Bijlage 2 - Onderzoeksrapport Gezondheidsraad Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: Deel II
Tekst van het document
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II Gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen en mogelijkheden voor beperking gezondheidsrisico’s Aan: de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Landbouw, Veehouderij, Visserij en Natuur (LVVN) Nr. 2025/20, Den Haag, 8 december 2025
2
Inhoud
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 2 van 34
inhoud Samenvatting3 01 Inleiding6 1.1
Aanleiding en adviesaanvraag
6
1.2
Deeladvies I in een notendop
7
1.3
Commissie en werkwijze
9
1.4
Leeswijzer
9
04 Mogelijkheden voor beperken gezondheidsrisico
25
4.1
Emissiereductie
25
4.2
Afstand tot gevoelige bestemmingen
25
4.3
Monitoring en onderzoek
26
05 Advies
27
Literatuur30 02 Bron en blootstelling nader beschouwd
10
2.1
Stalsysteem en stalmanagement
10
2.2
Aantal bedrijven en geiten
12
2.3
Blootstellingsroute
13
03 Aard en omvang gezondheidseffect
14
3.1
Aard en ernst van longontstekingen
14
3.2
Gevoelige groepen
15
3.3
Omvang gezondheidseffect
16
3.4
Gezondheidsimpact in breder perspectief
21
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
Commissie en geraadpleegd deskundigen
2
33
Samenvatting
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 3 van 34
samenvatting Naar aanleiding van de resultaten van het recentste onderzoek naar
stellingen in de omgeving aan onder meer algemeen voorkomende
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-III) heeft de minister van
micro-organismen, fijnstof en endotoxinen. Dat zou bij omwonenden
VWS, mede namens de minister van LVVN, de Gezondheidsraad om
kunnen zorgen voor (gevoeligheid voor) het krijgen van een long
advies gevraagd over de mogelijke gezondheidseffecten van wonen in de
ontsteking.
buurt van een geitenhouderij. In 2018 concludeerde de Gezondheidsraad op basis van de toenmalige stand van de wetenschap dat er aanwijzingen
De vaststelling dat er waarschijnlijk sprake is van een oorzakelijk
waren voor een oorzakelijk verband tussen wonen in de nabijheid van
verband vormt volgens de commissie voldoende aanleiding voor de
geitenhouderijen en longontstekingen, maar dat de gegevensbasis op dat
overheid om op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen te nemen
moment beperkt was. De commissie Veehouderij en gezondheid van de
om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te
Gezondheidsraad heeft opnieuw de stand van de wetenschap in kaart
beperken. De aard en de omvang van de gezondheidseffecten zullen
gebracht.
mede b epalend zijn voor de evenredigheid van die maatregelen.
Deel I: waarschijnlijk oorzakelijk verband
Deel II: Aanknopingspunten voor beperking gezondheidsrisico’s
In het 1e deeladvies dat op 3 juli 2025 is gepubliceerd concludeert de
Om tot mogelijke aangrijpingspunten te komen voor het terugdringen van
commissie dat het verband tussen wonen in de nabijheid van geiten
de gezondheidsrisico’s gaat de commissie in deel II dieper in op factoren
houderijen en longontstekingen waarschijnlijk oorzakelijk is. De commissie
die van invloed zijn op het risico op longontsteking bij omwonenden van
acht het aannemelijk dat er niet 1 specifieke ziekteverwekker
geitenhouderijen en op de aard en omvang van de gezondheidseffecten.
verantwoordelijk is voor het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen, maar dat er sprake is van een
Aanzienlijk hoger gezondheidsrisico voor omwonenden
samenspel van factoren (multicausaliteit). Hierbij leiden het stalsysteem
Een brede beschouwing van de gezondheidsimpact van wonen in de
en het stalmanagement van geitenhouderijen mogelijk tot (piek)bloot
nabijheid van geitenhouderijen onderstreept volgens de commissie de
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
Samenvatting
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 4 van 34
noodzaak tot het nemen van maatregelen om de gezondheid van
Terugdringen van blootstelling: uitstoot reduceren en minimale
omwonenden van geitenhouderijen te beschermen. Bij het beoordelen
afstand
van de gezondheidsimpact kijkt de commissie niet alleen naar hoeveel
Volgens de commissie is het aannemelijk dat longontstekingen in de buurt
extra gevallen van longontsteking er gemiddeld jaarlijks optreden bij
van geitenhouderijen worden veroorzaakt door een samenspel van
mensen in Nederland door wonen in de nabijheid van een geitenhouderij.
verschillende factoren (multicausaliteit). De emissies die daarbij een rol
Dat zijn naar schatting 841 gevallen binnen een woonafstand van 1 kilo-
spelen zijn wel in beeld, maar met name over de precieze blootstellings-
meter.
routes is nog onduidelijkheid. Daarom zijn het terugdringen van de
De commissie kijkt met name ook naar het individuele risico: hoeveel
emissie (uitstoot) van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit
groter is de kans om longontsteking te krijgen voor iemand die dichtbij een
geitenhouderijen en van de uiteindelijke blootstelling van omwonenden
geitenhouderij woont vergeleken met het risico op een longontsteking als
aan deze emissies volgens de commissie de meest aangewezen
er geen geitenhouderij in de buurt zou zijn. Binnen een woonafstand van
manieren om gezondheidsrisico’s te beperken. Blootstelling aan emissies
500 meter is dat risico gemiddeld 73% hoger, binnen een woonafstand
kan verminderd worden door een minimale afstand aan te houden tussen
van 1 kilometer 19%. Dat is aanzienlijk vergeleken met het gezondheids
geitenhouderijen enerzijds en woningen en andere gebouwen en locaties
risico van blootstelling aan luchtverontreiniging en andere milieu
waar mensen langdurig verblijven of een groot deel van de dag door-
gezondheidsrisico’s.
brengen anderzijds.
Groepen die over het algemeen gevoeliger zijn voor het krijgen van een
In de geitenhouderij worden meestal potstallen met natuurlijke ventilatie
longontsteking en een ernstiger verloop daarvan zijn onder andere jonge
gebruikt. De commissie verwacht dat het stalsysteem van invloed is op de
kinderen, ouderen en mensen met onderliggend lijden. Er zijn geen
emissies. Datzelfde geldt voor het stalmanagement: de frequentie en
aanwijzingen dat de aard en ernst van longontstekingen bij omwonenden
wijze van bijstrooien en uitmesten, de wijze van ventileren en behandelen
van geitenhouderijen verschillen van longontstekingen door andere
van de stallucht, en de wijze waarop mest wordt opgeslagen en toegepast
oorzaken.
kan allemaal van invloed zijn op de emissies. Er is momenteel echter geen inzicht in het precieze effect van het stalsysteem en stalmanagement op de emissie van de verschillende componenten uit geitenhouderijen en in de
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
Samenvatting
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 5 van 34
effectiviteit van maatregelen die daarop gericht zijn. Ook is er
Besluitvorming over maatregelen
onvoldoende kennis beschikbaar over de samenstelling, verspreiding,
Welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is,
blootstelling en blootstelling-effect relaties van de verschillende
welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt
componenten in de emissies. De commissie kan daarom niet inschatten in
beschouwd en hoe belangen van alle betrokkenen daarbij worden
welke mate specifieke emissiereducerende maatregelen het gezondheids-
meegewogen is een politiek-bestuurlijke afweging. Er is niet een maatlat
risico voor omwonenden verminderen.
waarlangs alle omgevingsrisico’s b eoordeeld kunnen worden. Bij de besluitvorming over maatregelen adviseert de commissie dat de
Afstandsnormen verlagen het gezondheidsrisico voor omwonenden en
Rijksoverheid, provincies en gemeenten de systematiek van het
(gevoelige) groepen die langdurig in de omgeving van geitenhouderijen
Beoordelingskader Gezondheid en Milieu voor veehouderijen gebruiken.
verblijven, en zijn zeker aangewezen zo lang niet duidelijk is of uitstoot-
Naast vragen over aard en omvang van het gezondheidseffect zijn daarin
verminderende maatregelen afdoende zijn. Bij een voorgenomen nieuw-
ook vragen over de waardering van het gezondheidseffect opgenomen.
vestiging van een geitenhouderij en bij een voorgenomen realisering van
Ook bevat het beoordelingskader vragen over de effectiviteit, kosten en
woningen en andere gevoelige bestemmingen adviseert de commissie uit
baten van mogelijke maatregelen. De commissie adviseert daarbij de
voorzorg ten minste een afstand van 1 kilometer aan te houden.
maatregelen die zij in dit deeladvies uit gezondheidskundig oogpunt
Voor bestaande situaties kan ingezet worden op emissiereductie om het
voorstelt als uitgangspunt te nemen en het effect van de maatregelen te
risico op longontstekingen terug te dringen. Daarnaast kan bij wijziging
monitoren.
van bestaande situaties een beperking van de omvang van geiten houderijen mogelijk bijdragen aan het terugdringen van het gezondheidsrisico. Daarbij verdienen situaties waarbij meerdere geitenhouderijen aanwezig zijn binnen een afstand van 1 kilometer van gevoelige bestemmingen bijzondere aandacht. Concrete grenswaarden voor het aantal bedrijven en het aantal geiten per bedrijf zijn echter niet aan te duiden op basis van de beschikbare informatie.
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 01 | Inleiding
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 6 van 34
01 inleiding
sindsdien aanvullende onderzoeken uitgevoerd door het VGO-consortium, waarin onder andere de epidemiologische analyses van huisartsgegevens
1.1
Aanleiding en adviesaanvraag
over longontstekingen werden uitgebreid met gegevens uit recentere
De Gezondheidsraad bracht in 20121 en 20182 advies uit over de gezond-
jaren, vergelijkbare analyses in een 2e onderzoeksgebied zijn gedaan, en
heidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen. De aanleiding daar-
gezocht werd naar de onderliggende biologische oorzaak van de long
voor waren het IVG-onderzoek (Intensieve Veehouderij en Gezondheid)
ontstekingen. Het eindrapport van deze VGO-III onderzoeken werd op 4
en de vervolgonderzoeken onder de noemer VGO (Veehouderij en
februari 2025 gepubliceerd.3
Gezondheid Omwonenden). In het advies van 2018 gaf de Gezondheidsraad aan dat er in de wetenschappelijke literatuur duidelijke aanwijzingen
Na publicatie van het VGO-III eindrapport heeft de minister van
waren voor gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen.
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), mede namens de minister van
Uit de toen beschikbare onderzoeken kwam naar voren dat er een associ-
Landbouw, Veehouderij, Visserij en Natuur (LVVN), de Gezondheidsraad
atie bestond tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en het
gevraagd het advies uit 2018 te actualiseren op basis van alle op dit
optreden van longontstekingen. De Gezondheidsraad concludeerde
moment beschikbare gegevens. De Gezondheidsraad heeft de beant-
echter ook dat de gegevensbasis op dat moment beperkt was. Er zijn
woording van de adviesvraag opgesplitst in 2 delen. In figuur 1 staat een
Deeladvies I
Deeladvies II
Bewijskracht van wetenschappelijke informatie
Oordeel over oorzakelijkheid
Karakterisering van gezondheidsimpact
Handelingsopties voor vertaling naar beleid
Over het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen
Op basis van alle beschikbare wetenschappelijke informatie en beoordelingskader
Op basis van blootstellingskenmerken, blootstellingresponsrelatie, ernst van effecten, gevoelige groepen
Op basis van bevindingen uit deeladvies I en II en bredere context
Figuur 1 Inhoud deeladvies I en deeladvies II
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 01 | Inleiding
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 7 van 34
schematische weergave van de inhoud van deel I en deel II van het
houderijen en andere typen veehouderijen worden alleen beschreven
advies. In deel I, dat op 3 juli 2025 is gepubliceerd, concludeert de
waar relevant voor het duiden van deze associatie.
commissie Veehouderij en gezondheid op basis van de huidige stand van de wetenschap dat er waarschijnlijk sprake is van een oorzakelijk
1.2
Deeladvies I in een notendop
(causaal) verband tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen
Voor deeladvies I heeft de commissie literatuurdatabases doorzocht op
en longontstekingen. Daarbij identificeerde de commissie een plausibel
wetenschappelijke publicaties die sinds het vorige Gezondheidsraad
onderliggend biologisch werkingsmechanisme.4
advies uit 2018 zijn gepubliceerd. Vervolgens heeft zij op basis van de beschikbare wetenschappelijke onderzoeksresultaten beoordeeld hoe
In het voorliggende deel II beantwoordt de commissie specifieke vragen
sterk de bewijskracht is voor het bestaan van een oorzakelijk verband
over de factoren die van invloed zijn op het risico op longontsteking bij
(causaliteit) tussen wonen in nabijheid van geitenhouderijen en long
omwonenden van geitenhouderijen en de aard en omvang van de
ontstekingen. De sterkte van de bewijskracht hangt onder meer af van het
gezondheidseffecten. Ook plaatst de commissie de gezondheidseffecten
type onderzoek, de kwaliteit van het onderzoek en de samenhang van
in perspectief van andere omgevingsrisico’s voor de volksgezondheid.
resultaten uit verschillende onderzoeken.
Daarnaast beschouwt de commissie in dit deeladvies de mogelijke aangrijpingspunten voor het terugdringen van gezondheidsrisico’s voor
De commissie kwam tot de conclusie dat het verband tussen wonen in
omwonenden van geitenhouderijen.
de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen waarschijnlijk
De volledige tekst van de adviesaanvraag is te vinden op de website van
oorzakelijk is. Het VGO-III onderzoek heeft bevindingen opgeleverd die
de Gezondheidsraad.
de consistentie van de eerder gevonden associatie versterken. Ook heeft de commissie op basis van beschikbare wetenschappelijke onderzoeken
Op basis van de adviesaanvraag richt dit Gezondheidsraadadvies zich op
een plausibel biologisch werkingsmechanisme geïdentificeerd dat deze
de associatie tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en
associatie kan verklaren. Zij acht het aannemelijk dat er sprake is van een
longontstekingen. Andere mogelijke gezondheidseffecten (zoals zoönose-
samenspel van factoren (multicausaliteit) en niet 1 specifieke ziekte
risico’s en gezondheidseffecten van luchtverontreiniging) van geiten
verwekker verantwoordelijk is voor de associatie tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen. Geitenhouderijen
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 01 | Inleiding
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 8 van 34
zorgen voor verspreiding van algemeen voorkomende micro-organismen,
De gevoeligheid voor longontstekingen kan ook vergroot worden door
fijnstof en endotoxinen onder andere tijdens het uitmesten van potstallen.
inhalatie van fijnstof en endotoxinen uit geitenhouderijen. Dit kan even-
Transmissie van infectieuze micro-organismen naar de directe omgeving
eens van invloed zijn op het longmicrobioom en daarnaast ontstekings
zou over korte afstanden kunnen plaatsvinden via de lucht, en daarnaast
reacties in de luchtwegen veroorzaken. Dit multicausale werkings
van de omgeving naar personen en tussen personen onderling. Dat kan
mechanisme, waarin meerdere blootstellingen en processen gelijktijdig
bij omwonenden leiden tot verhoogd dragerschap van de micro-
een rol spelen, wordt op onderdelen ondersteund door de beschikbare
organismen. De micro-organismen kunnen zich vanuit de hogere lucht-
gegevens uit wetenschappelijk onderzoek.
wegen verspreiden naar de longen, en daar vervolgens ofwel zelf een infectie teweegbrengen ofwel via verstoring van het longmicrobioom de
Figuur 2 geeft een samenvatting van het multicausale werkings
gevoeligheid voor infectie door andere micro-organismen verhogen.
mechanisme weer.
Blootstellingsbronnen
Blootstellingsroutes micro-organismen
Biologisch werkingsmechanisme
Emissie van de volgende componenten: • fijnstof • endotoxinen • micro-organismen • ammoniak (leidt tot secundair fijnstof)
Infectieuze micro-organismen kunnen zich verspreiden:
Verhoogde gevoeligheid voor longontstekingen, niet door één specifieke ziekteverwekker maar via een combinatie van:
• Direct vanuit stal, via de lucht (over korte afstanden)
• Via de omgeving (van geiten naar de directe omgeving en vervolgens naar mensen)
Waar komt de emissie vandaan? Dagelijks vanuit de stal
Tijdens uitmesten (piekbootstelling)
Dragerschap van micro-organismen
Van de mestopslag* • Tussen mensen onderling
Ontstekingsreacties in de luchtwegen door micro-organismen en andere emissies
Verstoring van het luchtwegmicrobioom door micro-organismen en andere emissies
*Mest ligt vaak buiten opgeslagen
Figuur 2 Multicausaal werkingsmechanisme dat de associatie tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen waarschijnlijk kan verklaren
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 01 | Inleiding
1.3
Commissie en werkwijze
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 9 van 34
voor het terugdringen van het gezondheidsrisico voor omwonenden van
De commissie Veehouderij en gezondheid bestaat uit experts uit
geitenhouderijen. In hoofdstuk 5, ten slotte, schetst de commissie
verschillende disciplines, die niet bij het VGO-III onderzoek betrokken zijn
handelingsopties voor de overheid.
geweest. Daarnaast zijn deskundigen buiten de commissie geconsulteerd voor specifieke informatie. Ook heeft een vertegenwoordiging van de commissie een werkbezoek aan een geitenhouderij afgelegd, waarbij vertegenwoordigers van de geitenhouderijsector zijn geraadpleegd. De samenstelling van de commissie en de incidenteel geraadpleegd deskundigen zijn te vinden achter in dit advies. Een verslag van het werkbezoek is te vinden op de website van de Gezondheidsraad. Bij het opstellen van dit advies zijn ook de perspectieven in overweging genomen van relevante (belangen)organisaties, die bij aanvang van het adviestraject werden uitgenodigd hun visies met de commissie te delen. Deze perspectieven zijn te vinden op de website van de Gezondheidsraad.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 gaat de commissie dieper in op de bronnen van emissies (uitstoot) uit geitenhouderijen en de routes waarlangs omwonenden worden blootgesteld aan die emissies. In hoofdstuk 3 beschrijft de commissie de aard en omvang van de gezondheidseffecten bij omwonenden van geitenhouderijen en plaatst zij deze in een breder perspectief. Hoofdstuk 4 beschouwt de mogelijke aangrijpingspunten
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 02 | Bron en blootstelling nader beschouwd
02 bron en blootstelling nader beschouwd
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 10 van 34
grootste relatieve bronbijdrage aan het gemeten stallucht-microbioom. Fijnstofconcentraties in de stallen van de deelnemende bedrijven waren gemiddeld relatief laag (24-uurs continue PM10 metingen). In de nacht waren de concentraties stabiel en overdag schommelend en onder andere
In het multicausale werkingsmechanisme dat de commissie in deel
tijdens het melken verhoogd. Tijdens het (bij)strooien van strooisel en
advies I beschrijft (zie ook paragraaf 1.2) spelen emissies (uitstoot) van
uitmesten van potten werden zeer hoge pieken in fijnstofconcentraties
micro-organismen, fijnstof en endotoxinen afkomstig van voornamelijk
gemeten. PM10 concentraties in stallucht bedroegen op die momenten
de bedding en stalmest uit geitenhouderijen een rol.4 Van deze com
gedurende meerdere uren honderden tot duizenden µg/m3, vergelijkbaar
ponenten is bekend dat ze respiratoire effecten kunnen veroorzaken.
met concentraties die worden gemeten in legpluimveestallen.3 Of de
Het stalsysteem en stalmanagement spelen mogelijk een rol in de
samenstelling van fijnstof afkomstig van geitenhouderijen hetzelfde is bij
emissies, maar de precieze invloed is niet duidelijk. Het risico op long-
basisemissies en piekemissies is niet onderzocht. De endotoxinefractie
ontsteking onder omwonenden neemt toe bij een kortere woonafstand
in fijnstof afkomstig van geiten is hoog ten opzichte van die in fijnstof
tot een geitenhouderij en aanwezigheid van een groter aantal geiten-
afkomstig van rund- en pluimvee, maar of fijnstof van geitenhouderijen
houderijen. De exacte relatie tussen het aantal bedrijven of aantal
ook in andere opzichten verschilt van fijnstof van andere typen vee
geiten per bedrijf en de emissies en daarmee samenhangende
houderijen is niet bekend.6
gezondheidsrisico’s is niet vast te stellen op basis van de beschikbare informatie. Over de precieze blootstellingsroutes van geitenhouderijen
Ook is niet bekend wat de relatieve bijdrage is van de totale basisemissie
naar omwonenden bestaan ook nog kennishiaten.
en van piekemissies aan de verspreiding van fijnstof, endotoxinen en micro-organismen uit geitenhouderijen naar de omgeving. Daardoor is niet
2.1
Stalsysteem en stalmanagement
goed in te schatten welke invloed het aanpakken van de basisemissie
De meeste melkgeiten worden in Nederland gehouden in potstallen, waar
(bijvoorbeeld via de wijze van ventilatie) of de piekemissies (zoals de
de dieren de gehele dag verblijven.5 De mest wordt in de potstal op
frequentie van bijstrooien en uitmesten) zal hebben op de verspreiding.
gehoopt en regelmatig bedekt met een nieuwe laag strooisel, meestal stro. De bedding en stalmest leverden in het VGO-III onderzoek de
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 02 | Bron en blootstelling nader beschouwd
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 11 van 34
In veruit de meeste melkgeitenstallen wordt natuurlijke ventilatie
De verspreiding van componenten uit de bedding en stalmest kan
toegepast. Opfokstallen zijn veelal voorzien van mechanische ventilatie.
mogelijk ook worden verminderd door de luchtvochtigheid te verhogen of
Slechts enkele bedrijven passen luchtwassers toe. Het aandeel emissie-
door te sproeien voorafgaand aan het uitmesten. Er is geen informatie
arme huisvesting (staltypen met emissiearme vloeren en/of luchtwassers)
beschikbaar over de effectiviteit daarvan.
bedraagt bij geitenhouderijen ongeveer 1%.7 Het verschil in de berekende emissie van fijnstof tussen natuurlijk en mechanisch geventileerde stallen
Ook de manier waarop mest wordt opgeslagen kan invloed hebben op de
was klein in het VGO-III onderzoek.3 Voordelen van mechanische
hoeveelheid en verspreiding van micro-organismen. Normaliter wordt de
ventilatie zouden kunnen zijn dat het tijdstip en het volume van de emissie
mest van melkgeitenhouderijen buiten de stal opgeslagen op een mest-
te reguleren is, en dat de uitgaande stallucht met behulp van luchtwassers
plaat of in een sleufsilo, vaak onder een luchtdoorlatend doek. Door de
gereinigd kan worden. Daardoor kan naast emissie van ammoniak,
compostering en temperatuurstijging die daarbij optreedt, kunnen veel
afhankelijk van het type luchtwasser, ook emissie van fijnstof, endotoxinen
micro-organismen worden gedood.8 Bij de 16 geitenhouderijen die deel-
en geur teruggedrongen worden.8 Over de toepasbaarheid en effectiviteit
namen aan de VGO-III geitenbedrijvenstudie verschilde de opslag van
van verschillende methoden voor luchtwassing en nabehandeling van
mest van bedrijf tot bedrijf: onafgedekte opslag op een betonplaat of op
ventilatielucht voor het terugdringen van emissie van infectieuze micro-
zand, (tijdelijke) opslag afgedekt met luchtdoorlatende of luchtdichte doek
organismen uit (geiten)stallen is nog weinig (praktijk)kennis beschikbaar.
of plastic, opslag binnen zonder ventilatie, overkapte opslag of combina-
Dat geldt ook voor inactivering van micro-organismen die aanwezig zijn in
ties hiervan. De opslagduur varieerde tussen en binnen de bedrijven van
stallen met behulp van ionisatietechnieken of UV-licht.9,10
30 dagen tot soms 1 jaar. Er waren ook 2 bedrijven die de mest binnen 4 dagen na uitmesten afvoerden. Soms wordt de mesthoop omgezet voor
De frequentie van het bijstrooien en de hoeveelheid strooisel kunnen
het uitrijden van de mest.3 Uitrijden van de mest gebeurt (deels) op eigen
invloed hebben op de soort en hoeveelheid micro-organismen in de stal-
grond of elders. Veel mest wordt gebruikt in de akkerbouw en bollenteelt
mest. Bij aanwezigheid van meer micro-organismen, zuurstof en vocht
en wordt dan omgewerkt na uitrijden. Bij toepassing op grasland en bij
kan er meer compostering optreden. Daarbij worden sommige micro-
bomenteelt gebeurt dat niet.
organismen geïnactiveerd. Een dikkere laag strooisel vermindert mogelijk ook de verspreiding van componenten uit de stalmest naar de stallucht.8
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 02 | Bron en blootstelling nader beschouwd
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 12 van 34
In VGO-III zijn op 11 bedrijven monsters genomen aan de buitenkant van
2.2
Aantal bedrijven en geiten
de mesthoop, op 1 bedrijf ook dieper in de mesthoop, en op 2 bedrijven is
De vaststelling van een associatie tussen het optreden van longontsteking
tijdens het omzetten van de mesthoop benedenwinds fijnstof bemonsterd
en de aanwezigheid van geitenhouderijen in de woonomgeving in de
om de daarin aanwezige micro-organismen vast te stellen (afstand tot
VGO-onderzoeken, roept de vraag op of deze associatie samenhangt met
mesthoop is niet gerapporteerd). Veel van de bacteriën die relatief vaak
het aantal geitenhouderijen en aantal geiten. In 2024 waren er in
werden aangetroffen in stalmest werden vaak teruggevonden in monsters
Nederland 648 geitenhouderijen met gemiddeld 741 geiten.11 Van deze
van de mesthoop. Het merendeel van deze bacteriën werd ook aan
bedrijven zijn ongeveer 370 bedrijven professionele melkgeitenhouderijen.
getroffen in de 2 luchtmonsters. Dieper in de mesthoop werden nog een
Het gros daarvan heeft tussen de 600 en 1.600 melkgeiten.
aantal extra bacteriën aangetroffen ten opzichte van de monsters van de buitenkant van de mesthoop. Er is niet onderzocht of het om levende
In het IVG-onderzoek uit 201112 werd geen relatie gezien tussen het aantal
bacteriën ging en hoe lang de bacteriën overleven in (on)afgedekte
geitenhouderijen of het aantal geiten per geitenhouderij in een bepaald
mesthopen of bij verschillende methoden van mestverwerking zoals
gebied en het aantal longontstekingen bij bewoners van dat gebied.
composteren, aanzuren of vergisten.3,8
Wel werd een associatie gevonden tussen longontstekingen en een groter aantal geiten binnen 5 kilometer van de woning en tussen long
Het is volgens de commissie aannemelijk dat de bedding en stalmest een
ontstekingen en het aantal megastallen (meer dan 1.500 geiten per stal)
belangrijke bron vormen van de emissies van micro-organismen, fijnstof
binnen hetzelfde postcodegebied als de woning.
en endotoxinen uit potstallen. Bij gebruik van andere stalsystemen zouden
In VGO-I (2016)13 en VGO-II (2017)14 zijn de associaties tussen aantallen
de emissies van deze componenten daarom lager kunnen zijn, maar dit is
geiten of geitenbedrijven en longontstekingen bij omwonenden niet
niet onderzocht.5 Er is ook weinig inzicht in de invloed van stalmanagement
specifiek onderzocht. In VGO-III (2025)3 werd in het oorspronkelijke
(zoals de frequentie en wijze van bijstrooien en uitmesten, de wijze van
VGO-onderzoeksgebied (Noord-Brabant en Noord-Limburg) een risico
ventilatie en behandeling van (uitgaande) stallucht, en de wijze waarop
verhoging gezien voor elke extra geitenhouderij die zich binnen een
mest wordt opgeslagen en toegepast) op de emissies van micro-
afstand van 2 kilometer tot de woning bevond. In het nieuw toegevoegde
organismen, fijnstof en endotoxinen.
UGO-onderzoeksgebied (Utrecht, Gelderland en Overijssel) werd er geen aanvullend effect van het aantal geiten gevonden op de associatie tussen
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 02 | Bron en blootstelling nader beschouwd
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 13 van 34
de aanwezigheid van een geitenhouderij rond het woonadres en het
2.3
Blootstellingsroute
optreden van longontstekingen. Binnen de zones met een straal van 500
In deel I heeft de commissie beschreven op welke wijze omwonenden van
meter en 1.000 meter tussen het woonadres en een geitenhouderij in het
geitenhouderijen kunnen worden blootgesteld aan micro-organismen,
gecombineerde VGO- en UGO-onderzoeksgebied werd ook geen
fijnstof en endotoxinen. De commissie acht het aannemelijk dat bloot
additioneel effect gevonden van het aantal geiten. Het is mogelijk dat dit
stelling plaatsvindt door verspreiding van emissies uit geiten(stallen) naar
additionele effect niet aangetoond kon worden vanwege een gebrek aan
de directe omgeving via de lucht. Micro-organismen zouden vervolgens
statistische zeggingskracht, doordat de variatie in de omvang van geiten-
van de omgeving naar personen en tussen personen onderling verspreid
houderijen (aantal geiten per bedrijf) in de omgeving van een huis
kunnen worden. De wijze waarop en de mate waarin omwonenden
artspraktijk beperkt was.15
worden blootgesteld is afhankelijk van verschillende factoren, waarover nog weinig kennis beschikbaar is. Zo is niet bekend hoeveel de
De commissie concludeert dat het risico op longontsteking onder
verschillende vormen van transmissie in absolute of relatieve zin bijdragen
omwonenden toeneemt wanneer het aantal geitenhouderijen binnen een
aan de blootstelling van omwonenden. Ook is niet bekend in hoeverre
bepaalde woonafstand toeneemt. Op basis van bovenstaande resultaten
micro-organismen uit geitenstallen zich gebonden aan fijnstof verspreiden.
is niet duidelijk of naast de aanwezigheid van geitenhouderijen ook het
Een ander kennishiaat betreft het effect van piekemissies bij het uitmesten
aantal geiten een belangrijkere risicofactor vormt voor het risico op long-
van geitenstallen op de aanwezigheid van infectieuze micro-organismen
ontsteking bij omwonenden. Er zijn geen systematische verschillen in
in omgevingslucht, leefomgeving en bij omwonenden.
stalsysteem en stalmanagement tussen professionele melkgeiten
Daarnaast ontbreekt inzicht in de verschillen in aanwezigheid van
houderijen met meer of minder geiten. Het is wel aannemelijk dat het
infectieuze micro-organismen in de lucht en leefomgeving op
aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof
verschillende afstanden van geitenhouderijen, tussen gebieden met
en endotoxinen uit bedding en mest. De commissie kan op basis van de
aan- en afwezigheid van geitenhouderijen en tussen omgevingen van
beschikbare informatie echter niet vaststellen wat de kwantitatieve relatie
verschillende typen veehouderijen.
is tussen het aantal bedrijven of aantal geiten en de hoeveelheid emissie van de verschillende componenten en het daarmee samenhangende risico op longontsteking bij omwonenden.
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
03 aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 14 van 34
registraties te bepalen of de karakteristieken van de longontstekingen die gediagnosticeerd werden in de onderzoeksgebieden verschilden van die in de controlegebieden. Er is namelijk geen informatie beschikbaar over de verantwoordelijke ziekteverwekker en het type longontsteking, doordat
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te
medisch microbiologisch onderzoek niet standaard deel uitmaakt van de
schrijven aan wonen binnen 1 kilometer van een geitenhouderij
huisartsdiagnose. Ook is er geen informatie beschikbaar over de ernst, de
bedraagt gemiddeld 841 per jaar met een marge van 207 tot 1.815
behandeling en het verloop van de longontstekingen.
longontstekingen. Er zijn geen aanwijzingen dat die longontstekingen in aard of ernst verschillen van longontstekingen door andere oorzaken.
In het VGO-III onderzoek werd onder 108 patiënten met longontsteking
Voor individuele omwonenden van geitenhouderijen is er sprake van
een vragenlijst afgenomen. Van deze patiënten was 62% woonachtig
een aanzienlijk risico op longontsteking. Binnen een woonafstand van
binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. De meerderheid van de pati-
500 meter tot een geitenhouderij is de kans op longontsteking
ënten rapporteerde klachten zoals hoesten (96%), benauwdheid (74%) en
gemiddeld 73% hoger en binnen een woonafstand van 1 kilometer
koorts (53%). Ook een versnelde ademhaling (26%), verhoogde hartslag
gemiddeld 19% hoger dan wanneer er geen geitenhouderij aanwezig is.
(22%) en pijn bij ademhaling (16%) werden gemeld. Bij 73 patiënten werd
Groepen die over het algemeen gevoeliger zijn voor het krijgen van een
een CRP-test (C-reactieve proteïne) uitgevoerd, die bij 27 patiënten een
longontsteking en een ernstiger verloop daarvan zijn onder andere
indicatie voor een bacteriële infectie liet zien.3 De commissie ziet op basis
jonge kinderen, ouderen en mensen met onderliggend lijden.
van de ziekteverschijnselen en de ziekteverwekkers die werden aangetoond bij patiënten in het VGO-III onderzoek geen redenen om aan te
3.1
Aard en ernst van longontstekingen
nemen dat longontstekingen onder omwonenden van geitenhouderijen
In de IVG- en VGO-onderzoeken is de diagnose van longontsteking door
verschillen van andere, buiten een zorginstelling opgelopen long
een huisarts als uitkomstmaat gehanteerd. Die diagnose (ICPC-code R81
ontstekingen (ook wel CAP: community-acquired pneumonieën).
van de International Classification of Primary Care) werd gesteld op basis van de Acuut Hoesten-standaard van het Nederlands Huisarts Genoot-
Huisartsen in Nederland registeren per jaar 187 nieuwe gevallen van long-
schap (NHG). Het is niet mogelijk om op basis van de huisartsen
ontsteking per 10.000 inwoners.16 In de meeste gevallen herstellen deze
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 15 van 34
patiënten onder begeleiding van de huisarts. Analyse van registraties van
betreft dit ongeveer de helft van de patiënten die met een longontsteking
huisartsdiagnoses, ziekenhuiszorg en doodsoorzaken liet zien dat voor
in het ziekenhuis verblijven.20
2,3% van de patiënten bij wie de huisarts een CAP-diagnose vaststelt binnen 30 dagen een ziekenhuisopname vanwege CAP nodig is en dat
3.2
Gevoelige groepen
1% van de patiënten met een door de huisarts vastgestelde CAP binnen
Longontstekingen komen in het algemeen vaker voor bij ouderen – de
die periode als gevolg van de longontsteking overlijdt.17 Dit betekent dat
incidentie (het aantal nieuwe gevallen in een populatie per jaar) neemt toe
een door de huisarts vastgestelde CAP leidt tot ongeveer 4,3 ziekenhuis-
met de leeftijd. Onder jonge kinderen is de incidentie ook hoger.
opnamen en 1,8 sterfgevallen per 10.000 personen per jaar. Deze cijfers
Longontsteking komt daarnaast vaker voor bij mensen tussen de 45 en 79
acht de commissie het meest geschikt om de ernst van longontstekingen
jaar met een lager inkomen dan bij dezelfde leeftijdsgroep met een hoger
aan te duiden.
inkomen. Andere risicofactoren zijn roken en het gebruik van alcohol, virale infecties, onderliggende ziekten zoals diabetes mellitus, taaislijm-
Ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteert cijfers over
ziekte, nierinsufficiëntie, hartfalen en (andere) aandoeningen die de
longontstekingen. Het CBS vermeldt cijfers van 15,6 ziekenhuisopnamen
weerstand verminderen.21 Ziekenhuisopnamen als gevolg van een long-
en 2,4 sterfgevallen door longontsteking per 10.000 inwoners van
ontsteking komen het meest voor bij heel jonge kinderen en ouderen.21
Nederland per jaar.18,19 Deze cijfers zijn hoger dan de aantallen zieken-
Het aantal ziekenhuisopnamen per 10.000 personen per jaar loopt op van
huisopnamen en overlijdens gerelateerd aan longontstekingen die door
10,2 bij 45-65 jarigen tot 37,8 bij 65 tot 80 jarigen en 91,7 bij personen van
huisartsen worden vastgesteld doordat veel patiënten met een CAP die in
80 jaar en ouder.18
het ziekenhuis worden opgenomen of overlijden niet door een huisarts zijn gezien.17 Een andere reden voor de hogere cijfers is dat het CBS geen
Ook in de IVG- en VGO-onderzoeken bleken toenemende leeftijd, lager
onderscheid maakt tussen patiënten met een CAP en patiënten die een
opleidingsniveau, roken en de aanwezigheid van een of meer onder
pneumonie oplopen in een zorginstelling, zoals een ziekenhuis of
liggende aandoeningen (vooral respiratoire ziekten waaronder astma en
verpleegtehuis. Bij die laatste patiënten is er vaak sprake van onder
COPD) risicofactoren te vormen voor het krijgen van een longontsteking.15
liggend lijden, waardoor het risico op een infectie groter is. Naar schatting
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 16 van 34
Het is aannemelijk dat geitenhouders en mensen die werken in geiten
Voor het bepalen van de grootte van de blootgestelde populatie is de
houderijen in hoge mate worden blootgesteld aan micro-organismen,
commissie uitgegaan van het aantal omwonenden van geitenhouderijen
endotoxinen en fijnstof uit geitenstallen. Dat zou kunnen betekenen dat
binnen verschillende woonafstanden. Er zijn meerdere manieren om te
zij een hoger risico lopen op longontsteking dan andere groepen
schatten hoeveel van de longontstekingen onder deze omwonenden toe
omwonenden. Daar staat tegenover dat geitenhouders en medewerkers
te schrijven zijn aan de nabijheid van een geitenhouderij. De commissie
van geitenhouderijen die deelnamen aan het gezondheidsonderzoek
baseert zich op zogeheten odds ratio’s (als maat voor het relatieve risico)
binnen VGO-III over het algemeen relatief jong en gezond waren,3 wat
die in de VGO-onderzoeken zijn berekend voor verschillende afstanden
kan betekenen dat deze groep juist een lager risico heeft. Op basis van de
tot geitenhouderijen en die laten zien dat er sprake is van een afstand-
IVG- en VGO-onderzoeken kan niet worden vastgesteld of deze groep
effectrelatie. Op basis van die odds ratio’s heeft de commissie geschat
een specifieke risicogroep vormt. Uit huisartsenregistraties kan namelijk
hoeveel extra longontstekingen optreden onder omwonenden van geiten-
niet worden opgemaakt of patiënten met een longontsteking geiten
houderijen ten opzichte van het aantal longontstekingen dat in het
houders of werknemers van geitenhouderijen zijn. En zelfs als dat zou
algemeen optreedt.
kunnen, dan is deze groep te klein om statistisch te kunnen vaststellen of er onder hen meer of minder longontstekingen voorkomen dan onder
Tabel 1 vat de gegevens over het absolute en het relatieve risico op een
andere groepen.
longontsteking voor omwonenden van geitenhouderijen samen. Daaronder gaat de commissie dieper in op de verschillende manieren om
3.3
Omvang gezondheidseffect
na te gaan hoe het aantal longontstekingen onder omwonenden van
Bij het bepalen van de omvang van het gezondheidseffect van wonen in
geitenhouderijen zich verhoudt tot het aantal longontstekingen in het
de nabijheid van geitenhouderijen heeft de commissie zowel gekeken
algemeen. Daarbij wordt ook de totstandkoming van de schattingen in
naar het totaal aantal mensen dat in Nederland blootgesteld is en een
tabel 1 toegelicht. Tot slot gaat de commissie in op het kwantificeren van
longontsteking krijgt (absoluut risico) als naar de kans die een individuele
de ziektelast door longontstekingen bij omwonenden (de hoeveelheid
omwonende heeft om een longontsteking te krijgen (relatief risico).
gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en vroegtijdig overlijden).
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 17 van 34
Tabel 1 Aantal Nederlanders met verschillende woonafstanden tot de dichtstbijzijnde melkgeitenhouderij en schatting van het (extra) aantal longontstekingen dat op landelijke schaal jaarlijks te verwachten is binnen die groepen Woonafstand tot geitenhouderij
Totaal aantal mensen dat in Nederland binnen die afstand woont22
Odds ratio (95% betrouwbaarheids interval) voor gecombineerd VGO- en UGO-onderzoeksgebied23
Geschatte risicoverhoging
Geschat aantal longontstekingen per jaar bij afwezigheid van geitenhouderij
Geschat extra aantal longontstekingen per jaar bij aanwezigheid van geitenhouderij (95% betrouwbaarheidsinterval)
0-500 meter
46.034
1,73 (1,24-2,42)
73%
861
628 (207-1.222)
0-1.000 meter
236.708
1,19 (1,00-1,41)
19%
4.426
841 (0-1.815)
0-2.000 meter
1.327.787
1,00 (0,88-1,07)
0%
24.830
n.v.t.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te
de prevalentie van longontsteking in het VGO-onderzoeksgebied
schrijven aan wonen binnen 1.000 meter van een geitenhouderij bedraagt
ongeveer 40% procent hoger dan in het referentiegebied. In VGO-III ging
gemiddeld 841 gevallen per jaar. De onzekerheidsmarge rond deze
het in het VGO-onderzoeksgebied om een 45-60% hogere prevalentie
schatting loopt van 207 tot 1.815 gevallen van longontsteking. Van deze
tussen 2014 en 2016 en een 31-39% hogere prevalentie tussen 2017 en
841 gevallen zijn er 628 toe te schrijven aan wonen binnen 500 meter van
2019. In het UGO-gebied werden tussen 2014 en 2017 40% meer long-
een geitenhouderij. Onder omwonenden binnen een gebied van 500 tot
ontstekingen waargenomen dan in het referentiegebied.15
1.000 meter afstand tot een geitenhouderij komen jaarlijks naar schatting gemiddeld 213 extra gevallen van longontsteking voor.
De gebiedsvergelijkingen dienden in de VGO-onderzoeken als startpunt. Er werden verschillende aanvullende analyses uitgevoerd met gegevens
Prevalentie vergelijken
op individueel niveau over woonafstand tot veehouderijen en long
In alle IVG- en VGO-onderzoeken zijn registraties van longontstekingen in
ontsteking. Met die analyses werd bepaald of verschillen tussen gebieden
elektronische patiëntendossiers van huisartsenpraktijken vergeleken
in het voorkomen van longontsteking veroorzaakt kunnen worden door
tussen een onderzoeksgebied met relatief veel veehouderijen en een
aanwezigheid van geitenhouderijen en/of door andere factoren die tussen
referentiegebied. In het referentiegebied zijn veel minder veehouderijen,
de gebieden verschillen. Op basis van die analyses zijn populatie
maar de overige karakteristieken zijn vergelijkbaar: platteland, steden en
attributieve fracties berekend en odds ratio’s voor verschillende afstanden
dorpen met minder dan 30.000 inwoners en vergelijkbare sociaal
om na te gaan of er sprake is van een afstand-effectrelatie.
economische status van inwoners. In het IVG-onderzoek en in VGO-I was
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 18 van 34
Populatie attributieve fractie berekenen
voor heel Nederland. Dit onderzoeksgebied bevat vanwege de hogere
De populatie attributieve fractie is het aandeel van het totaal aantal long-
dichtheid van geitenhouderijen relatief veel blootgestelde mensen.
ontstekingen in de onderzoeksgebieden dat toe te schrijven is aan wonen
De commissie heeft in tabel 1 expliciet rekening gehouden met het
nabij geitenhouderijen. De populatie attributieve fracties zijn in de VGO-
gegeven dat in andere gebieden in Nederland naar verhouding minder
onderzoeken berekend voor alle inwoners van het onderzoeksgebied,
mensen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen22 en beschouwt
ongeacht hun woonafstand tot een geitenhouderij. Dit draagt
de extra gevallen van longontsteking in tabel 1 daarom als meer
waarschijnlijk bij aan de lagere populatie attributieve fractie voor het
representatieve schattingen.
UGO-onderzoeksgebied (0,6-2,6%23) dan voor het VGO-onderzoeks gebied (6,0-7,8%24): in het UGO-gebied woont een groter percentage
Afstand-effect relatie analyseren
inwoners (71%) op een afstand van meer dan 2 kilometer van een geiten-
Uit de verschillende IVG- en VGO-onderzoeken is bekend dat in de
houderij dan in het VGO-gebied (38%). De VGO-onderzoekers
omgeving van veehouderijen in het algemeen hogere concentraties
berekenden op basis van de populatie attributieve fracties uit de VGO-II
fijnstof, endotoxinen en microbiële componenten worden aangetroffen en
en VGO-III onderzoeken dat er jaarlijks 25 tot 127 gevallen van long
dat deze concentraties hoger zijn op kleinere afstand van veehouderijen
ontsteking per 100.000 inwoners van de onderzoeksgebieden toe te
(250 meter of minder) dan op grotere afstand. Daarnaast is specifiek voor
schrijven zijn aan wonen nabij een geitenhouderij.
geitenhouderijen met behulp van verschillende statistische analyses het verband tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en door de huisarts
De VGO-onderzoekers maakten ook een schatting van het aantal long
gediagnosticeerde longontstekingen onderzocht.15
ontstekingen dat op landelijke schaal toe te schrijven is aan de aanwezigheid van een geitenhouderij binnen 2 kilometer van het woonadres.25
Met logistische regressiemethoden werd inzicht verkregen in het verband
Dat zijn 1.200 tot 6.600 extra gevallen van longontsteking per jaar, ofwel
tussen de woonafstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij en long
0,4 tot 2% van alle nieuwe gevallen van longontsteking geregistreerd door
ontstekingen. Deze analyses werden uitgevoerd voor verschillende zones
huisartsen per jaar in Nederland.16 Een kanttekening bij deze aantallen is
rondom de woning met een straal variërend van 500 meter tot 2 kilometer.
dat de VGO-onderzoekers het aantal gevallen van longontsteking in het
Resultaten werden uitgedrukt als odds ratio’s: de kans op ziekte bij bloot-
betreffende onderzoeksgebied gebruikten om te komen tot een schatting
gestelden (geitenhouderij aanwezig) in vergelijking tot de kans op ziekte
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 19 van 34
bij niet-blootgestelden (geen geitenhouderij aanwezig). Deze analyses
binnen een woonafstand van 1 of 2 kilometer (afhankelijk van het studie-
lieten in het VGO-onderzoeksgebied verhoogde odds ratio’s zien tot
jaar).23
afstanden van 2 kilometer tot een geitenhouderij, waarbij de odds ratio’s afnamen met toenemende woonafstand tot geitenhouderijen. Onderzoek
De commissie concludeert op basis van deze bevindingen dat het
in het UGO-gebied en de gecombineerde analyse van het voorkomen van
aannemelijk is dat het risico op longontsteking verhoogd is binnen een
longontstekingen in het VGO- en UGO-gebied lieten verhoogde odds
woonafstand van 1 kilometer van een geitenhouderij en het hoogst is
ratio’s zien tot een afstand van 1 kilometer tot een geitenhouderij.3,23
binnen een woonafstand van 500 meter. In het meest recente VGO-III
De odds ratio’s waren het sterkst verhoogd en het meest consistent
onderzoek waarin gegevens van zowel het VGO- als het UGO-
statistisch significant verhoogd binnen een woonafstand van 500 meter.
onderzoeksgebied gecombineerd werden, werden odds ratio’s berekend
Op een woonafstand van meer dan 1 kilometer tot een geitenhouderij
van 1,19 voor de zone met een woonafstand tot 1 kilometer en 1,73 voor
waren de odds ratio’s in verschillende VGO-onderzoeken niet significant
de zone met een woonafstand tot 500 meter.23 Daaruit kan afgeleid
verhoogd. Deze bevindingen kunnen een verhoogd risico op long
worden dat de kans op longontsteking voor een individuele omwonende
ontsteking onder omwonenden op meer dan 1 kilometer afstand tot een
van een geitenhouderij gemiddeld zo’n 19% respectievelijk 73% hoger is.
geitenhouderij niet voldoende onderbouwen. Hoewel het risico op longontsteking afneemt met toenemende woon Daarnaast zijn in de VGO-onderzoeken zogenoemde Kernel analyses
afstand tot geitenhouderijen, is het aantal blootgestelde omwonenden
gedaan. Deze analyses nemen bij berekening van de kans op long
binnen 1 kilometer afstand tot een geitenhouderij beduidend groter dan
ontsteking bij omwonenden alle aanwezige geitenhouderijen in
binnen een straal van 500 meter. Tabel 1 geeft ter illustratie weer welke
beschouwing en niet alleen de dichtstbijzijnde geitenhouderij. De uitkomst
aantallen longontstekingen er op landelijke schaal verwacht kunnen
is een afstand waarop een verhoogd risico op longontstekingen wordt
worden binnen gebieden met verschillende woonafstanden tot een geiten-
berekend. In het VGO-III onderzoek werd het risico op longontsteking
houderij op basis van het aantal blootgestelde omwonenden, het landelijk
hoger bij elke extra geitenhouderij binnen 2 kilometer van het woonadres
aantal diagnoses van longontsteking door huisartsen16 en de odds ratio’s
in het VGO-gebied24 en in het UGO-gebied werd in 3 van de 4 jaren in de
die berekend zijn in het meest recente VGO-III onderzoek (gecombineerd
studieperiode een hoger risico gezien voor elke extra geitenhouderij
VGO- en UGO-onderzoeksgebied).23 Ook het geschatte aantal long
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 20 van 34
ontstekingen dat op basis van de odds ratio’s kan worden toegeschreven
schatting van het extra aantal gevallen van longontsteking in Nederland
aan geitenhouderijen is aangeduid (extra aantal longontstekingen).
op basis van populatie attributieve fracties. De commissie heeft hierboven
Schattingen op basis van odds ratio’s die berekend werden voor het VGO-
beredeneerd waarom haar schattingen op basis van odds ratio’s
en UGO-onderzoeksgebied afzonderlijk leveren vergelijkbare resultaten
representatiever zijn. Ten tweede gebruikt de commissie gegevens over
op. Ook voor deze schattingen geldt de kanttekening dat de gegevens uit
ziekenhuisopname en sterfte die afkomstig zijn uit onderzoek onder
het VGO- en UGO-gebied slechts met enige onzekerheid te extrapoleren
patiënten met een longontsteking die door de huisarts werd vastgesteld.
zijn naar andere gebieden omdat daar de verhouding tussen mensen die
De aantallen die genoemd worden in de aanbiedingsbrief zijn gebaseerd
op verschillende afstanden van een geitenhouderij wonen en de demo
op CBS-cijfers. Die cijfers omvatten ook patiënten met longontsteking die
grafische kenmerken van de populatie anders kunnen zijn.
niet door de huisarts zijn gezien en patiënten die hun longontsteking in een zorginstelling opliepen (zie paragraaf 3.1). Daardoor wordt het aantal
Ziektelast kwantificeren
patiënten dat in het ziekenhuis wordt opgenomen of overlijdt als gevolg
Een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt gemiddeld
van een door de huisarts vastgestelde longontsteking overschat.
in 2,3% van de gevallen tot ziekenhuisopname en in 1% van de gevallen tot sterfte (zie paragraaf 3.1).17 Uitgaande van de geschatte 841 extra
Bovengenoemde aantallen ziekenhuisopnamen en sterfgevallen moeten
gevallen van longontsteking (zie tabel 1) zou dat betekenen dat binnen
als een ruwe schatting worden gezien. Er zijn namelijk verschillende kant-
een straal van 1 kilometer van geitenhouderijen op landelijke schaal jaar-
tekeningen bij te maken. Zo kunnen er lokale/regionale verschillen zijn in
lijks zo’n 19 extra ziekenhuisopnamen en 8 sterfgevallen optreden door
het aantal aanwezige geitenhouderijen, in het aantal omwonenden en in
deze longontstekingen. De commissie benadrukt dat gegevens over
de leeftijd en gezondheidsstatus van deze omwonenden. Als er bijvoor-
ziekenhuisopnamen en overlijdens niet zijn verzameld in de VGO-
beeld veel jonge kinderen of ouderen zijn onder de omwonenden, kan dat
onderzoeken, maar deze cijfers de best mogelijke schattingen betreffen
van invloed zijn op het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking.
op basis van beschikbare informatie uit andere bronnen. Deze schattingen
Een andere kanttekening is dat er geen rekening wordt gehouden met het
zijn lager dan de aantallen die zijn genoemd in de aanbiedingsbrief bij de
gegeven dat het aandeel longontstekingen door andere oorzaken dan
VGO-III rapportage van VWS aan de Tweede Kamer.25 Dat heeft twee
geitenhouderijen per jaar kan verschillen, bijvoorbeeld als gevolg van een
oorzaken. Ten eerste komen de VGO-onderzoekers tot een hogere
griepepidemie. Ook worden niet alle longontstekingen gediagnosticeerd
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 21 van 34
door de huisarts omdat niet elke omwonende met een longontsteking zich
geitenhouders, patiënten en controlepersonen die deelnamen aan het
hiervoor zal melden bij de huisarts. Om tot een nauwkeurigere schatting
gezondheidsonderzoek aangetoond.3
van de ziektelast te komen is het nodig een koppeling te maken tussen de gegevens over huisartsdiagnoses van longontstekingen in de VGO- en
De Gezondheidsraad is ook gevraagd te kijken naar eventuele positieve
UGO-onderzoekspopulaties en data over ziekenhuisopname en sterfte
gezondheidseffecten van geitenhouderijen. In VGO-III is alleen de
door longontsteking in dezelfde populaties. Omdat de commissie niet
associatie tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en long
beschikt over deze gegevens en over informatie over de leeftijdsopbouw
ontstekingen bestudeerd. De commissie evalueerde in deeladvies I de
van deze populaties, kan zij de gezondheidsimpact door verlies van
bewijskracht voor de oorzakelijkheid van dit verband. Het verband tussen
gezonde levensjaren en vroegtijdig overlijden niet kwantificeren
wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en andere gezondheids
(bijvoorbeeld in de vorm van de veelgebruikte maat voor ziektelast:
effecten is door de commissie niet uitgediept.
disability adjusted life years). In het IVG-onderzoek en de VGOI/II-onderzoeken zijn ook associaties
3.4
Gezondheidsimpact in breder perspectief
bestudeerd tussen wonen in de nabijheid van veehouderijen (niet
Andere gezondheidseffecten van geitenhouderijen
specifiek geitenhouderijen) en andere luchtwegproblemen dan long
Q-koorts is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie
ontstekingen. Astma, allergieën, hooikoorts en infecties van de bovenste
Coxiella burnetii. De bacterie komt bij besmette geiten vrij bij het
luchtwegen kwamen minder vaak voor bij een kortere afstand tot of
lammeren en bij miskramen en kan via de lucht worden overgedragen op
grotere dichtheid van veehouderijen.12,13 Volgens de zogeheten
mensen tot op een afstand van 5 kilometer. Bij besmette personen kan
hygiëne-hypothese ontwikkelen jonge kinderen die opgroeien op een
Q-koorts een ernstig acuut verloop hebben en tot zeer langdurige ernstige
traditionele veehouderij en regelmatig worden blootgesteld aan microbiële
klachten leiden. Sinds de invoering van diverse maatregelen – zoals een
factoren afkomstig van planten en dieren, minder vaak allergieën (waar-
vaccinatieplicht op bedrijven met meer dan 50 melkgeiten en het lucht-
onder allergisch astma).27 Het is niet bekend of dit ook voor volwassenen
doorlatend afgedekt opslaan van mest op het bedrijf gedurende minimaal
omwonenden van (grootschalige) geitenhouderijen geldt. Er zijn boven-
30 dagen – is het aantal Q-koortsbesmettingen in Nederland sterk
dien aanwijzingen dat bij personen die opgroeiden op een boerderij de
gedaald.26 In het VGO-III onderzoek werd Coxiella burnetii bij geen van de
longfunctie op latere leeftijd juist versneld achteruit gaat.28
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 22 van 34
In sommige VGO-studies werd een lagere prevalentie van COPD
luchtverontreiniging wordt toegeschreven aan fijnstof.31 Fijnstof veroor-
gevonden in de nabijheid van veehouderijen.12-14 Daar is geen duidelijke
zaakt ook gezondheidseffecten bij concentraties beneden de wettelijke
verklaring voor. Bovendien zijn onderzoeksresultaten naar het voorkomen
grenswaarden.32 Langdurige blootstelling aan fijnstof verhoogt de kans op
van COPD en astma bij veehouders en omwonenden van veehouderijen
gezondheidseffecten zoals bronchitis en (post-neonatale) sterfte met 4 tot
niet eenduidig. De IVG- en VGO-onderzoeken lieten ook zien dat COPD-
12% per 10 microgram/m3.32 Op de meeste plaatsen in Nederland is de
en astma-aanvallen en een verminderde longfunctie juist vaker voor-
jaargemiddelde concentratie PM2,5 (stofdeeltjes met een doorsnede kleiner
komen in de nabijheid van veehouderijen.12-14
dan 2,5 micrometer) lager dan 10 microgram/m3 en die van PM10 lager dan 15 microgram/m3, maar concentraties kunnen sterk verschillen per
Andere bronnen van luchtverontreiniging
tijdstip en locatie.33
In het veronderstelde multicausale werkingsmechanisme speelt naast verspreiding van micro-organismen ook luchtverontreiniging door de
De bijdrage van de landbouw aan de concentratie primair fijnstof die wordt
uitstoot van fijnstof en endotoxines een rol. In Nederland, Europa en
uitgestoten door alle Nederlandse bronnen samen bedraagt gemiddeld
wereldwijd staat buitenluchtverontreiniging op de 9e plaats als oorzaak
24% voor PM10 en 8% voor PM2,5. De bijdrage aan de concentratie
van levensduurverkorting en ziektelast. De luchtkwaliteit is in Nederland in
secundair fijnstof, dat in de lucht ontstaat uit ammoniak afkomstig van
de afgelopen decennia verbeterd, mede doordat wegverkeer schoner is
veehouderijen en over langere afstanden tot de oorspronkelijke bron
geworden. Desalniettemin wordt nog zo’n 4% van de totale ziektelast in
wordt gevormd, bedraagt voor beide ongeveer 35%. De gemiddelde
Nederland veroorzaakt door luchtverontreiniging.29 De WHO ziet acute
bijdrage van de landbouw aan de totale fijnstofconcentratie uitgestoten
infecties van de lage luchtwegen als een belangrijk gezondheidseffect van
door alle Nederlandse bronnen samen bedraagt daarmee 25% tot 30%.
luchtverontreiniging.30 In Nederland waren in 2013 naar schatting 2.200
De veehouderij is verantwoordelijk voor 90% van deze bijdrage.34
ziekenhuisopnamen voor luchtwegklachten per jaar te wijten aan lucht
Melkgeitenhouderijen bleken in het VGO-III onderzoek beduidend lagere
verontreiniging (zo’n 10% van het huidige totale aantal ziekenhuisop-
24-uursgemiddelde emissies en piekemissies van fijnstof te hebben dan
namen door luchtwegklachten). Langdurige blootstelling aan lucht
leghen- en vleeskuikenbedrijven en ook een lagere fijnstofemissie dan
verontreiniging leidt gemiddeld tot een levensduurverkorting van 13
vleesvarkenbedrijven. Endotoxine-emissies waren eveneens lager dan die
maanden.29 Ongeveer 70% van het aantal verloren levensjaren door
van de andere typen veehouderijen.3 Ook emissie van ammoniak (een
Gezondheidsraad | Nr. 2025/20
2
hoofdstuk 03 | Aard en omvang gezondheidseffect
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | pagina 23 van 34
belangrijke bron van secundair fijnstof) uit geitenhouderijen is lager in
verlies door verminderde kwaliteit van leven en vroegtijdig overlijden) is op
vergelijking met bedrijven met rundvee, varkens en pluimvee.5,7,35
basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk vanwege verschillende onzekerheden (zie paragraaf 3.3). Dit belemmert de vergelijking met
Geitenhouderijen stoten ten opzichte van andere typen veehouderijen dus
andere risico’s.
minder stoffen (fijnstof, endotoxinen, ammoniak) die bijdragen aan luchtverontreiniging uit. Dat neemt niet weg dat ook langdurige lage endo
Een risico dat af te zetten is tegen het wonen in de nabijheid van geiten-
toxineconcentraties en kortdurende piekblootstelling aan endotoxinen
houderijen is blootstelling aan luchtverontreiniging. Uit voorgaande
luchtwegeffecten zouden kunnen veroorzaken bij omwonenden.36
passages blijkt dat het aantal personen dat in Nederland wordt bloot
Daarnaast is niet uit te sluiten dat primair fijnstof uit geitenhouderijen
gesteld aan luchtverontreiniging (afkomstig van o.a. verkeer, industrie en
specifieke gezondheidseffecten heeft. De endotoxinefractie in fijnstof
landbouw) en daar gezondheidseffecten van ondervindt, groter is dan het
afkomstig van geiten is bijvoorbeeld hoog ten opzichte van die in fijnstof
geschatte aantal personen dat in de nabijheid van een geitenhouderij
afkomstig van rund- en pluimvee.6
woont en een longontsteking oploopt. Die longontstekingen concentreren zich echter bij omwonenden van geitenhouderijen en voor die mensen is
Vergelijking met andere gezondheidsrisico’s
het risico op een longontsteking gemiddeld 19% en 73% hoger binnen
De Gezondheidsraad is gevraagd de ernst en het karakter van het
een woonafstand van respectievelijk 1 kilometer en 500 meter. De kans
gezondheidsrisico voor omwonenden van geitenhouderijen in perspectief
op een longontsteking is voor een individuele omwonende van een geiten-
te plaatsen ten opzichte van andere bekende risico’s voor de volks
houderij dus beduidend meer verhoogd dan bovengenoemde kans op
gezondheid waar een afwegingskader voor beschikbaar is. Om risico’s te
gezondheidseffecten als gevolg van langdurige blootstelling aan lucht
kunnen vergelijken moeten de blootstellings- en effectmaten gelijksoortig