Bijlage 3 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan Natuur Veldsestraat 52 te Balgoij Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2024-0887
Datum:
3 juli 2024
Samensteller:
L. Bezemer MSc.
Collegiale toets:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
L. Brouwer
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud Samenvatting
4
1 Inleiding
5
1.1
Planlocatie
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
8
2 Methode
9
2.1
Uitvoering onderzoek
9
2.2
Houdbaarheid en toepassing
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Specifieke zorgplicht Soorten
16
3.3
Gebiedsbescherming
17
3.4
Houtopstanden
19
4 Conclusie en vervolg
20
4.1
Conclusie
20
4.2
Effecten
20
4.3
Vervolgstappen en maatregelen
20
Samenvatting Aan de Veldsestraat 52 te Balgoij is een paardenweide gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op een deel van de weide een seniorenwoning te bouwen en nieuwe groenvoorzieningen aan te leggen. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep
Bescherming
Mogelijke functie
Planten
N.v.t.
Grondgebonden zoogdieren
N.v.t.
Vleermuizen
N.v.t.
Amfibieën
N.v.t.
Reptielen
N.v.t.
Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Steenuil Vogels (Algemeen en cat. 5) Groene specht Spreeuw
N.v.t. N.v.t. VR
Nestlocatie
Maatregelen
VR
Nestlocaties
Werken buiten broedseizoen
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur
11 km 0,2 km 1,5 km 16 km 12 km 3,5 km
Geen Geen Geen Geen Geen Geen
Houtopstanden Eenheid van >1000 m Bomenrij van >20 bomen 2
Vervolgstap (H4.3)
Onderdeel
Uitzondering
Afwezig Afwezig
n.v.t. n.v.t.
Vervolgstap (H4.3)
Vervolgstap (H4.3)
Zorgplicht
Effecten
Vervolgstap (H4.4)
Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden
Ja Ja Nee Nee
Algemene maatregelen Maatregelen steenuil
4
1 Inleiding Aan de Veldsestraat 52 te Balgoij is een paardenweide gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens een seniorenwoning te bouwen op een deel van de paardenweide. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art.
4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Veldsestraat 52 te Balgoij.
5
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Veldsestraat 52 te Balgoij (figuur 1.2) en betreft een volledig onverharde paardenweide. De weide bestaat uit verschillende omheinde delen. De delen waar de paarden op lopen bestaan uit modderige gazons, en de omheinde delen zonder paarden hebben een hogere begroeiing met algemene grassoorten en verschillende bloeiende planten. Aan de noordoostzijde zijn enkele materialen opgeslagen zoals een paardentrailer en een tijdelijke constructie van pellets en zeildoek met daarin hooi en andere materialen. De planlocatie is omringd door hagen en struiken, met aan de noord en zuidzijde ook bomen. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Veldsestraat 52 te Balgoij. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het buitengebied van Balgoij, waar ruime percelen met woningen, boerderijen, boomgaarden en weiden elkaar afwisselen. Het plangebied behoort tot een perceel waar ook een oude hoogstamboomgaard en woning met bijgebouwen gesitueerd zijn. De planlocatie ligt op het westelijke deel van het perceel, aanliggen aan de boomgaard en een schuur, en gescheiden van deze delen door een 2-2,5 m hoge haag. Ten zuidwesten van de planlocatie is een camping gelegen. Op een afstand van circa 200m naar het zuiden stroomt de Maas, en op een afstand van circa 1,5 km naar het noordoosten ligt verbindingsweg de N846.
6
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om op het zuidoostelijk deel van de paardenweide een seniorenwoning te realiseren.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
7
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een seniorenwoning met bijgebouw en nieuw groen op het zuidoostelijke gedeelte van de paardenweide. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO Oost B.V.).
8
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024 en is uitgevoerd door L. Bezemer MSc. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: regen, 8/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De NDFF is geraadpleegd op d.d. 27 juni 2024. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied.
Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.
2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
9
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de beschermde grote leeuwenklauw (NDFF 2019-2024). De planlocatie is een paardenweide met drie verschillende typen begroeiing. Het eerste bestaat uit de delen waar de paarden lopen, voornamelijk op de buitenranden van het perceel. Hier is de grond grotendeels vertrapt en modderig, daarnaast worden deze delen tot op het maaiveld begraasd door de paarden. Op de randen van deze delen groeien enkele algemene inheemse planten zoals grote brandnetel en jakobskruiskruid. Het midden van het perceel is opgedeeld in twee vlakken, waarvan het westelijke deel bestaat uit goed onderhouden (gemaaid) weide, met naast gras verschillende klaversoorten zoals gewone rolklaver en witter klaver.
Het oostelijk deel was op het moment van het veldbezoek niet gemaaid, en bestaat uit een dichte begroeiing die gedomineerd wordt door grassen. Tussen de grassen staan losse exemplaren van jakobskruiskruid en zijn verder weinig tot geen andere bloeiende planten waargenomen. Rondom het perceel zijn aan de west, zuid- en oostzijde heggen van beuk aanwezig, met aan de zuidzijde drie walnoten en twee essen. Aan de noordzijde is een braamstruweel aanwezig, met twee losstaande walnotenbomen. Grote leeuwenklauw groeit op zonnige, open plaatsen op kalkhoudende grond. Voorbeelden hiervan zijn bermen langs onverharde wegen, graanakkers, waterkanten, braakliggende grond, dijken en langs spoorwegen. In de omgeving van de planlocatie is één waarneming van grote leeuwenklauw bekend uit jachthaven ‘De Batavier’ in de Loonse Waard op circa 800 m ten noordwesten van de planlocatie. Op de planlocatie zijn geen geschikte groeiplaatsen aanwezig, gezien er sprake is van grotendeels hoog begroeide en/of vertrapte gronden. Gezien het bovenstaande is het voorkomen van de grote leeuwenklauw op de planlocatie uitgesloten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.
Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. Binnen de planlocatie en in de directe omgeving daarvan zijn geen watergangen met begroeide oevers aanwezig. Waarnemingen van de bever in de directe omgeving van de planlocatie zijn afkomstig van de Maas zelf, en met name in de uiterwaarden aan de zuidoever van de Maas (NDFF 2019-2024). Gezien de afwezigheid van watergangen op de planlocatie, en de afwezigheid van geschikte watergangen in de directe omgeving is het voorkomen van de bever op de planlocatie uitgesloten. 10
De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De planlocatie betreft een paardenweide op zware klei, waardoor er sprake is van slecht vergraafbare grond en een hoge mate van verstoring door de aanwezigheid van mensen en de paarden. Er zijn gedurende het veldbezoek geen sporen (wissels, graafsporen, neusputjes, uitwerpselen) gevonden. De planlocatie en de directe omgeving daarvan bevatten daarnaast geen rustige, verstoringsvrije hooggelegen delen die geschikt zijn als locatie voor een dassenburcht. Gezien het bovenstaande zijn de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de das evenals de functie van de planlocatie als essentieel leefgebied voor de das uitgesloten. Derhalve is er ten aanzien van de das geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. De rode eekhoorn is een soort van allerlei typen bos, en leeft ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos.
Rode eekhoorns gebruiken als rust- en voortplantingsplaats zelfgemaakte slaapnesten en kraamnesten, ook grote boomholtes worden als slaapplek gebruikt (Zoogdiervereniging Rode Eekhoorn, 2024). De planlocatie is niet nabij bos gelegen, en de dichtstbijzijnde geschikte habitat is gelegen ten zuiden van Wijchen, op een afstand van circa 1,5 km van de planlocatie. Tussen de planlocatie en deze geschikte habitat is hoofdzakelijk open polderlandschap aanwezig, en zijn geen geschikte bomenlanen of andere looproutes voor de eekhoorn aanwezig. De planlocatie betreft een paardenweide, en in de beoogde ruimtelijk ingreep worden de bomen rondom deze paardenweide niet gekapt. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de rode eekhoorn uitgesloten. De steenmarter heeft een voorkeur voor kleinschalig parklandschap en wordt met name aangetroffen in en nabij steden, dorpen en boerderijen. Daarbij heeft de soort een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen zoals gebouwen. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die als foerageergebied kunnen dienen is essentieel binnen het leefgebied van de steenmarter (Zoogdiervereniging steenmarter, 2022). De planlocatie betreft een paardenweide, bestaande uit gemaaide, vertrapte en verwilderde grasvelden. Er zijn gedurende het veldbezoek geen sporen (pootafdrukken, uitwerpselen, prooiresten) gevonden.
Er zijn geen structuren aanwezig welke als verblijfplaats kunnen functioneren. De heggen met hoge bomen rondom de planlocatie zijn wel potentieel geschikt leefgebied van de steenmarter. Deze groenstructuren worden in de beoogde ruimtelijk ingreep niet aangetast, en hebben vanwege het ruime aanbod van vergelijkbare structuren in de omgeving ook geen essentiële functie voor steenmarters. Derhalve is er ten aanzien van de steenmarter geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. De bunzing, hermelijn en wezel vallen onder de kleine marterachtigen en hebben een voorkeur voor kleinschalig cultuurlandschap. Gezien deze soorten kwetsbaar zijn tijdens het foerageren maken ze veel gebruik van elementen die dekking geven zoals laanvormige bosschages, braamstruwelen, ruige vegetatie, takkenhopen en stenenstapels (Bij12 - Kennisdocument kleine marterachtigen, 2024). De planlocatie betreft een paardenweide met vertrapte, begraasde, gemaaide en verwilderde delen. Op de planlocatie is geen dekking in de vorm van takkenhopen en stenenstapels aanwezig. Rondom de planlocatie bieden de heggen en het braamstruweel wel voldoende dekking om als potentieel foerageergebied voor kleine marterachtigen te functioneren. Deze elementen kunnen daarnaast ook een functie hebben als looproute tussen de boomgaard en andere habitatelementen in de omgeving.
Deze groenstructuren worden met de beoogde ruimtelijke ingreep echter niet aangetast. Daarnaast is er in de omgeving ruim voldoende alternatief leefgebied aanwezig, waardoor de aanwezigheid van essentieel leefgebied uitgesloten kan worden. De werkzaamheden kunnen desondanks wel lijden tot verstoring van deze elementen, en dienen bij voorkeur buiten de meest kwestbare periode van de bunzing, hermelijn en wezel uitgevoerd te worden (zie H 4.3). Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de gewone dwergvleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten 11
en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). De bomen rondom de planlocatie zijn grondig geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Bovendien worden er geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De bomenrijen aan de noord en zuidzijde van de planlocatie zijn potentieel geschikt als vliegroute én foerageergebied voor vleermuizen. De bomen en paardenweide zelf zijn daarnaast geschikt als foerageergebied.
In de omgeving zijn veel vergelijkbare structuren (weilanden met omliggende bomen) en andere geschikte foerageergebieden zoals (hoogstam-)boomgaarden aanwezig. Daardoor zijn de rondom het plangebied aanwezige groenvoorzieningen niet essentieel als foerageergebied of vliegroute. Bovendien worden de bestaande bomen niet gekapt of aangetast, worden er nieuwe bomen aangeplant en blijft de paardenweide grotendeels behouden. Gezien het bovenstaande is de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen evenals de aanwezigheid van essentieel leefgebied op de planlocatie uitgesloten. Om verstoring van niet essentiële vliegroutes en foerageergebieden te voorkomen dienen wel maatregelen genomen te worden onder de algemene zorgplicht (zie H 4.3). Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2019-2024). Voor de Alpenwatersalamander geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De dichstbijzijnde waarnemingen van de alpenwatersalamander zijn afkomstig uit een poel in een klein natuurlijk gebied met bomen en natuurlijke weilanden aan de Boomsestraat 30 en 36 in Balgoij, op een afstand van circa 300 m van de planlocatie.
De Alpenwatersalamander komt vooral voor in heidegebieden, bossen en agrarisch gebied op zandgrond, maar wordt ook aangetroffen in steden en dorpen. De soort is weinig kritisch en wordt ook aangetroffen in wateren zonder onderwatervegetatie en veel bladinval. Veelal worden poelen (in bossen), vennen, maar ook tuinvijvers gebruikt als voortplantingswater. (Creemers & Van Delft, 2009). Overwintering vindt veelal plaats op het land onder stronken, houtstapels en kleine holen. Het voortplantingswater dient vanaf de overwinterplaats goed bereikbaar te zijn. Op de planlocatie en in de directe omgeving daarvan zijn geen watergangen aanwezig. Door de begrazing en aanwezigheid van paarden, en anderzijds de dichte begroeiing met grassen is de planlocatie niet geschikt als landhabitat. Er zijn potentieel geschikte overwinteringslocaties op de planlocatie en in de omgeving daarvan aanwezig, met name de heggen en het braamstruweel met bomen rondom de planlocatie. Deze structuren worden in de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Gezien deze overwinteringsstructuren in de beoogde ruimtelijke ingreep niet worden aangetast, en de afwezigheid van andere geschikte habitatelementen op de planlocatie, zijn negatieve effecten op de Alpenwatersalamander uitgesloten. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de
12
hoge mate van verstoring door mensen en paarden (begrazing, vertrappen) is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2019-2024). Er is één waarneming gedaan van de grote modderkuiper in de Hertogswetering nabij Velp, aan de overzijde van de Maas (NDFF 2019-2024). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Derhalve is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: beekrombout, grote vos en teunisbloempijlstaart (NDFF 2019-2024). De beekrombout komt voor langs traag stromende beken, kanalen en rivieren. Hierbij is de aanwezigheid van zuurstofrijk water en onbegroeide, zandige substraten die nitraat- en fosfaatarm zijn belangrijk (Vlinderstichting beekrombout, 2023). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde werkzaamheden zijn geen voor de beekrombout geschikte beken aanwezig. Daardoor zijn negatieve effecten op de beekrombout uitgesloten. De grote vos is een trekkende dagvlinder van hoge, houtige vegetaties.
Als waardplant worden iep, zoete kers en verschillende wilgensoorten gebruikt. De bomen rondom de planlocatie bestaan hoofdzakelijk uit walnoot en es. Er zijn geen waardplanten van de grote vos op de planlocatie aanwezig, en er worden geen bomen gekapt binnen de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Derhalve zijn negatieve effecten op de grote vos uitgesloten. De teunisbloempijlstaart is een trekkende nachtvlinder van ruderale terreinen. Als waardplant worden (middelste-) teunisbloem en andere planten in de teunisbloemen-familie zoals basterdwederik en wilgenroosje gebruikt. De planlocatie betreft een begraasd, gemaaid en dicht begroeid grasveld (drie verschillende delen van hetzelfde veld) waar geen van bovengenoemde waardplanten aanwezig zijn. Derhalve zijn negatieve effecten op de teunisbloempijlstaart ten gevolge van de beoogde ruimtelijk ingreep uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Daarnaast zijn er geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden.
Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, spreeuw en vink. Ook is er een nestkast voor de steenuil aanwezig in een fruitboom ten oosten van de planlocatie. Gedurende het veldbezoek is een nestkast voor de steenuil aangetroffen in de aangrenzende boomgaard. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van huismus en steenuil bekend (NDFF 2019-2024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De gierzwaluw en huismus zijn echte cultuurvolgers, en in Nederland voor de nestlocaties sterk afhankelijk van gebouwen. Op de planlocatie zijn geen gebouwen aanwezig, en daarmee is de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw uitgesloten. In en om de omliggende gebouwen zijn echter wel huismussen waargenomen en nestlocaties bekend (NDFF 2019-2024). Deze huismussen zijn afhankelijk van het leefgebied rondom de gebouwen, waar de paardenweide ook onderdeel van uitmaakt. De vertrapte, modderige delen en grasvelden binnen de planlocatie, evenals de heggen en bomen rondom de planlocatie maken deel uit van het functioneel leefgebied van deze
13
huismussen. In de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gaan deze elementen echter niet verloren. De paardenweide blijft bestaan, en zal voordat er ontwikkeling plaatsvindt verplaatst worden binnen het huidige perceel. Bovendien is er in de omgeving voldoende vergelijkbaar leefgebied voor de huismus aanwezig. Daardoor gaan er geen essentiële elementen van het leefgebied verloren. Van aantasting van nestlocaties van gierzwaluw en huismus, evenals essentieel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.
Er is op de planlocatie geen bebouwing aanwezig. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De hoge bomen rondom de planlocatie kunnen echter wel als rustplaats voor roofvogels en uilen dienen. De planlocatie zelf betreft een paardenweide met gemaaid én verwilderd gras en is potentieel geschikt als foerageergebied voor roofvogels en uilen. In de omgeving zijn veel weilanden, percelen met dieren en boomgaarden aanwezig die als foerageergebied voor roofvogels en uilen geschikt zijn. Bovendien wordt slechts een klein deel van de bestaande paardenweide weggenomen, en blijft ongeveer driekwart van het huidige oppervlak behouden. Er is derhalve geen sprake van het wegnemen van nestlocaties, vaste rustplaatsen en essentieel foerageergebied voor bovengenoemde soorten roofvogels en uilen. Direct ten oosten van de planlocatie is een oude hoogstamboomgaard gesitueerd, in één van de fruitbomen direct naast het noordelijk deel van de planlocatie is een nestkast voor de steenuil aanwezig (figuur 3.1). Door de ligging in de boom kon de kast niet goed bekeken worden gedurende het veldbezoek.
Er zijn geen sporen (braakballen, ruiveren) gevonden onder de bomen op en rondom de planlocatie, ook niet onder de boom met de nestkast. De weersomstandigheden gedurende het onderzoek waren niet gunstig, en er zijn ook geen steenuilen gezien of gehoord. Uit de NDFF is één waarneming van een steenuil uit de betreffende boomgaard bekend uit 2020, en zijn er circa 20 waarnemingen van de soort bekend binnen een straal van 100 m van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De nestkast functioneert derhalve mogelijk als nestlocatie voor de steenuil. Daarnaast is de planlocatie potentieel geschikt als foerageergebied voor de steenuil. Er zijn wat foerageergebieden betreft voldoende uitwijkmogelijkheden van vergelijkbare of betere kwaliteit (hoogstamboomgaard, natuurlijk ingerichte percelen, weides) aanwezig. Een groot deel van de planlocatie blijft daarnaast in de huidige functie als paardenweide behouden, en in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling komen ook nieuwe landschappelijke elementen zoals bomen, een vijver en een tuin terug. De beoogde ruimtelijke ingreep resulteert derhalve niet in het wegnemen van nestplaatsen of essentieel leefgebied van de steenuil.
Om verstoring op de mogelijk aanwezige nestlocatie van de steenuil te voorkomen dienen grootschalige werkzaamheden zoals heien en werken met zware machines opgestart en uitgevoerd te worden buiten de meest kwetsbare (broed-)periode van de steenuil, betreffende de periode van 1 augustus tot 31 januari. Andere, minder invasieve, werkzaamheden worden bij voorkeur ook buiten deze periode uitgevoerd (zie H 4.3).
14
Figuur 3.1 De nestkast voor de steenuil in een fruitboom aanliggend aan de planlocatie. De kast is aangegeven met rode cirkels, de planlocatie is gelegen aan de westzijde van de boom. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen mits de maatregelen om verstoring van de mogelijke nestlocatie van de steenuil te voorkomen worden genomen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De heggen en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Er zijn wel waarnemingen van nestindicerend gedrag (balts) van de groene specht en spreeuw bekend binnen een straal van 100 m van de planlocatie (NDFF 2019-2024). Op de planlocatie zijn geen boomholten of geschikte holten in gebouwen gevonden die als nestlocatie kunnen dienen, wel zijn de oude kastanjeen elzenbomen rondom het perceel potentieel geschikt als nestlocatie voor de groene specht (die zelf holen maakt in oude loofbomen).
In de directe omgeving zijn wel geschikte nestlocaties aanwezig, bijvoorbeeld in de oude hoogstamboomgaard ten oosten van de planlocatie. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen bomen gekapt, en gaan dus geen potentieel geschikte nestlocaties verloren. Wel is het van belang om verstoring van de groene specht andere (algemene) vogelsoorten te voorkomen door de werkzaamheden op te starten en uit te voeren buiten het broedseizoen. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft voor de groene specht indicatief de periode medio maart t/m medio juli. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige (zie H 4.3). Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waarvoor maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.
15
3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: boerenzwaluw, grote lijster, huismus, konijn, kramsvogel, ransuil en steenuil (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld zijn: boerenzwaluw, grote lijster, konijn en kramsvogel. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. Het plangebied bestaat uit een paardenweide met vertrapte delen en een begroeiing gekenmerkt door grassen. Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. De boerenzwaluw is een typische boerenlandvogel. De soort foerageert boven weilanden, waterlichamen en landschapselementen, vaak in de nabijheid van vee omdat deze veel insecten aantrekken. Het nestelen gebeurt in (oude) veestallen, schuren, overkappingen en dergelijke bebouwing. Op de planlocatie zijn geen gebouwen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van nestlocaties uitgesloten kan worden.
De planlocatie bevat wel geschikt foerageergebied, maar dit wordt met de beoogde ruimtelijke ingreep niet dusdanig aangetast dat er sprake is van nadelige gevolgen ten opzichte van de staat van instandhouding. Van de grote lijster en kramsvogel zijn geen waarnemingen met nestindicerend gedrag bekend sinds 2019 en binnen een straal van 100 m van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De kramsvogel en grote lijster broeden daarnaast hoofdzakelijk in hoge loofbomen, welke in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling behouden blijven. Derhalve is er geen sprake van nadelige gevolgen ten opzichte van de staat van instandhouding van deze soorten. Het konijn heeft een voorkeur voor halfopen landschappen zoals tuinen en bosranden, waarbij de aanwezigheid van een goed verhraafbare (zand-)grond van belang is. Konijnen mijden vochtige terreinen, evenals gebieden met een zware niet-vergraafbare kleibodem en open polderlandschap (Zoogdiervereniging - konijn, 2022). De planlocatie ligt in een halfopen polderlandschap op een kleibodem, en heeft geen delen met vergraafbare grond die geschikt zijn als voortplantingslocatie voor het konijn. Geschikte habitat voor het konijn is in de omgeving van de planlocatie vooral aanwezig in de uiterwaarden van de maas, en op oude zandafzettingen zoals rivierduinen. Daar maakt de planlocatie geen onderdeel van uit.
Gezien de afwezigheid van geschikt leefgebied zijn nadelige effecten op het konijn uitgesloten. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.
16
3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 11 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken – Uiterwaarden Waal’ (figuur 3.2).
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 11 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken – Uiterwaarden Waal’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van één woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (11 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 150 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,5 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.3). Op een afstand van circa 16 km ligt Weidevogelgebied (geen kaartveergave). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 12 km van de planlocatie (geen kaartweergave).
17
Op een afstand van circa 3,5 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (figuur 3.4). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 300 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van 1,1 km de Groene Ontwikkelingszone (bron:gldanders.planoview.nl/planoview).
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,5 km tot de Beschermingszone natte landnatuur (bron:gldanders.planoview.nl/planoview).
18
3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien en worden nieuwe bomen geplant. De planlocatie valt buiten de aanwijzing voor beschermde houtopstanden en is geen oude bosgroeiplaats zoals aangewezen op de Omgevingsverordening van provincie Gelderland. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven derhalve er geen maatregelen getroffen te worden.
19
4 Conclusie en vervolg 4.1
Conclusie In de beoogde realisatie van de seniorenwoning aan de Veldsestraat 52 te Balgoij wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, de steenuil en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
4.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
• Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. Specifieke zorgplicht • Om verstoring op potentiële nest- of vaste rustplaatsen van de steenuil te voorkomen dienen grootschalige werkzaamheden zoals heien en werken met zware machines opgestart en uitgevoerd te worden buiten de meest kwetsbare (broed-)periode van de steenuil (indicatief 1 april t/m medio augustus. Andere, minder invasieve, werkzaamheden worden bij voorkeur ook buiten deze periode uitgevoerd. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van groene specht (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te 20
worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
21
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Bever (Castor fiber) (2017) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2017) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) (2017) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub bij12.nlgldanders.planoview.nl/planoview/ nationaalgeoregister.nl ndff.nl ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Juridisch kader
22
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Veldsestraat 52 te Balgoij en bestaat uit een paardenweide. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het realiseren van een seniorenwoning.
Figuur 2
De beukenhaag met hoge bomen aan de zuidzijde van de planlocatie.
23
Figuur 3
Tijdelijke opslag van materialen op de planlocatie.
Figuur 4
Een overzicht van de een vertrapt deel van de weide op de planlocatie
24
Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3.
Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -
-
“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”
De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
25
Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.
het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.
het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 26
3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten,
bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c.
de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen.
Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
27
Tabel 4.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 4.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
28
Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten.
Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft.
Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
29
Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11.111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e.