CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2: QenA planMER RES

Raad openbaar Wijchen 1 februari 2024, gemeente wijchenBij agendapunt: 129638 beslisnota raad Onderzoek naar een gedragen visie op wind- en zonne-energie in Wijchen3.167 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Veel gestelde vragen planMER RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen PlanMER proces Wat is een m.e.r./MER? M.e.r. staat voor milieu effect rapportage en is de gebruikelijke term voor het proces om te komen tot deze rapportage. Het rapport zelf wordt aangeduid met hoofdletters: MER. In een m.e.r. worden de milieueffecten van een plan of project in beeld gebracht. Denk bijvoorbeeld aan geluid en veiligheid, maar ook aan landschap en natuur. Een planMER onderzoekt milieueffecten op hoofdlijnen; zoals in dit geval op regioniveau. Een projectMER onderzoekt milieueffecten op detailniveau, namelijk per project. Via een MER krijgen milieueffecten een volwaardige plek bij het nemen van een besluit over een plan of project. Waarom hebben de regionale overheden een planMER RES opgesteld? In de RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen werken 16 gemeenten, de provincie, drie waterschappen en netbeheerder Liander samen aan de ontwikkeling van een duurzaam energiesysteem via de Regionale Energie Strategie (RES). In de RES staat hoe we in onze regio van fossiele energie overschakelen op duurzame elektriciteit en duurzame warmte. Ook staat in de RES welke infrastructuur en opslag daarvoor nodig zijn. In de eerste versie van de RES (RES 1.0) hebben we afgesproken om in 2030 tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteit op te wekken.

De volgende stap is het realiseren van de afspraken uit de RES 1.0 en het vertalen van de RES naar omgevingsbeleid. Hiervoor is een Milieueffectrapportage (planMER) nodig. Dit onderzoek laat zien welke milieueffecten plaatsvinden wanneer de beoogde duurzame opwek uit het RES 1.0 wordt gerealiseerd. Zo wordt duidelijk welke locaties voor duurzame energie opwek geschikt, geschikt te maken of ongeschikt zijn. De RES 1.0 vormt de basis voor de millieueffectrapportage. Wat gaan we met deze informatie doen? Het resultaat van het onderzoek komt in een rapport, de planMER. Dit rapport is geen besluit. Het is aan de colleges, gemeenteraden, provinciale staten en besturen om af te wegen wat zij met de uitkomsten van dit onderzoek doen in de besluiten die zij nemen. Met de uitkomsten van het onderzoek kunnen zij de RES 1.0 aanscherpen en verrijken. Ook kan het planMER dienen als fundament voor het vastleggen van de RES 1.0 in gemeentelijke omgevingsvisies en -plannen. Daarmee zorgen we voor nieuwe energie van, voor en door de regio. Is het verplicht om een planMER op te stellen? Voor het opstellen van de RES 1.0 was een planMER niet verplicht. Binnenkort stappen we in Nederland echter over op nieuwe wetgeving voor ons ruimtelijke beleid: de Omgevingswet. In de Omgevingswet geldt de RES als een programma. Dat programma is mer-plichtig. Wie heeft het planMER opgesteld?

De 16 gemeenten en provincie Gelderland zijn allemaal bevoegd gezag voor het planMER. Het planMER zelf is opgesteld door een onderzoeksbureau. Wie heeft de uitgangspunten van dit planMER bepaald? Er is iets meer dan een jaar gewerkt aan dit milieueffectonderzoek. Gemeenten en provincie hebben in de zomer van 2022 allereerst een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) laten opstellen. In dit NRD stonden de belangrijkste kaders en uitgangspunten voor het planMER beschreven. Die kaders en uitgangspunten zijn opgesteld in een zestal bijeenkomsten. Drie bijeenkomsten met een afvaardiging van de zestien gemeenten en de provincie en drie bijeenkomsten met regionaal georganiseerde belanghebbenden. Een lijst met de uitgenodigde partijen is te vinden in de bijlage. De NRD zelf heeft in het najaar van 2022 voor zienswijzen ter inzage gelegen bij de zestien gemeenten en de provincie. Eenieder heeft toen tien weken de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen op de kaders en uitgangspunten van het planMER. Gemeenteraden, waterschappen en omringende regio’s zijn expliciet gevraagd om een zienswijze op de NRD. Daarnaast is de Commissie m.e.r. gevraagd om advies uit te brengen op de NRD. In de eerste weken van 2023 zijn alle 43 zienswijzen beantwoord. In totaal zijn daarmee 311 vragen, suggesties en opmerkingen vertaald naar een nota met wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Op basis van de NRD, de Nota Wijzigingen en het advies van de Commissie m.e.r. is het milieueffectonderzoek uitgevoerd en het planMER opgesteld. Wie zijn Regionale belanghebbenden? Regionaal georganiseerde partijen die met hun belang verbonden zijn aan de RES worden beschouwd als Regionale Belanghebbenden. Zij zijn actief in onze regio en vertegenwoordigen een regionale of landelijke achterban. De planMER is een onderzoek op regioniveau, daarom zijn regionale stakeholders uitgenodigd om deel te nemen in de dialogen om de planMER te vormen. Een lijst met de uitgenodigde partijen is te vinden in de bijlage. Welke rol heeft de regio hierin en welke rol hebben we als gemeente? In de RES werken we samen. Maar kijken ook slim naar wie waarvoor aan de lat staat. Zo kennen we het uitgangspunt uit de RES 1.0 ‘Lokale autonomie waar dat kan en benutten van de kracht van de regio waar dat moet’. Zo ook op gebied van participatie. Participatie over lokale gemeentelijke plannen vindt daarom lokaal plaats, waarbij lokale belanghebbenden worden betrokken. Participatie over regionale plannen vindt regionaal plaats waarbij regionale belanghebbenden worden betrokken.

Regionale Energiestrategie (RES) Wat is een regionale energiestrategie? In Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen werken 16 gemeenten, de provincie, 3 waterschappen en netbeheerder Liander samen aan duurzame energie met een Regionale Energie Strategie (RES). In de RES staat hoe we in onze regio van fossiele energie overschakelen op duurzame elektriciteit en duurzame warmte. Ook staat in de RES welke infrastructuur en opslag daarvoor nodig zijn.

De energietransitie is een grote opgave. Daarom is de RES een meerjarig traject. We zijn in 2019 gestart met de RES 1.0. Deze is in 2021 door alle gemeenteraden, provincie en waterschappen vastgesteld. Op dit moment werken we aan de RES 2.0. In de RES 1.0 hebben we afgesproken om in 2030 tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteit op te wekken binnen de regio. Dat doen we met zon op dak, met al gerealiseerde en vergunde projecten en met duurzame projecten in zoekgebieden. Voor een betere balans tussen windenergie en zonneenergie op het elektriciteitsnet is vanuit de RES 1.0 de opdracht meegegeven om het aandeel windenergie te vergroten richting de RES 2.0. Wordt de keuze voor zoekgebieden in de RES 1.0 opnieuw gedaan door dit planMER? Nee. De zoekgebieden en het bij behorende RES bod van 1,62 TWh vormen de uitgangsposities van het planMER. Het planMER wordt uitgevoerd voor de gehele regio. Het is mogelijk dat er naar aanleiding van de uitkomsten in het planMER, vanuit milieuaspecten interessante gebieden naar voren komen die niet in de RES 1.0 staan. Dat wil niet zeggen dat deze gebieden dan worden opgenomen in de RES 2.0. Milieuaspecten vormen immers maar één onderdeel in de complexe ruimtelijke afweging. Het is aan de colleges, gemeenteraden, provinciale staten en besturen om af te wegen wat zij met de uitkomsten van het planMER doen in de besluiten die zij nemen.

PlanMER RES Groene Metropoolregio Arnhem - Nijmegen Welke vraag staat centraal in het planMER? De vraag die in het planMER is beantwoord luidt: “Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteitsambitie, regionale warmtebronnen en de benodigde energie-infrastructuur binnen de Groene Metropoolregio, en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van drie thematische alternatieven?” Daarbij is het goed om te weten dat het aandeel zon-op-dak – wat 0,49 van de 1,62 TWh vertegenwoordigd – niet in het planMER wordt getoetst op milieueffecten, omdat die niet of nauwelijks van toepassing zijn voor de plaatsing van zonnepanelen op (bedrijfs)daken. Hoe komen de afspraken uit de RES 1.0 terug in het planMER? In het planMER zijn de mogelijkheden voor wind- en zonprojecten in de gehele regio onderzocht. De zoekgebieden voor wind en zon uit de RES 1.0 zijn in het planMER opgenomen als het basisalternatief. We onderzoeken daarmee de zoekgebieden van de RES 1.0 op milieueffecten. Het planMER kijkt vervolgens breder, naar de hele regio en verdiept die analyses door binnen de regio drie thematische alternatieven te onderzoeken: natuur, landschap en leefomgeving.

Wat zijn de alternatieven natuur, landschap en leefomgeving en waarom die? Naast gebieden waar harde milieubelemmeringen gelden en gebieden waar geen milieubelemmeringen gelden, zijn er gebieden met zachte milieubelemmeringen. Hier zijn grootschalige zon- en windenergieprojecten mogelijk, maar niet vanzelfsprekend. Door binnen de regio de ontwikkeling van energie te koppelen aan andere waarden, zoals natuur, landschap of leefomgeving, onderzoeken we een aantal alternatieven om het doel van 1,62 TWh energieopwek in 2030 te behalen. Deze alternatieven vormen een soort ‘hoeken van het speelveld’. Het voorstel voor deze drie alternatieven is tot stand gekomen door inbreng vanuit de zestien gemeenten, de provincie en regionale belanghebbenden. Worden in het planMER ook andere onderzoeken meegenomen? De planMER van de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen wordt uitgevoerd voor het gehele RES gebied. Tegelijkertijd worden er ook andere MER’en uitgevoerd. Sommigen op projectniveau,

sommigen voor omgevingsvisies of andere gemeentelijke plannen en een aantal ook op provinciaal niveau. Het gaat onder andere om MER’en omtrent de Wespendief op de Veluwe, herijking van de provinciale Windvisie en lokale MER’en omtrent de ontwikkelingen van zonne- en windenergieprojecten. We werken hierin zoveel mogelijk samen en proberen zo dubbel werk te voorkomen. De onderzoeksresultaten van de andere MER’en worden gebruikt om de planMER van de RES aan te vullen en vice versa. Worden zonnethermie, energieopslag en -conversie onderzocht in het planMER? Ja en nee. Zonnethermie wordt niet expliciet onderzocht, maar kent min of meer dezelfde milieuaspecten als een zonneveld, dat wel wordt onderzocht. Energieopslag en -conversie worden niet meegenomen in het planMER omdat de milieueffecten te lokaal zijn voor een planMER. Waarom wordt waterkracht niet onderzocht in het planMER? In de RES 1.0 is 0,04 TWh uit waterkracht voorzien. De ontwikkeling van waterkracht kent aanzienlijke milieueffecten, bijvoorbeeld rond vissterfte. Tegelijkertijd zijn die milieueffecten zeer projectgebonden. Het detailniveau van het planMER leent zich daardoor niet voor een milieuanalyse van waterkracht. Deze milieuanalyse kan wel plaatsvinden als zich een project voor waterkracht aandient (projectMER).

Welk detailniveau heeft de warmte-analyse in het planMER? De warmte-analyse is een analyse op hoofdlijnen voor de warmtebronnen geothermie, aquathermie, WKO’s en biomassa. Qua eindbeeld leidt dit tot kaarten die in lijn liggen met de milieubelemmeringenkaarten voor wind en zon, maar op een hoger abstractieniveau. Rond milieuaspecten van warmtebronnen bestaat nog veel leemte aan kennis. Daarnaast zijn de milieueffecten van warmtebronnen vaak erg lokaal, waardoor een verdiepende analyse moet plaatsvinden op projectniveau (projectMER). Waarom worden in het planMER geen mogelijkheden voor solitaire windturbines onderzocht? In de RES 1.0 is afgesproken om windprojecten zoveel mogelijk in clusters te ontwikkelen. Solitaire windturbines leiden immers tot versplintering in het landschap. Wel zien we in de regio een aantal windprojecten van twee turbines. We sluiten daarom aan bij deze ontwikkelingen van twee turbines of meer. Dit ligt bovendien in lijn liggen met het provinciale beleid. Hoe zit het met solitaire windturbines als uitbreiding op een bestaand windpark? Solitaire windturbines als uitbreiding bij een bestaand windpark onderzoeken we wél. In dat geval is er namelijk geen sprake van versplintering in het landschap. In feite speelt de analyse hier al op in.

Die geeft namelijk vanuit milieuaspecten de mogelijkheden weer voor de inpassing van twee windturbines of meer, ongeacht het feit of er op een locatie al een windpark is ontwikkeld. Bestaande windparken worden daarmee automatisch geïdentificeerd als mogelijke locaties voor de plaatsing van windturbines. Waarom wordt gesproken over een bandbreedte van 3,6 MW tot 7,0 MW windturbines? Op dit moment zijn 3,6 MW windturbines de kleinste turbines waarvoor SDE-subsidie beschikbaar is. Daarmee vormen ze een realistische ‘onderkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Daar tegenover staan relatief grote turbines van 7,0 MW die op dit moment op land worden ontwikkeld. Zij vormen dus een realistische ‘bovenkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Omdat we benieuwd zijn naar de mogelijkheden voor zowel de kleine- (zeer stille) windturbines, als de grote (wat luidere) turbines, zijn beide typen windmolens onderzocht als bandbreedte. Daarmee krijgen we beide uitersten in beeld, waardoor we automatisch ook een beeld krijgen van de mogelijkheden voor turbines die binnen deze bandbreedte vallen. In het planMER zie ik 120 meter en 166 meter windturbines terug, wat houdt dat precies in?

Het gaat dan om de ashoogte van de onderzochte windturbines. De 3,6 MW windturbines die zijn onderzocht hebben een ashoogte van 120 meter, de 7,0 MW windturbines die zijn onderzocht hebben een ashoogte van 166 meter. Hoe wordt omgegaan met de overbruggingsregeling voor geluid/slagschaduw/veiligheid van wind? Door het Nevele-arrest zijn de Nederlandse normen voor geluid/slagschaduw/veiligheid van windprojecten, zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit, op dit moment buiten werking. In de komende tijd wordt hierop nieuw beleid verwacht. De kans is groot dat dezelfde normen dan opnieuw in werking treden, maar zeker weten we dat nog niet. We kiezen ervoor om aan te blijven sluiten bij de normen zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit en geen andere of nieuwe normen te introduceren. Voor andere of nieuwe normen bestaat namelijk geen juridische basis. Wel hanteren we in het alternatief ‘Leefomgeving’ een strengere geluidsnorm, om zo te zien welke impact dit heeft op de mogelijkheden voor windprojecten binnen de regio. Ook vragen we de commissie m.e.r. expliciet om advies op de vraag hoe om te gaan met deze overbruggingsregeling.

Waarom wordt de 1 km-Wespendiefzone rond de Veluwe gezien als harde belemmering voor wind? In het planMER is de 1 kilometer zone rond de Veluwe aangemerkt als harde belemmering, omdat de ontwikkeling van windenergie hier vanwege de wespendief de komende jaren praktisch onmogelijk is. De 1 tot 8 kilometer zone rond de Veluwe is in het planMER aangemerkt als zachte belemmering, omdat de ontwikkeling van windenergie hier ondanks de wespendief onder voorwaarden in de komende jaren mogelijk kan worden. Waarom worden weidevogelgebieden gezien als harde milieubelemmering voor zowel zon als wind? Het is slecht gesteld met de stand van weidevogels in Nederland. De overheid heeft daarnaast een zorgplicht voor weidevogels, waar in lokaal- en regionaal beleid ook niet van kan worden afgeweken. Dit betekent dat de ontwikkeling van zowel zon- als windprojecten juridisch niet mogelijk is in weidevogelgebieden. Deze gebieden worden daarom opgenomen als harde milieubelemmering. Waarom worden wintergansrustgebieden, het Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000 gebieden gezien als zachte milieubelemmeringen? In al deze gebieden geldt dat de ontwikkeling van zon- en windprojecten onder voorwaarden mogelijk is. In veel gevallen gaat het om lokaal en regionaal beleid waarvan kan worden afgeweken, of waar mitigerende maatregelen kunnen worden genomen.

Er gelden dus milieubelemmeringen, maar de ontwikkeling van zon- en windprojecten is niet onmogelijk. Deze gebieden worden daarom opgenomen als zachte milieubelemmeringen.

Geschiktheidskaart vanuit milieueffecten voor windturbines met een ashoogte van 120 m

De kaart hierboven gaat over de geschiktheid voor windturbines, maar wat zie ik hier precies? De dikke zwarte lijn geeft de regiogrens aan. Daarbuiten is geen onderzoek gedaan, vandaar dat er alleen gekleurde vlakken binnen de regio zijn. Daarbij geeft de kaart een samenvatting van de milieueffecten weer. Alle transparante en grijze gebieden op de kaart zijn milieutechnisch niet geschikt voor de ontwikkeling van twee windturbines of meer. De gele en groene vlakken op deze kaart geven de gebieden aan die milieutechnisch geschikt zijn, of geschikt te maken zijn voor de ontwikkeling van twee windturbines of meer. Wat is het verschil tussen die geschikte groene gebieden en de geschikt te maken gele gebieden? Voor de groene gebieden geldt dat er bijna geen milieutechnische belemmeringen zijn om twee windturbines of meer te ontwikkelen. Wel kunnen hier aandachtspunten zijn, zoals effecten op bepaalde diersoorten of enige invloed op radar- en luchtvaartgebieden. Voor de gele gebieden geldt dat er weliswaar negatieve milieueffecten kunnen optreden, maar dat ook deze gebieden goede mogelijkheden bieden voor de ontwikkeling van twee windturbines of meer. Bij negatieve milieueffecten kun je in de gele gebieden denken aan effecten op Natura 2000 gebieden of invloed op landschapstypen- en structuren.

Die negatieve effecten zijn vaak goed te neutraliseren, maar daarvoor is in alle gevallen extra onderzoek nodig op locatieniveau: een projectMER of passende beoordeling. Wat betekenen de twee groene lijnen op de kaart? In de kaart is een groene lijn rond de Veluwe te zien en een groene stippellijn door het middengebied van de regio. Deze lijnen geven het leefgebied van de wespendief weer. Ten noorden van de groene lijn rond de Veluwe is het de komende jaren niet mogelijk om windturbines te ontwikkelen. Vandaar dat er geen groene of gele vlakken ten noorden van deze lijn zijn. In de zone tussen de groene lijn en de groene stippellijn kan de ontwikkeling van windturbines in de komende jaren weer mogelijk worden, hier zijn dus groene en gele gebieden zichtbaar.

Mijn woonomgeving is mogelijk geschikt voor windenergie, komen er nu windturbines? Het planMER heeft enkel de milieueffecten van windenergie binnen de regio onderzocht. Daar komen gebieden uit die mogelijk geschikt zijn voor twee windturbines of meer. Maar dat betekent niet dat in al deze gebieden windturbines worden gerealiseerd. Als de gemeente in of om dit gebied andere plannen heeft, dan kunnen die voorrang krijgen. Bijvoorbeeld voor toekomstige woningbouw of natuurontwikkeling. Mijn woonomgeving valt in ongeschikt gebied voor windenergie, komen er nu geen windturbines? De kans dat er dan windturbines in uw woonomgeving worden ontwikkeld is klein, maar niet helemaal uitgesloten. In het planMER zijn gebieden onderzocht voor de ontwikkeling van twee windturbines of meer. Op lokaal niveau kunnen de mogelijkheden in de praktijk groter zijn. Bijvoorbeeld als binnen een windplan molenaarswoningen worden opgenomen. Ook kunnen gemeenten medewerking verlenen aan solitaire windturbines of juist aan een aantal kleinere windturbines. Daarvoor zijn de mogelijkheden in dit planMER niet onderzocht.

Bijlage: lijst met betrokken regionale belanghebbenden Type organisatie Agrarisch Agrarische Collectieven (Agrarisch Natuur Beheer ANB) (N)LTO (Z)LTO Greenport Gelderland Organisatie arg. bedrijven en platteland NEXTgarden Glastuinbouw Cultuurlandschap Gelders genootschap Gelders Landschap en kastelen Het Geldersch Landschap Stichting Landschapsbeheer Gelderland Vereniging Nederlandse cultuurlandschappen Natuur Faunabeheereenheid Natuur en Milieu Gelderland Hall van Larenstein (voormalig: Kennis Centrum Natuur en Leefomgeving) Natuurmonumenten SBNL/Natuurlijk Platteland Oost Sovon Staatsbosbeheer ARK Natuurontwikkeling Bosgroep Grondeigenaar Gelders particulier grondbezit Nationaal Park de Hoge Veluwe Ontwikkeling Vertegenwoording van energiecoöperaties Innofase Vertegenwoordiging van ontwikkelaars zon Vertegenwoordiging van ontwikkelaars van wind-zon (NWEA) Belangenvereniging voor omwonenden windturbines ProRail Rijkswaterstaat Overig Gelderse vereniging dorpshuizen en kleine kernen Toerisme Veluwe Arnhem Nijmegen (TVAN) Leisure lands (recreatie) ODRN (omgevingsdienst) VNO-NCW VGGM (gezondheid) GGD zuid Veiligheidsregio Gelderland Zuid TenneT Vitens (drinkwater) Liander JongRES Tegenwind Leefbaarheidsalliantie Gelderland Gelders Energieakkoord

Uitnodiging ontvangen

x x x x x x x x x x x x x x

Deelgenomen aan dialogen

x

x

x x x

x x

x x x x x x

x

x x

x

x x x x x x x

x

x x x x x x x x x x x x x x x

x x

x x x

x

x

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=df027648-0859-44b4-85f6-6dbee3896595