Bijlage 12 Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Tekst van het document
Transect-rapport 3324 Wijchen, Akkerweg 3A Gemeente Wijchen (GLD) Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer Auteur Versie Datum
Wijchen, Akkerweg 3A Gemeente Wijchen (GLD). Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase. Transect-rapport 3324 T. Bakker MSc Versie 1.0 02-04-2021
Projectnummer Onderzoeksmelding
21010144 4949800100
Opdrachtgever
Mevr. A. Hendriks Palinggracht 27 6642 EE Beuningen
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid
Gemeente Wijchen Werkorganisatie Druten-Wijchen Adviseur namens bevoegde overheid Adviseur: Mevr. E. van der Linden Beheer en plaats documentatie Omslagafbeelding
Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven Senior KNA Archeoloog
Transect b.v., Nieuwegein Foto van het plangebied
Datum 02-04-2021
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van mevr. A. Hendriks heeft Transect b.v. in maart 2021 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Akkerweg 3a te Wijchen in de gemeente Wijchen. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied (circa 3000 m2) braakliggend. Het onderzoek vond plaats in het kader van een bestemmingsplanwijziging voor de realisatie van een woning met bijgebouw, bijbehorende infrastructuur, groenvoorzieningen en een wadi. De werkzaamheden zullen gepaard gaan met de nodige bodemingrepen, waarbij eventuele archeologische resten worden verstoord. Daarom is verspreid over het gehele plangebied een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd om de aard en mate van aanwezigheid van archeologische resten vast te stellen. In het plangebied zijn zes proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 326 m2, ofwel circa 10,9% van het plangebied. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied zich bevindt op een rivierduin. Hoewel dit een aantrekkelijke plek voor bewoning was, zijn tijdens het onderzoek slechts één paalkuil en vier fragmenten keramiek aangetroffen. Drie van de vondsten zijn afkomstig uit de Midden- tot LateNieuwe Tijd. Eén scherf is prehistorisch, maar is, gezien de verwering, waarschijnlijk afkomstig van een andere locatie. Waarschijnlijk is het door ploegwerkzaamheden in het plangebied terechtgekomen.
Mogelijk is deze afkomstig van de IJzertijd vindplaats naast het plangebied. Er zijn geen vondsten in de paalkuil gevonden. Er waren in de werkputten redelijk veel recente verstoringen aanwezig, er was wel genoeg oppervlakte onverstoord om te kunnen bepalen dat er geen bewoning in het plangebied was. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de vindplaats die op het naastgelegen perceel is gevonden, niet doorloopt tot in het plangebied. Op basis van het zeer geringe aantal sporen en vondsten en de lage informatiewaarde is in het plangebied geen sprake van een behoudenswaardige archeologische vindplaats. Om deze reden adviseert Transect b.v. het plangebied archeologisch vrij te geven. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Wijchen een selectieadvies uit te brengen voor eventueel aanvullend onderzoek in het plangebied en de wijze waarop dit al dan niet dient plaats te vinden. Onderhavig onderzoek betrof een steekproef. Ongeacht het besluit dat de bevoegde overheid neemt attenderen wij daarom op de wettelijke verplichting om wanneer bij grondroerende werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, deze te melden (conform Erfgoedwet artikel 5.10). Dit kan via de gemeente Wijchen of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Inhoud 1.
Aanleiding .......................................................................................................................... 6
2.
Resultaten vooronderzoek ................................................................................................. 8
3.
Aard, doel en onderzoeksvragen ...................................................................................... 11
4.
Onderzoeksmethodiek ..................................................................................................... 13
5.
Resultaten veldonderzoek ................................................................................................ 14
6.
Beantwoording van de onderzoeksvragen ........................................................................ 19
7.
Waardestelling ................................................................................................................. 22
8.
Conclusie en advies .......................................................................................................... 24
9.
Geraadpleegde bronnen .................................................................................................. 25
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland ............................................................. 26
Bijlage 2.
Luchtfoto ......................................................................................................................... 27
Bijlage 3.
Allesporenkaart ................................................................................................................ 28
Bijlage 4.
Vlaktekeningen ................................................................................................................ 29
Bijlage 5.
Vondstenlijst .................................................................................................................... 35
Bijlage 6.
Sporen- en lagenlijst......................................................................................................... 36
1. Aanleiding Provincie
Gelderland
Gemeente
Wijchen
Plaats
Wijchen
Toponiem
Akkerweg 3a
Kaartblad
46A
Perceelnummer(s)
WNC00-C-1988
Centrumcoördinaat
180.937 / 424.747
Oppervlakte plangebied
Circa 3000 m2
Oppervlakte onderzoeksgebied
N.v.t.
Huidig grondgebruik
Bebouwd, tuin, weiland
In opdracht van Mevr. A. Hendriks heeft Transect b.v.1 in maart 2021 een archeologisch inventariserend proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase uitgevoerd in het plangebied Akkerweg 3a in Wijchen (gemeente Wijchen). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 2. In totaal heeft het plangebied een oppervlakte van circa 3000 m2. Ten tijde van het onderzoek stond er in het westen van het plangebied een gebouw. Deze bebouwing is in gebruik geweest tot 2018. De bebouwing is tot een diepte van circa 30-40 centimeter beneden maaiveld gefundeerd. Verder is een deel van het plangebied is in gebruik als tuin, het grootste deel van het plangebied is een weiland. De aanleiding voor het onderzoek werd gevormd door het voornemen de bestaande woning in het plangebied te slopen en hiervoor in de plaats een nieuwe woning, bijgebouw, infrastructuur, groenvoorzieningen en wadi te realiseren. Volgens de meest actuele conceptplannen zal de nieuwe bebouwing een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 240 m2 beslaan. De wijze en diepte van de funderingen is nog niet bekend. Voorafgaand aan het proefsleufonderzoek is op het terrein een vooronderzoek (Rap, 2020) uitgevoerd. Uit het vooronderzoek bleek dat: •
•
Het plangebied een hoge verwachting heeft op archeologische resten uit het LaatPaleolithicum tot en met de Midden Nieuwe Tijd, waarbij de nadruk van de aan te treffen resten waarschijnlijk op de IJzertijd ligt. Dit is gebaseerd op een reeds bekende vindplaats ten oosten van het plangebied. Onder een moderne bouwvoor van circa 10 centimeter dik is tot een diepte van circa 25-65 centimeter beneden maaiveld een oud bouwlanddek of een EB-horizont aanwezig. De top van het rivierduin is archeologisch gezien intact. Vanaf circa 10 centimeter beneden maaiveld (circa 8,6-8,9 m +NAP), kunnen archeologische resten aanwezig zijn.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is geadviseerd in het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de verwachting uit het vooronderzoek door het opsporen en waarderen van eventueel aanwezige 1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.0, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
6
archeologische resten. Op basis hiervan kan de bevoegde overheid van de gemeente Wijchen een uitspraak doen over de omgang met eventueel aanwezige archeologische resten in het plangebied. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen uit protocol 4003 (‘Inventariserend Veldonderzoek – Proefsleuven’) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1) en het voor het onderzoek opgestelde Programma van Eisen (Scheeringa, 2021).
Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart (bron kaart: www.opentopo.nl).
7
2. Resultaten vooronderzoek Landschappelijke achtergronden Wijchen ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Maas (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, vanaf 50000 tot 15000 jaar geleden) lag op ongeveer 3 km ten zuidwesten van het plangebied een voorloper van de Maas, die via de Betuwe in westelijke richting stroomde. Deze rivier kenmerkte zich door een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (“vlechtend”) patroon verspreid lagen. In de riviervlakte werd door deze geulen grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenheije (De Mulder e.a., 2003). Vanuit de riviervlakte kon, als deze droog lag, fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens aan de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam. Daar konden op grote schaal rivierduinen en dekzandruggen ontstaan (Berendsen, 2000). Vanaf 13000 jaar geleden begon het klimaat geleidelijk op te warmen. Deze klimaatsverandering leidde tot een toename van de hoeveelheid vegetatie en tot een beter verdeelde afvoer van rivierwater door een beperkt aantal geulen. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond.
In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd “Hochflutlehm” afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf circa 9700 v. Chr., op de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen, zette de opwarmende klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. Doordat tijdens het Holoceen de zeespiegel steeg en de sedimentlast en debiet in de rivieren veranderden, sneden de rivieren zich niet meer in de oudere afzettingen in, maar begonnen deze sediment af te zetten in het rivierdal. Daarbij raakten de oude oever- en beddingafzettingen in het dal, het Hochflutlehm en de lagere (delen van de) rivierduinen begraven onder jonger overstromingssediment. Berendsen en Stouthamer (2001) vermoeden dat dit in de omgeving van Wijchen tussen 5000 en 3000 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Door een voortdurende afzetting van het sediment raakte uiteindelijk het oude rivierdal opgevuld, waardoor rivieren ook buiten het rivierdal konden gaan stromen.
De hogere rivierduinen zijn daarentegen niet (altijd) door jonger sediment afgedekt en hebben altijd boven het rivierenlandschap uitgestoken. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dekzandwelving met of zonder oud bouwlanddek (kaartcode 3L51yc). Op basis van bovenstaande informatie is het waarschijnlijk dat de deze dekzandwelving moet worden geïnterpreteerd als een rivierduin (Laagpakket van Delwijnen). In het plangebied worden volgens de bodemkaart holtpodzolgronden in grof zand verwacht (code Y30). Holtpodzolgronden zijn middelhoge tot hoge zandgronden met een dunne humeuze bovenlaag. Direct onder deze humeuze bovenlaag kan een zogenaamde micropodzol voorkomen met een zeer dunne uitspoelings- en inspoelingslaag (E- en B-horizonten). Tevens kan een lichtgekleurde BC-horizont zichtbaar zijn tot maximaal 80 cm diepte (De Bakker en Schelling, 1989). Op de hoogtekaart is af te leiden dat het maaiveld op 8,6-9,0 m +NAP ligt (bron: www.ahn.nl). Uit de hoogteverschillen op deze kaart valt af te leiden dat het zuidwestelijk en het noordelijk deel van het plangebied relatief gezien iets hoger liggen dan het centrale deel van het plangebied. De zuidwestelijke verhoging van het maaiveld is waarschijnlijk te relateren aan ophoging voor de bestaande bebouwing, de noordelijke verhoging in het plangebied is niet direct verklaarbaar.
De laagte in het plangebied lijkt het natuurlijk reliëf van het rivierduin te volgen.
8
De bodem in het plangebied heeft een grondwatertrap VII, wat betekent dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (winterpeil) onder 80 cm -Mv ligt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (zomerpeil) beneden 120 cm –Mv. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat zowel organische als anorganische archeologische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven, voor zover deze beneden 120 cm –Mv liggen. Onverbrande organische resten die binnen 120 cm –Mv liggen zijn naar verwachting door oxidatie aangetast dan wel gedegradeerd.
Verkennend booronderzoek Uit het vooronderzoek bleek dat het plangebied een hoge verwachting heeft op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Midden Nieuwe Tijd. Gezien de vindplaats ten oosten van het plangebied, ligt de nadruk op de te verwachten resten vermoedelijk op de IJzertijd. Tijdens het booronderzoek zijn twee scherven aangetroffen, één dateert in de IJzertijd, de ander in de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd. Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied op een rivierduin ligt. De ongeroerde top van het rivierduin bevindt zich op een diepte tussen 25-65 cm -Mv (8,1-8,7 m +NAP). Daarboven bevindt zich, vanaf de onderzijde van de bouwvoor (10 cm -Mv, 8,6-8,9 m +NAP), een oud bouwlanddek of een EBhorizont. Dit is vermoedelijk het gevolg van bemesting en bewerking van de ondergrond om kwaliteit van de grond voor landbouw te verbeteren. Aan de basis van deze laag zijn een scherf aardewerk uit de IJzertijd en een scherf uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd aangetroffen. De rivierduinafzettingen zijn archeologisch gezien intact onder deze akker- of cultuurlaag.
Archeologische waarden In het plangebied heeft voor zover bekend nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden en zijn geen vondstmeldingen bekend binnen het plangebied (bron: Archis3). In de directe omgeving van het plangebied zijn echter wel onderzoeken uitgevoerd en vondsten aangetroffen. Onderzoeken Direct ten oosten en ten zuiden van het plangebied is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd, die bekend staan onder het toponiem Hoogbroek (Alverna). Tijdens dit onderzoek is vastgesteld dat ten oosten van het plangebied sprake is van een eerddek van 35-65 cm dikte, dat overgaat in een humusrijke zwartbruine tot geelbruine B-horizont. In twee boringen is zelfs nog sprake van een verploegde E-horizont. Ten zuiden van het plangebied is sprake van een eerddek van 45-65 cm -Mv, waarbij een restant van circa 10 cm van een BC-horizont herkend is. De afzettingen waarin deze lagen zich gevormd hebben zijn geïnterpreteerd als een rivierduin (Thijs, 2010; onderzoeksmelding 2274483100). Tijdens een proefsleuvenonderzoek is op 40 m ten oosten van het plangebied, zijn twee huisplattegronden (type Haps of Oss), een schuur en drie spiekers uit de IJzertijd aangetroffen. Gebaseerd op het aangetroffen aardewerk dateren deze structuren waarschijnlijk uit de MiddenIJzertijd. Ook is er een pijlpunt uit de Bronstijd aangetroffen.
Op ongeveer 200 m ten oosten van het plangebied is tijdens hetzelfde proefsleuvenonderzoek een verzameling paalkuilen uit de MiddenIJzertijd gevonden. Deze vondsten zijn allen aangetroffen vanaf de onderzijde van het eerddek, circa 30-50 cm -Mv, in de top van de B- en EB-horizont (Van Malssen en Eimermann, 2012; onderzoeksmelding 2347204100; vondstlocatie 1096077).
9
Vondstmeldingen In de omgeving zijn vondsten uit het Mesolithicum (vuurstenen artefacten), Neolithicum (vuurstenen artefacten, aardewerk), IJzertijd (aardewerk, vuurstenen artefacten) en Bronstijd (aardewerk) gevonden. Op basis van de resultaten van de onderzoeken en vondsten in de omgeving van het plangebied valt af te leiden dat het plangebied naar verwachting op een rivierduin ligt, waar in de top mogelijk nog sprake is van een deels intacte bodemopbouw (E- en/of B-horizonten). Gezien de vondsten is, naar verwachting, de duin bewoond is geweest in de periode Neolithicum-IJzertijd. Historische achtergronden Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Wijchen, in het landbouwgebied dat van bekend staat als het Hoogbroek. Op de oudst geraadpleegde kaart, de kadastrale Minuutkaart uit 1811-1832, is te zien dat het plangebied onbebouwd is (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Volgens de bijlage van deze kaart (de OAT) is het plangebied in gebruik als bouwland. De huidige ligging van de Akkerweg is dan al zichtbaar. Op ongeveer 70 m ten oosten en ten zuiden van het plangebied zijn erven zichtbaar. Deze situatie blijft tot in de late 19e eeuw gehandhaafd. In de vroege 20e eeuw wordt direct ten zuidwesten van het plangebied een erf gerealiseerd waar het plangebied deel van uit heeft gemaakt (bron: initiatiefnemer mevrouw A. Hendriks).
Rondom het plangebied is in de periode 1900-1920 een uitbreiding van het aantal erven zichtbaar, waarvoor ook een groot aantal nieuwe perceelsgrenzen aangelegd is. In 1950 is in het plangebied bebouwing gerealiseerd (bron: bagviewer.kadaster.nl. De bebouwing blijft geconcentreerd aan de zuidwestzijde van het plangebied. De bebouwing is in 2018 afgebrand. Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied aangeduid als een aandachtsgebied voor het operatieterrein van Market Garden. Het is onderdeel van het westelijke deel van de corridor waarin landtroepen vanuit Eindhoven richting Arnhem optrokken. Er zijn geen specifieke waarden genoemd. Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is bebouwd over een oppervlakte van circa 200 m². De bebouwing is gefundeerd op bakstenen en stampbeton tot een diepte van circa 30-40 cm -Mv (veldwaarneming vooronderzoek). Rondom de bebouwing is het plangebied in gebruik als tuin en erfverharding (circa 300 m²). Het overige deel van het plangebied is in gebruik als grasland, nadat het in het verleden ook gebruikt is als akkerland. Er is verder geen informatie over verstoringen bekend. Archeologische verwachting Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft op de aanwezigheid van resten uit het Laat-Paleolithicum-Midden Nieuwe tijd.
Dit komt door de ligging van het plangebied op een rivierduin en de archeologische resten uit de periode Mesolithicum-IJzertijd die in de omgeving gedaan zijn.
10
3. Aard, doel en onderzoeksvragen Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Op basis van de onderzoekresultaten kan de bevoegde overheid van de gemeente Wijchen een uitspraak doen over de omgang met eventueel aanwezige archeologische resten in het plangebied (behoud in situ, opgraven, vrijgave). In het Programma van Eisen (PvE, Scheeringa, 2021) is hiertoe een hoofdvraagstelling opgenomen met enkele onderzoekvragen. De hoofdvraagstelling uit het Programma van Eisen luidt: Is er in het plangebied sprake van (een) archeologische vindplaats(en), zijn deze behoudenswaardig, en onder welke voorwaarden is behoud mogelijk? Deze vraag wordt aan de hand van de volgende onderzoekvragen beantwoord in hoofdstuk 6 van het huidig rapport: 1.
Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten?
2.
Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact?
3.
Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)?
4.
Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning?
5.
Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)?
6.
Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden?
7.
Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten?
8.
Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek?
9.
Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten?
10. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het onderzoek op het naastgelegen perceel? (Van Malssen en Eimermann, 2012) 11. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? 12. (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). 13. Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze?
11
14. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 15. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.
12
4. Onderzoeksmethodiek Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd onder leiding van André Kerkhoven (senior KNA archeoloog) door Daniël Scheeringa (archeoloog MA), Hélène Lepage (archeoloog MSc) en Sophie van Bavel (BA archeoloog). Conform het PvE zijn zes werkputten aangelegd. De locatie van de werkputten is weergegeven op de luchtfoto in bijlage 2. Een sfeerfoto van het veldwerk is weergegeven in figuur 2. Er is bij het veldonderzoek niet afgeweken op de vastgestelde methodiek uit het PvE. De werkputten zijn gegraven met een graafmachine voorzien van een ‘gladde’ en gesloten bak. Vlakken en de stort zijn afgezocht met een metaaldetector op metaalvondsten. Er zijn foto’s en (digitale) tekeningen gemaakt van vlakken, profielen en sporen. De sporen zijn gecoupeerd. Bij het veldonderzoek zijn geen grondmonsters genomen. Ook zijn geen (onverbrande) organische resten aangetroffen. Er is één vlak aangelegd, in de top van de rivierduin op circa 40-50 cm -Mv (8,0-8,6 m +NAP). In werkput 1 en 3 is een kijkgat gemaakt om te onderzoeken of er nog een dieper archeologische laag aanwezig was, dit was niet het geval. In totaal zijn zes profieldelen van één meter breed gedocumenteerd om de bodemopbouw te documenteren. Er zijn geen grondmonsters genomen. Er is één archeologisch spoor gevonden.
Er zijn veel recente verstoringen in de werkputten aangetroffen, in het westelijke deel van het plangebied waren er meer recente verstoringen dan in het oosten. Er zijn vier vondsten tijdens het onderzoek gevonden.
Figuur 2. Foto van werkput 1. Foto genomen in westelijke richting
13
5. Resultaten veldonderzoek Bodemopbouw2 De bouwvoor (S1000) bestaat uit donkerbruin, zwak siltig zand. Deze is tussen de 20-40 cm dik). In de werkputten 1 – 4, is onder de bouwvoor een laag lichtbruin zwak siltig zand aanwezig (figuur 3, S. 2000). De laag is tussen de 10 en 18 cm dik de en de bovengrens ligt op circa 28-40 cm -Mv (8,4-8,6 m +NAP). Deze laag is geïnterpreteerd als een B-horizont waarvan de top verploegd is. In de profielen van de werkputten 5 en 6, is de B-horizont niet meer aanwezig, hier is wel een ploeglaag gevonden van circa 8-15 cm dik (figuur 5, aangegeven met #). In werkput 2 is de ploeglaag boven in S2000 gevonden. De onderste laag bestaat uit geel zwak silltig zand. Dit is geïnterpreteerd als de schone Chorizont, dit is zand van de rivierduin (S3000). Deze laag begint op circa 30-50 cm - Mv (8,40-8,60 m + NAP). De laag is geïnterpreteerd als zand van een rivierduin gezien de hoge ligging.
Figuur 3. Profiel 1.1 in werkput 1. Foto genomen in zuidelijke richting
2
Voor een uitvoerige (lithologische) beschrijving van iedere afzonderlijke laag, wordt verwezen naar bijlage 6.
14
Figuur 4. Profiel 5.1. in werkput 5. Foto genomen in noordelijke richting
Sporen en structuren Er zijn zeven spoornummers uitgegeven. Eén spoor (spoornummer 2) is een paalkuil van 14 cm diep en heeft in het vlak een doorsnede van circa 30 cm. Het spoor ligt in het midden van werkput 3. De sporen met nummer 1, 3 – 7 bleken, na couperen, natuurlijk te zijn. Het spoor is aangetroffen in de top van de rivierduin. Het spoor is niet heel duidelijk zichtbaar te noemen. Sporen-, lagen- en vullingenlijsten zijn opgenomen in bijlage 12.
Figuur 5. Spoor 2 in werkput 3. Foto genomen in noordoostelijke richting
15
Vondstmateriaal In totaal zijn vier vondsten aangetroffen. De vondsten zijn allemaal (bouw)keramiek. Alle vondsten zijn gedetermineerd door Daniël Scheeringa van Transect b.v. • Vondst 1 is klein fragment roodbakkend bouwkeramiek. Er lijken sporen van glazuur of coating op aanwezig te zijn. Eventueel is dit fragment een dakpan. Deze vondst is afkomstig uit de Late-Nieuwe Tijd. • Vondst 2 is industrieel wit keramiek. Het fragment is sterk verweerd, hierdoor is bijna geen glazuur meer aanwezig op het fragment. Deze vondst dateert uit de Midden- tot Late-Nieuwe tijd. • Vondst 3 is fragment handgevormd aardewerk. Het is oxiderend gebakken en lijkt versierd te zijn door indrukken. Dit fragment dateert uit de prehistorie, mogelijk uit de IJzertijd. • Vondstnummer 4 is een fragment porselein. Het fragment is niet versierd, waarschijnlijk is het een deel van een kopje. Het fragment is afkomstig uit de Late-Nieuwe Tijd. Vondst 1,2 en 4 zijn afkomstig uit spoor 1000. Op basis van de determinaties blijkt spoor 1000 te stammen uit de periode Midden- tot Late-Nieuwe tijd. Deze vondsten zijn goed geconserveerd. Vondst 3 is afkomstig uit spoor 2000. Dit fragment is sterk verweerd. Waarschijnlijk is de vondst na de primaire depositie verplaatst naar het plangebied, waarschijnlijk door ploegen.
Waarschijnlijk houdt de vondst verband met de IJzertijd vindplaats ten noordoosten van het plangebied.
Figuur 6. Vondst 1.
16
Figuur 7. Vondst 2
Figuur 8. Vondst 3.
17
Figuur 9. Vondst 4.
18
6. Beantwoording van de onderzoeksvragen 1.
Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? Er is één paalkuil aangetroffen in werkput 3. Er zijn vier vondsten gevonden tijdens het onderzoek. De vondsten zijn (bouw)keramiek uit de Midden- tot Late-Nieuwe Tijd en handgevormd aardewerk uit de prehistorie.
2.
Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? De bovenste laag is de bouwvoor. Hieronder is in werkputten 1 – 4 een B-horizont aangetroffen waarvan de top verploegd is (bovengrens 8,4-8,6 +NAP). In de profielen van de werkputten 5 en 6, is de B-horizont niet meer aanwezig, hier is wel een ploeglaag gevonden van circa 8-15 cm dik. De ploeglaag is ook in werkput 2 gevonden, boven de B-horizont. Onder de bouwvoor en de verploegde lagen bevindt zich de schone C-horizont (bovengrens 8,408,60 m + NAP). Op basis van de hoogteligging is het zand geïnterpreteerd als onderdeel van een rivierduin.
3.
Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? Spoor 2 is gevonden in werkput 3, de bovenkant ligt op circa 42 cm -Mv (8,37 m +NAP). Er is geen sprake van een structuur. Het spoor is vaag en is, door het ontbreken van vondstmateriaal, niet aan een bepaalde periode toe te schrijven.
4.
Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? De vondsten uit spoor 1000 zijn gedateerd uit de Midden- tot Late-Nieuwe Tijd. Hierdoor zal spoor 1000 waarschijnlijk gevormd zijn tijdens de Midden- tot Late-Nieuwe Tijd. Uit spoor 2000 komt één prehistorische vondst. Aangezien deze vondst erg verweerd is, lijkt dit niet de primaire locatie van deze vondst te zijn en kan deze vondst niet gebruikt worden voor het dateren van lagen en sporen.
5.
Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Er zijn vier fragmenten keramiek gevonden. Deze bevonden zich alle in de bouwvoor en een verploegde laag.
6.
Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? Het lage aantal vondsten laat zien dat het plangebied niet intensief in gebruik is geweest.
7.
Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? Gezien de verwering van het fragment prehistorisch aardewerk is deze waarschijnlijk na de primaire depositie verplaatst naar het plangebied. De laag 2000 is nadat deze is afgezet verploegd, ook is er een ploeglaag aangetroffen.
8.
Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Uit het vooronderzoek bleek dat het plangebied een hoge verwachting heeft op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Midden Nieuwe Tijd. Gezien de
19
vindplaats ten oosten van het plangebied, lag de nadruk op de te verwachten resten vermoedelijk op de IJzertijd. Tijdens het onderzoek zijn er weinig sporen en vondsten aangetroffen. Er zijn enkele vondsten uit de Nieuwe Tijd en één fragment keramiek uit de prehistorie gevonden. Er is één paalkuil gevonden, deze konden niet gedateerd worden. Door het geringe aantal vondsten en sporen zijn de resultaten van het proefsleuvenonderzoek niet in overeenkomst met de resultaten van het vooronderzoek. 9.
Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? Aangezien er weinig sporen en vondsten zijn en het spoor niet gedateerd konden worden, kan deze vraag niet beantwoord worden.
10.
Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het onderzoek op het naastgelegen perceel? (Van Malssen en Eimermann, 2012) Tijdens proefsleuvenonderzoek op het naastgelegen perceel zijn twee huisplattegronden, een schuur en drie spiekers uit de IJzertijd aangetroffen. Gebaseerd op het aangetroffen aardewerk dateren deze structuren waarschijnlijk uit de Midden-IJzertijd. Er is ook is er een pijlpunt uit de Bronstijd aangetroffen. In hetzelfde onderzoek is op ongeveer 200 m ten oosten van het plangebied is tijdens een verzameling paalkuilen uit de Midden-IJzertijd gevonden. De resultaten van het huidige onderzoek zijn niet vergelijkbaar, er zijn geen structuren aangetroffen en het aantal vondsten is laag. Het plangebied maakt dan ook geen deel uit van de vindplaats.
11.
Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNAwaarderingssystematiek). Zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats is laag met drie punten. Gezien het lage aantal archeologische resten is de score voor gaafheid laag. De conservering is middelhoog doordat de vondsten uit de Nieuwe Tijd over het algemeen goed geconserveerd zijn maar de prehistorische vondst erg verweerd is. De inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats is ook laag. Er is slechts een klein aantal archeologische resten aangetroffen en deze resten zijn niet zeldzaam, hebben weinig informatiewaarde en hebben ook een lage ensemblewaarde. Op basis van de KNA-waardestellingssystematiek is vastgesteld dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied.
12.
Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? Aangezien er geen vindplaats is aangetroffen in het plangebied, wordt geadviseerd het plangebied archeologisch vrij te geven.
13.
Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? N.v.t. er is geen vindplaats aangetroffen.
14.
Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d
20
Hoewel er veel recente verstoringen in het vlak zijn aangetroffen, is er nog veel ruimte tussen de verstoringen waar, wanneer er archeologische sporen waren, hier zichtbaar zullen zijn geweest. Behalve één paalspoor, zijn er geen archeologische sporen aangetroffen. Het landschap is zoals verwacht, het plangebied bevindt zich op een rivierduin. Hierdoor is het vast te stellen dat de vindplaats in het naastgelegen perceel niet verder doorloopt tot in het plangebied.
21
7. Waardestelling Archeologische vindplaatsen worden gewaardeerd conform de BRL4000 / KNA-protocol 4003, specificatie VS06 Waarderen en bijlage IV van de KNA 4.1. Vindplaatsen worden gewaardeerd op drie waarden (beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit) en daarbinnen op waarderingscriteria (tabel 1). Op ieder van de in totaal acht waarderingscriteria kan minimaal 1 en maximaal 3 worden gescoord. Bij de waardering wordt eerst nagegaan of vindplaatsen vanwege hun belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig aangemerkt kunnen worden (figuur 11). De vindplaatsen worden vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een vindplaats is in principe behoudenswaardig, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. De beoordeling van de fysieke kwaliteit is gerelateerd aan de archeoregio waarin de vindplaats zich bevindt. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats ook in principe behoudenswaardig geacht.
Dit ‘vangnet’ heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, uit de beoordeling vallen. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. • Eerst vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria; zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt het monument als behoudenswaardig aangemerkt. • Na deze weging wordt bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven punten) nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Zo ja, dan wordt een voorstel gedaan voor een als behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie. • De overige vindplaatsen zijn niet behoudenswaardig.
Figuur 10. De waarderingssystematiek op basis van de BRL4000/KNA 4.1.
22
Waardestelling In het plangebied zijn één paalkuil en vier fragmenten keramiek aangetroffen. Drie van de vondsten zijn afkomstig uit de Midden- tot Late-Nieuwe Tijd. Eén scherf is prehistorisch, maar deze is waarschijnlijk afkomstig van een andere locatie. De prehistorische scherf is vermoedelijk door ploegwerkzaamheden in het plangebied terecht gekomen. Deze is mogelijk afkomstig van de direct naast het plangebied gelegen vindplaats. Geen van de vondsten in het plangebied stamt uit het spoor. In tabel 2 zijn de scores van de waardestelling terug te vinden. Bij hoge scores (vijf of zes punten voor de fysieke kwaliteit en/of zeven punten of meer voor de inhoudelijke kwaliteit) wordt een vindplaats als behoudenswaardig beschouwd. Beleving Voor wat betreft beleving kan de vindplaats niet gescoord worden, omdat deze niet bovengronds zichtbaar is of kan worden. Fysieke kwaliteit De vindplaats scoort voor de fysieke kwaliteit gemiddeld met drie punten. De vindplaats scoort laag op gaafheid. Er is deels een intacte bodemopbouw aanwezig, maar de score is laag doordat grote delen van het plangebied verstoord zijn geraakt. Tevens was het lastig om tijdens het veldwerk nog een goed onderscheid te maken tussen antropogene en natuurlijke sporen. De conservering is middelhoog.
De meeste aangetroffen vondsten zijn goed geconserveerd gebleven, alleen het fragment prehistorisch aardewerk is erg verweerd. Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats is laag met drie punten. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is maar een zeer gering aantal grondsporen aangetroffen. Bovendien kan het spoor niet gedateerd worden door het ontbreken van vondstmateriaal. Dit alles, terwijl zich direct naast het plangebied wel behoudenswaardige vindplaatsen bevinden. De vindplaatsen in de omgeving lopen duidelijk niet tot in het plangebied door. Relatief gezien tot de omgeving levert verder onderzoek in het plangebied dan ook, naar verwachting, geen verdere belangwekkende informatie op over de historie van Wijchen. Het plangebied is op basis van het proefsleuvenonderzoek niet intensief in gebruik geweest. Er is geen sprake van structuren. Er zijn slechts één los spoor aangetroffen die nauwelijks informatie opleveren. Op basis van de KNA-waardestellingssystematiek is geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied.
Tabel 1. Waardestelling. Waarden
Criteria
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
Herinneringswaarde
n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Score - middelhoog
Gaafheid Conservering
Inhoudelijke kwaliteit
Score - hoog
Score - laag
1 2
Zeldzaamheid
1
Informatiewaarde
1
Ensemblewaarde Representativiteit
1 nee
23
8. Conclusie en advies Conclusie In het plangebied zijn zes proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 326 m2, ofwel circa 10,9% van het plangebied. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied zich bevindt op een rivierduin. Hoewel dit een aantrekkelijke plek voor bewoning was, zijn tijdens het onderzoek slechts één paalkuil en vier fragmenten keramiek aangetroffen. Drie van de vondsten zijn afkomstig uit de Midden- tot Late-Nieuwe Tijd. Eén scherf is prehistorisch, maar is, gezien de verwering, waarschijnlijk afkomstig van een andere locatie. Waarschijnlijk is het door ploegwerkzaamheden in het plangebied terechtgekomen. Mogelijk is deze afkomstig van de IJzertijd vindplaats naast het plangebied. Er zijn geen vondsten in de paalkuil gevonden. Er waren in de werkputten redelijk veel recente verstoringen aanwezig, er was wel genoeg oppervlakte onverstoord om te kunnen bepalen dat er geen bewoning in het plangebied was. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de vindplaats die op het naastgelegen perceel is gevonden, niet doorloopt tot in het plangebied. Waardestelling Het hele vondsten- en sporencomplex uit het proefsleuvenonderzoek wordt beschouwd als een ‘vindplaats’. Op basis van de KNA-waardestellingssystematiek is vastgesteld dat er geen behoudenswaardig vindplaats in het plangebied is.
Advies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven). Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. In het onderzoeksgebied bestaat het voornemen een woning met bijgebouw, bijbehorende infrastructuur, groenvoorzieningen en een wadi te realiseren. Aangezien er geen behoudenswaardige vindplaats in het plangebied is, adviseren wij om het plangebied archeologisch vrij te geven. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Wijchen een selectieadvies uit te brengen voor eventueel aanvullend onderzoek in het plangebied en de wijze waarop dit al dan niet dient plaats te vinden. Onderhavig onderzoek betrof een steekproef. Ongeacht het besluit dat de bevoegde overheid neemt attenderen wij daarom op de wettelijke verplichting om wanneer bij grondroerende werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, deze te melden (conform Erfgoedwet artikel 5.10). Dit kan via de gemeente Wijchen of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
24
9. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. • www.ahn.nl • www.pdok.n • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.opentopo.nl • www.topotijdreis.nl • www.bagviewer.kadaster.nl • www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.zoeken.cultureelerfgoed.nl • www.arcgis.com • www.kadaster.nl Literatuur • SIKB, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). • Bakker, H., de, 1966. De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland, in: Boor en Spade. • Bennema, J. & L.J. Pons, 1952, Donken, fluviatiel Laagterras en Eemzee-afzettingen in het • westelijk gebied van de grote rivieren. Boor en Spade 5: 126-137. • Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen. • Berendsen, H.J.A. en E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the RhineMeuse delta, the Netherlands. Assen. • Malssen, N. van en E. Eimermann, 2012, Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) en een kleinschalige definitieve opgraving in plangebied Hoogbroek te Alverna, gemeente Wijchen (Gld). Geldermalsen (ARC-Rapport 2012-43). • Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong, 2003.
De ondergrond van Nederland. Houten. • Rap, J., 2020. Wijchen, Akkerweg 3A. Gemeente Wijchen (GD) Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Nieuwegein (Transect-rapport 2956). • Scheeringa, D., 2021. Wijchen, Akkerweg 3A. Gemeente Wijchen (GD) Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Transect PvE. • Stouthamer, E., K.M. Cohen en W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land. Utrecht. • Thijs, W.J.F., 2010, Een Archeologisch bureau-onderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen voor de locaties Hoogbroek te Alverna en Boskant te Wijchen, gemeente Wijchen (Gld), Geldermalsen (ARC-rapport 2010-55)
25
Bijlage 1. Periode
Archeologische periode-indeling voor Nederland Deel-/subperiode
Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe Tijd
Late-Nieuwe Tijd Midden-Nieuwe Tijd Vroege-Nieuwe Tijd
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A
1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
26
Bijlage 2.
Luchtfoto
27
Bijlage 3.
Allesporenkaart
28
Bijlage 4.
Vlaktekeningen
29
30
31
32
33
34
Bijlage 5.
Splitsondstenlijst
Put Vlak Spoor Spooraard 01 001 1000 Bouwvoor
Vulling Segment Vak Veldvondst Categorie Aantal Verzamelwijze 1 1 01 0001 KER 1 MAA
02
001
1000
Bouwvoor
1
1
01
0002
KER
1
MAA
04
001
2000
B
1
1
03
0003
KER
1
MAA
05
001
1000
Bouwvoor
1
1
01
0004
KER
1
MAA
Opmerkingen Roodbakkend aardewerk, eventueel glazuur/coating. Dakpan? LateNieuwe Tijd Industrieel wit keramiek. Sterk verweerd. Midden- tot Late Nieuwe Tijd Handgevormd aardewerk, oxiderend gebakken, versierd door indrukken. Prehistorisch. Porselein, niet versierd. Waarschijnlijk fragment van kopje. Late- Nieuwe Tijd.
35
Bijlage 6.
Sporen- en lagenlijst
Put Vlak Spoor Vervallen Spooraard Spoorcontour 01 001 1000 False BV 01 001 2000 False B
Spoorvorm Kleur
Textuur
DBR LBR
Zs2 Zs2
01
001
3000
False
C-hor
GE
Zs1
02 02 03 03 03 03 03 04 04
001 001 001 001 001 001 001 001 001
0001 1000 0002 0003 0004 0005 1000 1000 2000
False False False False False False False False False
VL BV PK VL VL VL BV BV B
DBR DBR BRGR LBR LBR LBR DBR DBR LBR
Zs1 Zs2 Zs1 ZS1 Zs1 Zs1 Zs2 Zs2 Zs2
05 05 05 06 06
001 001 001 001 102
0006 0007 1000 1000 1100
False False False False False
VL VL BV BV LG
LBRBR LBRGR DBR DBR DGR
Zs1 Zs1 Zs2 Zs2 Zs1
VAGEND
RND
Organische stof H2 VH
Opmerking
Gr1, mf, mg Gr1, mf, mg
H1 H2 H1
H2 H2 VH
H2 H2 H1
Gr1, mf, mg
H2, g1, zbr mf, mg
36