Bijlage 11 GGD GZ Advies
Tekst van het document
Oosterhout architecten t.a.v. mevrouw G. Offerein Kopie aan gemeente Wijchen
ons kenmerk: OS132159 uw kenmerk: datum: 14 oktober 2020 onderwerp: advies bouw woning
afdeling: AGZ/MMK contactpersoon: Francée Aarts telefoonnummer: (06) 12398846 e-mail: faarts@ggdgelderlandzuid.nl
Beste mevrouw Offerein, U heeft namens de gemeente Wijchen, in het kader van een bestemmingsplanprocedure, advies gevraagd aan de GGD Gelderland-Zuid over de gezondheidsaspecten van een geplande ontwikkeling. In deze brief met bijlage staat het advies van de GGD. Aan de Torenstraat 24 in Balgoij ligt een monumentale T-boerderij met diverse bijgebouwen, in een agrarisch bouwvlak. Het doel is om de boerderij te restaureren, diverse bijgebouwen te amoveren, de bestemming te wijzigen naar wonen, in de monumentale boerderij een woonhuis mogelijk te maken en daarnaast een bouwvlak voor een nieuw woonhuis ten noordoosten van de boerderij te realiseren. Op ongeveer 500 meter afstand van de locatie ligt een intensieve veehouderij met varkens en rundvee. En op ongeveer 400 meter afstand ligt een intensieve veehouderij met geiten. Veehouderijen leiden tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Deze gezondheidsrisico’s hangen samen met de uitstoot van fijn stof (PM10) , endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) en geur door de veehouderij. Op basis van de huidige inzichten adviseert de GGD om het voorzorgsprincipe toe te passen en terughoudend te zijn met het plaatsen van nieuwe gevoelige bestemmingen op of binnen 250 meter van een veehouderij of in veedichte gebieden met meer dan 15 bedrijven binnen een straal van één kilometer.
De locatie ligt niet binnen 250 meter van een veehouderij. Het is niet bekend of er meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1 km vanaf de locatie aanwezig zijn. Ook op grotere afstand dan 250 meter kunnen gezondheidseffecten optreden door emissies van veehouderijen. Bij geitenhouderijen is er tot 2 km een verhoogd risico op longontsteking gevonden. Wanneer het mogelijk is om meer afstand dan de hierboven genoemde 250 meter aan te houden heeft dat de voorkeur. In de bijlage vindt u meer informatie over veehouderijen en gezondheid van omwonenden.. Mocht u vragen hebben over het advies, dan kunt u contact opnemen met het team Milieu en Gezondheid van GGD Gelderland-Zuid via telefoonnummer 088-1447144 of e-mail gezondheidenmilieu@ggdgelderlandzuid.nl Met vriendelijke groet, Francée Aarts, arts Medische Milieukunde
Centraal postadres
Hoofdvestigingen
Postbus 1120
GGD Gelderland-Zuid
6501 BC Nijmegen www.ggdgelderlandzuid.nl
Regio Nijmegen (Nijmegen)
info@ggdgelderlandzuid.nl
Rivierenland (Tiel)
Bezoekadres Regio Nijmegen Groenewoudseweg 275 6524 TV Nijmegen T: (024) 329 72 97 F: (024) 322 69 80
BIC /SWIFT: RABONL2U IBAN: NL56.RABO.030.73.24.826 BTW: NL8003.34.930.B01 KvK: 09212724
Gezondheidskundig advies veehouderijen en omwonenden Achtergrond: gezondheid en veehouderij
Veehouderijen leiden tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Deze gezondheidsrisico’s hangen samen met de uitstoot van fijn stof (PM10), endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) en geur door de veehouderij. Van vee-gerelateerd fijn stof en endotoxinen is bekend dat deze tot gezondheidseffecten kunnen leiden zoals luchtwegklachten. Geurbelasting kan leiden tot (ernstige) hinder en gezondheidsklachten zoals misselijkheid en hoofdpijn. Het risico op het optreden van deze effecten wordt verminderd door het beheersen van de emissies van deze factoren. In het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) is aangetoond dat er relaties zijn tussen wonen in de buurt van veehouderijen en gezondheid 1: -
COPD-patiënten die dichtbij een veehouderij wonen hebben vaker en ernstigere luchtwegklachten en gebruiken meer luchtwegmedicatie. Bij omwonenden van veehouderijen wordt een verminderde longfunctie gevonden. Bij omwonenden van veehouderijen komen minder allergieën en astma voor. Bij omwonenden van geitenhouderijen komt meer longontsteking voor.
Veehouderijen zijn tevens een bron van infectieziekten bij dieren die besmettelijk zijn voor de mens. Deze worden zoönosen genoemd. Het risico van zoönosen is echter een ander soort risico omdat het moeilijk voorspelbaar is en omdat het risico niet is uit te drukken in getallen. De milieuwetgeving die voor gezondheid relevant is, richt zich op geurhinder en fijnstof. De wettelijke normen zijn mede gebaseerd op overwegingen zoals politieke en economische haalbaarheid. Gezondheid wordt hierin slechts ten dele meegenomen. Het is dus niet zo dat deze normen ten allen tijde gezondheidsproblemen kunnen voorkomen. Al is bekend dat ook onder de algemeen wettelijke normen gezondheidseffecten optreden, is het nog niet goed inzichtelijk vanaf welke concentraties of binnen welke afstand tot aan veehouderijen, het risico is verhoogd. In deze memo wordt voor de volgende factoren een gezondheidskundig advies gegeven: • Geur • Fijn stof en biologische agentia • Zoönosen • Afstand tot veehouderijen
Geur 2, 3
Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stress-gerelateerde lichamelijke gezondheidsklachten. Mensen met astma, allergieën, bepaalde vormen van overgevoeligheid en mensen die bezorgd zijn, ervaren eerder hinder en bijbehorende gezondheidsklachten dan anderen 4.
Geur, gezondheidskundig uitgangspunt
Uitgangspunt van de GGD is dat het recht op het verspreiden van geur samen dient te gaan met de verantwoordelijkheid om te werken volgens het principe ‘zo-laag-als-redelijkerwijs-haalbaar’ (=ALARA) 5. Voor geur wordt in de Nederlandse wetgeving verschil gemaakt tussen stedelijk en landelijk gebied. Dit heeft te maken met verschillen in perceptie per omgeving. Bij woonfuncties (binnen de bebouwde kom) achten de GGD’en meer dan 12% geurhinder onacceptabel; bij gemengde functies (agrarisch 1
https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/vragen-en-antwoorden Acceptabele geurhinder bij ontwikkeling veehouderij, GGD GHOR Nederland, 2016 3 M. Venselaar-Mooij et al., Geur en gezondheid, GGD-richtlijn medische milieukunde, RIVM rapport 2015-0106 4 R. Nijdam en S. Dam van, Informatieblad Intensieve Veehouderij en Gezondheid Update 2011, GGD Nederland, 2011 5 ‘as low as reasonably achievable’ (ALARA) 2
gebied) zijn hogere hinderpercentages denkbaar, maar hoger dan 20% geurhinder is onacceptabel. Dit geldt voor zowel de voorgrond- (individueel bedrijf), als voor de achtergrondbelasting (cumulatief).
Geur, advies
Voorgrondbelasting Volgens de Handreiking bij de Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv) komen 2 en 5 OU/m3 overeen met respectievelijk 12 en 20% gehinderden 6. Voor de voorgrondbelasting adviseert de GGD de volgende waarden: •
Een maximale voorgrond geurbelasting in de bebouwde kom van 2 OU/m3 ten gevolge van alle diertypen. Een maximale voorgrond geurbelasting in agrarisch gebied van 5 OU/m3 ten gevolge van alle diertypen.
•
Achtergrondbelasting Onderzoek van de GGD’en Brabant en Zeeland en de Universiteit van Utrecht 7 toonde aan dat blootstelling aan geur (achtergrond) van veehouderijen tot meer geurhinder leidt bij omwonenden dan is aangenomen in de Handreiking van de Wet Geurhinder en Veehouderij. Op grond van deze onderzoeksgegevens adviseerde de GGD voor de achtergrondbelasting: •
Een maximale achtergrond geurbelasting in de bebouwde kom van 5 OU/m3 ten gevolge van alle diertypen. Een maximale achtergrond geurbelasting in agrarisch gebied van 10 OU/m3 ten gevolge van alle diertypen.
•
Uit onderzoek door de Wageningen UR8 blijkt dat gecombineerde luchtwassers (gebruikt bij met name varkens- en soms pluimveehouderijen) aanzienlijk minder geurreductie realiseren dan ze beloven. Combi luchtwassers blijken in de praktijk de helft minder geur en een kwart minder ammoniak uit de lucht te verwijderen dan verwacht. Dit betekent dat omwonenden meer aan geur worden blootgesteld, dan waar van uit werd gegaan bij de vergunningverlening van een bedrijf met een luchtwasser. De geurcontouren zijn groter en de kans op geurhinder ook. De blootstellings-responsrelatie zoals hierboven weergegeven voor de achtergrondbelasting zal naar aanleiding hiervan moeten worden aangepast. Vooralsnog adviseert de GGD daarom voor de achtergrondbelasting de wettelijke normen uit de Wet Geurhinder en Veehouderij aan te houden en niet ruimer dan deze normen te vergunnen.
Fijn stof 9,10,11
Fijn stof kan bij inademing in de luchtwegen en longen terecht komen en daardoor tot negatieve gezondheidseffecten leiden. Voor het beoordelen van gezondheidseffecten van fijn stof zijn zowel de hoeveelheid fijn stof als de samenstelling en grootte van de stofdeeltjes van belang. Daarnaast is landbouwstof vooral beladen met allerlei biologische agentia, zoals bacteriën, virussen, parasieten, schimmels en endotoxinen. Dit betekent dat de gezondheidseffecten van het fijn stof uit de landbouw anders zijn dan die van het fijn stof afkomstig van verkeer.
Fijn stof, gezondheidskundig uitgangspunt
Een toename in fijn stofconcentratie is vanuit gezondheidskundig oogpunt ongewenst omdat er geen drempel is waaronder fijn stof geen effect heeft op de gezondheid. De fijn stofuitstoot van veehouderijen levert een substantiële bijdrage aan het totale fijn stofgehalte van de buitenlucht. Dat geldt zeker in het landelijke gebied door de primaire uitstoot van fijn stof uit veehouderijen en de vorming van secundair fijn stof door de uitstoot van ammoniak.
6 7
Handreiking Wgv, bijlage 6 en 7, Infomil, 2007 L. Geelen et al., Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?, GGD’en Brabant/Zeeland en Universiteit Utrecht, 2015
8 R.W. Melse et al., Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen, WUR, 2018 9
R. Nijdam en S. Dam van, Informatieblad Intensieve Veehouderij en Gezondheid Update 2011, GGD Nederland, 2011 M. Zuurbier en R. Weerdt van de, Naar een gezonde lucht in Gelderland, GGD Gelderland-Midden, 2016 11 K. Maassen et al., Veehouderij en gezondheid omwonenden, RIVM rapport 2016-00582016 10
Fijn stof, advies De Europese wettelijke grenswaarde voor PM10 is een maximum van 40 μg/m3 en maximaal 35 overschrijdingsdagen met een belasting van 50 μg/m3 per jaar. De GGD adviseert om de WHO-normen te hanteren. De World Health Organization (WHO) hanteert een lagere advieswaarde voor PM10 van 20 μg/m3 gemiddeld in een jaar met een maximale 24-uurs-belasting van 50 μg/m3. De GGD adviseert om in gebieden met verhoogde concentraties veegerelateerd fijn stof (PM10 > 20 μg/m³) te streven naar een zo groot mogelijke verlaging van de fijn stof concentratie. In andere gebieden (PM10 < 20 μg/m³) zou het uitgangspunt minimaal een “stand still” (geen verdere toename) van emissies en concentraties moeten zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de fijn stof (en ammoniak)emissie zoveel mogelijk beperkt te worden.
Zoönosen
Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren naar mensen overgedragen kunnen worden. Voor overdracht is contact met de dieren of de producten/mest van dieren nodig. In een enkel geval kan een ziekte via de lucht overgedragen worden. De meest relevante zoönosen voor de omgeving van een veehouderij zijn Q-koorts en vogelgriep. Geitenhouderijen zijn een mogelijke bron van met name de zoönose Q-koorts en pluimveehouderijen zijn een potentiële bron van vogelgriep. Ook de combinatie varkens en pluimvee op één bedrijf wordt in verband gebracht met de ontwikkeling van vogelgriep.
Q-koorts
Geitenhouderijen zijn mogelijke bronnen van de zoönose Q-koorts. De symptomen van Q-koorts bij de mens kunnen verschillen van mild tot ernstig. Besmetting bij de mens leidt niet altijd tot ziekteverschijnselen. Wanneer men ziek wordt van Q-koorts, heeft men een longontsteking en/of griepachtige klachten. In enkele gevallen kunnen ernstige complicaties optreden. Chronische vermoeidheid wordt beschreven bij een klein percentage van de Q-koorts patiënten. Mensen en dieren kunnen potentieel met de Q-koorts bacterie besmet worden door inademing van stof uit besmette stallen en bemeste weilanden, maar ook via direct contact met besmette dieren. Maar door de invoering van maatregelen als een vaccinatieplicht van de geiten, mestmaatregelen en monitoring van de tankmelk is het aantal Q-koorts gevallen in Nederland drastisch verminderd.
Vogelgriep Pluimveehouderijen zijn een potentiële bron van vogelgriep. Vogelgriep wordt veroorzaakt door een griepvirus, dat gevaarlijk kan zijn voor omliggende pluimveehouderijen. In zeldzame gevallen is het virus overdraagbaar naar mensen, waardoor het een risico kan vormen voor omwonenden. Risicofactoren zijn (1) het houden van varkens in hetzelfde bedrijf en (2) vrije uitloop van het pluimvee. Om introductie van vogelgriep door wilde vogels te voorkomen adviseert de GGD in het geval van vrije uitloop om een goede afscheiding te realiseren tussen vrije uitloop en aangrenzende sloten, open wateren of foerageergebieden van wilde vogels. Gebruik een afrastering van tenminste één meter hoogte. Daarnaast is een goede inrichting van het voorlokaal van belang, en een consequente toepassing van het hygiëneprotocol.
Bacteriën
Naast vogelgriep en Q-koorts zijn er verschillende ziekteverwekkers die overgedragen kunnen worden van runderen, kippen en geiten naar mensen. Salmonella is hier een voorbeeld van. Naast pathogene (ziekmakende) bacteriën komen ook resistente bacteriën voor in dierlijke mest. Dit is voor gezonde mensen geen probleem, maar voor mensen die chronische ziek zijn of vaak een ziekenhuis bezoeken kan besmetting met resistente bacteriën vervelend zijn. Bacteriën kunnen overgedragen worden via mest, vlees, melk of eieren. Het risico op infectieziekten vanuit een rundveehouderij/geitenhouderij/pluimveehouderij speelt daarom niet zozeer voor omwonenden (met uitzondering van Q-koorts en vogelgriep), maar voor de werknemers en bezoekers van het bedrijf en voor de consumenten van de producten. Hiervoor zijn diverse hygiëne- en kwaliteitsrichtlijnen opgesteld waaraan het bedrijf zich dient te houden.
Combinatie van diersoorten
Bij een combinatie van verschillende diersoorten binnen één bedrijf, adviseert de GGD om een gescheiden bedrijfsvoering per diersoort te voeren. Dit in verband met het theoretisch risico van uitwisseling van virussen tussen de diersoorten. Wanneer de bestaande richtlijnen gevolgd worden en een aparte bedrijfsvoering wordt gevoerd, is het risico op zoönosen voor medewerkers en bezoekers klein. Het risico op zoönosen voor omwonenden is nihil.
Afstand tot veehouderijen
Er zijn binnen een afstand van 250 meter rondom veehouderijen hogere concentraties fijn stof, endotoxinen en vee-specifieke MRSA-bacteriën gemeten met mogelijk negatieve gezondheidseffecten. Ook het aantal veehouderijen in de directe omgeving is een bepalende factor voor het voorkomen van gezondheidsklachten bij omwonenden. Uit de VGO onderzoeken komt naar voren dat bewoners van veedichte gebieden, met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1 kilometer van hun woning, ongeacht het type veehouderij, vaker een verminderde longfunctie hebben 12. Verder blijkt uit het VGO onderzoek dat in een straal van 2 km rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen voorkomt13. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen, kan niet worden geadviseerd over beschermende maatregelen.
Afstand, advies •
• •
12 13
De GGD vindt dat binnen een straal van 250 meter rondom een veehouderij het voorzorgsprincipe zou moeten gelden. Dit betekent dat de GGD adviseert om geen veehouderijen te bouwen of uit te breiden binnen 250 meter van gevoelige bestemmingen, én dat geen gevoelige bestemmingen binnen 250 meter van intensieve veehouderijen moeten worden gebouwd. Onder gevoelige bestemmingen vallen scholen, kinderdagverblijven, bejaardenhuizen en verzorgings- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen en woningen. Houd bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rekening met het cumulatieve effect op de gezondheidsbelasting als een bestemming omgeven is/wordt door meerdere veehouderijen. Voor geitenhouderijen wordt terughoudendheid geadviseerd met vestiging of uitbreiding van geitenhouderijen binnen een afstand van 2 kilometer van gevoelige bestemmingen én terughoudendheid met het bouwen van gevoelige bestemmingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij.
K. Maassen et al., Veehouderij en gezondheid omwonenden, RIVM rapport 2016-00582016 https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/vragen-en-antwoorden#VGOIII2