Bijlage 2: Motivering
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan Molenweg, tussen 33a-35, Bergharen
MOTIVERING NL.IMRO.0296.TAMMolenweg33a35-VG01
1
Titel: Datum: Projectnummer: Adviesbureau: Auteur: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
TAM-Omgevingsplan Molenweg, tussen 33a-35, Bergharen 14-05-2025 2024.108 Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. (planoloog) en mr. David Wintraecken (planjurist) David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en planbeschrijving ........................................................................ 5 1.2 Ligging plangebied ........................................................................................ 6 1.3 Toetsing aan Omgevingsplan .......................................................................... 6 1.4 Wat is een TAM-Omgevingsplan .................................................................... 10 1.5 Leeswijzer .................................................................................................. 10 2. Gebiedsvisie ................................................................................................... 11 2.1 Bestaande situatie ...................................................................................... 11 2.2 Toekomstige situatie ................................................................................... 12 2.3 Landschappelijke inpassing .......................................................................... 13 2.4 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit .......................................................... 14 2.5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) ................................. 14 3.
Ruimtelijk beleidskader .................................................................................... 16 3.1 Inleiding .................................................................................................... 16 3.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 16 3.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 18 3.4 Regionaal beleid ......................................................................................... 21 3.5 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 22 4. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ............................................................ 26 4.1 Verkeer(sgeneratie) en parkeren .................................................................. 26 4.2 Bodem ....................................................................................................... 26 4.3 Geluid ....................................................................................................... 28 4.4 Bedrijven en milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid .................................... 30 4.5 Luchtkwaliteit .............................................................................................
32 4.6 Geurhinder ................................................................................................. 33 4.7 Omgevingsveiligheid ................................................................................... 35 4.8 Water ........................................................................................................ 37 4.9 Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie) ........ 40 4.10 Landschappelijke inpassing ......................................................................... 41 4.11 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................... 42 4.12 Fysieke belemmeringen: kabels en (buis)leidingen ........................................ 46 4.13 Duurzaamheid .......................................................................................... 47 4.14 Gezondheid als basis ................................................................................. 48 4.15 Vormvrij MER-beoordeling .......................................................................... 51 5. Juridisch bestuurlijke aspecten .......................................................................... 53 5.1 Werkingsbereik/toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan ................................... 53 6. Economische uitvoerbaarheid ............................................................................ 55
3
7. Participatie ..................................................................................................... 56
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
GV Advies, Landschappelijk inpassingsplan Molenweg Bergharen, Versie: 1.4, 13 december 2024 Aelmans Milieu, Verkennend bodemonderzoek Molenweg te Bergharen, Rapportnummer : AMO230631.005/WGE, 30 januari 2024 De Roever Omgevingsadvies, Watertoets Molenweg tussen 33a en 35 Bergharen, referentie: 20240301, 5 december 2024 Bureau voor Archeologie Rapport 1422. Perceel H1212, Molenweg, Bergharen, gemeente Wijchen: bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, 2 oktober 2024 Buro Maerlant, BM-RAPPORT 2023 Bergharen Molenweg tussen 33A en 35, 14 december 2023 MBH Consult B.V., Onderzoek stikstofdepositie Nieuwbouw woning, Molenweg te Bergharen, BHR02-H-1212, 9 januari 2024 Kleinschalig woningbouwinitiatief ‘Tussen Molenweg 33A-35’ in Bergharen’, maart 2023
4
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en planbeschrijving Initiatiefnemer is voornemens om op de voor ‘Wonen’ bestemde gronden aan de Molenweg te Bergharen, gemeente Wijchen, tussen huisnummers 33a en 35, een nieuwe, vrijstaande woning op te richten. De genoemde gronden zijn reeds voor woondoeleinden bestemd, echter ontbreekt tot op heden een bouwvlak. Het perceel waarop onderhavig planvoornemen van toepassing is, heeft een oppervlakte van 1565 m2 en is kadastraal bekend als gemeente Bergharen sectie H, nummer 1212. Navolgende afbeelding betreft een weergave van de kadastrale ondergrond (bron: www.pdok.nl).
De nieuwe woning zal een plek krijgen aan de bestaande dorpsrand van Bergharen. Het thans braakliggende terrein wordt een invulling gegeven met een bij de omgeving passende, vrijstaande woning. Met onderhavig initiatief wordt een open locatie binnen de bebouwde kom en aan een bestaand bebouwingslint van bebouwing voorzien: inbreiding gaat voor uitbreiding. De goot- en bouwhoogte van de woning in het nieuwbouwplan sluiten aan op de goot- en bouwhoogte, zoals die gelden voor de aanwezige woningen in de directe omgeving van het plangebied. Het plan van initiatiefnemer is in strijd met het vigerende omgevingsplan: woningbouw op de betreffende locatie is vooralsnog, planologisch-juridisch gezien, niet mogelijk, omdat een bouwvlak ontbreekt. Zoals in het verdere vervolg van deze motivering zal blijken, heeft het omgevings- en bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor het plangebied en de directe omgeving ervan.
5
De gemeente Wijchen heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan onderhavig planvoornemen. Het initiatief heeft voldoende kwaliteit op basis van de drie onderdelen: ruimtelijke kwaliteit, aansluiting bij de woonvisie en duurzaamheid & innovatie. Voorts is het een pré feit dat er sprake is van ligging in de bebouwde kom, van een levensloopbestendige woning en van een woning die aantoonbaar een energieneutrale woning wordt en de toepassing van ingemetselde vleermuis en vogelkasten.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in de kom van het dorp Bergharen, aan de Molenweg tussen de huisnummer 33a en 35, gemeente Wijchen. De omgeving van de locatie is voornamelijk in gebruik voor woondoeleinden en vormt onderdeel van de afronding van de bestaande dorpskern. Onderstaande luchtfoto geeft het plangebied weer (bron: maps.google.nl).
1.3 Toetsing aan Omgevingsplan Ter plaatse van de planlocatie geldt vanaf 1 januari 2024 het tijdelijke deel omgevingsplan. Deze bestaat onder andere uit de ruimtelijke regels uit de vervallen omgevingsplannen. Voor onderhavig planvoornemen zal een toetsing plaatsvinden op het tot 31 december 2023 vigerende omgevingsplan. Het plangebied valt binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Bergharen’ uit 2011. Binnen de vigerende regeling van het omgevingsplan ‘Bergharen’ zijn de functies ‘Wonen’ en ‘Agrarisch - Landschapswaarden’ van toepassing op het plangebied. Tevens is het gebied dubbel bestemd als ‘Archeologisch waardevol gebied’ en ‘Molenbeschermingszone’. Binnen de grenzen is wel een bouwvlak aanwezig. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de verbeelding van het omgevingsplan ‘Bergharen’.
6
De op de verbeelding voor "Wonen (W)" aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden en ter plaatse van de overeenkomstige aanduiding op de plankaart voor het betreffende functievlak(deel) meer in het bijzonder bestemd voor woondoeleinden in respectievelijk de volgende categorieën: - HV en LV vrijstaande woningen; - HO, en LO vrijstaande en dubbele woningen; - HG, en LG minimaal 3 aaneengebouwde woningen; - HM meervoudige woningen; een en ander met bijbehorende bouwwerken, voorzieningen, tuinen, erven en overige (on)bebouwde gronden. Voorts geldt ten aanzien van de omschreven doeleinden dat: 1.
gebruik van een deel van de woning en/of de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: • het (mede) ten behoeve van een aan huis verbonden beroep in gebruik te nemen vloeroppervlak maximaal 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning en/of de bijgebouwen mag bedragen met een maximum van 50 m²; • degene die de activiteiten in de woning en/of de bijgebouwen uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; • de activiteit mag niet leiden tot gebruik van extra parkeerruimte binnen het openbaar gebied; • er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden; hieronder worden niet begrepen handelsactiviteiten via het internet; • vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen niet zijn toegestaan; 2. aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten zijn niet toegestaan, behoudens met toepassing van een vrijstelling als bedoeld in 15.3. onder a; 3. een kantoor en/of praktijkruimte als nevenfunctie is toegestaan, daar waar dat op de plankaart is aangegeven met een aanduiding “(kp)”, met dien verstande dat het in gebruik te nemen vloeroppervlak ten behoeve van deze functie niet meer mag bedragen dan het vloeroppervlak van de begane grondbouwlaag van de woning; 4. ter plaatse van de aanduiding “bijgebouwen toegestaan” zijn bijgebouwen toegestaan;
7
5. het bestaande aantal woningen per bouwperceel mag niet worden vergroot; 6. ter plaatse van de aanduiding “gemeentelijk monument” en “rijksmonument’ de gronden tevens zijn bestemd voor de instandhouding van de hier aanwezige monumentale waarden. Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de omschreven doeleinden en met inachtneming van de enkele bepalingen. Voor hoofdgebouwen geldt dat: a. deze binnen de bouwvlakken worden gebouwd; met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan; b. deze met een minimum van 40 % van de breedte van de voorgevel in de voorgevelrooilijn worden gebouwd; c. de horizontale diepte de achtergevelrooilijn niet mag overschrijden; d. de afstand tot de zijdelingse grenzen van het bouwperceel minimaal 3 m bedraagt, met dien verstande dat deze afstand 0 m mag bedragen aan die zijde waar dat noodzakelijk is voor de bouw van dubbele, aaneengebouwde, en geschakelde woningen; e. de dakhelling minimaal 30° en maximaal 65° bedraagt, tenzij de bestaande woning een plat dak heeft; f. de goothoogte en de (nok)hoogte in de aangegeven categorieën maximaal als volgt bedragen:
g. met dien verstande dat ter plaatse van de aanduidingen “rijksmonument” en “gemeentelijk monument” de goothoogte en de (nok)hoogte van deze gebouwen niet meer mag bedragen dan op het moment van ter visie legging van het ontwerp van dit plan bestaande goothoogte en de (nok)hoogte; h. de breedte van de voorgevel in de aangegeven categorie maximaal als volgt bedraagt:
met dien verstande dat ter plaatse van de aanduidingen “rijksmonument” en “gemeentelijk monument” de breedte van de voorgevel van deze gebouwen niet meer mag bedragen dan op het moment van ter visie legging van het ontwerp van dit plan bestaande gevelbreedte. De op de plankaart voor “Agrarisch – Landschapswaarden (A-L)” aangewezen gronden zijn bestemd voor: • agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening; • water; • extensief recreatief medegebruik; • onverharde paden en landwegen; • instandhouding en ontwikkeling van landschappelijke waarden; • instandhouding van aardkundige waarden;
8
een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, voorzieningen en (on)bebouwde gronden. De op de plankaart voor “Archeologisch waardevol gebied (dubbelbestemming)” aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden, onderscheiden in archeologisch gebied (hoge waarde) en archeologisch verwachtingsgebied. Voorts geldt ten aanzien ten aanzien van dit artikel dat ter plaatse van de aanduiding “archeologisch gebied (hoge waarde)” op de plankaart de gronden zijn bestemd voor archeologisch gebied (hoge waarde). Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in dit artikel omschreven doeleinden, tenzij: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen volledig binnen een zone van maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht, of; d. het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 60m² behalve als de bouwlocatie is gelegen binnen een gebied met de aanduiding “archeologisch gebied (hoge waarde)”, in welk geval een oppervlak van 30m² geldt.
De op de plankaart voor ‘Molenbeschermingszone’ aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de instandhouding van de belangen van de buiten het plangebied gelegen bestaande molen als werktuig en beeldbepalend element. Op de primair tot ‘Molenbeschermingszone’ bestemde gronden mag binnen een afstand van 100 meter van de molen geen nieuwe bebouwing worden opgericht, met een grotere hoogte dan de hoogte van de molenbelt. Ten aanzien van de bouwhoogte van nieuw op te richten bouwwerken binnen een afstand van 100 tot 400 meter van de molen geldt de navolgende bepaling:
in welke formule voorstelt: X: de afstand in meters vanaf het obstakel tot de wieken van de molen. Strijdigheid bouwplan met omgevingsplan Onderhavig planvoornemen past feitelijk binnen de bestaande bestemming, echter betreft het voornemen het oprichten van een nieuwe woning, op een plek waar thans geen bouwvlak aanwezig is. Om een bouwvlak toe te voegen aan de bestaande planologischjuridische situatie dient aan verschillende voorwaarden te worden voldaan. Hiertoe behoort onder meer het uitvoeren van enkele onderzoeken om het plan milieu-hygiënisch te kunnen verantwoorden en te onderbouwen dat het plan geen negatieve gevolgen heeft op de bestaande omgeving en de bestaande omgeving geen negatief effect uitdraagt op het nieuwbouwplan. Om onderhavig planvoornemen te realiseren dient een planherzieningsprocedure te worden doorlopen. Een en ander dient tevens te worden voorzien van de benodigde onderzoeken.
9
1.4 Wat is een TAM-Omgevingsplan ‘TAM’ staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Met een TAM-Omgevingsplan is het mogelijk om met de IMRO-standaard voor bestemmingsplannen en bijbehorende software het Omgevingsplan te wijzigen. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is onderkend dat de planapplicaties voor het maken en publiceren van het omgevingsplan in combinatie met het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) vaak nog onvoldoende functioneren. Daarom is het TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt. Dit TAM-Omgevingsplan is dus opgesteld op basis van de IMRO-standaard voor bestemmingsplannen. Juridisch is het een wijziging van het omgevingsplan. Dit TAMomgevingsplan wordt een apart hoofdstuk van het tijdelijke Omgevingsplan. Uiteindelijk zal het verwerkt worden in het definitieve Omgevingsplan.
1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de motivering. Hoofdstuk 2 behandelt de gebiedsvisie: wat is de bestaande situatie van het plangebied en op welke manier wordt de toekomstige situatie geïntegreerd in de bestaande omgeving, rekening houdend met een evenwichtige toedeling van functies en locaties. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk-planologische beleidskader. Voor een beschrijving van de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 4. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 5 en het onderdeel uitvoeringsaspecten in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat het onderdeel maatschappelijke uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 8 is een slotconclusie opgesteld.
10
2. Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie De omgeving van Bergharen bestaat uit een groen gebied met een landelijke uitstraling. Bergharen is gelegen ten noordwesten van Wijchen. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van een luchtfoto (bron: maps.google.nl).
Navolgende foto betreft een weergave van het plangebied, bezien vanaf de Molenweg (bron: maps.google.nl – streetview). Zichtbaar is dat de locatie thans in gebruik is als grasland.
11
2.2 Toekomstige situatie De beoogde ruimtelijke ingrepen voorzien in een verandering van de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Uitgaande van de opzet van het bouwplan en de uitgangspunten opgenomen in de diverse beleidstukken van provincie en gemeente, blijven de goot- en nokhoogte en massa bescheiden en het materiaal- en kleurgebruik terughoudend. De architectonische uitstraling van de bouwwerken is in ieder geval ingetogen. De groene overgang vanaf de achterkant van de woning het buitengebied in blijft behouden. Er ontstaat derhalve geen harde afscheiding van het buitengebied naar de bebouwing. Wonen aan de Molenweg betekent de opname in het diverse beeld van de lintbebouwing van de Molenweg, zo nu en dan met een spannende doorkijk naar het achterland. Het planvoornemen ligt binnen de bebouwde kom en kan het historische bebouwingslint van de Molenweg verder versterken. De nieuwe woning kent een kaprichting overeenkomstig aan het diverse beeld van kaprichtingen aan de Molenweg. De woning is uitermate geschikt voor (vitale) senioren. De doelgroep staat nog vitaal in het leven en is in staat om een tuin te onderhouden. Vanuit de gemeente Wijchen wordt waarde gehecht aan het bouwen voor haar dorpsbewoners. Voor Bergharen achten men dit ook van belang.
Er zal een grote doelgroep zijn die bewust van groter naar kleiner (comfortabel) zal willen verhuizen met toch de charme van een tuin. De doelgroep is met deze woningen vrij breed en kan middels maatwerk voor een grote groep beschikbaar komen. Dat zou ook het uitgangspunt zijn, om zodoende ook een geringe verhuisbeweging in Bergharen zelf op gang te brengen, waarmee nog meer mensen passend gehuisvest kunnen worden en er een maximale bijdrage wordt bereikt qua leefbaarheid en vitaliteit van Bergharen. Doordat de vrijstaande levensloopbestendige woning naadloos past binnen de bestaande structuur van de Molenweg, wordt voorkomen dat wordt gebouwd in het buitengebied. De woning is gasloos en wordt uitgevoerd als EnergieNeutrale Gebouwen (ENG) → vervanger van EPC(0). Daarmee een label welke uitkomt tussen A++ of A+++. Bij de realisatie wordt uitgegaan van het gegeven dat het gebouwgebonden verbruik wordt geleverd door de reeds voorziene (20 stuks) zonnepanelen. Voor het huishoudelijke deel zal dit niet volledig door de zonnepanelen opgewekt worden, maar is dit tevens een stimulans voor de toekomstige bewoners hier heel bewust mee om te gaan in het verbruik. De woning wordt voorzien van ingemetselde vogel- en vleermuiskasten. De woning kan geheel naar wens van de bewoners uitgevoerd worden.
Op de begane grond zijn in de basis alle primaire woonfuncties opgenomen met daarnaast de mogelijkheid op de verdieping voor een logeer- en of hobbyruimte. Navolgende afbeelding – welke tevens is opgenomen in bijlage 7 – betreft een eerste schetsontwerp van de nieuwe woning, welke een gebruiksvloeroppervlak krijg van circa 140 m2 en een inhoud van circa 650 m3.
12
2.3 Landschappelijke inpassing Landschappelijk gezien zie je verschillen tussen het heden en verleden. Momenteel is het doorzicht naar het achterland geblokkeerd door groene bossages die begin deze eeuw lijken te zijn aangeplant. Tussen Molenweg 33a en 35 wordt dit al hersteld door de landschappelijke inpassing. Hierop wordt met het landschappelijk inpassing verder geborduurd op het beoogde perceel. Duurzaamheid is meer dan alleen de woning, maar ook de omgeving. inittaiefnemer neemt vogelkasten op in de woning, leggen een bloemenweide en vijver aan voor opvang van hemelwater. Door GV Advies is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Van toepassing zijnde beleidsuitgangspunten uit het Groenstructuurplan Wijchen (2008), het Groenstructuurplan kleine kernen (2004), de Actualisatie hondenuitlaatbeleid (2016), het Beleidsplan natuur en biodiversiteit (2020), Landschapsontwikkelingsplan Beuningen, Druten, Wijchen (2006), de Criteria en lijst waardevolle bomen (2014) en het Beleidsplan natuur en biodiversiteit (2020) zijn in dit plan geintegreerd. Dit plan is bijgevoegd als bijlage 1, navolgend kaartbeeld geeft de gewenste inpassing weer.
13
2.4 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit De beoogde ruimtelijke ingreep heeft een positieve invloed op de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ter plaatse van de planlocatie. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie met ruimtelijke beeldkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende woonbebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied in stand houdt en, door de voorgestelde aanpassingen, verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
2.5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) De evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) houdt in dat de activiteiten die op grond van een omgevingsplan kunnen worden verricht zich zodanig tot elkaar verhouden, dat ze elkaar niet in de weg zitten. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waar op de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren. Het bevoegd gezag heeft bij het wegen van de relevante belangen niet de volledige vrijheid. De speelruimte is – net als nu – beperkt door nationale en provinciale regelgeving. Deze regels zijn instructieregels. De gemeente is verplicht om een omgevingsvisie vast
14
te stellen. Hierin wordt richting gegeven aan het beleid over de fysieke leefomgeving. Ook andere beleidsdocumenten dragen bij aan het invullen van de weging van belangen en daarmee aan de uitkomst van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In navolgende hoofdstukken zal blijken dat het planvoornemen passend is binnen de bestaande beleidsuitgangspunten: zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijke. Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 4 dat er wordt voldaan aan de milieu- en ruimtelijke voorwaarden.
15
3. Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Rijk en provincies beschikken in de Omgevingswet over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen.
3.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: • Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planuitwerking heeft met name betrekking op sterke en gezonde steden en regio’s. Instructieregels rijk (AMvBs) De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): 1. het Omgevingsbesluit (Ob); 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan: • De dienstenrichtlijn (art 5.1a Bkl); • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl); • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl); • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl); • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
16
• •
•
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).
Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planuitwerking betreft de oprichting van één nieuwe, vrijstaande woning op gronden die reeds zijn bestemd voor woondoeleinden. De nieuwe woning zal een plek krijgen aan de bestaande dorpsrand van Bergharen. Het thans braakliggende terrein wordt een invulling gegeven met een bij de omgeving passende, vrijstaande woning. Met onderhavig initiatief wordt een open locatie binnen de bebouwde kom en aan een bestaand bebouwingslint van bebouwing voorzien: inbreiding gaat voor uitbreiding. Het initiatief is kleinschalig van karakter en staat hiermee geen enkele van de instructieregels behorende tot het Besluit kwaliteit leefomgeving in de weg. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving) Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft zorgvuldig ruimtegebruik als doel. De Ladder geeft invulling aan het zorgvuldig en transparant afwegen van besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. De behoefte wordt aan de toelichting van een omgevingsplan toegevoegd. Dit op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk.
Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.
Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden.
17
In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De ruimtelijke motivering van het planvoornemen moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of de planlocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de ruimtelijke motivering een beschrijving van de behoefte te bevatten. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing.
In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie en verder uitgewerkt in de regels zoals opgenomen in de AMvB's. Er is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik middels invulling van een woonbestemming, binnen een bestaand bebouwingslint in een bestaande woonkern.
3.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Provincie Gelderland De komende decennia komt er veel op Gelderland af: het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. De provincie zet in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. •
•
Gezond en veilig; dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is ook voorbereid zijn op klimaatverandering, verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend; dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende
18
arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, alsmede het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden.
Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Omgevingsverordening provincie Gelderland De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Per regio stellen de gemeentebesturen een regionale woonagenda op. Gedeputeerde Staten stellen de regionale woonagenda vast, als de agenda in overeenstemming is met de regionale opgave en het meest recente provinciale beleid.
Als nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of een noodzakelijke actualisatie van de vigerende regionale woonagenda nog niet heeft plaatsgevonden, beoordelen Gedeputeerde Staten, totdat die regionale woonagenda is vastgesteld of na actualisering opnieuw is vastgesteld een omgevingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt aan de volgende criteria: 1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; 2. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid; 3. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling. Een omgevingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden: 1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; 2. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;
19
3. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en 4. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling. Provincie en partners hebben elkaar nodig om dorpen en steden in Gelderland verder te versterken. Vanuit dat perspectief zijn in de Omgevingsvisie ‘het speelveld en de spelregels’ beschreven. Doelen en kwaliteit staan centraal, niet de exacte middelen. Opgaven vergen soms een nadere uitwerking. Doorwerking (plan)gebied De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Gelderland wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het provinciale beleid is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt in het bestaand stedelijk concentratiegebied van de provincie Gelderland en vormt een inbreidingslocatie. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt daarmee aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, herstructureren en intensiveren).
Zoals hiervoor opgemerkt heeft bij de ontwikkeling van de onderwerpelijke stedelijke functie een duidelijke afweging plaats gevonden naar behoefte, locatie en relatie tot de omgeving. Voor een nadere uiteenzetting hieromtrent wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is vermeld in paragraaf 3.2 (Rijksbeleid) met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking. Eén van de doelstellingen uit de Omgevingsvisie betreft het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Daarbij is het van belang om te ontwikkelen met kwaliteit en recht te doen aan de kwaliteiten van het gebied. Onderhavig plan voorziet in de realisatie één nieuwe woning, ingepast in een bestaand lint in Bergharen, welke een afronding vormt van de bestaande dorpskern. Dit plan betreft een inbreiding binnen het bestaand stedelijk gebied. De nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving en de bestaande bebouwingsstructuur. Daarmee wordt de kwaliteit van de leefomgeving gewaarborgd en versterkt. Het plan sluit aan bij de Omgevingsvisie. Van belang is dat het plan bijdraagt aan het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de directe omgeving ervan. Het ruimtegebruik dat de voorgestane ontwikkeling voor ogen staat, sluit aan op de principes van zorgvuldig ruimtegebruik.
Met de ontwikkeling van het bouwplan ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied niet alleen in stand houdt, maar door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. De ontwikkeling past wat aard, schaal en functie betreft binnen (de omgeving van) het plangebied. Tevens heeft de planmatige aanpak tot gevolg dat er een concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Een en ander heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de verordening. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en -uitgangspunten. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plannen worden verder gemotiveerd in de hoofdstuk 4. Hoofdstuk 2, paragraaf 4 heeft reeds de aspecten ‘ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit’ behandelt.
20
Conclusie De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland.
3.4 Regionaal beleid In deze paragraaf worden het relevante regionale beleidsstuk behandeld. Woondeal 2.0 groene metropoolregio Arnhem-Nijmegen Toetsingskader In 2020 zijn gemeenten binnen de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen, provincie Gelderland en Rijk een langjarig partnerschap aangegaan voor een beter werkende woningmarkt. Het partnerschap is vastgelegd in de woondeal uit 2020. Marktpartijen en woningcorporaties hebben hun ondersteuning hierbij uitgesproken. Met de geactualiseerde Woondeal 2.0, vastgesteld op 8 maart 2023, onderkennen partijen de bovengemiddeld grote woonopgave, continueren de samenwerking uit 2020 en geven het partnerschap verder vorm. De Woondeal 2.0 zet in op zeven werkafspraken: 1. Woningbouwopgave en versnelling 2. Betaalbare woningen voor lage en middeninkomens 3. Huisvesting aandachtsgroepen 4. Klimaatadaptief, conceptueel en circulair bouwen 5. Leefbaarheid en stadsvernieuwing 6. Verstedelijking en gebiedsontwikkeling 7. Overige thema’s als vakantieparken, stikstof en elektriciteitsnetwerken Partijen streven naar de bouw van 33.000 woningen tot en met 2030 in de Groene Metropoolregio. En richting 2040 zo’n 55.000 woningen. De woningbouwopgave voor gemeente Wijchen is 2.060 woningen.
In lijn met de nationale doelstelling om toe te groeien naar 2/3e betaalbare nieuwbouwwoningen, wordt ingezet op een vergroting van de beschikbaarheid van woningen voor mensen met lage en middeninkomens, waaronder veel starters. Iedere gemeente zorgt vanaf 2025 binnen de gemeentebrede nieuwbouwopgave voor minimaal 30% sociale huur en minimaal 35% middenhuur en betaalbare koop (tot € 390.000, landelijke betaalbaarheidsgrens, prijspeil 2024). Op basis van het woningbehoefteonderzoek zet de regio zich ervoor in dat een deel van het middensegment bestaat uit betaalbare koopwoningen voor lagere inkomens, met een prijs van maximaal € 250.000 of middenhuur (woningen tussen € 808-€ 1.123, prijspeil 2023). Op basis van het woningbehoefteonderzoek is er ruimte voor uitwisseling tussen de betaalbare segmenten, met dien verstande dat er voldoende sociale huurwoningen en middenhuur/betaalbare koopwoningen voor lagere inkomens worden toegevoegd. Aanvullend op het bouwprogramma wordt ingezet op extra kansen door betere benutting van de bestaande woningvoorraad, herstructurering of transformatie van bestaand vastgoed. Transformatie van zelfstandige woningen naar woonruimten voor meerdere kleine huishoudens met gemeenschappelijke voorzieningen biedt kansen.
Ook flexibele en tijdelijke woningen en vernieuwende bouwconcepten bieden kansen, waardoor op een snelle manier voorzien kan worden in de woningbehoefte. Daarnaast spant de regio zich in om sterke, toekomstbestendige en gedifferentieerde wijken te realiseren.
21
Er wordt gezorgd voor voldoende betaalbare woningen voor aandachtsgroepen en een evenwichtige spreiding daarvan over de gemeenten. Specifieke aandacht is nodig voor de ondersteuning van de woonbehoeften van ouderen. Er is een toenemende behoefte aan woningen die aansluiten bij de wensen van ouderen. Partijen werken samen aan een regionaal programma circulair en conceptueel bouwen. De regio spant zich in om in 2025 minimaal 25% en in 2030 minimaal 50% van het aantal woningen industrieel te laten bouwen. En om in 2025 minimaal 25% en in 2030 minimaal 50% minder primaire grondstoffen in projecten te gebruiken. Ook wordt klimaatbestendigheid meegenomen in het ontwerp van gebouwen en buitenruimte. Doorwerking (plan)gebied Onderhavig planvoornemen betreft de toevoeging van een nieuwe, vrijstaande woning, welke uitermate geschikt is voor senioren op de woningmarkt. De woning wordt opgericht binnen bestaand stedelijk gebied, op een woonbestemming. Aangezien sprake is van nieuwbouw wordt zo veel als mogelijk aangesloten bij de huidige wensen en uitgangspunten op het gebied van energietransitie, duurzaamheid en klimaatadaptatie. Dit is reeds verantwoord in hoofdstuk 2 van deze motivering. Er wordt dus aansluiting gevonden op het beleid zoals opgenomen in de Woondeal 2.0 groene metropoolregio Arnhem-Nijmegen.
Conclusie Het plan is in lijn met de Woondeal 2.0 groene metropoolregio Arnhem-Nijmegen.
3.5 Gemeentelijk beleid In deze paragraaf worden de relevante gemeentelijke beleidsstukken kort en globaal behandeld. In paragraaf 1.3 deze toelichting is al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels. Strategisch Kompas: Wijchen2035 ‘De Kracht van Wijchen’ (vastgesteld 20 oktober 2022) Toetsingskader Op 20 oktober 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Wijchen vastgesteld. Het Strategisch kompas vormt het koersdocument van de gemeente tot het jaar 2035. Het document vormt een toetsingskader voor toekomstig beleid en formuleert de opgaven van de gemeente voor deze periode. De gemeente Wijchen voorziet tot 2035 een groei naar circa 45.000 - 50.000 inwoners. De vergrijzing van de gemeente leidt tot opgaven, bijvoorbeeld door het trekken van meer jongeren. Brede welvaart en duurzaamheid zijn aspecten waar aandacht aan besteed wordt. De gemeente wil zich daarnaast nog meer richten op de verbindende rol die het heeft: inwoners, partners en ondernemers werken aan prettig wonen, werken en leven. Speerpunten uit het Strategisch Kompas zijn: 1. Voldoende woningen voor inwoners in elke levensfase; 2. Aantrekkelijke groene wijken en kernen, met goede voorzieningen en bereikbaarheid; 3. Iedereen aan het werk. Bij het vestigen van bedrijven geldt kwaliteit boven kwantiteit; 4.
Een sterke, gezonde en sociale samenleving, met oog voor mentale en fysieke gezondheid, preventie, maatwerk en zorg dichtbij huis; 5. Energieneutrale en fossielvrije toekomst; 6. Krachtige samenwerking tussen gemeente(n), inwoners, ondernemers en partners.
22
In 2035 is het goed wonen in Wijchen, omdat de mogelijkheden aansluiten bij de wensen en behoeften van de inwoners van gemeente Wijchen. Er zijn voldoende betaalbare en geschikte woningen voor alle inwoners, van jong tot oud. Inwoners hebben de mogelijkheid om hun eigen woning aan te passen of binnen de gemeente te verhuizen naar een woning die hen past. Daarnaast is er ruimte voor specifieke doelgroepen als ouderen en mensen met een beperking. De gemeente groeit door naar een gemeente met ongeveer 45.000-50.000 inwoners en er wordt gewerkt aan verdere groei om ervoor te zorgen dat de vergrijzing wordt tegen gegaan en jongeren een plek kunnen krijgen in Wijchen. Daarnaast speelt er de regionale woningbouwopgave waaraan de gemeente een bijdrage aan levert. Dit betekent dat er de komende jaren ongeveer 4.000 woningen worden bijgebouwd. Er zijn dan genoeg passende woningen beschikbaar, voor zowel de toenemende groep eenpersoonshuishoudens als de toenemende groep ouderen en jongeren. Naast het tegengaan van vergrijzing en ontgroening is er ook een opgave in het versterken van de sociale cohesie, door onder andere nieuwe woonvormen te creëren. Doorstroming van generaties draagt bij aan passend wonen. Door een goede mix van woningen worden de wijken divers en inclusief.
Dit betekent verschillende woningtypen, doelgroepen en prijsklassen naast elkaar, waardoor de wijk ook op lange termijn veerkrachtig en leefbaar blijft. Het is belangrijk dat het dorpse karakter van Wijchen behouden blijft. Daarom vindt de uitbreiding van woningen vooral in de kern van Wijchen plaats. De gemeente gaat actief aan de slag met flexibele woonvormen. De huidige samenleving vraagt om adaptief bouwen, om grote projecten gefaseerd te realiseren en telkens te kijken of plannen bijgesteld moeten worden. Op deze manier blijft er goede aansluiting op de behoeften van inwoners en bij de maatschappelijke (regionale) opgave. Om groene wijken te realiseren, wordt gewerkt met het groen-blauwraamwerk. Er is ruimte voor hogere woongebouwen, vooral bij nieuwe wijkontwikkeling in en rond de kern Wijchen. Zo kunnen er meer woningen worden gerealiseerd, zonder dat het ten koste gaat van een groene woonomgeving. Er geldt geen harde (maximale) hoogtegrens. Op projectniveau wordt gekeken wat passend en mogelijk is om goed een gevarieerde wijken te realiseren. Waar mogelijk wordt gekozen voor inbreiding boven uitbreiding. Doorwerking (plan)gebied Dit omgevingsplan maakt de ontwikkeling van één woning mogelijk op een thans braakliggende locatie binnen het bebouwde gebied van Bergharen.
Het voornemen betreft een afronding van het bebouwingslint aan de noordrand van de kern, op reeds voor ‘Wonen’ bestemde gronden. Dit plan verhoogt onder meer de kwaliteit en diversiteit aan woningen. Met het plan wordt aansluiting gezocht en gevonden op de meest actuele wensen en ambities op het gebied van energietransitie, duurzaamheid en klimaatadaptatie. Het plan betreft een levensloopgeschikte woning bestaande uit één bouwlaag met kap. Conclusie Dit plan doet geen afbreuk aan de ambitie opgesteld in de Strategisch Kompas: Wijchen2035 ‘De Kracht van Wijchen’. Woonvisie gemeente Wijchen 2024-2028 Toetsingskader De woonvisie is een kader dat richting geeft aan ontwikkelingen die de gemeente raken. Hierin wordt omschreven waar moet worden bijgestuurd, afgeremd of juist versneld om de doelen te bereiken.
23
De woonvisie richt zich op twee speerpunten: het thuisgevoel versterken en verder kijken dan de trends van nu. Wijchen kent een hoge mate van vergrijzing. Het is van belang dat we alert zijn op de mogelijkheden van de toekomst en daar op tijd op anticiperen. Er is extra aandacht nodig voor een aantal groepen inwoners zodat de gemeente Wijchen voor iedereen een passende kwaliteit van wonen kan bieden. Bijvoorbeeld voor jongeren. Er zijn nu (te) weinig geschikte woningen voor jongeren en onvoldoende kennis over hun woonbehoeften. Daarnaast blijven mensen met een zorgvraag langer thuis wonen. Dit leidt tot een toenemende behoefte aan een meer divers woningaanbod, met woonvormen die nu nog onvoldoende beschikbaar zijn in Wijchen. Een voorbeeld hiervan is Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). De lokale behoefte en vraag bestaat vooral uit kwalitatieve en betaalbare woningen voor jongeren, (vitale) senioren, middeninkomens en mensen met een zorgvraag. Eén- en tweepersoonshuishoudens maken een groot deel uit van deze groepen. Dat vertaalt zich in een behoefte aan meer kleine en betaalbare woningen, zowel in de huur- als koopsector. Om de woningvoorraad duurzaam en gevarieerd te houden, wordt flexibel omgegaan met nieuwe initiatieven.
In de beoordeling van nieuwe aanvragen voor woningen wordt daarom gekeken naar de meerwaarde die het heeft voor leefbaarheid in de wijken en kernen: • De (lokale) behoefte is leidend. Plannen moeten kwantitatief en kwalitatief aansluiten bij de behoefte. • Nieuwbouw moet bijdragen aan de identiteit van een wijk of kern. Daarbij gaat het zowel om de ruimtelijke als de sociale kwaliteit. • Vervanging en verbetering van bestaande bebouwing, gaat voor uitbreiding. • Kleinschalige en gefaseerde woningbouw heeft de voorkeur. Dat vergroot de kans om in te spelen op veranderingen in de vraag en de innovatie en duurzaamheid op de woningmarkt te bevorderen. • Nieuwbouw is alleen mogelijk wanneer dat de bestaande situatie in de wijk of kern verbetert. • Type woningen en woonvormen die er nu nog niet of nauwelijks zijn binnen de gemeente Wijchen hebben de voorkeur. • Waar mogelijk tenminste energieneutraal en gasloos (Het beleid anno 2023 verplicht gasloze woningen. Onderhavige ontwikkeling voldoet hieraan). • Nieuwbouw vraagt om een goede marktanalyse en gesprekken met mogelijke kopers vooraf. • Tijdelijke en flexibele woningbouw is mogelijk om in te spelen op de verwachtingen op lange termijn. • Speciale aandacht voor voldoende woningaanbod in de kerkdorpen. Om de leefbaarheid en de identiteit van de kerkdorpen te behouden is het van belang dat er voldoende woningaanbod is.
Doorwerking (plan)gebied De woningbehoefte is in zijn algemeenheid groot in Nederland. Om doorstroom te bevorderen zijn vrijstaande woningen gewenst. Een en ander wordt afgestemd in overleg met gemeente Wijchen. Het plan betreft een levensloopgeschikte woning bestaande uit één bouwlaag met kap. Conclusie Het plan past binnen de kaders van de Woonvisie gemeente Wijchen 2024-2028.
24
Mobiliteitsplan Druten Wijchen en de Mobiliteitsvisie Druten Wijchen, duurzaam onderweg tussen Maas en Waal en Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen 2016 Toetsingskader Een belangrijk aandachtsveld is het parkeren. In de parkeerbehoefte wordt voorzien door een passend aanbod van parkeerruimte. Het huidige parkeerbeleid kent de volgende pijlers: • In principe dient elk gebied, voorziening, complex, bedrijf of instelling in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Daarbij is het belasten van omliggende gebieden met parkeerdruk door een plaatselijk tekort ongewenst. • Gestreefd wordt om in de toekomst geparkeerde auto's zoveel mogelijk aan de openbare ruimte en aan het zicht te onttrekken. Parkeerterreinen met gestald blik, maar ook straten overvol met auto's zijn ongewenst. • Het parkeerbeleid is restrictief in die gebieden waar de ruimte schaars is, de aanwezigheid van de auto ongewenst is en waar alternatieven beschikbaar zijn. Per activiteit en gebied worden parkeernormen gehanteerd. Deze parkeernormen kwantificeren de benodigde parkeercapaciteit uitgedrukt in aantal parkeerplaatsen. Met dat aantal parkeerplaatsen kan een gebied of complex in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Wijchen sluit aan bij de door het CROW (Nationaal kenniscentrum verkeer, vervoer en infrastructuur) opgestelde landelijke parkeernormen.
Doorwerking (plan)gebied In paragraaf 4.6 wordt verder ingegaan op het bovenstaande. De nieuwe situatie past binnen het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan. Conclusie Het plan past binnen de kaders van de Mobiliteitsplan Druten Wijchen en de ‘Mobiliteitsvisie Druten Wijchen, duurzaam onderweg tussen Maas en Waal’ en Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen 2016. Slotconclusie gemeentelijk beleid voor (plan)gebied Met het bouwplan wordt zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik nagestreefd. Geen uitbreiding, wel inbreiding, herontwikkeling, herstructurering en verdichting. De gemeente Wijchen streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw. Het onderliggende bouwplan is in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen en uitgangspunten van de gemeentelijke visie. Zodoende is gewaarborgd dat zowel de afzetbaarheid als de maatschappelijke betekenis van het initiatief gegarandeerd zijn. De initiatiefnemer heeft uitvoerig overleg gevoerd met de gemeente om zo volledig mogelijk te beantwoorden aan de wensen en behoeftes, zoals opgenomen in de verschillende beleidsstukken van de gemeente Wijchen. Zodoende is gewaarborgd dat zowel de afzetbaarheid als de maatschappelijke betekenis van het bouwplan gegarandeerd zijn.
25
4. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu De ruimtelijke ontwikkeling dient praktisch uitvoerbaar te zijn. In dit kader is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan alle ruimtelijke en milieu-hygiënische (deel)aspecten. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. Dit hoofdstuk gaat in op de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkeling in het gebied gelegen aan de Molenweg te Bergharen. De resultaten van de kwalitatieve onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer, parkeren en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.
4.1 Verkeer(sgeneratie) en parkeren De gemeente Wijchen streeft naar een goede ontsluiting en een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd moet en kan worden. De ontsluiting van de woning vindt plaats op de Molenweg, via nog aan te leggen inrit. Wat betreft het parkeren wordt er op de ruime kavel ruimte gereserveerd voor 3 parkeerplekken voor bewoners en bezoekers. Van afwenteling op de openbare ruimte zal geen sprake zin. Het toevoegen van één enkele woning heeft verder geen (significant) effect op de verkeersgeneratie.
4.2 Bodem Toetsingskader Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het lokale Omgevingsplan is het noodzakelijk om rekening te houden met de bodemgesteldheid bij de uitvoering van een project om de uitvoerbaarheid ervan te waarborgen. Bij de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de bodemkwaliteit voldoen aan de beoogde functie, en moet worden vastgesteld of er een noodzaak tot sanering bestaat. Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving dient, indien de betreffende bodemkwaliteit niet aan de norm voor de beoogde functie voldoet, de grond zodanig gesaneerd of anderzijds beschermende maatregelen genomen te worden dat deze geschikt is voor de beoogde functie. Zowel op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving als de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing voordat een vergunning kan worden verleend.
26
Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit een belemmering kan vormen voor de realisatie ervan. In de meeste gevallen is het mogelijk om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Echter, er bestaat een risico dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld vanwege te hoge saneringskosten. Bij een wijziging van de bestemming of functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht als deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van voorliggend omgevingsplan c.q. onderliggend bouwplan is door Aelmans Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen. Bovengrond De bovengrond is analytisch in de grond(meng)monsters 1 en 2 onderzocht. Uit de analyseresultaten kan worden geconcludeerd, dat er een lichte verontreiniging met koper is aangetoond (Bbk:‘landbouw/natuur’). Ondergrond De ondergrond is analytisch in de grond(meng)monster 3 onderzocht. Uit de analyseresultaten kan worden geconcludeerd, dat er geen verontreiniging is aangetoond. Grondwater In het grondwater is een lichte overschrijding aan koper aangetoond. De aangetroffen concentratie overschrijd enkel de streefwaarden en vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde werkzaamheden.