-mv). Er kan niet worden uitgesloten dat 25 m3 sterk verontreinigde grond met gehalten > interventiewaarde aanwezig is. Er wordt uitgegaan van een historisch geval van ernstige bodemverontreiniging (grotendeels ontstaan vóór 1987). Momenteel is nog niet bekend of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ten behoeve van de verificatie, horizontale en verticale afperking van de grondverontreiniging met zink, wordt direct nabij de vermoedelijke kern (PB05) 1 boring tot circa 3,0 m-v geplaatst (B101) . Ten behoeve van de verdere horizontale afperking van de grondverontreiniging met zink worden in directe omgeving rondom boring PB05 2 boringen geplaatst tot circa 2,5 m-mv (B102 en B103). Op een grotere afstand van boring PB05, achter de tot woning verbouwde schuur, worden 2 aanvullende boringen geplaatst tot circa 2,5 m-mv.(B104 en B105). Deze boringen worden pas geanalyseerd indien in de grond van de boringen B101 t/m B103 nog sterke verhoogde gehalten voor zink worden aangetoond.
Voor de verificatie (1,0-2,0 m-mv), verticale afperking (2,0-2,5 m-mv) en horizontale afperking (1,0-2,0 mmv) worden derhalve in eerste instantie 7 grondanalyses ingezet op zink van de boringen B101 t/m B103. Indien noodzakelijk, wordt in overleg met de opdrachtgever en naar aanleiding van de analyseresultaten tijdens fase 1, aanvullende monsters geselecteerd voor een verdere horizontale afperking.
6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: ECSIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPRnormen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6) en protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6). De veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest zijn, afgezien van de maaiveldinspectie, eveneens uitgevoerd conform de geldende NEN/NPR-normen, BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schop en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.2 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker(s) weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 31 juli 2020
Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker(s) De heer M.A.H. van Baal
7 augustus 2020 2 september 2020
Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V.
De heer M.A.H. van Baal De heer D. Kallergis-Mavrogenis
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6) 2001 (v. 6)
Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
12 Verkennend en nader bodemonderzoek Grond Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn, conform de onderzoeksopzet voor het verkennend bodemonderzoek, in totaal 23 boringen (B01 t/m B19) geplaatst. De dwarsraaien B09A-C en B14A-C zijn gesitueerd ter plaatse van de voormalige watergangen. Ten behoeve van het grondwateronderzoek is boring PB05 dieper doorgezet en afgewerkt als peilbuis. Boringen B01 t/m B06 zijn geplaatst ter plaatse van perceel 1989 (erf). De boringen B07 t/m B19 zijn gesitueerd ter plaatse van perceel 1988 (weiland). Ten behoeve van het nader onderzoek zijn, conform het conceptueel model in tabel 6.1, vijf aanvullende boringen (B101 t/m B105) geplaatst, waarvan boring B101 nabij de kern (PB05) tot 3,0 m-mv en de boringen B102 t/m B104 hier omheen tot circa 2,5 m-mv. In tabel 6.3 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.3: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Circa 0,5 m-mv
Circa 1,0 m-mv
Boringen / peilbuis Circa 2,0 m-mv Circa 2,5 m-mv
Verkennend bodemonderzoek B07, B08, B10, B11 t/m B02 t/m B04, B06 B01, B09A-C, B13, B15, B16, B18, B19 B14A-C, B17 Nader onderzoek Toelichting bij tabel 6.3: Geen boring geplaatst tot bovenstaande diepte.
Circa 3,0 m-mv
Peilbuis (filterstelling m-mv)
-
-
PB05 (2,50 - 3,50)
B102 t/m B105
B101
-
Grondwater Het grondwater uit peilbuis PB05 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 7 augustus 2020 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Verkennend onderzoek naar asbest (erf) Ten behoeve van het onderzoek naar asbest ter plaatse van de onderzoekslocatie dient op de locatie allereerst een locatie- en maaiveldinspectie te worden uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de onderzoekslocatie bedekt is met verhardingen en vegetatie (totaal 100 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de BRL 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Mogelijk zijn hierdoor de resultaten beïnvloed. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet zijn in totaal 6 proefgaten (B01 t/m B06) met een afmeting van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Voor de inspectie van de ondergrond zijn alle proefgaten doorgezet tot in de ongeroerde ondergrond.
Om een asbestverontreiniging vast te stellen is de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Zintuiglijk is hierbij geen asbestverdacht (plaat)materiaal (fractie > 20 mm) in de grond aangetroffen. In het veld zijn in totaal 2 mengmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde mengmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyse is in tabel 8.6 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het verkennend onderzoek naar asbest zijn opgenomen in bijlage 7. De situatieschets met de geplaatste boringen, peilbuis en proefgaten is opgenomen als bijlage 2. Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
13
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
14 Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit [5] tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020), worden gehanteerd. In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.
De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
15
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld tot de maximaal geboorde diepte van circa 3,5 m-mv hoofdzakelijk uit matig fijn, zwak siltig zand, met lokaal sterk zandige leem. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemd materiaal aangetroffen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden is weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring / proefgat Boring
Proefgat
Diepte boring (m -mv) 2,00 1,00 3,50 3,00 2,50 2,50
Traject (m -mv) 0,10 - 0,50 0,10 - 0,50 0,10 - 0,50 0,10 - 0,50 0,10 - 0,50 0,10 - 0,50
B01 Ja B02 Ja PB05 Ja B101 Nee B102 Nee B103 Nee Toelichting bij de tabel: Zwak > 1 % < 5 % bodemvreemd materiaal;
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand Zand Zand Zand Zand Zand
Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend
De voormalige watergangen zijn zintuiglijk niet aangetroffen. Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond geen overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging (bijvoorbeeld olie-waterreacties en asbestverdacht (plaat)materiaal > 20 mm). Ter plaatse van de overige locatie, buiten het erf, zijn geen bodemvreemde bijmengingen en asbestverdachte materialen (> 20 mm) aangetroffen, waardoor hier geen verkennend onderzoek naar asbest behoeft te worden uitgevoerd. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. De toetsingsresultaten van de PFAS analyses zijn opgenomen in bijlage 6. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s. In tabel 8.2 op de volgende pagina is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
16 Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat - nummer Grond 12745935
(Meng)monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
MM01
Individuele PCB
Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.
Aangezien de som parameters voor PCB en PAK de index van 0,5 niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
MM03
PCB PAK
Benzo(a)an traceen Polychloorbifenylen; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
Grond Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn grond(meng)monsters geselecteerd en samengesteld. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. De voormalige watergangen zijn zintuiglijk niet waargenomen en derhalve zijn de grondmonsters meegenomen met de overige mengmonsters. Tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) monster
Omschrijving
Algemene kwaliteit perceel 1989 (erf) MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: zwak puinhoudend MM02
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
Algemene kwaliteit perceel 1988 MM03 Bovengrond, zand Zintuiglijk: MM04
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM05
Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
MM06
Ondergrond, leem Zintuiglijk: -
Aanvullend analytisch onderzoek B01-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B01-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: PB05-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: PB05-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: PB05-4 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B09B-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B14B-5 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B17-5 Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
Boringen (traject in (m -mv)
Analysepakket
B01 (0,10 - 0,50) B02 (0,10 - 0,50) PB05 (0,10 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,50) B06 (0,00 - 0,50)
NEN
PCB
-
NEN
-
-
B07 (0,00 - 0,50) B09B (0,00 - 0,50) B16 (0,00 - 0,50) B17 (0,00 - 0,50) B11 (0,00 - 0,50) B13 (0,00 - 0,50) B15 (0,00 - 0,50) B19 (0,00 - 0,50) B01 (0,50 - 1,00) B01 (1,00 - 1,50) B09B (1,00 - 1,20) B14B (1,50 - 2,00) B17 (1,50 - 2,00) PB05 (0,50 - 1,00) PB05 (1,00 - 1,50) B01 (1,50 - 2,00) B09B (1,20 - 1,50) B14B (1,20 - 1,50) B17 (1,20 - 1,50)
NEN
-
-
NEN
Cu
-
NEN
Zn*
NEN
Co
B01 (0,50 - 1,00)
Zn
-
-
B01 (1,00 - 1,50)
Zn
-
-
PB05 (0,50 – 1,00)
Zn
-
-
PB05 (1,00 - 1,50)
Zn
-
Zn
PB05(1,50 - 2,00)
Zn
-
Zn
B09B (1,00 - 1,20)
Zn
-
-
B14B (1,50 - 2,00)
Zn
-
-
B17 (1,50 - 2,00)
Zn
-
-
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
> AW < I
Resultaten >I
17 Vervolg tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) monster
Omschrijving
Boringen (traject in (m -mv)
Analysepakket > AW < I
Resultaten >I
Nader onderzoek B101 (1,00 - 1,50) Zn Zn B101-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: (verificatie) B101 (1,50 - 2,00) Zn B101-4 Ondergrond, zand Zintuiglijk: (verificatie) B101-5 Ondergrond, zand B101 (2,00 - 2,50) Zn Zintuiglijk: (verticale afperking) B102-3 Ondergrond, zand B102 (1,00 - 1,50) Zn Zintuiglijk: (horizontale afperking) B102-4 Ondergrond, zand B102 (1,50 - 2,00) Zn Zintuiglijk: (horizontale afperking) B103 (1,00 - 1,50) Zn Zn* B103-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: (horizontale afperking) B103-4 Ondergrond, zand B103 (1,50 - 2,00) Zn Zn* Zintuiglijk: (horizontale afperking) Toelichting bij tabel 8.3: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); Zn Zink, inclusief lutum en organische stof (humus); * Het aangetoonde gehalte overschrijdt de indexwaarde van 0,5 voor nader onderzoek; AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets waargenomen/aangetoond.
PFAS Aanvullend zijn monsters samengesteld ten behoeve van analyse op PFAS. De grondmonsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Overzicht grondmonsters met bijbehorende analyses en resultaten (PFAS) Mengmonster
Omschrijving
Boring (traject in m -mv)
Analysepakket
MMPFAS01
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
PFAS
MMPFAS02
Ondergrond, zand Zintuiglijk: zwak puinhoudend
B08 (0,00 - 0,50) B10 (0,00 - 0,50) B12 (0,00 - 0,50) B18 (0,00 - 0,50) B02 (0,50 - 1,00) B06 (0,50 - 1,00) B09B (0,50 - 1,00) B17 (0,50 - 1,00)
Resultaten* landbouw/natuur Wonen/industrie (> AW) (> I) -
PFAS
-
-
Toelichting bij tabel 8.4: PFAS: Perfluorverbindingen (30 verbindingen met o.a. Perfluoroctaansulfonzuur en Perfluoroctaanzuur); * Geen toetsingsnorm aanwezig, de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” bedraagt voor PFOA: < 1,9 µg/kg d.s. en voor de overige PFAS: < 1,4 µg/kg d.s. en de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen/industrie” bedraagt voor PFOA: < 7 µg/kg d.s. en voor de overige PFAS: < 3 µg/kg d.s.; Niets waargenomen.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
18 Grondwater Het grondwatermonster met bijbehorende analyse- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Peilbuis met bijbehorende analyse- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis
Filterdiepte (m -mv)
GWS (m -mv)
pH
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Analysepakket
>S<I Cu, Ni, Zn
Resultaten >I -
PB05 2,50 - 3,50 1,10 8,0 237 7,1 NEN Toelichting bij tabel 8.5: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.
De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en de troebelheid zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. Asbest (erf) Op het maaiveld en in de opgeboorde en opgegraven grond zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn twee grondmengmonsters samengesteld. Het meest verdachte mengmonster, zwak puinhoudende grond, is geselecteerd en geanalyseerd op asbest (< 20 mm). De samenstelling van de grondmengmonsters en bijbehorende analyses zijn in tabel 8.6 weergegeven. Tabel 8.6: Samenstelling grondmengmonsters asbest Monstercode
Proefgaten
Zintuiglijke waarnemingen
Traject (m -mv) 0,10 - 0,50 0,00 - 0,50
Soort
MMASB01 B01, B02, PB05 Zwak puinhoudend Grond MMASB02 B03, B04, B06 Grond Toelichting bij tabel 8.6: 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin < 20 mm.
Analysepakket Asbest in grond (> 10 kg) 1 Niet geanalyseerd
De resultaten van het geanalyseerde grondmengmonster en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) is weergegeven in tabel 8.7. Tabel 8.7: Overzicht onderzocht grondmengmonster en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaat Monstercode
Soort
MMASB01 Toelichting bij tabel 8.7: Niets aangetoond.
Hechtgebonden
Type
-
-
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
Gemeten <20 mm (mg/kg d.s.) <1
Totaal gewogen <20 mm (mg/kg d.s.) <1
19
8.3.
Interpretatie analyseresultaten
Verkennend en nader bodemonderzoek Algemene kwaliteit In het onderzochte mengmonster van de zwak puinhoudende bovengrond (MM01; 0,1-0,5 m-mv, zand, erf) is een licht verhoogd gehalte voor PCB aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde. De overige onderzochte parameters (NEN) zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In de onderzochte mengmonsters MM02 (erf) en MM03 (weiland) van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv, zand) zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NENparameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In het onderzochte mengmonster MM04 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv, zand, weiland) is een licht verhoogd gehalte voor koper aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde. De overige onderzochte parameters (NEN) zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In het onderzochte mengmonster MM05 van de zintuiglijk schone ondergrond (0,5-2,0 m-mv, zand, erf en weiland) is een licht verhoogd gehalte voor zink aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde alsmede de indexwaarde van 0,5 (norm voor nader onderzoek).
De overige onderzochte parameters (NEN) zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In het onderzochte mengmonster van de zintuiglijk schone ondergrond (MM06, leem, erf en weiland) is een licht verhoogd gehalte voor kobalt aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde. De overige onderzochte parameters (NEN) zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Aanvullend analytisch onderzoek Naar aanleiding van de aangetroffen verhoogde gehalten voor zink in mengmonster MM05 zijn de deelmonsters uit MM05 aanvullend separaat onderzocht op zink. Hieruit is gebleken dat in het ondergrondmonster van boring PB05 (traject 1,0 - 1,5 m-mv) een sterk verhoogd gehalte voor zink is aangetoond. In de aanvullend onderzochte diepere grondlaag van PB05 (traject 1,5-2,0 mmv) is eveneens een sterk verhoogd gehalte voor zink is aangetoond. In de onderzochte grondmonsters uit boringen B01 (0,5-1,5 m-mv), PB05 (0,5-1,0 m-mv), B09B (1,0-1,2 m-mv), B14B (1,5-2,0 m-mv) en B17 (1,5-2,0 m-mv) zijn geen verhoogde gehalten voor zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde.
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
20 Nader grondonderzoek In het onderzochte monster B101-3 van de zintuiglijk schone ondergrond uit boring B101 (1,0-1,5 m-mv; zand), direct nabij boring PB05 is ter verificatie, een licht verhoogd gehalte voor zink aangetoond. In de monsters van de onderliggende grond (B101-4 en B101-5; 1,5-2,5 m-mv, zand), ter verificatie en verticale afperking, zijn geen verhoogde gehalten voor zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. In de onderzochte monsters B102-3 en B102-4 (1,0-2,0 m-mv, zand) van de zintuiglijk schone ondergrond ter plaatse van boring B102, ter horizontale afperking, zijn geen verhoogde gehalten voor zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. In de onderzochte monsters B103-3 en B103-4 (1,0-2,0 m-mv, zand) van de zintuiglijk schone ondergrond ter plaatse van boring B103, ter horizontale afperking, zijn licht verhoogde gehalten voor zink aangetoond. De gehalten overschrijden de achtergrondwaarde alsmede de index van 0,5, maar blijven beneden de interventiewaarde. Aangezien in de ondergrond van de boringen B101 t/m B103 geen sterk verhoogde gehalten voor zink zijn aangetoond, is het niet noodzakelijk geweest aanvullend de ondergrond van de boringen B104 en B105 (achter de woning) te analyseren op zink.
PFAS In de onderzochte mengmonsters MMPFAS01 en MMPFAS02 van de grond (0,0-1,0 m-mv, zand) zijn voor PFAS geen gehalten boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” aangetoond. De grond (boven grondwaterniveau) voldoet derhalve aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde), uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond, buiten grondwaterbeschermingsgebieden en op de landbodem. Grondwater In het grondwatermonster uit peilbuis PB05 zijn licht verhoogde gehalten voor koper, nikkel en zink aangetoond. De verhoogde gehalten overschrijden de betreffende streefwaarden, maar blijven beneden de interventiewaarde alsmede onder de index van 0,5 voor nader onderzoek. Asbest (erf) Tijdens het onderzoek naar asbest is zintuiglijk (fractie > 20 mm) op het maaiveld en in de opgeboorde en opgegraven grond ter plaatse van het erf geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In grondmengmonster MMASB01 van de zwak puinhoudende bovengrond (0,1-0,5 m-mv) ter plaatse van het erf is analytisch geen asbest aangetroffen (< 1 mg/kg d.s.).
Diverse (bodem)onderzoeken, Akkerweg 3A Wijchen Rapportnr.: B20.7877 versie: 01 datum: 9 september 2020
21
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 9.1.
Verkennend en nader bodemonderzoek
Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit van de onderzoekslocaties werd voor kadastraal perceel 1988 (weiland) de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de grond maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de algemene kwaliteit van kadastraal perceel 1989 (erf) werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de ondergrond van boring PB05 (na uitsplitsing) licht tot sterk verhoogde gehalten voor zink zijn aangetoond. In het grondwater (gecombineerd voor erf en weiland) zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor metalen aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Nader onderzoek naar zink in ondergrond Op basis van de resultaten uit de verkennende fase is direct een nader onderzoek uitgevoerd middels aanvullende boringen ter plaatse en in de directe omgeving van boring PB05. Hierbij zijn in geen van de monsters ter verificatie, verticale en horizontale afperking sterk verhoogde gehalten voor zink aangetoond.
Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Aangezien tijdens het nader onderzoek in de aanvullende boringen geen gehalten voor zink zijn aangetoond boven de interventiewaarde, is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De aangetroffen sterke verontreiniging met zink is zeer plaatselijk (voor de bestaande woning) in de ondergrond (1,0 – 2,0 m-mv) aangetroffen en de herkomst hiervan is niet bekend. Aangezien de verontreiniging is aangetroffen in de ondergrond en er geen duidelijk bron is aan te wijzen, kan worden aangenomen dat de verontreiniging historisch van aard is. PFAS Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters in de onderzochte grondmengmonsters MMPFAS01 en MMPFAS02 van de (boven)grond (0,0-1,0 m-mv, zand) voldoet de grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens grondwaterbeschermingsgebieden. 9.2.