Bijlage 3 bij toelichting Waterparagraaf woningen Heikampseweg ong. Wijchen
Tekst van het document
WATERPARAGRAAF WONINGEN HEIKAMPSEWEG ONG. ALVERNA WATERHUISHOUDING Wettelijk kader Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 1.
Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Het plangebied is gelegen in het buitengebied direct ten noordoosten van de kern Alverna. Het maaiveld binnen het plangebied ligt op een hoogte van 7,7 tot 8,3 m +NAP (bron: AHN Viewer). Geomorgologisch is het plangebied gelegen op een ‘dekzandwelving’, een welving (heuvel, rug) ontstaan door eolische processen (door erosie of afzetting van materiaal door de wind). De welving betreft een vrij vlak. Laag gelegen reliëf met een lokaal maximaal hoogteverschil van 0,5 – 1,5 m. De bodem van het plangebied bestaat uit ‘gooreerdgronden’ met grof zand. Eerdgronden betreffen minerale gronden met een humusrijke bovengrond (de minirale eerdlaag). Deze minerale eerdlaag is doorgaans het gevolg van een eeuwenlange geleidelijke ophoging met humushoudend materiaal door de mens. Gooreerdgronden zijn eerdgronden die geen roest in het profiel hebben en voortdurend of periodiek hoge grondwaterstanden. Naar verwachting hebben de gooreerdgronden met grof zand een doorlatendheidswaarde van 30 m per dag. (bron: Atlas leefomgeving). De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt 98 cm beneden maaiveld, de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bedraagt 190 cm beneden maaiveld (bron: www.bodemdata.nl). Daarmee valt het plangebied binnen grondwatertrap VIId.
Oppervlakte- en afvalwatersysteem Binnen het plangebied zijn geen A/B/C-watergangen gelegen. Wel ligt ten noorden van het plangebied een tertiaire waterloop (095823) en ten westen een duiker, die onderdeel is van een primaire waterloop (095977). Rond deze duiker ligt een beschermingszone, die echter niet tot binnen het plangebied reikt. Het plangebied is onderdeel van het peilgebied CIT001. Het streefpeil voor oppervlaktewater hierbinnen bedraagt 6,50 m +NAP, het maximum peil 7,00 m +NAP (bron: waterschap rivierenland) Het plangebied is gelegen naast het openbaar riool onder de Heikampseweg. Dit betreft een drukriolering, waarop in overleg met de gemeente een aansluiting voor afvalwater kan worden gerealiseerd.
2 Ecosysteem Het plangebied is niet gelegen in het Gelders natuurnetwerk of in de Groene ontwikkelingszone. Binnen het plangebied bevindt zich geen te beschermen natte landnatuur met bijzondere waarde. 2. Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn de thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven (zie ook punt 3). Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5).
Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 6.4). 3. Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft op welke wijze op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. Onderdeel hiervan is een motivering van getroffen maatregelen om negatieve effecten op/van het watersysteem tot een minimum te beperken, inclusief de ruimtelijke consequenties daarvan.
3.1 Leefomgeving algemeen Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering). Gevolgen van/voor het plan Het planvoornemen voorziet in de aanleg van infiltratiekratten op eigen terrein bij de beide nieuwe woningen. Op de bijbehorende percelen is meer dan voldoende ruimte aanwezig voor de aanleg daarvan.
3 3.2 Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt.
Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan Het schoon hemelwater afkomstig van de verharde opervlakten bij de nieuwe woningen wordt afgevoerd naar de bij de woningen aan te leggen infiltrtiekratten. Vanuit die kratten kan het hemelwater infiltreren in de bodem. Verontreiniging van het schone hemelwater wordt voorkomen door de toepassing van niet-uitlogende materialen en door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Door de bepermte omvang van het planvoornemen is het niet zinvol om waterstromen zichtbaar en beleefbaar te maken. 3.3 Klimaatverandering Beleidsuitgangspunten De gemeent streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen.
Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Gevolgen van/voor het plan Het plangebied is niet uitzonderlijk gevoelig voor klimaatverandering. De aanleg van infiltratiekratten van een voldoende gedimensioneerde omvang draagt bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. In geval van overvloedige neerslag wordt wateroverlast voorkomen doordat het hemelwater kan worden geborgen in die infiltratiekratten. Vanuit de kratten kan het hemelwater vertraagd infiltreren in de bodem, waardoor verdroging wordt tegengegaan.
4 Klimaatbestendigheid wordt verder bewerkstelligd door het boouwpeil van de woningen (de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer) op circa 0,20-0,30 m boven het peil van de Heikampseweg te leggen. Bij hevige regenval wordt daarmee voorkomen dat het water van de Heikampseweg in de nieuwe woningen komt te staan. Het peil van de Heikampseweg bedraagt 8,5 m +NAP (bron: AHN viewer), het bouwpeil dient derhalve op 8,75 +NAP gelegd te worden. 3.4 Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Keur (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven.
Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan Per saldo heeft het planvoornemen een toename van de hoeveelheid verharding binnen het plangebied tot gevolg (circa 505 m²). De hydrologische situatie binnen het plangebied zal daardoor beperkt verslechteren. Deze wordt echter gecompenseerd doordat het hemelwater afkomstig van de verharde oppervlakken wordt afgekoppeld en opgevangen in bij de woningen op eigen terrein aan te leggen infiltratiekratten. Vanuit die kratten vindt bodeminfiltratie plaats. De benodigde capaciteit van de infiltratiekratten voor waterberging bedraagt in totaal 505 x 0,0664 = 33,5 m3. De benodigde infiltratiekratten zullen boven de GHG van 0,98 beneden maaiveld aangelegd worden. Om overlast te voorkomen als er meer neerslag valt dan de rekenhoeveelheid voor de bepaling van de infiltratiecapaciteit, wordt er in noordwestelijke richting (met het aflopende terrein mee) een afvoer naar de aanwezige sloot aan de noordzijde gemaakt. Op beide woonpercelen is meer dan voldoende ruimte aanwezig voor de aanleg van de benodigde infiltratiekratten. 3.5 Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem.
Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of –fluctuatie. Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water).
5 Gevolgen van/voor het plan De ontwateringsdiepte (het peilverschil tussen het grondwater en het vloerpeil van de begane grond = bouwpeil) voldoet ruimschoots aan de gemeentelijke eis. Deze bepaalt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG = 0,98 m-mv) niet hoger mag zijn dan dan 1,0 m onder het vloerpeil van de begane grond. Het bouwpeil is bepaald op 0,25 cm boven het peil van de Heikampseweg. Aangezien de Heikampseweg op dezelfde hoogte of hoger ligt dan het maaiveld ter plaatse van de beoogde woningen, bedraagt de ontwateringsdiepte hiermee 0,98 + 0,25 = 1,23 m. Eveneens wordt voldaan aan de door het waterschap op basis van de Keur geeiste drooglegging. Het waterschap eist een drooglegging (het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het vloerpeil van de begane grond) van 1,3 m om overlast te voorkomen. Oppervlaktewater is in en om het plangebied niet of nauwelijks aanwezig. De sloot ten noorden van het plangebied staat grote delen van het jaar droog. Het maximum peil voor oppervlakte water in oppervlaktewater bedraagt 7,0 m +NAP. Het vloerpeil van de begane grond bedraagt 8,75 m +NAP (peil Heikampseweg 8,5 +NAP plus 0,25 m). De drooglegging is daarmee ten minste 1,75 m. 3.6 Afvalwater Volgens het Bouwbesluit moet iedere nieuwbouwwoning afzonderlijk op de openbare riolering zijn aangesloten.
In het kader van het planvoornemen worden de nieuwe woningen aangesloten op het bestaande drukriolering onder de Heikampseweg. 4. Overwegingen en conclusie Overwegingen Gezien de terreinhoogte en grondwaterstanden wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Hemelwater wordt op eigen terrein bewerkt en niet afgevoerd naar riolering en/of oppervlaktewatersysteem, waardoor de noodzaak voor compenserende waterberging komt te vervallen. Conclusie Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en omgekeerd. 5. Overleg met waterbeheerder Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder. Veelal is de waterbeheerder het waterschap, maar kan ook Rijkswaterstaat of de Provincie zijn. Het advies of resultaat van het vooroverleg dient te worden verwerkt in de waterparagraaf. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (www.digitalewatertoets.nl). Het hieruit voortvloeiende advies moet, in geval van een relevant waterschapsbelang, worden uitgewerkt in de waterparagraaf. Het planvoornemen is op 6 december 2022 aangemeld via de digitale watertoets. Daarbij is gebleken dat slechts geringe waterschapsbelangen in het geding zijn.
De relevante zaken uit de digitale watertoets zijn in de voorliggende waterparagraaf verwerkt. Als relevant zijn beoordeeld zaken met betrekking tot klimaatadaptatie (klimaatbestendige inrichting leefomgeving), watercompensatie nieuw verhard oppervlak en waterkwaliteit (geen uitlogende materialen, plaatsing bomen, ecologische waarde wadi).
6 Wateradvies: Gering Waterschapsbelang Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegeneerd wateradvies.