Bijlage 3 QuickScan Flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Huurlingsedam 64 Wijchen In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Huurlingsedam 64 Wijchen
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Lycens B.V. S. van Wijk Postbus 336 7570 AH Oldenzaal
Projectnummer en versie: 1544, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Huurlingsedam 64 Wijchen
Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 8-8-2018
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700
1
Inhoudsopgave Samenvatting......................................................................................................................................... 3 1 Inleiding.............................................................................................................................................. 5 2 Het plangebied.................................................................................................................................... 6 2.1 Situering....................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied ..................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten.................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................. 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer......................................................................................................
7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied............................................................................................ 7 4 Gebiedsbescherming ........................................................................................................................... 8 4.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 8 4.2 Gelders Natuurnetwerk ................................................................................................................. 8 4.3 Natura2000 .................................................................................................................................. 9 4.4 Slotconclusie .............................................................................................................................. 10 5 Soortenbescherming; het onderzoek .................................................................................................. 11 5.1 Verwachting ............................................................................................................................... 11 5.2 Methode ....................................................................................................................................
11 5.3 Resultaten .................................................................................................................................. 13 5.4 Toetsingskader ........................................................................................................................... 16 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep........................................................................ 17 5.6 Historische gegevens en overige bronnen .................................................................................... 19 5.7 Volledigheid van het onderzoek ................................................................................................... 19 6 Conclusies......................................................................................................................................... 20 Bijlage ................................................................................................................................................. 22
2
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de herontwikkeling van een perceel tussen de Huurlingsedam en Mandenmaker in Wijchen. Het perceel omvat onder andere een voormalig agrarisch erf op het adres Huurlingsedam 64. Bestaande bebouwing wordt gesloopt en het plangebied wordt bouwrijp gemaakt voor de bouw van vijf woningen en een woon-zorgcomplex voor dementerende ouderen. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, heeft een medewerker van Natuurbank Overijssel een veldbiologisch onderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten (vooraf) in beeld te brengen. Het onderzoeksgebied is op 12 juli 2018 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren, beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten.
Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingslocatie, nestelen er vogels in de te slopen bebouwing, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de te slopen woning. Het plangebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten1 geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Conclusie Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van een aantal ‘licht’ beschermde soorten waarvoor een vrijstelling geldt om ze te mogen verwonden en doden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, maar er nestelen minimaal twee paar huismussen in de woning en mogelijk bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de woning. De gebouwen dienen gesloopt te worden buiten de broedtijd van vogels, maar een ontheffing is vereist om nesten van de huismus te mogen beschadigen/vernielen. Vanwege de ligging van het plangebied buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Om de functie van de woning voor vleermuizen vast te kunnen stellen is nader onderzoek, conform het vleermuisprotocol, vereist. Ook is nader onderzoek vereist naar de functie van de woning voor huismussen. Beide onderzoeken zijn sterk gebonden aan bepaalde maanden in het jaar. Vanwege de mogelijke vestiging van de amfibieën in tijdelijke plassen en poelen in het plangebied tijdens de bouwfase, wordt geadviseerd het plangebied ongeschikt te houden als voortplantingsbiotoop voor amfibieën, specifiek de rugstreeppad.
1
Zie bijlage 2 van dit rapport 3
De aanwezigheid van nestelende huismussen en de mogelijke aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de woning vormt geen belemmering voor planrealisatie. Het is aannemelijk dat de benodigde ontheffing verkregen kan worden, mits initiatiefnemer wil voldoen aan de eisen die gesteld worden bij verlening van een dergelijke ontheffing. Eén van de eisen is het aanbieden van vervangende nest- en verblijfruimte voor respectievelijk huismussen en vleermuizen. Omdat het plan voorziet in de bouw van woningen en een woon-zorgcomplex, zijn er voldoende mogelijkheden om daaraan te voldoen. De Wet natuurbescherming hoeft geen belemmering te zijn voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden.
4
1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor de herontwikkeling van een perceel tussen de Huurlingsedam en Mandenmaker in Wijchen. Het perceel omvat onder andere een voormalig agrarisch erf op het adres Huurlingsedam 64. Bestaande bebouwing wordt gesloopt en het plangebied wordt bouwrijp gemaakt voor de bouw van vijf woningen en een complex voor dementerende ouderen. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, heeft een medewerker van Natuurbank Overijssel een veldbiologisch onderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten (vooraf) in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren, beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland januari 2018 (Natuurnetwerk Nederland).
5
2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd tussen de Huurlingsedam en de Mandenmaker en ligt ten noordoosten van de woonwijk Kerkeveld in Wijchen. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied aangeduid met de cirkel.
Globale ligging van het plangebied. De globale ligging wordt aangeduid met de cirkel (bron kaart: Provincie Gelderland).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied is 0,95 hectare groot en bestaat uit agrarische cultuurgrond en een voormalig agrarisch erf met bebouwing en erfverharding. De agrarische cultuurgrond was tijdens het veldbezoek volledig in gebruik als grasland en bestond uit een monocultuur van raaigras. Het grasland was kort gemaaid en wordt intensief agrarisch beheerd. Op het erf staan een woning en een vijftal schuren. De woning en een deel van de schuren zijn gebouwd van bakstenen, een aantal schuren zijn gebouwd van hout. De woning beschikt over een holle spouw en is gedekt met dakpannen. De kap van de boerderij is beschoten, maar niet geïsoleerd. De schuren beschikken niet over een spouw en zijn gedekt met golfplaten of dakpannen. De daken zijn niet beschoten. Het dak van de meest westelijke schuur was recentelijk verwijderd. De woning werd tijdens het veldbezoek bewoond, de schuren stonden leef. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied in detail weergegeven.
Detailweergave en begrenzing van het plangebied (bron luchtfoto: PDOK.nl).
6
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om de aanwezige bebouwing te slopen en het plangebied bouwrijp te maken voor de bouw van vijf woningen en een complex voor dementerende ouderen. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Bouwrijp maken bouwplaatsen; • Bouwen woningen en woon-zorgcomplex; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het slopen van bebouwing, het bouwrijp maken van het plangebied en het bouwen van de woningen en het woonzorgcomplex. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteit is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig zodat deze niet zullen leiden tot een significante verstoring van beschermde faunasoorten of de aantasting van beschermde habitats.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
7
4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Gelders Natuurnetwerk Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening.
Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provinciedekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren liggen op minimaal 153 meter afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Gelders Natuurnetwerk in de omgeving het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid.
8
Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Beschermingsregime Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Gronden die tot het Natura2000 behoren liggen op minimaal 9,2 kilometer afstand van het planbied. Op onderstaande kaart wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natura2000-gebied nabij het plangebied. De ligging van het plangebied wordt aangeduid met de cirkel. Natura2000-gebied wordt met de groene arcering aangeduid (bron: Provincie Gelderland).
Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot negatieve effecten op Natura2000-gebied.
9
Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’.
Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Bepalen vergunningplicht [1] Wet natuurbescherming en benodigde depositieruimte Als een activiteit stikstofdepositie veroorzaakt op een PAS-gebied dient de initiatiefnemer van de activiteit te onderzoeken of de activiteit vergunningplichtig is onder het PAS. Dit is geregeld onder de Regeling programmatische aanpak stikstof. Om te bepalen of een activiteit vergunningplichtig is, of de uitzondering op de vergunningplicht van toepassing is, moet een enkelvoudige berekening in AERIUS Calculator worden uitgevoerd door een initiatiefnemer. Alleen indien vergunningplicht of meldingsplicht aan de orde is wordt vervolgens een tweede berekening uitgevoerd in AERIUS Calculator om de hoeveelheid benodigde depositieruimte te bepalen (verdieping: https://www.bij12.nl/onderwerpen/programma-aanpakstikstof/vergunningen-en-meldingen/vergunning-aanvragen-of-vergunningvrij/)
4.4 Slotconclusie Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren of tot Natura2000. Vanwege de ligging van het plangebied buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op deze gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde gebieden. Daarnaast ligt het plangebied op enige afstand van weidevogelleefgebied. Vanwege de lokale invloedsfeer, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op het weidevogelleefgebied.
10
5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting Op basis van bronnenonderzoek, landschappelijke karakteristieken, beheer, omvang en gebruik van het onderzoeksgebied is het niet uitgesloten dat (beschermde) soorten van onderstaande soortgroepen in het gebied voorkomen: • Vogels; • Grondgebonden zoogdieren; • Vleermuizen; • Amfibieën; 5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 12 juli 2018 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Veldbezoek door ervaren ecoloog;2 • Aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Half bewolkt, droog, temperatuur 28⁰C, wind 1-2 Bft. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels.
De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Begin juli bezetten de meeste vogels nog de broedplaats. Sommige soorten, waarvan de jongen zijn uitgevlogen en die geen vervolglegsel produceren, hebben de broedplaats verlaten, zoals veel water- en weidevogels, spreeuw, kauw. Op 12 juli 2018 hadden huismussen nog bezette nesten (pers. waarneming auteur). Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar deze dieren, inclusief onderzoek naar voortplantingslocaties. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.
2
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. 11
Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Alle vleermuissoorten bezetten een zomerverblijfplaats in deze periode van het jaar. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen en kraamkolonies. De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar winter- en paarverblijven van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. Er is o.a. gezocht naar sporen die op de aanwezigheid van een rust- of verblijfplaats duiden, zoals uitwerpselen en prooiresten. De geschiktheid van de bebouwing als verblijfplaats voor vleermuizen is onder andere beoordeeld op basis van bouwstijl, gebruikte bouwmaterialen en de staat van onderhoud. Bij mogelijke invliegopeningen is gekeken naar sporen die op het gebruik van de invliegopening duiden, zoals veegstrepen, afwezigheid van spinrag en uitwerpselen op de buitenmuur. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.
Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Alle amfibieënsoorten bezetten een zomerverblijfplaats of voortplantingslocatie in deze tijd van het jaar. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van overige beschermde faunasoorten zoals reptielen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten (kleine vlotvaren), haften (oeveraas) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van soorten ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en reptielen.
De (a)biotische omstandigheden en het feit dat er sprake is van intensief gebruikte grond, maakt het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten.
12
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Het onderzoeksgebied behoort niet tot de groeiplaats van beschermde plantensoorten. Vogels Het plangebied behoort tot het functionele leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten de buitenruimte van het plangebied als foerageergebied en sommige vogels benutten de bebouwing in het plangebied als nestplaats. Er zijn in de woning twee nesten van de huismus vastgesteld; in beide nesten werden bedelende jonge mussen gehoord. Gelet op het zichtbare nestmateriaal onder de dakpannen, nestelen mogelijk meer dan twee paartjes onder de dakpannen. Andere soorten die mogelijk de bebouwing benutten als nestplaats zijn spreeuw, witte kwikstaart en koolmees. Door het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode worden zeer waarschijnlijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield waardoor eieren worden vernield en jonge vogels verwond of gedood worden. Door het slopen van de woning gaan rustplaatsen van de huismus verloren.
De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels blijft voor de meeste soorten (waaronder huismus) behouden. Het plangebied behoort niet tot jaarrond beschermd foerageergebied, zoals van de steenuil.
Foto links: invliegopening naar een bezet nest onder de dakkannen aan de voorzijde van de woning. Foto rechts; nestmateriaal van een huismussennest onder de dakpannen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen woning. Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen grondgebonden zoogdieren waargenomen. Wel zijn sporen gevonden die op de aanwezigheid van de veldmuis in het plangebied wijzen. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer is het niet uitgesloten dat het plangebied tot het functionele leefgebied van sommige andere grondgebonden zoogdiersoorten behoort als huismuis, huisspitsmuis, haas, egel, bruine rat en mol. Voorgenoemde soorten benutten het terrein hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als huismus, huisspitsmuis, veldmuis en mol er ook een rust- en/of voortplantingslocatie. Er zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat de steenmarter een rust- en/of voortplantingslocatie bezet in de gebouwen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten blijft de functie en betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de meeste soorten behouden. Door het ontwikkelen van het plangebied als stedelijk gebied gaat de functie van het plangebied als foerageergebied voor soorten als haas, veldmuis en mol
13
waarschijnlijk verloren. Door uitvoering van de voorgenomen plannen worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing en bouwrijp maken bouwplaats. Vleermuizen Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen directe aanwijzingen, zoals uitwerpselen, gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied duiden. De woning beschikt echter over een holle spouw en rondom de woning zijn gaten en kieren waargenomen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de spouw of het dakvlak van de woning. De aanwezigheid van een verblijfplaats van een gebouwbewonende soort als gewone dwergvleermuis en laatvlieger kan niet uitgesloten worden. Deze vleermuizen benutten de woning mogelijk als zomer- en paarverblijf of kraamkolonie. De schuren zijn ongeschikt als verblijfplaats door vleermuizen. Door het slopen van de boerderij worden mogelijk vleermuizen verwond en gedood en worden mogelijk verblijfplaatsen beschadigd en vernield.
Zichtbare gaten en kieren die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de spouw of het dakvlak van de boerderij.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen woning. Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Geschikt foerageergebied, zoals (vochtig) hooiland, opgaande beplanting, open water en oevers ontbreekt in het plangebied. Mogelijk foerageert een gewone dwergvleermuis incidenteel en kortstondig rond de bebouwing of vliegt een vleermuis over het plangebied terwijl deze foerageert rond randen en kronen van bomen net buiten het plangebied. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is nihil. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen.
14
Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan wel een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindend element in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute voor vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Amfibieën Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot het functionele leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker. Voorgenoemde amfibieën benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten enkele individuen er een (winter)rustplaatsen.
Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder takken, bladeren, rommel en opgeslagen goederen. Amfibieën bezetten soms ook een winterrustplaats in toegankelijke gebouwen. Voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging op enige afstand van geschikte voortplantingswateren, is de betekenis van het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieën zeer beperkt. Het beheer van het terrein bepaalt in grote mate de geschiktheid van het terrein als foerageergebied. Een intensief maaibeheer of intensieve begrazing, met een korte vegetatie tot gevolg, maakt het terrein weinig geschikt voor amfibieën. Wanneer het terrein niet meer wordt gemaaid en langzaam aan zal verruigen, wordt het in toenemende mate geschikt leefgebied voor amfibieën. Door rekening te houden met de ecologie van de rugstreeppad kan voorkomen worden dat deze soort zich in het gebied gaat vestigen. De soort is opportuun en is in staat om snel (tijdelijke) voortplantingslocaties te bezetten, zoals of met regenwater gevulde gaten of diepe sporen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient voorkomen te worden dat dergelijke (tijdelijke) potentiële voortplantingslocaties ontstaan in de periode april-augustus. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen, wel zorgplicht bij uitvoering.
Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
15
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Gelderland van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten.
Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.
16
5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Voor het beschadigen/vernielen van bezette nesten en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd wettelijk belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende vogelsoorten niet beschermd. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd en vernield worden. Een éénmalig bezoek in juli voldoet niet aan de gestelde eisen om de functie van de woning voor huismussen vast te kunnen stellen. Aanvullend onderzoek naar de functie van de woning voor de huismus is noodzakelijk om een ontheffing aan te kunnen vragen. Afwezigheid van broedende huismussen is aangetoond, als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni, geen aanwezigheid kan worden aangetoond.
De inventarisatie moet tijdens goede weersomstandigheden plaatsvinden, rond 1 à 2 uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Gebouwen slopen buiten de voortplantingsperiode van vogels, ontheffing is vereist om de rust- en nestplaatsen van de huismus te mogen vernielen. Nader onderzoek naar de functie van de woning voor huismussen noodzakelijk. Vleermuizen Verblijfplaatsen De afwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de woning kan niet uitgesloten worden. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd en vernield worden. Om de functie van de woning voor vleermuizen vast te kunnen stellen is aanvullend onderzoek vereist. Dit onderzoek geeft inzicht in de functie van het gebouw als verblijfplaats (zomer-, winter-, paar- of kraamverblijf), welke soorten een verblijfplaats in de woning bezetten en hoeveel dieren gebruik maken van de verblijfplaats. Aanvullend onderzoek naar de functie van de woning voor vleermuizen moet uitgevoerd worden conform het vleermuisprotocol. Dat houdt in dat minimaal zeven bezoeken aan het plangebied moeten worden gebracht in de periode juni-september. Wettelijke consequenties: - Nader onderzoek naar functie van woning voor vleermuizen verplicht.
Foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties: - Geen
17
Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes3 van vleermuizen. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties: - Geen Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die rust- en/of voortplantingslocaties in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
In het kader van de zorgplicht wordt het volgende geadviseerd: Om te voorkomen dat hulpeloze jonge grondgebonden zoogdieren in hun nesten verwond en/of gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt geadviseerd om deze werkzaamheden uit te voeren buiten de voortplantingsperiode van grondgebonden zoogdieren. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is september-maart. Wettelijke consequenties: - Geen (wel geldt de zorgplicht). Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. Voor de in het plangebied voorkomende soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van (winter)rustplaatsen en voortplantingslocaties’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
In het kader van de zorgplicht wordt het volgende geadviseerd: Om te voorkomen dat amfibieën tijdens de winterrust verstoord, verwond of gedood worden, wordt geadviseerd om de voorgenomen activiteiten uit te voeren buiten de winterrustperiode van amfibieën. De meest geschikte periode om beplanting te rooien is april- september. Door te voorkomen dat er (tijdelijke) geschikte voortplantingswateren ontstaan, wordt voorkomen dat de rugstreeppad (of andere amfibieënsoorten) deze gaan benutten als voortplantingslocatie. Indien gewerkt wordt conform bovenstaande voorwaarden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. In het kader van de zorgplicht wordt het volgende geadviseerd: Om te voorkomen dat amfibieën tijdens de winterrust verstoord, verwond of gedood worden, wordt geadviseerd om de voorgenomen activiteiten uit 3
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waarlangs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 18
te voeren buiten de winterrustperiode van amfibieën. De meest geschikte periode om beplanting te rooien en (toegankelijke) bebouwing te slopen is april- september. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen (wel geldt de zorgplicht) Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Soorten planlocatie
Verbodsbepalingen*
aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren; foerageergebied Grondgebonden zoogdieren; rust- en voortplantingslocaties
Diverse soorten
Geen
Vogels; foerageergebied
Diverse soorten
Vogels; bezette nesten (niet jaarrond beschermde nesten) Vogels; bezette nesten ( jaarrond beschermde nesten)
Vermoedelijk diverse soorten huismus
Niet van toepassing, functie is niet beschermd (en wordt niet aangetast) Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Wel geldt de zorgplicht. Niet van toepassing, functie is niet beschermd (en wordt grotendeels niet aangetast) Art. 3.1 lid 1 & lid 2
Vleermuizen; foerageergebied
Mogelijk gewone dwergvleermuis Onbekend; mogelijk gewone dwergvleermuis en laatvlieger Niet aanwezig Niet aanwezig
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Art. 3.5 lid 1, Art. 3.5 lid 2, art. 3.5 lid 4 Niet van toepassing Niet van toepassing
Geen Geen
Mogelijk diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Wel geldt de zorgplicht Niet van toepassing.
Zorgplicht
Vleermuizen; verblijfplaats
Vleermuizen; vliegroute Amfibieën; voortplantingsbiotoop Amfibieën; foerageergebied en (winter)rustplaats Overige soorten
Veldmuis
Niet aanwezig
Art. 3.1 lid 1 & lid 2
Zorgplicht
Geen
Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode en ontheffing nodig om nest- en rustplaats te mogen vernielen. Nader onderzoek nodig. Geen Nader onderzoek verplicht
Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties.
5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
19
6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten4 geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten.
Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingslocatie, nestelen er vogels in de te slopen bebouwing, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de te slopen woning. Het plangebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Van de meeste vogelsoorten die in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Er nestelen echter ook huismussen in de te slopen woning. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd en vernield worden. Om de functie van de woning voor huismussen exact in beeld te krijgen is aanvullend onderzoek in het voorjaar verplicht. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezet, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’.
In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om rekening te houden met de ecologie van deze soorten en geen amfibieën in winterrust te storen en geen nesten met jonge grondgebonden zoogdieren te beschadigen/vernielen. De woning lijkt qua bouwwijze en staat van onderhoud, geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd en vernield worden. Omdat de aanwezigheid van een verblijfplaats op basis van het uitgevoerde onderzoek niet uitgesloten kan worden, is nader onderzoek naar de functie van de woning voor vleermuizen verplicht. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol. Het plangebied behoort niet het Natuurnetwerk Nederland en ligt op enige afstand van gronden die tot Natura2000 behoren. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.
4
Zie bijlage 2 van dit rapport 20
Conclusie Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van een aantal ‘licht’ beschermde soorten waarvoor een vrijstelling geldt om ze te mogen verwonden en doden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, maar er nestelen minimaal twee paar huismussen in de woning en mogelijk bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de woning. De gebouwen dienen gesloopt te worden buiten de broedtijd van vogels, maar een ontheffing is vereist om nesten van de huismus te mogen beschadigen/vernielen. Vanwege de ligging van het plangebied buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Om de functie van de woning voor vleermuizen vast te kunnen stellen, is nader onderzoek conform het vleermuisprotocol vereist. Ook is nader onderzoek vereist naar de functie van de woning voor huismussen. Beide onderzoeken zijn sterk gebonden aan bepaalde maanden in het jaar. Vanwege de mogelijke vestiging van de amfibieën in tijdelijke plassen en poelen in het plangebied tijdens de bouwfase, wordt geadviseerd het plangebied ongeschikt te houden als voortplantingsbiotoop voor amfibieën, specifiek de rugstreeppad.
De aanwezigheid van nestelende huismussen en de mogelijke aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de woning vormt geen belemmering voor planrealisatie. Het is aannemelijk dat de benodigde ontheffing verkregen kan worden, mits initiatiefnemer wil voldoen aan de eisen die gesteld worden bij verlening van een dergelijke ontheffing. Eén van de eisen is het aanbieden van vervangende nest- en verblijfruimte voor respectievelijk huismussen en vleermuizen. Omdat het plan voorziet in de bouw van woningen en een woon-zorgcomplex, zijn er voldoende mogelijkheden om daaraan te voldoen.
21
Bijlage Bijlage 1. De natuurkalender Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
22
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.
23
Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
24
Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
Nederlandse naam brui ne kikke r ge wone pa d kl e ine wa te rs a la ma nde r me erki kke r mi dde l s te groene ki kke r/ba s ta ard ki kker a a rdmuis bos mui s bunzing dwe rgmui s dwe rgs pi ts mui s e ge l ge wone bos s pits muis ha as he rme l ijn huis s pi ts mui s konijn onde rgronds e woe l mui s re e ros s e woe l mui s twe ekl e uri ge bos s pi ts mui s ve l dmui s vos we ze l woe lra t
Wetenschappelijke naam Ra na te mporari a Bufo bufo Lis s otriton vulga ri s Pe l ophyl a x ri di bundus Pe l ophyl a x kl . e s cul entus Mi crotus a gres ti s Apode mus s yl va ti cus Mus te l a putori us Mi cromys minutus Sorex minutus Eri na ceus e urope us Sorex a ra ne us Lepus e uropeus Mus te l a ermi ne a Croci dura rus s ul a Oryctola gus cuniculus Pi tymys s ubterrane us Ca pre ol us ca pre olus Cl e thri onomys gl a re olus Sorex corona tus Mi crotus a rva li s Vulpe s vul pes Mus te l a ni val i s Arvi col a te rre s tri s
Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt in de Provincie Gelderland als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.
25
Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.
26
27
Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl
28