CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Huurlingsedam 141

Raad openbaar Wijchen 26 oktober 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 101241 Beslisnota vast te stellen bestemmingsplan 'Huurlingsedam 141 te Wijchen'13.840 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Planvoornemen in relatie tot bedrijven en mi lieuzonering Type omgeving - De omgeving typeert zich als een rustige woonwijk. Hierdoor kunnen de richtafstanden niet met 1 stap worden verkleind. Milieuhinder gevoelige functie of milieubelastende activiteit - Woningen betreffen milieuhinder gevoelige objecten. Bij de realisatie van een woning dient derhalve rekening te worden gehouden met de bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving. Deze bedrijven mogen namelijk niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd en ter plaatse van de te realiseren woningen dient sprake te zijn van een 'goed woon- en leefklimaat'. Woningen betreffen geen milieubelastende activiteit. De invloed van de woningen op de omgeving hoeft derhalve niet te worden beoordeeld. Omliggende functies met milieuzoneringen - De omgeving kenmerkt zich als rustige woonwijk. De woonwijk bestaat, logischerwijs, uit woningen met enkele wijkvoorzieningen zoals een zorgcentrum, kinderopvang e.d. Deze voorzieningen liggen allen op ruime afstand van het plangebied waardoor dit geen invloed heeft.

Gelet op het bovenstaande, is te concluderen dat het plangebied buiten de geldende VNG-richtlijnenafstanden valt van alle genoemde bedrijven. Aangezien de nieuwe woning zich buiten de VNG-afstanden bevinden, wordt hinder als gevolg van de aanwezige/bestemde bedrijvigheid niet verwacht. Daarbij zullen de belangen van de bestemde/aanwezige bedrijven door de komst van nieuwe gevoelige objecten niet worden geschaad. CONCLUSIE Het aspect bedrijven en milieuzonering vorm geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

29

5.2 WATER

5.2.1 BELEIDSUITGANGSPUNTEN Wettelijk kader - Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal bestuursakkoord water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets - De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In een ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met water en watervoorzieningen. Het beoogde ruimtegebruik mag immers geen negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie en vice versa. Dit moet zijn onderzocht en onderbouwd in de waterparagraaf van bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing. De watertoets betreft het belang van de waterbeheerders: het waterschap, het rijk, de provincie en de gemeente. Waterparagraaf - De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding.

Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap (of resultaat van de digitale watertoets) in de waterparagraaf verwerkt. Onderdelen van de waterparagraaf zijn: beschrijving beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie (oude en nieuwe situatie), motivering welke ruimtelijke keuzes gemaakt zijn en wat daar de waterhuishoudkundige gevolgen van zijn. Die gevolgen mogen niet negatief zijn. Beleid waterschap Rivierenland - De gemeente Wijchen valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing van afvalwater op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt de waterbeheerder het onderhoud van A-watergangen.

Gemeentelijk waterbeleid - In de Strategische waternota van de gemeente Wijchen zijn de thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. In het kader van de watertoets moet een vertaalslag worden gemaakt naar de concrete plansituatie. Tevens beschikt de gemeente over een Gemeentelijk rioleringsplan GRP, waarin de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het gemeentelijk waterbeleid is voornamelijk gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Gemeentelijke zorgplichten - De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Hemelwater dient door perceeleigenaren op eigen terrein te worden verwerkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval treedt de gemeentelijke zorgplicht voor inzameling en verwerking van overtollig hemelwater in werking (Waterwet art 3.5). De zorgplicht voor structureel voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging ligt bij de perceeleigenaar. BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

30

Als dat redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verlangd, treft de gemeente in de openbare ruimte maatregelen, mits doelmatig en mits geen verantwoordelijkheid voor waterschap of provincie (Waterwet art. 3.6).

5.2.2 PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT WATER Wateroverlast en volksgezondheid Beleidsuitgangspunten - Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundige systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en voorkomen van schade aan volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. Gevolgen voor het plan - Het plan betreft de bouw van een nieuwe woning aan de Huurlingsedam 141 te Wijchen. Deze woning word hydrologisch neutraal gebouwd waarbij het regenwater op het perceel blijft. Er is een toename in verhard en bebouwd oppervlakte waarbij het regenwater afkomstig van deze oppervlakten op het perceel wordt opgevangen. Er wordt geen wateroverlast verwacht doordat er geen water naar omliggende wegen of percelen wordt afgevoerd. In de regels van dit plan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt tevens geborgd dat het vloerpeil van de begane grond minstens 1,30 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) komt te liggen. Daarmee is er voldoende ontwateringsdiepte. Afkoppeling en waterberging Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden.

Hemelwater wordt zoveel mogelijk afgekoppeld van het rioleringsstelsel met de voorkeursvolgorde: •

Benutting;

•

Bodeminfiltratie;

•

Vertraagde afvoer naar en berging in oppervlaktewater;

•

Afvoeren via rioolstelsel.

Uitgangspunt bij nieuwbouw is aanleg van gescheiden HWA- en DWA-afvoer (hemelwater- en droogweerafvoer). Hemelwater dient in beginsel op eigen perceel te worden verwerkt. Wanneer hemelwaterberging niet op eigen perceel kan plaatsvinden en direct of indirect op het oppervlaktewater wordt geloosd, dan is het plan compensatie plichtig op grond van het wetenschapsbeleid. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. In alle gevallen moet het adequaat functioneren van de infiltratie- of bergingsvoorziening voor hemelwater zijn gewaarborgd. Gevolgen voor het plan – Er wordt een woning gebouwd met bijgebouwen en erfverharding. Er zal geen sprake zijn van een noemenswaardige toename in verhard oppervlak (woningen plus bijgebouwen ca. 200 m2). Daarmee wordt de grens van een toename van 500 m², die het waterschap stelt, niet overschreden. Bij de bouw van de woning worden infiltratiekratten aangelegd voor de opvang van regenwater waarmee het in de bodem kan infiltreren en het grondwater kan voeden. In totaal dient er volgens de voorwaarden van het waterschap 66,4 mm waterberging per m2 verhard en bebouwd oppervlak aangelegd te worden.

200 m2 x 66,4 mm = 12,8 m3 waterberging. Bij de toepassing van infiltratiekratten met een hoogte van 0,60 meter is een krattenveld van

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

31

21,33 m2 nodig. Deze ruimte is aanwezig in de achtertuin en wordt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning (bouwvergunning) verder uitgewerkt. Volgens het watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen, behorend bij het bestemmingsplan Huurlingsedam Fase 2, opgesteld door Sweco 23 november 2016, is de volgende ondergrond aanwezig rondom het plangebied. De Huurlingsedam 141 ligt in het zuidoostelijke deel waar op 0 tot 1,0 meter onder maaiveld pleistocene zand aanwezig is (paars omcirkeld in onderstaande afbeelding).

Bron: Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen, behorend bij het bestemmingsplan Huurlingsedam Fase 2, opgesteld door Sweco 23 november 2016 Volgens het uitgevoerde bodemonderzoek is er tot een diepte van 2,50 een gemengde grondslag aanwezig. Om zeker te zijn van voldoende infiltratiecapaciteit worden er twee grindpalen onder de aan te leggen infiltratiekratten aanbracht. Deze grindpalen worden aangebracht tot een diepte van 3,50 meter. Op deze diepte is een grove zandlaag aanwezig volgens het uitgevoerde bodemonderzoek. Een grove zandlaag heeft een kwaarde van 10 tot 100 meter per dag en daarmee voldoende infiltratiecapaciteit. De grindpalen krijgen een diameter van 315 mm en worden voorzien van een verticale drain van 80 mm welke doorgelegd wordt naar het reinigingspunt van de infiltratiekratten waarmee een goed te onderhouden systeem wordt gerealiseerd. Bij hevige regenbuien (extreme neerslag) stroomt het regenwater zodra de infiltratiekratten vol zijn via een overloop de tuin in waar het de grond in zakt (infiltreren). Deze achtertuin ligt lager als de nieuwe en de bestaande omliggende bebouwing en tuinen waardoor geen overlast/schade ontstaat

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

32

Het hemelwater wordt niet op de openbare riolering geloosd of naar een buurperceel afgevoerd. Er is op de percelen en in de bij het plan behorende groenstructuren voldoende ruimte om het regenwater op te vangen. Hiermee wordt voldaan aan de duurzame omgang met regenwater en de principes van hydraulisch neutraal ontwikkelen.

Waterkwaliteit Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar bodem of oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken wordt primair voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen, zoals omschreven in de Dubo-bepalingen, maar ook door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en andere verharde oppervlakken wordt alleen afgevoerd via een zuiverende voorziening, zoals een bodempassage. Afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Gevolgen voor het plan – Er worden geen uitlogende materialen toegepast waardoor het regenwater niet vervuild wordt. Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Daarmee heeft onderhavig plan geen negatief effect op de waterkwaliteit. Natte natuurwaarden Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar behoud van natuurwaarden en biodiversiteit. Natuurlijke grondwaterstanden worden behouden; de (natte) natuurwaarden sluiten hierop aan. Bouwplan en toekomstig beheer van de planlocatie geven geen verstoring van de vereiste (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit.

Bij aanleg van open water moet worden gestreefd naar aanleg van natuurvriendelijke (en veilige) oevers. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Gevolgen voor het plan - Het plangebied ligt niet in een beschermingszone voor (natte) natuur en er wordt geen open water aangelegd. De voorgenomen ontwikkeling draagt door de omschreven maatregelen in paragraaf 3.3 bij aan de ecologische waarde van de omgeving. Het plan heeft dan ook een positief effect op de lokale natuurwaarden. Het plan geeft ook geen verstoring aan de vereiste (grond)waterkwaliteit en kwantiteit doordat er hydrologisch neutraal gebouwd word. Beleving van water Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water. Cultuurhistorisch waardevolle watergebonden elementen zijn herkenbaar in het landschap aanwezig. Water en watergebonden elementen worden zo mogelijk gevisualiseerd. Gevolgen voor het plan - Binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied zijn geen watergangen of andere vormen van oppervlaktewater aanwezig. Ontwateringsdiepte Beleidsuitgangspunten - De ontwateringsdiepte heeft betrekking op de hoogte van de grondwaterstand ten opzichte van het aanleg peil van een nieuwe ontwikkeling.

Als de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) hoger ligt dan 1,30 m onder vloerpeil, 1,00 m onder straatpeil of 0,70 onder groen/tuinen, dan is er onvoldoende

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

33

ontwateringsdiepte en mag alleen een woonfunctie worden bestemd als het terrein voldoende wordt opgehoogd. Gevolgen voor het plan - Op basis van boringen en de aangetroffen grondwaterstanden, die in het kader van Huurlingsedam fase 2 zijn uitgevoerd, lijkt het grondwater op circa +5,70 m NAP aanwezig te zijn. Dit is circa 0,20 m boven het peil van het oppervlaktewater. De GHG vanuit het MORIA-model van waterschap Rivierenland is, naast de hoogteligging van het plangebied, mede bepalend voor de aanlegpeilen van wegen en woningen. Door het verschil in reliëf van het plangebied is ook het verschil in GHG groot. De GHG varieert in het gebied van +6,40 m NAP op de lage delen in het westen tot circa +7,30 m NAP op de hoge kop langs de Huurlingsedam. Richting het oosten loopt de GHG weer iets af naar +7,10 m NAP. In de regels van dit plan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geborgd dat het vloerpeil van de begane grond minstens 1,30 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 7,30 m NAP komt te liggen. Het huidige hoogte van de straat Huurlingsedam nabij de te ontwikkelen woning ligt op 8,25 meter. Op de locatie waar de woning gebouwd wordt is het huidige maaiveld ca. 8,45 m NAP. De woning wordt hier 0,15 meter boven gebouwd (vloerpeil van 8,60 m NAP) waarmee wordt voldaan aan de geadviseerde 1,30 meter ontwateringsdiepte.

Overleg met waterbeheerder Advies waterbeheerder - Voor alle ruimtelijke plannen geldt dat een digitale watertoets moet worden uitgevoerd door de initiatiefnemer (www.dewatertoets.nl). Dit resulteert in een wateradvies van het waterschap. Wanneer sprake is van een relevant waterschapsbelang, moet het wateradvies worden uitgewerkt in de waterparagraaf. In sommige gevallen is een nader overleg met de waterbeheerder noodzakelijk. Gevolgen voor het plan - Voor dit plan is er een digitale watertoets uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de watertoets en ingevoerde gegevens blijkt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het Waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met het in bijlage 3 automatisch gegeneerd wateradvies. CONCLUSIE Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

34

5.3 ECOLOGIE Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming - In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming - Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.

Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT ECOLOGIE Om het effect vanuit ecologie als gevolg van de realisatie van de nieuwe natuur inclusieve levensloopbestendige woning te kunnen bepalen, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is in bijlage 4 toegevoegd. De belangrijkste conclusies van het onderzoek is dat er in de landschappelijke inpassing aandacht voor de huismus dient te zijn. Om hier aan te voldoen worden de in paragraaf 3.3 omschreven maatregelen genomen. Deze maatregelen zijn ook opgenomen op het in bijlage 1 toegevoegde landschappelijke inpassing. De voorgenomen maatregelen dragen niet alleen bij aan de leefomgeving van de huismus maar ook aan het bredere flora en fauna aspect in de omgeving van het plangebied. Hiermee draagt dit planvoornemen bij aan de natuur en biodiversiteitsdoelstellingen van de gemeente Wijchen. Verder staan er in bijgevoegde Quickcan Flora en Fauna de volgende adviezen waar in de verdere realisatie van dit plan rekening mee wordt gehouden. -

Eventuele werkverlichting dient afgewend te worden van bestaande, bebouwingen en groenstructuren, dit om een vlieg-/ foerageerroute van vleermuizen niet nadelig te beïnvloeden.”

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

35

-

-

-

Wanneer buiten het broedseizoen (15 maart – 15 augustus) gewerkt wordt (bouwrijp maken van de kavel en het verwijderen van bebouwingen en beplantingen), kunnen geen negatieve effecten ontstaan. Voor deze soorten geldt tijdens de werkzaamheden ten allen tijde de zorgplicht.” Als er binnen het broedseizoen gewerkt wordt geldt: “Werken binnen- én buiten het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en nesten van algemene broedvogels. Indien er sloopwerkzaamheden plaats gaan vinden is voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van bezette nesten noodzakelijk. Voorafgaand aan de werkzaamheden kunnen eventuele aanwezige ongebruikte nesten worden verwijderd door een ecoloog. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of uitgesteld op aanwijzingen van de ecoloog.”

CONCLUSIE Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig plan.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

36

5.4 VERKEER EN PARKEREN

5.4.1 VERKEERSTROMEN Het plangebied ligt in het midden van de nieuwbouwwijk De Huurlingsedam. Bij de ontwikkeling van deze nieuwbouwwijk is uitgebreid onderzoek gedaan naar de invloeden van de ontwikkeling op de verkeersstromen. Door de ligging van het plangebied binnen deze nieuwbouwwijk is onderstaande conclusie zoals weergegeven in de toelichting in hoofdstuk 4 van het bestemmingsplan “Huurlingsedam, Fase 2 identificatienummer: NL.IMRO.0296.Huurlingsedamfase2-VG01” ook van toepassing op voorliggend bestemmingsplan. De mobiliteit binnen het plangebied wordt mogelijk gemaakt voor zowel auto als voet- en fiets verkeer. Vrijwel alle wegen en straten zijn voor alle verkeer toegankelijk. Op enkele uitzonderingen na zijn straten slechts toegankelijk voor voet- en fietsverkeer. Het plangebied is aan de oostzijde van Wijchen gesitueerd, globaal gelegen tussen de Zuiderdreef en de Graafseweg (N324). Beide wegen hebben een belangrijke functie in de externe (auto)ontsluiting van het plangebied. In oostelijke richting takt de tweede fase van Huurlingsedam aan op de Graafseweg, aan de westzijde sluit het plangebied ter plaatse van de Mulder aan op de Zuiderdreef. Voorgenoemde wegen hebben voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen als gevolg van de voorliggende ontwikkeling eenvoudig te verwerken.

Een nog aan te leggen weg verbindt de Zuiderdreef in de toekomst met de Graafseweg. Deze toekomstige weg heeft een belangrijke buurtontsluitende functie. Lange rechtstanden worden vermeden door knikken, buigingen of onderbrekingen in de route, waardoor de rijsnelheid wordt geremd. De Huurlingsedam vormt een fietsroute van oost naar west, die daarnaast fungeert als weg voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer. Een doorgaande route voor autoverkeer is daarom niet mogelijk. De Huurlingsedam sluit op 2 plaatsen aan op de nieuwe doorgaande weg ten noorden van het nieuwe woongebied, die de overgang naar het agrarische landschap markeert. Daarnaast komt de doorgaande verbinding van de Huurlingsedam naar de Oosterweg voor autoverkeer te vervallen (zie onderstaande afbeelding). Wel blijft er auto- en fietsverkeer mogelijk op de Oosterweg.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

37

De toekomstige woonstraten zijn dorps en informeel, bestaande uit één rijbaan met voornamelijk langsparkeren in vakken, en over het algemeen met trottoirs aan weerszijden. Door de toepassing van diverse dwarsstraten op de hoofdontsluitingsweg ontstaat een fijnmazig wegenstelsel, dat het plangebied voor fietsers en voetgangers met de Huurlingsedam verbindt. Voor fietsers en voetgangers is voorzien in een uitgebreid net van wegen en paden waardoor zij zich kris kras door het woongebied kunnen bewegen. Met name de Huurlingsedam is door een aantal doorgangen voor langzaam verkeer goed bereikbaar. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT VERKEE RSSTROMEN Het toevoegen van één woning levert dit een etmaalintensiteit van 8,6 motorvoertuigen op. Deze hoeveelheid is dusdanig beperkt in verhouding met de nieuwbouwwijk Huurlingsedam dat dit geen invloed heeft op de verkeerstromen in de omgeving van het plangebied. Onderstaand conclusie uit dit bestemmingsplan is dan ook van toepassing op de Huurlingsedam 141: •

Het aspect mobiliteit levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

5.4.2 PARKEREN Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen wordt aangesloten bij het ‘Parkeerbeleidsplan Gemeente Wijchen’ d.d. 10 mei 2016, dat op 16 juni 2016 in werking is getreden, of zijn wettelijke opvolger. Op grond van het parkeerbeleidsplan wordt bij nieuwe ontwikkelingen getoetst aan de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De bebouwde kom van Wijchen - waarbinnen het voorliggende plangebied is gelegen – is aangemerkt als ‘matig stedelijk’ gebied. De Huurlingsedam 141 ligt in de nieuwbouwwijk De Huurlingsedam Fase 2 en is gelegen aan de rand van Wijchen en behoort daarmee tot de ‘rest van de bebouwde kom’. Gelet op het voorgaande gelden de volgende (maximale) parkeernormen: •

Koop, vrijstaand: maximaal 2,6 parkeerplaatsen per woning * 1 woning = 2,6 → afgerond 3 plaatsen.

PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT VERKEERSSTROMEN Het plan voorziet in de aanleg van drie parkeerplaatsen op eigen terrein, zie de in bijlage 1 toegevoegde landschappelijke inpassing. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen voldoet daarmee aan de norm zoals vastgesteld in het Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen. Het aspect parkeren levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

38

5.5 CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE

5.5.1 ARCHEOLOGIE Wet op de archeologische monumentenzorg - In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Gemeente Wijchen - Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De gemeente heeft voor het eigen grondgebied beleid vastgesteld in de vorm van een 'archeologische beleidskaart'. Het plangebied heeft op deze kaart een 'hoge archeologische verwachtingswaarde'. Binnen deze bestemming dient een onderzoek uitgevoerd te worden indien graafwerkzaamheden plaats vinden met een groter oppervlak dan 60 meter. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT ARCHEOLOGIE Het plangebied is conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Wijchen gelegen in een zone waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt. In dit gebied dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 60m2. Voor het plangebied geldt dat in het verleden een tweetal relevante onderzoeken zijn uitgevoerd voor deze bestemmingsplanwijziging. Het eerste betreft een bureau- en booronderzoek van RAAP uit 2005, waarbij men ter hoogte van het plangebied een vindplaats (vindplaats 2) heeft gekarteerd. Het tweede onderzoek is een kleine 10 jaar later uitgevoerd door BAAC. Dit betrof een archeologisch proefsleuvenonderzoek.

Hoewel tijdens deze onderzoeken niet gegraven is binnen het onderhavige plangebied, hebben ze wel aangetoond dat binnen vindplaats 2 geen behoudenswaardige resten aanwezig zijn. Hiermee is het plangebied afdoende onderzocht en is aanvullend onderzoek in het kader van de bestemmingsplanwijziging of een latere vergunningprocedure niet nodig en kan de dubbelbestemming archeologie van het plangebied verwijderd worden. Wel blijft te allen tijde de archeologische meldplicht van kracht. CONCLUSIE Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect archeologie.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

39

5.5.2 CULTUURHISTORIE Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) - In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren. 1. 2. 3. 4. 5.

Werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; Eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; Levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; En wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland - De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio’s te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT CULTUURHISTORIE Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied zijn niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

40

5.6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van één woningen.

Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro. De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig. 5.7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuurs- recht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure). Omgevingsdialoog - In het kader van het maatschappelijk draagvlak voor de voorgenomen ontwikkeling heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de direct omwonenden. Hieruit zijn geen belemmeringen of weerstand gekomen. Vooroverleg - Conform ex artikel 3.1.1.

van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voor- bereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan - Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure. Eventuele aanpassingen die volgen uit de overlegreacties worden te zijner tijd verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Indien nodig worden er ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Het ontwerp van dit bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in de Staatscourant, het plaatselijke weekblad en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

41

over het ontwerp van het ruimtelijke besluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan. Vaststelling door de gemeenteraad - Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan - Het besluit tot vaststelling van de gemeenteraad wordt vervolgens gepubliceerd en voor een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegd. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de be- roepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.

6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.1 ALGEMEEN Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. VERBEELDING De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. REGELS De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd: • • • •

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

42

6.2 WIJZE VAN BESTEMMEN Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen. Wonen - Het hele plangebied krijgt de enkelbestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming mogen maximaal twee woningen met de daarbij horende erven, tuinen en voetpaden gebouwd worden. Het bouwen van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is zowel binnen als buiten de bouwvlakken achter de voorgevellijn mogelijk binnen deze bestemming. De relevante hoogtes zijn door middel van matrices op de verbeelding aangeduid en aangepast aan de bestaande en de te realiseren goot- en bouwhoogtes. Voor wat betreft gebruiksmogelijkheden is van belang dat aan huis verbonden beroepen onder de genoemde voorwaarden rechtstreeks zijn toegestaan. De bouwmogelijkheden sluiten aan bij de planologische regeling welke opgenomen is in het geldende bestemmingsplan van het aansluitende gebied. Tevens zijn ter afweging van het college van burgemeester en wethouders een aantal binnenplanse afwijkingsbevoegdheden binnen de woonbestemming opgenomen om juridisch-planologisch de mogelijkheid te bieden in de toekomst in te spelen op veranderde omstandigheden. Aanduiding levensloopbestendige woning - Voor de nieuw te bouwen levensloopbestendige woning is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’ van toepassing. Hier is uitsluitend de bouw van een levensloopbestendige woningen toegestaan.

BESTEMMINGSPLAN HUURLINGSEDAM 141 TE WIJCHEN – TOELICHTING

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=7b20367e-5177-413d-83f4-e55c9131cab6