Bijlage 1: Toelichting, regels en verbeelding bestemmingsplan ‘Lagestraat 36 Niftrik’
Tekst van het document
bestemmingsplan Lagestraat 36, Niftrik Gemeente Wijchen
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Lagestraat 36, Niftrik NL.IMRO.0296.NTKLagestraat36-VG01 Vastgesteld 21 oktober 2022 56.40.01
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Mvr. J. Jentink Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
Lagestraat 36, Niftrik
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro Verslag zienswijzen
7 7 7 7 8 8 9 12 12 13 14 14 18 18 26 32 33 34 35 36 36 36 37 37 37 37 37
Bijlagen bij de toelichting
39
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
41 43 45 47 49 51
Schetsontwerp Bodemonderzoek Bodemadvies ODRN Akoestisch onderzoek Watertoets Quickscan flora & fauna
Lagestraat 36, Niftrik
3
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 4 Artikel 7 Artikel 8
53 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Wonen - 1 Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
55 55 58 59 59 63 65 65 65 66 66 66
Bijlagen bij de regels
67
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
69 71 73 75 77
4
Beplantingsplan Beeldkwaliteitskader Beleidsnota cultuurhistorie Cultuurhistorische waarderingskaart Cultuurhistorische waardering
Lagestraat 36, Niftrik
Toelichting
Lagestraat 36, Niftrik
5
6
Lagestraat 36, Niftrik
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
De initiatiefnemer heeft het voornemen om een woning te bouwen bij het bestaande erf Lagestraat 36 te Niftrik. Voor de woning, het erf en aanliggende gronden is een ruimtelijk inpassingsplan gemaakt waarmee een ruimtelijke kwaliteitsslag wordt gemaakt. Naast de bouw van een woning wordt ook geïnvesteerd in de kwaliteit van het landschap. De voorgenomen ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Wijchen, ten noordoosten van de kern Niftrik. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied ten opzichte van omgeving (bron: openstreetmap)
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
Lagestraat 36, Niftrik
7
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen in het oeverwallenlandschap aan de noordzijde van de Maas. De Lagestraat is een oud bebouwingslint, met zowel woningen als (voormalige) agrarische bedrijven. Het huidige erf bestaat uit een woonboerderij met een schuur aan de noordzijde. Beide hebben karakteristieke details en geven het erf een fraai aanzicht. Bijzonder is de omgekeerde oriëntatie van het erf. Zo is de pronkgevel niet gericht naar de straat maar naar de dijk. Het erf wordt ontsloten aan de noordzijde van de woning waar de oude staldeuren aan de Lagestraat nog aanwezig zijn. De beoogde plek voor de bouw van een nieuwe woning is aan de zuidkant. Dit is nu een open weide met een grote Amerikaanse Eik. Aan de achterzijde van het erf liggen drie langgerekte begrazingsweiden (richting de dijk). De onderstaande afbeelding toont de huidige situatie in het plangebied.
Beeld van het huidige erf met hoofd- en bijgebouw en pronkgevel
8
Lagestraat 36, Niftrik
2.2
Toekomstige situatie
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de bouw van een extra woning op het erf van Lagestraat 36 ten zuiden van de bestaande boerderij. De ontwikkeling is gericht op het realiseren van een kwaliteitsverbetering van het perceel en de omgeving en duurzaam behoud van het karakteristieke erf. Op de plek van de nieuwe woning stond in het verleden een schuur. Met deze ontwikkeling wordt de historische opzet van het erf hersteld. De volgende afbeelding is de gewenste inrichting aangegeven. Deze is ook opgenomen in bijlage 1.
Schetsontwerp Lagestraat 36 (ontwerp: Buro SRO)
In deze opzet blijft de bestaande woonboerderij het hoofdgebouw van het erf. De nieuwe woning krijgt in de architectonische uitwerking de kenmerken van een schuur met sobere detaillering en passend kleur- en materiaalgebruik. De woning en bijgebouw worden geïntegreerd in één gebouw. De woning is, net als bij de boerderij, georiënteerd op het landschap, het garagedeuren zijn gericht naar de Lagestraat. De onderstaande afbeelding toont een impressie van de geplande woning. De woning zal worden gerealiseerd met een goothoogte van 3 meter en bouwhoogte van maximaal 8 meter. De totale inhoud van de nieuwe bebouwing zal maximaal 800 m3 bedragen, waarvan ca. 500 m3 ten dienste zal doen als woning. De overige ruimte zal in gebruik worden genomen als inpandige garage en bergruimte. Op onderstaande afbeelding een impressie van het nieuwbouw.
Lagestraat 36, Niftrik
9
Impressie van geplande woning (ontwerp: Hoogte 2 architecten)
De nieuwe woning krijgt een eigen inrit aan de Lagestraat. Deze inrit is ook van belang voor de ontsluiting van het achterliggende weiland. Op eigen erf is voldoende ruimte om te parkeren (aan de voorzijde van het bijgebouw en naast de woning). Landschappelijke inpassing Naast de bouw van een woning wordt ook geïnvesteerd in een landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap. Het concept dat ten grondslag ligt aan het ruimtelijke ontwerp is een eigentijdse invulling van de traditionele zonering van boeren erven in de zones: eten, wonen en werken. De thema's die op elk boerenerf een eigen plek innemen. Ingegeven door de oorspronkelijke opzet van het erf en de indeling van de begrazingsweiden in de huidige situatie, wordt deze zonering doorgezet in het landschap. Nabij de straat heeft de zone een cultuurrijk karakter, naarmate men zich van de straat begeeft, wordt hieraan een natuurlijke inrichting gegeven.
10
Lagestraat 36, Niftrik
Ruimtelijk concept plangebied (ontwerp: Buro SRO)
De noordelijke strook krijgt een invulling met voorzieningen ten aanzien van eten: een groentetuin, fruitboomgaard en een plukhaag. Aan de natuurlijke zijde van deze zone wordt een kruidenveld gerealiseerd. In de middelste zone staat het wonen centraal met de reeds aanwezige woonboerderij, de daaromheen gelegen siertuin en een natuurlijke bloemenweide. De zuidelijke zone omvat het werkgedeelte van het erf. Hierop bevindt zich de geplande (schuur)woning. Via deze inrit zijn de agrarische percelen aan de achterzijde bereikbaar. Langs de sloot aan de zuidzijde worden knotwilgen geplant. De knotwilgen vervangen de bestaande fruit- en (jonge) eikenbomen langs de perceelsgrens. De conditie van de bomen laat te wensen over, zijn niet erg passend op de plek en belemmeren (op termijn) het uitzicht naar de dijk. Aan de straatzijde wordt ter hoogte van het erf de laanbeplanting met eiken aangevuld. De bestaande Amerikaanse eik op het zuidelijke perceel blijft gehandhaafd. Het landschappelijk inpassingsplan is uitgewerkt in een beplantingsplan. Deze is opgenomen in bijlage 1 van de regels en in de regels voorwaardelijk verplicht gesteld.
Lagestraat 36, Niftrik
11
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied.
Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
12
Lagestraat 36, Niftrik
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Planspecifiek In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Voorliggend initiatief betreft het mogelijk maken van één woning. Uit jurisprudentie blijkt dat er pas vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 15 december 2021 is door Provinciale Staten van Gelderland de nieuwe Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. 3.2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. 3.2.3 Omgevingsverordening De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Planspecifiek Het provinciaal beleid zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking, waarin ook aandacht is voor de vitaliteit en kleine dorpen en kernen. Onderhavig plan, waarin de bouw van een
Lagestraat 36, Niftrik
13
woning op een bestaand erf mogelijk wordt gemaakt, draagt hieraan bij. De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening stellen geen specifieke eisen aan voorliggende locatie. Geconcludeerd wordt dat het plan passend is binnen het provinciale beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Woonagenda Subregio Nijmegen Met de woonagenda leggen de samenwerkende gemeenten in de subregio Nijmegen (Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen) een gezamenlijke koers vast om tegemoet te komen aan de woonopgaven voor de jaren 2020-2030. Het centrale doel is het zorgen voor een blijvend goed woon- en leefklimaat voor alle huidige en toekomstige inwoners van de subregio, met voldoende woningen, kwantitatief en kwalitatief voor iedereen die dat nodig heeft. De kernkwaliteiten van de subregio Nijmegen bestaan uit een diversiteit aan woonmilieus en woningtypen voor een diversiteit aan huishoudens in een groene omgeving met veel voorzieningen en met goede verbindingen met de rest van Nederland. De gemeenten proberen gezamenlijk de kracht van de subregio en de regio te versterken door verbeteringen te realiseren op de gebieden wonen en leefbaarheid, duurzaamheid, zorg en welzijn en werk, innovatie en onderwijs. De diversiteit aan woonmilieus is een van de sterke punten die wordt behouden en verder uitgebouwd. Deze woonagenda levert daaraan een bijdrage. Thema's van de woonagenda Voortbordurend op de thema's uit de vorige woonagenda, de Woondeal Regio Arnhem Nijmegen en de actualiteit worden in de Woonagenda subregio Nijmegen e.o. 2020-2030 de volgende thema's opgepakt:
Verantwoord versnellen: programmeren en afstemmen. Bestaande woningvoorraad en betaalbaarheid. Duurzaam en toekomstbestendig. Huisvesting specifieke doelgroepen.
De woningbouwopgave voor Wijchen tot 2030 bedraagt 1.430 woningen. Planspecifiek De gemeente Wijchen heeft haar woonbeleid uitgewerkt in de Woonvisie Wijchen 2025 (zie paragraaf 3.4.3) Voorliggende ontwikkeling is een initiatief dat inspeelt op de woningbehoefte en de diversiteit van het woonmilieu versterkt. Het plan is in lijn met de Woonagenda Subregio Nijmegen.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Strategische Visie Wijchen 2025 en Structuurvisie Wijchen Strategische Visie In maart 2007 is de Strategische Visie Wijchen 2025 vastgesteld. In deze visie wordt een doorkijk gegeven naar de gewenste ontwikkeling van de gemeente Wijchen tot het jaar 2025. De visie richt zich op een viertal leidende thema's, te weten: bedrijvig Wijchen, sociaal sterk, duurzaam groen en de Wijchense identiteit. Duurzaam en kwalitatief zijn ook sleutelwoorden voor de ontwikkeling van het buitengebied en de kleine kernen. De grote rijkdom aan natuur- en landschapswaarden vormt het uitgangspunt voor verdere ontwikkeling. Wijchen zet in op een beheerste groei van recreatie, verbrede landbouw, ontwikkeling van groene en blauwe diensten en vitale kernen. Er wordt een groene relatie tussen het stedelijk gebied met het buitengebied nagestreefd met zo weinig mogelijk barrières.
14
Lagestraat 36, Niftrik
In de Strategische visie 2025 zijn de belangrijkste 'groene' ambities als volgt verwoord: verdere ontwikkeling alleen met respect voor landschap, cultuurhistorie en natuur; meer ruimte voor water; duurzame inrichting; nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan hun bijdrage aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit. Structuurvisie De structuurvisie Wijchen, die door de gemeenteraad op 9 juli 2009 is vastgesteld betreft een doorvertaling van de strategische opgaven die zijn geformuleerd in de strategische visie Wijchen 2025. Uitgegaan wordt van een compacte groei en het benutten van de potenties van bestaand stedelijk gebied zonder daarbij kwaliteit aan te tasten, in combinatie met een vitaal platteland en sterke kernen. De gemeente wil onder meer werken aan: versterking van cultuurhistorische landschapselementen en patronen; nieuwe woningen in het buitengebied alleen in het geval van functieverandering of landgoederen in het kader van de Natuurschoonwet; kleinschalige bedrijvigheid in het kader van verbreding van de landbouw in het buitengebied; ruimte voor versterking en ontwikkeling agrarische sector; extensieve recreatie in het landelijk gebied door een goede en aantrekkelijke ontsluiting; behoud en versterking van een goede woon- en leefomgeving.
Planspecifiek Voorliggende ontwikkeling voorziet de realisatie van één woning in het buitengebied, ter plaatse van een bestaand erf. Met deze ontwikkeling wordt het oorspronkelijke erf in ere hersteld: de nieuwe woning wordt gebouwd op de plek van een voormalige schuur die onderdeel uitmaakte van het boerderijcomplex. Daarbij is het plan voorzien van een goede landschappelijke inpassing en een beplantingsplan, welke voorwaardelijk verplicht is gesteld in de regels. Het plan levert hiermee een bijdrage aan de versterking van cultuurhistorische landschapselementen en patronen. Gezien de korte afstand tot de kern Niftrik, de ligging in de lintbebouwing van de Lagestraat en de aansluiting op het bestaande erf, wordt de bouw van een woning op deze locatie passend geacht. De ontwikkeling is passend binnen de Strategische Visie Wijchen 2025 en de Structuurvisie Wijchen. 3.4.2 Landschapsontwikkelingsplan Beuningen, Druten, Wijchen De gemeente Beuningen, Druten en Wijchen hebben gezamenlijk een landschapsontwikkelingsplan op laten stellen (december 2006, Brons & Partners). Het plan geeft inzicht in de ontwikkelingsmogelijkheden en keuzen in het landschap voor de komende 10 jaar. Daarnaast zijn een aantal projecten benoemd voor de komende 10 tot 15 jaar. Het LOP vormt een vormt een vervolg op en herziening van de bestaande landschapsbeleidsplannen.
Het LOP geeft vanuit landschappelijk oogpunt aan welke functies in de deelgebieden gewenst zijn. Voor nieuwe ontwikkelingen en functieveranderingen geeft het LOP de landschappelijke randvoorwaarden aan. Het vormt een beleidskader om de bestaande waarde te behouden en daarnaast dient het plan als toetsingskader voor ontwikkelingen in het landschap. Het landschap van de drie gemeenten is opgedeeld in acht landschapstypen. Planspecifiek Het plangebied ligt op een Maasoeverwal. Voor het landschapstype Maasoeverwallen staat het behoud en versterken van de historische keren als beleefbaar ijkpunt in een kleinschalig landschap met wisselende uitzichten op kernen vanaf de dijk centraal. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen aansluiten op de bestaande patronen en deze waar nodig met het toevoegen van landschapselementen versterken.
Lagestraat 36, Niftrik
15
Voorliggende ontwikkeling voorziet het herstellen van een historische situatie ter plaatse van een bestaand erf, middels de bouw van een (schuur)woning op de plek van een vroegere schuur. Met een beplantingsplan wordt een bijdrage geleverd aan het landschappelijk inpassen van de te realiseren woning en het versterken van de landschappelijke kwaliteit. Hiermee levert het plan een bijdrage aan het gestelde in het LOP. 3.4.3 Woonvisie Wijchen 2025 De Woonvisie Wijchen zet de koers van het gemeentelijk woonbeleid uit naar de toekomst. Hierin wordt omschreven waar moet worden bijgestuurd, afgeremd of versneld om de doelen van het woonbeleid te bereiken. De woonvisie heeft twee uitgangspunten: het thuisgevoel versterken en verder kijken dan de trends van nu. Om het woningaanbod in balans te krijgen wordt in de woonvisie gesproken over meer mogelijkheden voor starters, jonge gezinnen, (vitale) senioren en mensen met een zorgvraag. Het is de bedoeling dat starters en jonge gezinnen in de gemeente kunnen blijven of komen wonen. Dit kan onder andere door mogelijkheden te bieden voor splitsing van bestaande woningen, waardoor een koopwoning binnen het financiële bereik van starters kan komen. Daarnaast is het de bedoeling dat (vitale) senioren en mensen met een zorgvraag langer zelfstandig kunnen wonen.
Dit leidt tot een toenemende behoefte aan nieuwe woonvormen, zoals verschillende generaties onder één dak en het toevoegen van woningen in een vorm waarbij de eindgebruiker centraal staat. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de realisatie van één levensloopbestendige woning op een bestaand erf, nabij de kern Niftrik. Hiermee wordt mogelijk gemaakt dat een familie op het erf blijft wonen. Indien nodig kan er in de toekomst mantelzorg worden geboden. Het plan speelt hiermee direct in op de behoefte binnen de gemeente. Het initiatief past binnen de Woonvisie. 3.4.4 Geldend bestemmingsplan Voor de in het bestemmingsplan begrepen gronden vigeert thans het bestemmingsplan 'Geconsolideerde versie Buitengebied en herziening 2014', vastgesteld door de gemeenteraad op 23 februari 2015. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming 'Agrarisch'.
16
Lagestraat 36, Niftrik
Uitsnede vigerende bestemmingsplan ten hoogte van plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen deze bestemming is de bouw van een nieuwe woning niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan herzien.
Lagestraat 36, Niftrik
17
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport hiervan is opgenomen in bijlage 2. Zowel in de boven- als in de ondergrond zijn lichte verontreinigingen met enkele zware metalen vastgesteld. Deze worden toegeschreven aan een diffuse bodembelasting als gevolg van het langdurig historisch gebruik van de locatie en zijn zodanig licht verhoogd at aanvullend onderzoek niet nodig is. Geconcludeerd wordt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt het terrein geschikt is voor de toekomstige bestemming. Dit wordt onderschreven door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (zie bijlage 3). Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang.
Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
18
Lagestraat 36, Niftrik
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 720207 (aan de Rijksweg A50 ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 23,5 µg/m3
PM10 (fijnstof) 18,7 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 11,6 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (bouw van één woning) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.
Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Lagestraat 36, Niftrik
19
Planspecifiek De nieuwe woning wordt op ca. 16 meter uit de as van de Lagestraat gebouwd. De Lagestraat is een voor gemotoriseerd verkeer doodlopende weg met een lage verkeersintensiteit. Akoestisch is deze weg niet relevant. Om te onderzoeken wat de invloed is van de snelweg A50 is een geluidonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. Hieruit blijkt dat de geluidbelasting afkomstig van wegverkeer op de A50 ten hoogste 48 dB bedraagt na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee door wegverkeer niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: concentratiegebied binnen bebouwde kom concentratiegebied buiten bebouwde kom niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom
maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m³ 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied liggen diverse agrarische bedrijven, zoals onderstaand kaartje laat zien.
20
Lagestraat 36, Niftrik
Agrarische bedrijven en andere functies aan de Lagestraat, met huisnummers
adres
soort bedrijf
afstand tot plangebied
Lagestraat 20
intensieve veehouderij
250 m
Lagestraat 30
vaste afstandsdieren
105 m
Lagestraat 35
vaste afstandsdieren
12 m
Lagestraat 39 Lagestraat 46
intensieve veehouderij
42 m 340 m
Lagestraat 48
intensieve veehouderij
470 m
Lagestraat 36, Niftrik
aantal dieren volgens melding/vergunning (IGO) 2052 zeugen en biggen 15 zoogkoeien 40 jongvee 100 melkvee 70 jongvee 75 melkvee 60 jongvee 1806 vleesvarkens 1567 zeugen en biggen 3 dekberen 1860 vleesvarkens 2482 zeugen en biggen
bijzonderheden
bedrijf grenst aan de bebouwde kom
70 meter tussen woning en stal geen melding
21
Aan de overzijde van de weg ligt op het perceel Lagestraat 35 een agrarisch bedrijf dat in het geldende bestemmingsplan de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' heeft. De varkenshouderij is echter niet meer aanwezig en de vergunning voor het houden van varkens is op 29 januari 2020 ingetrokken. Het bedrijf is nog wel actief als akkerbouw- en bloemsierteeltbedrijf. Hoewel er bedrijfsmatig wordt momenteel geen vee meer aanwezig is, mag er volgens de melding nog wel melkrundvee worden gehouden. De afstand tussen de stal en de nieuwe woning bedraagt ruim 70 meter, waarmee aan de afstandseis wordt voldaan. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat het bedrijf aan de voorzijde uitbreidt met nieuwe stalruimte, niet alleen worden er bedrijfsmatig geen dieren meer gehouden, maar ook heeft het bedrijf aan de achterzijde nog veel uitbreidingsruimte. Om tot op minder van 50 meter van het nieuwe woongebouw te komen, zou op nr. 35 tot vóór de rooilijn van de agrarische bedrijfswoning moeten worden gebouwd. Dat is ook om stedenbouwkundige redenen ongewenst. Evenmin is het waarschijnlijk dat er een nieuwe intensieve veehouderij zich hier vestigt, hoewel dat planologisch nog mogelijk is volgens de functieaanduiding in het vigerende bestemmingsplan. In de directe omgeving liggen op korte afstand meerdere woningen, die de mogelijkheden van het bedrijf in dit opzicht reeds beperken.
Voor de toetsing aan andere hinderaspecten van het bedrijf (geluid, stof) wordt verwezen naar paragraaf 4.1.5 Milieuzonering. Lagestraat 30 betreft een agrarisch bedrijf waar (volgens melding) vaste afstandsdieren zijn toegestaan. De afstand tot onderhavig plangebied is voldoende groot. Ter plaatse van Lagestraat 39 is in het vigerende bestemmingsplan een agrarisch bouwvlak opgenomen. Echter zoals bovenstaande tabel toont vindt hier geen bedrijvigheid meer plaats. Voor de andere veehouderijbedrijven kan worden aangenomen dat de afstand zodanig groot is dat er geen sprake zal zijn van geurhinder. Het bedrijf Lagestraat 20 grenst aan de bebouwde kom van Niftrik, wat beperkingen oplegt aan de geuruitstoot. In de plan-MER die is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan Buitengebied is de geurverspreiding van de vergunde situatie en een maximale variant doorgerekend met programma V-stacks. Er is gerekend met een raster van 500 x 500 meter, waarbij aan iedere cel een waarde is toegekend die is berekend voor het midden van de cel. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen cellen die een geurbelasting hebben van meer dan 8 ouE/m3. Dit betekent dat de geurbelasting binnen de norm ligt.
Hoewel de plan-MER al enige jaren oud is (2011) mag worden gesteld dat de situatie niet verslechterd is, omdat er op kortere afstand van het bedrijf reeds andere woningen aanwezig zijn waaraan getoetst moet worden. Dit in combinatie met de afstand (340-470 meter) maakt dat aangenomen kan worden dat de geurbelasting niet hoger is dan 8 ouE/m3.
Berekende geurbelasting per cel (500 x 500 m) (bron: Plan-MER bestemmingsplan buitengebied Wijchen)
22
Lagestraat 36, Niftrik
Voor alle bedrijven geldt ook dat ze door voorliggend plan niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt, omdat er reeds andere burgerwoningen aanwezig zijn die in dat geval maatgevend zijn. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen.
In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek De Lagestraat is een uitloper van de kern Niftrik met een afwisseling tussen agrarische bedrijven en woningen. Richting het dorp zijn er ook andere vormen van bedrijvigheid en ligt er een sportcomplex. Er is een evenredige verdeling tussen woningen en het aantal bedrijven (zie de afbeelding in paragraaf 4.1.4). Daarmee kan het gebied worden getypeerd als een 'gemengd gebied', waarbij er sprake is van een zekere mate van verstoring en een andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Derhalve kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden teruggebracht. Het aspect geur is reeds in paragraaf 4.1.4 behandeld.
Voor de aspecten stof en geluid geldt voor omliggende bedrijven op grond van de Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' een minimale richtafstand van 30 meter, die vanwege de ligging in gemengd gebied kan worden verkleind tot 10 meter. Onderstaande tabel toont de bedrijven nabij het plangebied:
Lagestraat 36, Niftrik
23
Adres
Inrichting
Lagestraat 30
Fokken en houden 0141, 0142 van rundvee Akkerbouw (i.c.m. 011,012,013 houden van (0141, 0142) dieren) Agrarisch bedrijf (geen dieren aanwezig)
Lagestraat 35
Lagestraat 39
SBI-code
Geur
Geluid
Stof
Gevaar
100
30
30
0
10 (100)
30 (30)
10 (30)
10 (0)
12 m
0
0
42 m
10
Feitelijke afstand 105 m
Het dichtstbijzijnde bedrijf ligt aan de overzijde van de weg aan de Lagestraat 35. Gelet op de aard van het omliggende gebied en het verkleinen van de richtafstand, geldt hier een minimale afstand van 10 meter, Daaraan wordt voldaan. Daarbij kan nog worden vermeld dat bij de nieuwe woning de geluidsgevoelige ruimtes aan de achterzijde worden gerealiseerd. De ruimte aan de wegzijde betreft het (niet-geluidgevoelige) bijgebouw. De feitelijke afstand tussen de woonruimte en het bedrijf bedraagt meer dan 30 meter. Geconcludeerd wordt dat er vanuit milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De bestaande bedrijven worden niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. In de nabijheid zijn reeds woningen aanwezig die maatgevend zijn betreffende het uitbreiden van de bedrijvigheid. Dit betreft de woningen Lagestraat 43, 41, 40, 36, 32 en Niftriksestraat 11 (zie het kaartje in voorgaande paragraaf 4.1.4). Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.
Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
24
Lagestraat 36, Niftrik
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart ten hoogte van plangebied (bron: risicokaart)
Uit voorgaande afbeelding is op te maken dat er in de omgeving van het plangebied meerdere transportroutes, inrichtingen en leidingen aanwezig zijn: Op ca. 700 meter ten noorden van het plangebied loopt de spoorlijn van het traject Roosendaal - Arnhem. Het plangebied ligt buiten het meest relevante risicogebied (200 m). Op ca. 470 meter ten westen van het plangebied ligt de Rijksweg A50. De weg heeft geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6), maar wel een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Gezien de afstand tussen de route en de ontwikkellocatie vormt dit geen belemmering. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied voor de gestelde transportroute. Er dient een verantwoording betreffende bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid opgenomen te worden. Op ca. 450 meter noorden van het plangebied is een propaantank aanwezig bij het bedrijf Lagestraat 48. Hier geldt een plaatsgebonden risicoafstand van 25 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
Lagestraat 36, Niftrik
25
Ten oosten van het plangebied, op ca. 90 meter, liggen meerdere gastransportleidingen. Het plangebied ligt binnen de 100% lethaliteitsgrens (220 meter) van de betreffende leidingen. Met voorliggend plan wordt één woning toegevoegd aan het buitengebied. De personendichtheid, die in het buitengebied al laag is, neemt hiermee slechts heel beperkt toe. Daarmee is er ook sprake van een heel beperkte toename van het groepsrisico. Daarom kan worden volstaan met een standaard verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Ten slotte loopt op ca. 800 meter van het plangebied de Maas. Over de Maas vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied waarbinnen het groepsrisico moet worden verantwoord bedraagt 200 meter. Het plangebied ligt buiten deze afstand.
Beperkte verantwoordingsplicht Op grond van artikel 7 van het Bevt moet voor de (spoor-)wegen, gezien de ligging, worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op de transportroute en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. In dit geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Er zijn voldoende mogelijkheden om dit advies tijdig op te volgen. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
4.2
Water
Wettelijk kader Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro).
26
Lagestraat 36, Niftrik
Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 4.2.1 Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Het plangebied ligt in het buitengebied van Wijchen, op een hoogte van circa 7,6 m +NAP (Bron: AHN). De bodem ter plaatse bestaat uit klei tot ca. 3,4 meter, daaronder vindt men zand. Op ongeveer 200 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich een peilbuis (nr. B45F0077). Volgens deze peilbuis heeft de grondwaterstand in de periode mei 1974 t/m mei 1999 niet hoger gestaan dan 7,00 m+NAP en niet lager dan 4,70 m+NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand in deze peilbuis ligt op 6,57 m+NAP.
Voor het plangebied betekent dat naar verwachting deze grondwaterstand ongeveer 0,10 m hoger staat, dus niet hoger dan 7,10 m+NAP en niet lager dan 4,80 m+NAP en het gemiddelde op 6,67 m+NAP. Bij het uitgevoerde bodemonderzoek (zie bijlage 2) is het grondwater vastgesteld op 2,45 meter -mv. Ter plaatse van de desbetreffende peilbuis bedraagt het maaiveld 7,64 m +NAP. Hiermee valt de gemeten grondwaterstand van 5,01 m +NAP binnen de hiervoor genoemde grondwaterrange. Oppervlakte- en afvalwatersysteem In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen te vinden. Tussen het plangebied en de Lagestraat ligt een C-watergang (id: 095285). Daarnaast loopt aan de overzijde van de Lagestraat een Bwatergang (id: 429161). Het plangebied maakt onderdeel uit van het Peilbesluit Bloemers (2014). Hierin is het winterpeil bepaald op 5,2 m+ NAP en het zomerpeil op 5,2 m+ NAP. In de huidige situatie is er geen sprake van afvalwater. Ecosysteem Het plangebied ligt niet in binnen het Gelders natuurnetwerk of een beschermingszone voor natte natuur. 4.2.2 Gemeentelijk waterbeleid en waterbeleid Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid.
In de Strategische waternota Wijchen zijn thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie.
Lagestraat 36, Niftrik
27
Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens art. 7 en 10 en Activiteitenbesluit art. 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wm art 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet art. 3.5). Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaren is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6).
Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet art. 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van A-watergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig. 4.2.3 Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft en motiveert de wijze waarop op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. 4.2.3.1 Leefomgeving en ruimtegebruik Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik.
Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering). Gevolgen van/voor het plan Voorliggend initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding of watergangen en oppervlaktewater in de omgeving. Zo wordt de woning hydrologisch neutraal gebouwd en zal het hemelwater op eigen terrein worden opgevangen en hergebruikt dan wel afgevoerd. Ten behoeve van dit initiatief worden waar nodig nabijgelegen sloten verbreed en/of verdiept. Dit om meer ruimte te bieden voor de opvang en afvoer van hemelwater. Onder punt 4.2.3.2 tot en met 4.2.3.5 is in meer detail weergegeven welke concrete invulling aan het aspect water is gegeven.
28
Lagestraat 36, Niftrik
4.2.3.2 Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt.
Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan Aan de voorzijde van het plangebied ligt een C-watergang. De bouw van een woning en ontsluiting ervan hebben geen invloed op de watergang. Ter plaatse van de toekomstige inrit is de C-watergang reeds beduikerd. In het plangebied zijn geen natte natuurwaarden aanwezig die beïnvloed kunnen worden door het initiatief. Verontreiniging van hemelwater zal worden voorkomen door het gebruik van de juiste materialen voor de woning. Het hemelwater zal in de bodem worden geïnfiltreerd. 4.2.3.3 Klimaatverandering Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken.
Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan. Gevolgen van/voor het plan Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied. Voorliggend plan maakt de bouw van een woning mogelijk, in combinatie met de aanleg van beplantingen en natuurvriendelijk beheer om het geheel op een goede manier in te passen in het landschap.
Lagestraat 36, Niftrik
29
In navolgend onderdeel 4.2.3.4 in uiteengezet hoe er wordt omgegaan met de toevoeging van verharding in het plangebied en welke maatregelen worden getroffen met betrekking tot het opvangen van regenwater. 4.2.3.4 Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2).
Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan In de huidige situatie is het plangebied geheel onverhard. Voor de toekomstige verharding wordt uitgegaan van een oppervlakte van circa 460 m2 (280 m2 oprit en 180 m2 woning). Deze toename valt binnen de eenmalige uitzondering voor particulieren en kleine bedrijven van het waterschap Rivierenland. Conform het gemeentelijke uitgangspunt dient al het hemelwater op eigen terrein te worden verwerkt. Daarbij wordt uitgegaan van de totale hoeveelheid verharding binnen het plangebied in de toekomstige situatie: circa 460 m2. Er is gerekend met 15 millimeter water berging per m 2. Dit staat voor een bui die 1 keer per jaar valt. Dit komt neer op een capaciteit van 6,9 m3. Om deze benodigde capaciteit binnen het plangebied op te kunnen vangen worden maatregelen getroffen. Onder andere het plaatsen van infiltratiekratten, grindkoffers, een greppel, wadi of vijver/poel bij de nieuwe woning kan ervoor zorgen dat hemelwater binnen eigen terrein opgevangen wordt en de gronden van de naastgelegen percelen en de weg niet te maken krijgen met wateroverlast.