Bijlage 2 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 3571
Plangebied Huurlingsedam 64 Gemeente Wijchen Archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Colofon Titel: Huurlingsedam 64, gemeente Wijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek Versie: 29-10-2018 Auteur: G. Zielman MA Projectcode: WYHN Bestandsnaam: RAAPrap_3571_WYHN_20181029 Projectmedewerker: R. Nillesen MA Objectfoto’s: K.L.W. Bosma MA Autorisatie: J. Vosselman MA
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2018 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aanspra kelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Samenvatting In opdracht van IM-RO Vastgoedontwikkeling & Procesmanagement heeft RAAP op 17 september 2018 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van voorgenomen woningbouw aan de Huurlingsedam in de gemeente Wijchen. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van de vindplaats. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Is de archeologische vindplaats behoudenswaardig, en, zo ja, kan deze behouden blijven of dient deze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het plangebied 4 proefsleuven aangelegd met een totaal 2
oppervlak van 364 m . Dit komt neer op een dekkingsgraad van 3,7 % van het totale plangebied. In de proefsleuven zijn met name in het oostelijke deel van het plangebied archeologische resten aangetroffen. Het gaat om een greppel en een kuil uit de periode late middeleeuwen t/m nieuwe tijd en om een opgevulde depressie waarin aardewerk is gevonden uit de periode van de Hilversumcultuur (periode t/m ca. 1900- 1600 voor Chr.), aardewerk uit de ijzertijd t/m Romeinse tijd en e
e
kogelpotaardewerk (9 t/m 11 eeuw na Chr). Aard van de vindplaats
:
Nederzetting
Diepteligging
:
Vanaf 0,35 m -Mv
Datering
:
vroege bronstijd t/m romeinse tijd en late middeleeuwen t/m nieuwe tijd
Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconclude erd dat het gaat om een niet behoudenswaardige vindplaats. Het selectieadvies luidt: vrijgeven.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[3]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 6 1.2 Voorgaand onderzoek .......................................................................................................................... 7 1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen ..................................................................................................... 9
2 Methoden ....................................................................................................................................... 11 2.1 Algemeen ...........................................................................................................................................11 2.2 Werkputten .........................................................................................................................................11 2.3 Documentatie en registratie .................................................................................................................12 2.4 Behandeling van sporen ......................................................................................................................13 2.5 Behandeling van vondsten ...................................................................................................................13 2.6 Behandeling van profielen ...................................................................................................................13 2.7 Bemonstering .....................................................................................................................................13 2.8 Uitwerking ..........................................................................................................................................14
3 Resultaten ...................................................................................................................................... 15 3.1 Landschap en stratigrafie ....................................................................................................................15 3.2 Sporen en structuren ...........................................................................................................................17 3.3 Vondsten ............................................................................................................................................19 3.4 Interpretatie van de vindplaats .............................................................................................................23 3.5 Waardestelling ....................................................................................................................................24 3.6 Beantwoording van de onderzoeksvragen ............................................................................................27
4 Conclusie ....................................................................................................................................... 29 5 Selectieadvies ................................................................................................................................ 30 Literatuur .......................................................................................................................................... 31 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 32
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[4]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
1 Inleiding In opdracht van IM-RO Vastgoedontwikkeling & Procesmanagement heeft RAAP op 17 september 2018 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van voorgenomen woningbouw aan de Huurlingsedam in de gemeente Wijchen (figuur 1). Dit onderzoek is noodzakelijk in verband met de voorgenomen werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten.
Figuur 1. De ligging van het plangebied (omlijnd). Inzet: ligging in Nederland (ster).
Het proefsleuvenonderzoek is een vervolg op het waarderend/karterend booronderzoek, waaruit is gebleken dat de kans groot is dat in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn ( Flokstra & Heunks, 2005 ).
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[5]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de erfgoedwet. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot van de provincie Gelderland. Voorafgaand aan het onderzoek is, conform de KNA een programma van Eisen (PvE) opgesteld (Flokstra, 2018). Dit PvE diende als uitgangspunt voor het onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, 4004 Opgraven (landbodems) en 4006 Specialistisch onderzoek. Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.
1.1 Administratieve gegevens Plangebied
Huurlingsedam 64
Opdrachtgever
IM-RO Vastgoedontwikkeling & Procesmanagement
Contactpersoon opdrachtgever
T. Ten Ellen
Bevoegde overheid
Gemeente Wijchen
Contactpersoon bevoegde overheid
E. van der Linden
Plaats
Wijchen
Gemeente
Wijchen
Provincie
Gelderland
Coördinaten
179.720/422.868
Toponiem
Huurlingsedam 64
Periode veldwerk
17 september 2018
Projectleider
G. Zielman
Projectmedewerkers
R. Nillesen
Onderzoeksmeldingsnummer
4634889100
Bewaarplaats vondsten
RAAP Oost
Bewaarplaats documentatie
RAAP Oost
Tabel 1. Administratieve gegevens.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[6]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
1.2 Voorgaand onderzoek Zowel in het plangebied als in de directe omgeving zijn in het verleden archeologische onderzoeken uitgevoerd. Hieronder worden de bekende gegevens van het plangebied en de directe omgeving kort beschreven. Binnen het plangebied is reeds een verkennend- en een karterend booronderzoek uitgevoerd, waarbij binnen het plangebied een vindplaats is vastgesteld (vindplaats 2) . Op basis van het uit te voeren waarderend proefsleuvenonderzoek wordt duidelijk of binnen het plangebied daadwerkelijk sprake is van een behoudenswaardige vindplaats.
Figuur 2. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) op de resultaten van het karterend booronderzoek (Heunks & Flokstra, 2005, kaartbijlage 1). De gekleurde boorpunten geven de periode van de aangetroffen vondsten aan. Binnen het plangebied lopen deze uiteen uit de Neolithicum-Bronstijd (blauw), IJzertijd-Romeinse tijd (oranje) en Romeinse tijd-Vroege Middeleeuwen (rood).
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[7]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Het plangebied ligt direct ten zuidwesten uit van een terrein van hoge archeologische waarde (ARCHIS-monumentnummer 4232). Deze hoge verwachting valt samen met de aanwezigheid van een dagzomend rivierduin in de ondergrond. Tijdens een bodemkartering in 1949 zijn resten vastgesteld uit het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd. Soort onderzoek
Uitvoerder
Uitvoeringsperiode
Rapportage
Oppervlaktekarteringen/boringen
Stiboka
1949
Pons, 1949
Verkennend booronderzoek
RAAP
2004
Heunks, 2005
Karterend booronderzoek
RAAP
2005
Flokstra & Heunks, 2005
Proefsleuven
BILAN
2007
Kooi & Verbeek, 2009
Begeleiding
BAMN
2008/2009
Kuppens & Van Heist, 2010
Proefsleuven
VU-HBS
2012
Van Kampen, 2012
Proefsleuven
BAAC
2014
De Winter, 2015
Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken .
In 2004 is een omvangrijk booronderzoek gestart in het plangebied Huurlingsdam (c irca 86 ha). Dit onderzoek betrof de verkennende fase en was gericht op het in detail in kaart brengen van de paleo landschappelijke opbouw van het hele plangebied en van de hieraan te relateren archeologische verwachting (Heunks, 2005). In maart-april 2005 is ook een karterende fase van het veldonderzoek uitgevoerd (Flokstra & Heunks, 2005). Dit onderzoek heeft zich beperkt tot de aan de hand van de verkennende fase geselecteerde deelgebieden. Het betrof drie deelgebieden, overeenkomend met de hogere delen van het rivierduinlandschap, waaronder het huidige plangebied. Tijdens het booronderzoek zijn in totaal zeven vindplaatsen aangetroffen. Het betreffen zones waarbinnen de aanwezigheid van (deels) intacte (grond)sporen van bewoning (nederzettingssporen) zeer waarschijnlijk worden geacht. De vindplaatsen beslaan samen een lange bewoningsperiode (mesolithicum t/m de late middeleeuwen) op basis van aangetroffen archeologische indicatoren. Vindplaats 3 is even ten noorden van het huidige plangebied gesitueerd. Deze vindplaats is gelegen op een centrale rivierduinopduiking en wordt gekenmerkt door het ontbreken van een kleidek en een intacte B-inspoelingshorizont. Tijdens booronderzoek is handgevormd a ardewerk aangetroffen. Het plangebied maakt deel uit van vindplaats 2.
In het booronderzoek is vastgesteld dat de bodemopbouw wordt op de vindplaats gekenmerkt door intacte bodemprofielen met een Binspoelingshorizont en het vrijwel ontbreken van een kleidek. De B-horizont heeft een gemiddelde dikte van circa 30 tot 50 cm en is daarmee iets dunner dan op vindplaats 1 (50-75 cm). Verspreid zijn ook deels onthoofde bodemprofielen aangetroffen (BC-horizont) en diep verstoorde profielen (Flokstra & Heunks, 2005: 18). Bij het proefsleuvenonderzoek dat in 2007 ter hoogte van vindplaats 2 is uitgevoerd (ten zuidwesten van het huidige plangebied) zijn paalkuilen, kuilen en greppels aangetroffen uit de periode midden bronstijd –vroege ijzertijd en late middeleeuwen-nieuwe tijd (Kooi & Verbeek, 2009). In 2008 en 2009 heeft BAMN een archeologische begeleiding uitgevoerd tijdens de aanleg van riolerings- en drainagesleuven. De sleuven doorsneden het rivierduinlandschap en de oeverzone in de richting van het Wijchens Maasje. Ter plaatse van vindplaats 2 is handgevormd aardewerk aangetroffen uit de periode late bronstijd –Romeinse tijd. Na een amateurmelding werd tevens een veldoven
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[8]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
aangetroffen voor de baksteenproductie. De veldoven werd aan de zuidwestzijde van het plange bied aangetroffen, in de lage terreindelen. In 2012 werd een deel van vindplaats 2 opnieuw onderzocht bij een proefsleufonderzoek ten oosten van het huidige plangebied, gelegen op de overgang tussen de oever-op-komafzettingen van het Wijchens Maasje en de rivierduinafzettingen. Daarbij zijn geen sporen aangetroffen en bleek de bodem deels verstoord (Van Kampen, 2012). De conclusie van het onderzoek was dat het rivierduin lijkt te zijn afgetopt en in de lagere terreindelen geschoven. Aan de noordrand van vindplaats 2 heeft BAAC in 2014 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het aangetroffen vondstmateriaal bestond uit met name aardewerk uit de ijzertijd. Ook is een enkele scherf aardewerk en een brok bewerkte vuursteen uit de periode neolithicum -bronstijd aangetroffen. Sporen als zodanig zijn niet blootgelegd. De conclusie van het onderzoek was dat vermoedelijk op deze locatie sprake van de periferie van een nederzetting waarvan de kern ten zuidwesten van de Huurlingsedam ligt. Wel zijn off-site structuren als greppels en kuil uit de middeleeuwen/nieuwe tijd aangetroffen. Ook is een kleine hoeveelheid vondstmateriaal uit deze periode verzameld. Het gaat om aardewerk, bouwkeramiek, glas en metaal (de Winter, 2015).
Op basis van het voorgaande onderzoek is dus duidelijk geworden dat in het plangebied een vindplaats aanwezig is. Aanwijzingen hiervoor bestaan uit het aantreffen van vondstmateriaal uit de periode neolithicum/bronstijd t/m de vroege middeleeuwen tijdens het booronderzoek, en de onderzoeken die reeds ter hoogte van vindplaats 2 hebben plaatsgevonden. De vraag is wel in hoeverre de bodem binnen het plangebied nog intact is en wat de kwaliteit van de archeologische resten is.
1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen Omdat de precieze aard van de vindplaats binnen het plangebied niet duidelijk is geworden uit het vooronderzoek is aanbevolen om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is inzicht te krijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van de vindplaatsen, en te bepalen of het gaat om een behoudenswaardige vindplaats. Bovendien dient duidelijk gemaakt te worden wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. In het Programma van Eisen (Flokstra, 2018) zijn hiervoor onderzoeksvragen geformuleerd: Bodemopbouw en genese 1.
Hoe ziet de bodemopbouw eruit in het onderzoeksgebied?
2.
Is in (alle delen van) het gebied sprake van een intact bodemprofiel? In welke delen van het plangebied is sprake van een (recentelijk) verstoord bodemprofiel?
3.
Is de bodemkundige situatie overeenkomstig de verwachting op basis van het vooronderzoek? Waarom wel/niet?
4.
Is een plaggendek aanwezig? Zo ja, wat is er te zeggen over een datering, eventuele fasering, sporen van historische bodembewerking en de bodem waarop het dek is ontstaan?
5.
Wat is het bodemkundige verloop naar de lage terreindelen ten zuiden van het plangebied?
6.
Welke post-depositionele processen hebben plaatsgevonden? In hoeverre is sprake van erosie en aantasting of verstoring van archeologische resten door dit soort processen?
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[9]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Sporen, structuren en vondsten 7.
Zijn in het onderzoeksgebied archeologische vondsten, sporen en/of structuren aanwezig? Zo ja: a. Wat is de exacte aard, omvang, datering, gaafheid, cons ervering, het karakter en de inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten binnen het plangebied? b. Is er sprake van een behoudenswaardige vindplaats? c. Wat is de functionele interpretatie van de aangetroffen vondsten, sporen en structuren? d. Zijn er vondsten, sporen of structuren aanwezig uit verschillende perioden? Zo ja, is een relatie te leggen tussen deze verschillende fasen (continuïteit)? e. Wat is de relatie van de aangetroffen vondsten, sporen of structuren met die uit de voorgaande onderzoeken in de directe omgeving?
8.
Is er sprake van concentraties aardewerk en/of (vuur)stenen artefacten? Zo ja, beschrijf de horizontale en verticale spreiding van de vondsten en de mogelijke relatie met grondsporen.
9.
Kunnen (clusters van) sporen worden toegewezen aan één of meerdere struct(u)ur(en)? Zo ja, om wat voor type struct(u)ur(en) gaat het en wat is de oriëntatie, (max.) afmeting, constructie (dak, wanden, vloer), datering, conservering en (functionele) indeling van deze struct(u)ur(en)?
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[10]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
2 Methoden 2.1 Algemeen Zoals uit het vooronderzoek is gebleken, is de kans groot dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Omdat met behulp van booronderzoek geen inzicht kan worden verkregen in de precieze aard en herkomst van de vondsten is verder booronderzoek weinig zinvol. Om inzicht te krijgen in de aard van de vindplaats en om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische sporen binnen het plangebied aanwezig zijn, is proefsleuvenonderzoek een meer geschikte methode.
2.2 Werkputten Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn 4 sleuven aangelegd met beoogde afmetingen van 25 x4 m. De oppervlakte van de gezamenlijke sleuven bedraagt 368 m2. Een overzicht van de ligging van de werkputten is afgebeeld in figuur 3. Vanwege de nabijheid van een waterleiding in het noorden van het plangebied is de werkput 2 ca. 3 m naar het zuidwesten verplaatst. De werkputten zijn volgens een doorlopende reeks genummerd en worden aangeduid met de afkorting WP (bijv. WP 3).
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[11]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 3. Overzicht van de proefsleuven en de locatie van de gedocume nteerde profielen en andere onderzoeken in de omgeving van het plangebied.
2.3 Documentatie en registratie In alle werkputten is één vlak aangelegd. Het eerste vlak is in de top van de rivierduinafzettingen aangelegd (laag 50). De diepteligging daarvan varieerde tussen 0,3 en 1,3 m –Mv. De sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS met een maximale afwijking van 1 x 1 x 1 cm. Ook de hoogte van de aangelegde vlakken ten opzichte van NAP is bepaald met een GPS. De ruwe GPS bestanden zijn dagelijks uitgelezen, gecontroleerd en gecorrigeerd. De sporen zijn in een doorlopende reeks over de hele opgraving genummerd en worden aangeduid met een S (bijv. S12). Spoor- en vondstgegevens zijn in het veld ingevoerd in de Odile database.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[12]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
In het algemeen geldt dat sporen en vondsten zijn gedocumenteerd conform specificaties OS04 en OS05 van de BRL4000.
2.4 Behandeling van sporen Om sporen te traceren en sporenclusters zo goed mogelijk te kunnen begrenzen, is het vlak waar nodig tijdens de aanleg handmatig opgeschaafd. Met het oog op het doel van het onderzoek (zoveel mogelijk gegevens verzamelen, maar zo min mogelijk archeologische resten beschadigen), zijn sporen gecoupeerd. Bij het couperen is ervoor gekozen om die sporen te onderzoeken waarbij twijfel bestond over de antropogene aard van het spoor.. Tijdens het verdiepen is zoveel mogelijk geprobeerd om het stratigrafische ingravingsniveau van de sporen vast te leggen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de laagbeschrijvingen in de verschillende werkputten. Van sporen met een diepte van meer dan 9 cm is een coupetekening (schaal 1:20) en veelal tevens een foto gemaakt; van minder diepe sporen is alleen de diepte en vorm in doorsnede vastgelegd in de database. De sporen zijn in een doorlopende reeks genummerd en worden in di t rapport aangeduid met een één- tot viercijferig nummer, voorafgegaan door een S (bijv. S2).
2.5 Behandeling van vondsten Bij de vlakaanleg en bij het couperen van sporen zijn vondsten per spoorvulling verzameld. Vondsten die niet aan antropogene sporen konden worden gekoppeld, zijn per laag in vakken van 4 x 5 m verzameld. Bijzondere vondsten, zoals metaalvondsten en vuurstenen artefacten, zijn als puntvondst ingemeten. Voor het verzamelen van metaalvondsten is tijdens het aanleggen van de vlakken intensief gebruik gemaakt van een metaaldetector. De vondsten zijn in een doorlopende reeks genummerd; ze worden in dit rapport aangeduid met een V (bijv. V14).
2.6 Behandeling van profielen De natuurlijke gelaagdheid en de verschillende archeologische niveaus zijn in k aart gebracht door middel van profielkolommen (verspreid over het onderzoeksgebied) die zijn opgeschaafd, gefotografeerd, getekend en beschreven vanaf het maaiveld ( figuur 3). Om de landschappelijke ontwikkeling en de bodemopbouw goed te begrijpen, is er naar gestreefd om tijdens het veldwerk de stratigrafische eenheden (lagen) in de verschillende putten direct aan elkaar te koppelen. De lagen zijn hierbij in een stratigrafische reeks per werkput genummerd, waarbij het eerste deel van het vijf- of zescijferige nummer verwijst naar de werkput en het tweede deel een laagnummer is (bijv. S1050 = laag 50 in WP1). Om lagen aan te duiden, zal in de tekst alleen naar dit laagnummer verwezen worden.
2.7 Bemonstering Tijdens het onderzoek zijn geen sporen aangetroffen die zich leenden voor monstername.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[13]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
2.8 Uitwerking Documentatie van het onderzoek is na afloop van het onderzoek gecontroleerd. Na afloop van het veldwerk is een laatste controle uitgevoerd en zijn de vondsten gewassen en gesplitst per materiaalcategorie. Aan de hand van deze gegevens en het PvE is een evaluatie- en selectierapport opgesteld dat is voorgelegd aan de bevoegde overheid, de depothouder en de opdrachtgever. Hierin is tevens een voorstel gedaan om de onderzoeken in de nabijheid van het plangebied in de uitwerking te betrekken. Gedetailleerde spoor- en vondstinformatie zal na afloop van het onderzoek te raadplegen zijn in het edepot.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[14]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3 Resultaten 3.1 Landschap en stratigrafie 3.1.1 Geologie en geomorfologie Het plangebied bevindt zich grotendeels op een hooggelegen noordwest-zuidoost gerichte rivierduinopduiking (figuur 4) Uit de vlakhoogtes blijkt dat het rivierduinzand zich ten hoogste ca. 8,0 m + NAP bevind. Dit is in overeenstemming met het proefsleuvenonderzoek van de Huurlingsedam 74 (de Winter, 2012: 8) en met de gegevens van de boringen die in het archief van RAAP Oost Nederland bevinden. De vlakhoogtes/diepte van het rivierduinzand zijn in figuur 4 weergegeven.
Figuur 4. Vlakhoogtes en hoogtes van voorgaand onderzoek geprojecteerd op het AHN3.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[15]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.1.2 Bodemopbouw De top van de negen bestudeerde bodemprofielen bestaat uit een sterk uitgedroogde bruingrijze recente bouwvoor die in dikte varieert tussen 0,2 en 0,4 m (laag 10). Aan de basis daarvan ligt in profielen 4 t/m 8 een gevlekt bruingrijs of grijsbruine laag met enkele puinspikkels (laag 20). In de profielen 1 t/m 3 ligt de recente bouwvoor echter met een scherpe grens op lichtgrijs, goed gesorteerd, matig fijn zand (rivierduinafzettingen). Aangezien laag 20 in het hogere deel van het landschap niet voorkomt, puinspikkels bevat en juist in de oorspronkelijk lagere delen van het landschap in dikte toeneemt (tot 0,72 m -Mv in profiel 4) is laag 20 geïnterpreteerd als een plaggendek dat door egalisatie is verspreid. In de top van het rivierduinzand is veelal een gebioturbeerde restant van een BC-horizont waargenomen. De geringe dikte van dit pakket (< 20 cm) en het ontbreken van een B -horizont is eveneens een aanwijzing dat de hoge terreindelen zijn afgetopt door egalisatie (zie figuur 5, profiel 2). In profiel 4 is onder laag 20 de bodemopbouw intact. Hier is sprake van een oorspronkelijk laag terreindeel, die een proces van erosie en door egalisatiewerkzaamheden is opgevuld. Laag 30 is qua lithologische samenstelling vergelijkbaar als laag 20. Deze laag bevat geen puinfragmenten, maar handgevormd aardewerk en natuursteenfragmenten.
Deze laag is als colluvium (erosiemateriaal) geïnterpreteerd. De onderzijde van de depressie is opgevuld met k leiig zand, hetgeen aangeeft dat deze zone soms overstroomde (laag 35 en 40). Laag 35 betreft een vondstlaag, waarin handgevormd aardwerk, vuursteen en natuursteen is gevonden. De natuurlijke afzettingen in het noordwesten van het plangebied (profielen 6 en 7) bestaan uit grijsbruine, zandige klei, dat naar onderen toe sterk siltiger wordt en ijzer - en mangaanvlekken bevat (laag 41, 42 en 43). De zandondergrond (beddingafzettingen) bevind zich daar op een diepte van resp.1,18 a 1 m -Mv.
Figuur 5. Profiel 2 en profiel 4.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[16]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 6. Geologische- en bodemkundige interpretatie.
3.2 Sporen en structuren 3.2.1 Inleiding Tijdens het onderzoek zijn in de opgravingsvlakken en profielen 33 spoornummers uitgedeeld aan grondsporen en lagen. Een samenvattend overzicht van de aantallen aangetroffen sporen is weergegeven in tabel 3 en in een alle sporenkaart figuur 7. De complete sporencatalogus zal worden opgenomen in de velddocumentatie (de pakbon) die te vinden is bij het depot/e -depot. De sporen worden hieronder beschreven.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[17]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Spoorcategorie
Aantal
laag
17
kuil
5
verstoring
4
depressie
3
greppel
3
paalkuil
1
Totaal
33
Tabel 3. Aantal sporen per spoorcategorie.
In WP 1 tekende zich een circa 0,8 m in doorsnede grote kuil af (S 2), waar ti jdens het couperen een klein fragment roodbakkend aardewerk werd aangetroffen en verder een onregelmatige gevormd spoor dat als natuurlijke verstoring is geïnterpreteerd (S 3), waarin een spinklos (V 2) werd gevonden. Omdat de kuil ondanks de grootte een geringe resterende diepte had (18 cm), is de gaafheid van dit grondspoor gering. In WP 2 is, zoals in de vorige paragraaf reeds vermeld sprake van een opgevulde laagte (depressie). Afgezien van een sloot uit de Nieuwe tijd zijn hier geen grondsporen gevond en. In WP 3 zijn geen sporen aangetroffen. De overige greppels, kuilen en het paalspoor zijn in WP 4 aangetroffen en hebben op grond van hun losse structuur, brokkige samenstelling en donkerbruingrijze kleur een datering in de Nieuwe tijd en hangen vermoedelijk samen met agrarische gebruik in de afgelopen eeuw.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[18]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 7. Allesporenkaart.
3.3 Vondsten 3.3.1 Inleiding Het archeologisch onderzoek heeft 61 vondsten opgeleverd, waarvan er 60 zijn geselecteerd voor de uitwerking. Een overzicht van de aantallen van de verschillende vondstcategorieën wordt weergegeven in tabel 4. De complete vondstencatalogus is opgenomen in de velddocumentatie (de pakbon) die te vinden is bij het depot/e-depot. In het onderstaande wordt per vondstcategorie ingegaan op de algemene kenmerken, eventuele noemenswaardige vondsten, de datering en de mate van conservering.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[19]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
vondstcategorie
aantal (n)
gewicht (gram)
aardewerk
33
240
natuursteen
21
371
vuursteen
4
27
bouwmateriaal
2
797
totaal
60
1219
Tabel 4. Aantal vondsten per vondstcategorie.
Aardewerk Met medewerking van I.C.G. Hermsen Het aardewerk betreft hoofdzakelijk handgevormd aardewerk (n = 2 8, 206 gram). Gezien de hoge fragmentatiegraad van het materiaal kan het op grond van verschillende kenmerken (magering, wanddikte, bakwijze en versiering) grotendeels globaal gedateerd worden. De meest kenmerkende vondst is een randscherf met grove kwartsgruismagering van een tonvormige pot, die afkomstig is uit laag 30 uit de depressie (V14). De scherf heeft een wanddikte van ca. 16 mm, twee perforaties onder de rand, waarbij de het oppervlak versierd is met nagelindrukken. Op basis van deze kenmerken behoort het fragment tot de Hilversumcultuur (ca. 1900- 1600 voor Chr.) (V14 figuur 8). V14 bevat daarnaast nog twee wandscherven met een grove kwartsgruismagering, die mogelijk in dezelfde periode dateren. Twaalf fragmenten handgevormd aardewerk van V14 zijn echter op basis van andere karakteristieken jonger. Gezien het feit dat de scherven een geringe wanddikte (6 a 7 mm) hebben, glad tot ruwwandig zijn afgewerkt en een magering van potgruis zijn deze scherven in de late bronstijd of begin van de vroege ijzertijd te dateren. Scherven met een gepolijste binnenzijde (V4) worden in de ruime periode ijzertijd t/m vroeg Romeinse tijd gedateerd. Een spinklos (V2 figuur 9) wordt op basis van de fijne zandmagering en ijzerconcreties tot deze periode gerekend.
Naast handgevormd aardewerk zijn drie fragmenten roodbakkend aardewerk uit de Nieuwe tijd gevonden , een fragment van een steengoed kan (V16) en één fragment kogelpotaardewerk (V13). De steengoedkan betreft Siegburgaardewerk dat in 14e of 15e eeuw dateert. De kogelpotscherf betreft een randfragment met zeer fijne granietgruismagering (9e t/m 11e eeuw).
Figuur 8. Randscherf van een tonvormige pot (V14) schaal 1:1.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[20]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 9. Spinklos (V2) schaal 1:1.
Natuursteen Het natuursteen betreft diverse kleine (< 5 cm) brokken met scherpe breukvlakken . Mogelijk heeft verbranding een belangrijke rol heeft gespeeld bij de fragmentatie van het natuursteen. Hierbij kan gedacht worden aan het gebruik als kook- of haardsteen. Vuursteen Twee van de vier vuursteenfragmenten kunnen zeker als werktuig kunnen worden aangemerkt. Het gaat om een geretoucheerde kling en een pijlpunt (figuur 10). De overige twee fragmenten betreffen een afslag en een brok. De artefacten en de twee fragmenten kunnen vermoedelijk in de periode neolithicum t/m vroege bronstijd gedateerd worden.
Figuur 10. Geretouceerde kling (V11) (links) en pijlpunt (V8) (rechts) schaal 1:1.
Bouwmateriaal Uit greppel S4 zijn twee fragmenten bouwmateriaal gevonden. Het gaat om een fragment baksteen en een fragment ongeglazuurde, roodbakkende tegel. Deze kunnen in de Nieuwe tijd gedateerd worden.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[21]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.3.2 Ruimtelijke verspreiding Het merendeel van het vondstmateriaal is afkomstig is uit WP2 (figuur 11). Het gaat daarbij om alle aangetroffen fragmenten vuursteen, natuursteen en bouwkeramiek. Dat geldt ook voor het handgevormd aardewerk, behoudens een spinklos uit WP1 (V2). Het roodbakkende aardewerk uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd is in WP1 en WP2 gevonden, in de context van grondsporen (kuil S1 en greppel S 4). Het fragment steengoed uit de late middeleeuwen in WP3 bevond zich in een cultuurlaag (plaggendek) direct onder de bouwvoor en is waarschijnlijk met bemesting op deze locatie terecht zijn gekomen. Het aangetroffen vuursteen bevond zich in de diepst liggende vondstlaag (laag 35) en is uitsluitend aan de rand de van depressie, bi nnen 2,5 m uit elkaar aangetroffen. Wat betreft de verticale verspreiding zijn vooral laag 30 en 35 in de opgevulde depressie vondsthoudend. Het meest vondstrijke vondstnummer (V14) is afkomstig uit laag 30. Deze laag is als colluvium (erosiemateriaal) geïnterpreteerd. De diepst liggende vondstlaag van de depressie (laag 35) bevat zowel vuursteenfragmenten (n=4) als een fragment handgevormd aardewerk uit de IJzertijd (V5) en een fragment kogelpotaardewerk (V13).
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[22]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 11. Verspreidingskaart vondsten inzet: detail WP2.
3.4 Interpretatie van de vindplaats 3.4.1 Aard van de vindplaats Het merendeel van het vondstmateriaal (handgevormd aardewerk, kook- of haardstenen en fragmenten vuursteen) worden geïnterpreteerd als nederzettingsafval. Het ligt voor de hand om de vindplaats als een nederzetting te interpreteren. Behoudens een ondiepe kuil met roodbakkend aardewerk zijn echter tijdens het proefsleuvenonderzoeken geen relevante grondsporen aangetroffen. Het overgrote deel van het vondstmateriaal dat tijdens het proefsleuvenonderzoek is gevonden, is afkomstig uit een naastliggende depressie. De diepst liggende vondstlaag uit deze depressie (laag 35) bevatte een
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[23]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
fragment kogelpotaardewerk en de overige fragmenten handgevormd aardewerk uit deze- en bovenliggende lagen kenmerken zich door een hoge fragmentatiegraad. De vondstverspreiding is hier door post-depositionele processen ontstaan. Het gaat om lagen die als gevolg van hellingerosie (laag 30 en laag 35) en egalisatie (laag 20) zijn gevormd. De nederzettingssporen zijn daarbij geërodeerd en geëgaliseerd.
3.4.2 Diepteligging Op de hogere delen van het rivierduin ligt het sporenniveau direct onder de bouwvoor, op ca. 0,35 m – Mv.
3.4.3 Omvang De omvang van de vindplaats is onbekend. Op grond van de verspreiding van het handgevormde aardewerk is alleen in het oosten van het plangebied sprake van archeologische resten die gerelateerd kunnen worden aan een archeologische vindplaats.
3.4.4 Terugkoppeling naar vooronderzoek Op basis van het booronderzoek werden intacte B-horizonten verwacht en verspreide onthoofde profielen verwacht (Flokstra & Heunks, 2005: 18). De deels intacte bodemprofielen blijken zich echter alleen in het lage deel van het landschap te bevinden. In overeenstemming met het onderzoek van Huurlingsedam 74 (van Kampen, 2012) zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek op het hoge deel van het duin onthoofde bodemprofielen aangetroffen.
3.5 Waardestelling 3.5.1 Algemene waarderingssystematiek Voor de waardering is de KNA-systematiek ‘Waarderen van vindplaatsen’ gevolgd (KNA versie 4.0, specificatie VS06; www.sikb.nl). Daarbij worden numerieke waarden toegekend aan de verschillende waarderingsaspecten. Afhankelijk van de score is een vindplaats wel of niet behoudenswaardig ( tabel 5). De vindplaatsen worden eerst op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Ze worden op basis van hun fysieke kwaliteit als behoudenswaardig (opgraven of beschermen) aangemerkt in dien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (5 of 6 punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (4 punten of minder) wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of het terrein toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats in principe ook behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, buiten de beoordeling vallen. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden eveneens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Een afweging vindt plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde.
Belevingswaarde (schoonheid en herinneringswaarde) is slechts van belang voor zichtbare archeologische monumenten en is derhalve voor onderhavig onderzoek ni et
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[24]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
relevant. Bij een bovengemiddelde score van 7 punten of meer voor de eerste drie criteria, wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt.
3.5.2 Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit bestaat uit de deelaspecten gaafheid en conservering. De gaafheid van de grondsporen is in dit geval slecht te noemen. Het enige relevante archeologische spoor werd gevonden in WP 1 en betreft een ondiepe kuil met daarin een klein fragment roodbakkend aardewerk (Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd). Aangezien geconcludeerd is dat het terrein is afgetopt, worden in het plangebied hooguit verspreide restanten van -oorspronkelijk zeer diepe- kuilen en/of waterputten verwacht. In de depressie is sprake van een intacte stratigrafie met vondstlagen, de diepst liggende vondstlaag (laag 35) bevat echter zowel vuursteen uit het neolithicum of vroege bronstijd als aardewerk uit de ijzertijd en de middeleeuwen, hetgeen aangeeft dat het vondstmateriaal niet meer in de primaire context bevind. Doordat uitsluitend boven de grondwaterspiegel, in de goed doorluchte droge zandgrond is gegraven, zullen de conserveringsomstandigheden voor organisch vondstmateriaal (behoudens zeer diepe grondsporen) slecht zijn.
3.5.3 Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit bestaat uit de deelaspecten zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Binnen het plangebied zijn diverse tijdsperioden vertegenwoordigd in het vondstmateriaal , waardoor sprake is van een diachrone context en een hoge ensemblewaarde. De vindplaats heeft een hoge ensemblewaarde omdat sprake is van een duidelijke landschappelijke- en archeologische context: een rivierduin met een laagte een synchrone context door de aanwezigheid van andere vindplaatsen uit de periode voege bronstijd t/m Romeinse tijd in de omgeving. Op het aspect zeldzaamheid scoort de vindplaats gemiddeld. Resten uit de periode ijzertijd t/m Romeinse tijd zijn verspreid over Nederland en zeker het zuiden van Nederland en Wijchen zelf veel voorkomend. Resten uit de Hilversumcultuur zijn voor Nederlandse begrippen relatief zeldzaam, maar worden in Wijchen vaker gevonden (zie bijv. Janssen & Tuyn 1978 en recentelijk van Kampen, 2017). De vindplaats heeft een lage informatiewaarde, zowel wat betreft de sporen als het vondstmateriaal . Wat betreft de sporen is de informatiewaarde, door het vrijwel ontbreken van grondsporen gering.
Wat betreft het vondstmateriaal zijn diverse materiaalcategorieën (aardewerk, metaal, natuursteen, vuursteen) vertegenwoordigd, maar deze zijn afkomstig uit een depressie, waarbij vondsten gefragmenteerd zijn en zich niet meer in primaire context bevinden. Aangezien humeuze of venige lagen in de depressie niet zijn aangetroffen, zal de depressie geen goed geconserveerde pollen of onverkoolde macrobotanische resten bevatten. Op basis van de totaalscore in tabel 5 is er geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[25]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
criteria waarde
beleving
fysieke kwaliteit
inhoudelijke kwaliteit
scores hoog
midden
schoonheid
wordt niet gescoord
herinneringswaarde
wordt niet gescoord
laag
gaafheid
1
conservering
1
zeldzaamheid
2
informatiewaarde
1
ensemblewaarde
3
representativiteit
n.v.t.
Tabel 5. Scoretabel waardestelling van de vindplaats (tabel 5 uit de KNA).
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[26]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.6 Beantwoording van de onderzoeksvragen Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit het PvE als volgt beantwoord worden: Bodemopbouw en genese 1.
Hoe ziet de bodemopbouw eruit in het onderzoeksgebied?
Aan de basis van een recente bouwvoor (laag 10) is in de lage delen van het landschap een gevlekt bruingrijs of grijsbruine laag met enkele puinspikkels die als egalisatielaag is geïnterpreteerd (laag 20). In de hoge zuidoostelijke deel van het plangebied ligt de recente bouwvoor met een scherpe grens op de rivierduinafzettingen. In de top van het rivierduinzand (laag 50) is veelal een gebioturbeerd restant van een BC-horizont waargenomen. 2.
Is in (alle delen van) het gebied sprake van een intact bodemprofiel? In welke delen van het plangebied is sprake van een (recentelijk) verstoord bodemprofiel?
Het veelal ontbreken van een B-horizont en het ondiep voorkomen van de BC- of C-horizont in het zuidoostelijk deel van het plangebied, wijst erop dat de hoge terreindelen zijn afgetopt door egalisatie. In de lagere delen van het landschap is de bodem afgedekt met een egalisatielaag. 3.
Is de bodemkundige situatie overeenkomstig de verwachting op basis van het vooronderzoek? Waarom wel/niet?
Op basis van het booronderzoek werden intacte B-horizonten verwacht en verspreide onthoofde profielen. De deels intacte bodemprofielen bevinden zich echter alleen in het lage deel van het landschap. 4.
Is een plaggendek aanwezig? Zo ja, wat is er te zeggen over e en datering, eventuele fasering, sporen van historische bodembewerking en de bodem waarop het dek is ontstaan?
Ja, tijdens het onderzoek is een laag aangetroffen die als zodanig is geïnterpreteerd. Deze laag neemt naar mate van de lage delen van het landschap in dikte toe en is dus deels door egalisatie gevormd. Over de datering van dit plaggendek, kunnen gezien het ontbreken van vondstmateriaal geen conclusies worden getrokken. 5.
Wat is het bodemkundige verloop naar de lage terreindelen ten zuiden van het pl angebied?
Zowel het maaiveld als het opgravingsvlak loopt naar het zuidwesten toe af, hier is geen bodemkundig verloop in te zien, er is sprake van een afgetopt profiel (A/BCp - of A/Cp- profiel). 6.
Welke post-depositionele processen hebben plaatsgevonden? In hoeverre is sprake van erosie en aantasting of verstoring van archeologische resten door dit soort processen?
Het terrein is in het verleden door egalisatie afgevlakt, waarbij het noordelijke, oorspronkelijk lage deel is opgehoogd en het centrale deel is afgetopt. Sporen, structuren en vondsten 7.
Zijn in het onderzoeksgebied archeologische vondsten, sporen en/of structuren aanwezig? Zo ja:
Ja, het gaat met name om vondstmateriaal. Relevante grondsporen, zijn behoudens een ondiepe kuil, niet gevonden.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[27]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
a. Wat is de exacte aard, omvang, datering, gaafheid, conservering, het karakter en de inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten binnen het plangebied? Het vondstmateriaal is geïnterpreteerd als nederzettingsafval (aardewerk, vuursteen, natuursteen, bouwkeramiek). Het materiaal is sterk gefragmenteerd. b. Is er sprake van een behoudenswaardige vindplaats? Op basis van de geringe fysieke kwaliteit en de lage informatie is de vindplaats niet behoudenswaardig. c. Wat is de functionele interpretatie van de aangetroffen vondsten, sporen en structuren? De vondsten worden begrepen als nederzettingsafval, van een nederzetting die oorspronkelijk op de top van de rivierduin heeft gelegen. d. Zijn er vondsten, sporen of structuren aanwezig uit verschillende peri oden? Zo ja, is een relatie te leggen tussen deze verschillende fasen (continuïteit)? Het vondstmateriaal is geïnterpreteerd als nederzettingsafval (aardewerk, vuursteen, natuursteen, bouwkeramiek). Verschillende tijdsperioden zijn vertegenwoordigd, maar kan gezien het beperkte hoeveelheid en sterk gefragmenteerd vondstmateriaal niet worden bewezen. e.
Wat is de relatie van de aangetroffen vondsten, sporen of structuren met die uit de voorgaande onderzoeken in de directe omgeving? Uit voorgaande onderzoeken zijn eveneens resten uit de periode vroege ijzertijd t/m Romeinse tijd (van Kampen, 2012) en uit een ruimere tijdsperiode (Neolithicum t/m Romeinse tijd) gevonden (Heunks, 2005). 8.
Is er sprake van concentraties aardewerk en/of (vuur)stenen artefacte n? Zo ja, beschrijf de horizontale en verticale spreiding van de vondsten en de mogelijke relatie met grondsporen.
In de depressie in het noorden van het plangebied is sprake van een concentratie natuursteen en vuursteen in combinatie met handgevormd aarde werk uit diverse perioden. Vier fragmenten vuursteen werden in de diepst liggende vondstlaag gevonden. Deze laag bevat zowel de vuursteenfragmenten als een fragment handgevormd aardewerk uit de IJzertijd en een fragment kogelpotaardewerk. Daardoor is het onwaarschijnlijk dat deze fragmenten in primaire positie bevinden. 9.
Kunnen (clusters van) sporen worden toegewezen aan één of meerdere struct(u)ur(en)? Zo ja, om wat voor type struct(u)ur(en) gaat het en wat is de oriëntatie, (max.) afmeting, constructie (da k, wanden, vloer), datering, conservering en (functionele) indeling van deze struct(u)ur(en)?
Nee.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[28]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
4 Conclusie De vondsten duiden op de aanwezigheid van een vindplaats. Het gaat hierbij om vondstmateriaal dat geinterpreteerd is als nederzettingsafval dat zich niet meer in primaire context bevindt maar door egalisatie en erosie is verplaatst. Dit vondstmateriaal is vrijwel uitsluitend in een opgevulde depressie is gevonden. Ter plaatse van het hoogste deel van het plangebied is het bodemprofiel tot de BChorizont of tot in C-horizont verstoord. Dit wordt als reden gezien dat de nederzettingsporen, die juist op dit deel verwacht werden zijn verdwenen. Nederzettingsporen worden behoudens diepe kuilen of waterputten worden in het plangebied niet meer verwacht.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[29]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
5 Selectieadvies De vindplaats is op basis van het veldonderzoek niet behoudenswaardig. Er wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[30]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Literatuur Flokstra, L.M. & E. Heunks, 2005. Plangebied Huurlingsedam, gemeente Wijchen. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (kartering). RAAP -rapport 1174. Amsterdam. Flokstra, L.M. & E. Goossens, 2008. Archeologiebeleid gemeente Wijchen. RAAP -rapport 1828. Weesp. Hazenberg Archeologie & Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie, 2012. In tegrale Kennisagenda voor de Archeologie. Provincie Gelderland – deel Rivierengebied. Leiden-Amersfoort. Heunks, E., 2005. Plangebied Huurlingsedam, gemeente Wijchen. Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkenning). RAAP-rapport 1109. Amsterdam. Janssen, A.J. & W. Tuyn, 1978. De Homberg te Wijchen, Westerheem 27, 133-145. Kampen, J. van (red), 2017. Wonen op een toplocatie. Bewoning op een rivierduin aan de oevers van het Wijchens Meer in het Neolithicum, de Bronstijd, Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Zuidnederlandse archeologische rapporten 69. VUhbs archeologie/Vrije Universiteit, Amsterdam. Kampen, J. van, 2012. Inventariserend veldonderzoek door middel van een proefsleuf aan de Huurlingsedam 74 te Wijchen. Zuidnederlandse Archeologische Notities 287. Kooi, A. & C. Verbeek, 2009. Wijchen-Alverna (G). Huurlingsedam, Proefsleuvenonderzoek. Bilan rapport 2009/152. Tilburg. Kuppens, W. & K. van Heijst, 2010.
Archeologisch onderzoek en waarnemingen in het plangebied Huurlingsedam te Wijchen. Archeologische berichten Nijmegen Briefrapport 71. Nijmegen. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), 2018. versie 4.1 Landbodems. SIKB. Gouda. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. Schulte, A.G., 1982. De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. De Provincie Gelderland. Het Kwartier van Nijmegen. Onderdeel III: Het Rijk van Nijmegen, westelijk gedeelte. Staatsuitgeverij. Den Haag. Winter, J. de 2015. Wijchen - Huurlingsedam. Bewoning op en gebruik van het plangebied tussen neolithicum en nieuwe tijd. BAAC-rapport A-14.0147. BAAC B.V. ’s Hertogenbosch.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[31]
Huurlingsedam 64, gemeente W ijchen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices Figuren: Figuur 1. De ligging van het plangebied (omlijnd). Inzet: ligging in Nederland (ster ).
5
Figuur 2. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) op de resultaten van het karterend booronderzoek (Heunks & Flokstra, 2005, kaartbijlage 1). De gekleurde boorpunten geven de periode van de aangetroffen vondsten aan. Binnen het plangebied lopen deze uiteen uit de Neolithicum Bronstijd (blauw), IJzertijd-Romeinse tijd (oranje) en Romeinse tijd-Vroege Middeleeuwen (rood).
7
Figuur 3. Overzicht van de proefsleuven en de locatie van de gedocumenteerd e profielen en andere onderzoeken in de omgeving van het plangebied.
12
Figuur 4. Vlakhoogtes en hoogtes van voorgaand onderzoek geprojecteerd op het AHN3.
15
Figuur 5. Profiel 2 en profiel 4.
16
Figuur 6. Geologische- en bodemkundige interpretatie.
17
Figuur 7. Allesporenkaart.
19
Figuur 8. Randscherf van een tonvormige pot (V14) schaal 1:1.
20
Figuur 9. Spinklos (V2) schaal 1:1.
21
Figuur 10. Geretouceerde kling (V11) (links) en pijlpunt (V8) (rechts) schaal 1:1.
21
Figuur 11. Verspreidingskaart vondsten inzet: detail WP2.
23
Tabellen: Tabel 1. Administratieve gegevens.
6
Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken.
8
Tabel 3. Aantal sporen per spoorcategorie.
18
Tabel 4. Aantal vondsten per vondstcategorie.
20
Tabel 5. Scoretabel waardestelling van de vindplaats (tabel 5 uit de KNA).
26
Bijlagen: Bijlage 1. Tijdschaal Bijlage 2. Profielkolommen.
RAAP-rapport 3571 / versie 29-10-2018
[32]
Bijlage 1. Tijdschaal Archeologische perioden Datering
Tijdperk
Recente tijd
- 1945 C
Nieuwe tijd
- 1850
B
- 1650
A
- 1500
Laat B Laat A
Vroeg
Middeleeuwen
D: Ottoonse tijd
C: Karolingische tijd B: Merovingische tijd
A: Volksverhuizingstijd Laat
Romeinse tijd
Midden
Vroeg Laat
IJzertijd
Midden
Vroeg Laat
Bronstijd
Midden
Prehistorie
Vroeg Laat
Neolithicum (Nieuwe Steentijd)
Midden Vroeg Laat
Mesolithicum (M idden Steentijd)
Midden Vroeg Laat
Paleolithicum (Oude Steentijd)
Jong B Jong A Midden
Oud tabel1_standaard_Archeologisch_RAAP_2014
- 1250 - 1050 - 900 - 725
- 525 - 450
- 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000
- 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700
- 12.500 - 16.000
- 35.000 - 250.000
Bijlage 2. Profielkolommen.
Kolomprofiel: WYHN_1 Kop algemeen: Projectcode: WYHN, Boornummer: 1, Beschrijver(s): GZ, Datum: 17-09-2018, Doel boring: geologie, Einddiepte boring in cm: 120 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 179790.924, Y-coördinaat in meters: 422813.84, Precisie coördinaat: 1000 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 8.215, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Gelderland, Gemeente: Wijchen, Opdrachtgever: IM-RO, Uitvoerder: RAAP Oost Kop opmerking: Opmerking: WP1 0 / 8.21 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 50, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: A-horizont, Bodemkundige interpretatie: verploegd Archeologie: Spoornummer: 1010 50 / 7.71 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 50, Ondergrens laag in cm: 110, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Archeologie: Spoornummer: 1 110 / 7.12 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 110, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 120, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig,
Mediaanklasse: matig fijn, Sublagen1: zandlagen-veel-dun Bodem: Bodemhorizont: C-horizont Archeologie: Spoornummer: 1050 Einde kolomprofiel 120 / 7.01
Kolomprofiel: WYHN_2 Kop algemeen: Projectcode: WYHN, Boornummer: 2, Beschrijver(s): GZ, Datum: 17-09-2018, Doel boring: geologie, Einddiepte boring in cm: 40 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 179794.482, Y-coördinaat in meters: 422817.169, Precisie coördinaat: 1000 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 8.083, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Gelderland, Gemeente: Wijchen, Opdrachtgever: IM-RO, Uitvoerder: RAAP Oost Kop opmerking: Opmerking: WP1 0 / 8.08 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 35, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: A-horizont, Bodemkundige interpretatie: verploegd Archeologie: Spoornummer: 1010 35 / 7.73 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 35, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 40, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: C-horizont Archeologie: Spoornummer: 1050 Einde kolomprofiel 40 / 7.68
1 bron: Wyhn_d2naard3.geojson - 11-10-2018 16:43:21
Kolomprofiel: WYHN_3 Kop algemeen: Projectcode: WYHN, Boornummer: 3, Beschrijver(s): GZ, Datum: 17-09-2018, Doel boring: geologie, Einddiepte boring in cm: 70 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 179808.747, Y-coördinaat in meters: 422826.13, Precisie coördinaat: 1000 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 8.502, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Gelderland, Gemeente: Wijchen, Opdrachtgever: IM-RO, Uitvoerder: RAAP Oost Kop opmerking: Opmerking: WP1 0 / 8.50 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 42, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: A-horizont, Bodemkundige interpretatie: verploegd Archeologie: Spoornummer: 1010 42 / 8.08 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 42, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 60, Aard ondergrens: diffuus (3-10 cm), Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: licht-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: BC, Bodemkundige interpretatie: gebioturbeerd Archeologie: Spoornummer: 1001 Laag opmerking: Opmerking: BIOTURB 60 / 7.90 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm:
60, Aard bovengrens: diffuus (3-10 cm), Ondergrens laag in cm: 70, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: C-horizont Archeologie: Spoornummer: 1050 Einde kolomprofiel 70 / 7.80
2 bron: Wyhn_d2naard3.geojson - 11-10-2018 16:43:21
Kolomprofiel: WYHN_4 Kop algemeen: Projectcode: WYHN, Boornummer: 4, Beschrijver(s): GZ, Datum: 17-09-2018, Doel boring: geologie, Einddiepte boring in cm: 155 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 179800.977, Y-coördinaat in meters: 422867.893, Precisie coördinaat: 1000 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 8.428, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Gelderland, Gemeente: Wijchen, Opdrachtgever: IM-RO, Uitvoerder: RAAP Oost Kop opmerking: Opmerking: WP2 0 / 8.43 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 20, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont Archeologie: Spoornummer: 2010 20 / 8.23 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 20, Ondergrens laag in cm: 72, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket Archeologie: Spoornummer: 2020 72 / 7.71 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 72, Ondergrens laag in cm: 102, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse:
matig fijn Bodem: Bodemhorizont: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket Archeologie: Archeologsch puin: enkel fragment, Spoornummer: 2030 102 / 7.41 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 102, Ondergrens laag in cm: 108, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: kleiig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: B-horizont Archeologie: Spoornummer: 2035 108 / 7.35 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 108, Ondergrens laag in cm: 135, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: kleiig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: B-horizont, Ijzer/mangaan: enkele Fe- en Mn-vlekken Archeologie: Spoornummer: 2040 135 / 7.08 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 135, Ondergrens laag in cm: 155, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn, Lithogenese: rivierduinafzettingen Bodem: Bodemhorizont: C-horizont, Ijzer/mangaan: veel Fe-vlekken Archeologie: Spoornummer: 2050 Einde kolomprofiel 155 / 6.88
3 bron: Wyhn_d2naard3.geojson - 11-10-2018 16:43:21
Kolomprofiel: WYHN_5 Kop algemeen: Projectcode: WYHN, Boornummer: 5, Beschrijver(s): GZ, Datum: 17-09-2018, Doel boring: geologie, Einddiepte boring in cm: 75 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 179786.538, Y-coördinaat in meters: 422853.495, Precisie coördinaat: 1000 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 8.414, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Gelderland, Gemeente: Wijchen, Opdrachtgever: IM-RO, Uitvoerder: RAAP Oost Kop opmerking: Opmerking: WP2 0 / 8.41 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 20, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: sterk siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment, Spoornummer: 2010 20 / 8.21 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 20, Ondergrens laag in cm: 48, Boortype en diameter: Profielopname, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: sterk siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment, Spoornummer: 2020 48 / 7.93 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 48, Ondergrens laag in cm: 70, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: