CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Maasbandijk 28

Raad openbaar Wijchen 30 mei 2024, gemeente wijchenBij agendapunt: 78471 Beslisnota vaststelling bestemmingsplan Maasbandijk 28 Niftrik11.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

5.2.1

Beschrijving watersysteem Het plangebied is gesitueerd in het landelijk gebied. Het maaiveld varieert van 7,5 m +NAP tot 8 m +NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is 90 cm diep en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) is 150 cm diep. In de directe omgeving bevinden zich geen waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden. Op een afstand van circa 230 meter ten zuiden is de rivier de Maas gelegen. De planlocatie is gelegen in het gebied dat binnendijks ligt. Ten noordoosten van het plangebied is direct aangrenzend een A-watergang gelegen. Voor A watergangen geldt een beschermingszone van 4 meter breed. Ter plaatse is geen sprake van een kwelwatergebied, maar zijn er slechts matige mogelijkheden voor infiltratie. Het afvalwater is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Hierbij geldt dat afvalwater is gescheiden van het (schone) hemelwater. Voor ieder perceel is de afvoer van afvalwater afzonderlijk op de openbare riolering, welke loopt in noordwestelijke richting, richting de kern Niftrik.

Figuur 9: Leggerkaart met daarop de beschermingszones

In de legger zijn door het waterschap keurzones vastgelegd (figuur 9). Deze keurzones zijn bedoeld om aantasting van de dijk tegen te gaan en daarmee de standzekerheid van de dijk te waarborgen. Op deze zones zijn de bepalingen in de Keur van toepassing. Er worden 3 zones onderscheiden: 1. Kernzone: de kernzone bestaat conform de Keur van het waterschap in principe uit de waterkering inclusief een strook van 4 meter vanaf de binnenteen van de dijk en een strook van 4 meter vanaf de buitenteen. De waterkering is de dijk inclusief de steun- en pipingberm; 2. Beschermingszone: dit is de zone van minimaal 20 meter aansluitend op de kernzone. Waar het noodzakelijk is vanwege veiligheidsredenen, is de beschermingszone breder. De exacte afmetingen van deze zone variëren door het beheergebied heen en zijn beschreven in de legger; 3. Buitenbeschermingszone: dit is de zone aansluitend op de beschermingszone. De exacte afmetingen van deze zone variëren door het beheergebied heen en zijn beschreven in de legger. De buitenbeschermingszone is over het algemeen minimaal 70 m breed.

27

De afmetingen van de keurzones zijn voor alle dijktrajecten vastgelegd in de legger. De gebieden in de kernzone en de beschermingszone worden door de bepalingen van de Keur beschermd, omdat de standzekerheid daar direct in het geding is. Vooral in de kern- en beschermingszones zijn er beperkingen voor bijvoorbeeld ophogen, ontgraven en bouwen. De beperkingen in de buitenbeschermingszone zijn wat lager, dit gebied ligt ook verder van de dijk af. Het plangebied ligt binnen de beschermingszone (en de buitenbeschermingszone) van de waterkering. Volgens de Keur van Waterschap Rivierenland is het verboden om binnen deze zone (beschermingszone) werkzaamheden zoals het bouwen van een woning of bedrijfsgebouw uit te voeren. Voor het bouwen binnen deze zone is een watervergunning vereist. Om vergunning te kunnen krijgen moet het toekomstig bouwplan voldoen aan de beleidsregels van het waterschap. In het voorliggende bestemmingsplan wordt geregeld dat een woningsplitsing mogelijk is, er is dus geen sprake van bouw of nieuwbouw. Gezien voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een functiewijziging van bestaande bebouwing en deze functiewijziging niet binnen deze zone plaatsvindt, zijn negatieve effecten uit te sluiten.

5.2.2

Waterbeleid en waterbeheer Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens art. 7 en 10 en Activiteitenbesluit art. 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wm art 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater.

Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet art. 3.5). Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaren is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven

28

bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet art. 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van A-watergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig.

5.2.3

Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Leefomgeving en ruimtegebruik De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie. Voorgenomen ontwikkeling heeft kleine gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Er vindt geen sloop of toevoeging van bebouwing plaats en de bestaande wijze van opvangen en infiltreren kan in stand blijven, maar door de splitsing betekent het ook dat het afvalwater moet worden gesplitst. Hiermee moet rekening gehouden worden conform de eisen uit het bouwbesluit. Daarnaast moet rekening gehouden worden met het verwerken van hemelwaterafvoer op eigen terrein. Indien één van de twee woningen (percelen) al het hemelwaterafvoer afvoert, moet dit notarieel vastgelegd zijn.

Kwaliteit en beleving De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van nietuitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater alleen lozen via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen

29

verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren. In voorgenomen ontwikkeling wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Alleen schoon hemelwater wordt direct, zichtbaar afgevoerd naar bodem of oppervlaktewater. In het geval van lozing van hemelwater op oppervlaktewater zal de oever van dit oppervlaktewater natuurvriendelijke worden ingericht. Klimaatadaptatie De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water.

Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan. In voorgenomen ontwikkeling wordt geen verharding en/of bebouwing toegevoegd en blijft de bestaande landschappelijke inpassing van het perceel gehandhaafd. Doordat er geen wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie optreden kan de bestaande ruimtelijke inrichting behouden blijven. Er is in de bestaande situatie geen sprake van wateroverlast bij hevige buien. Het plangebied heeft aan de noordzijde een watergang. Deze watergang zorgt voor de afwatering van het plangebied bij een eventuele hevige klimaatbui. De watergang maakt deel uit van het landschappelijk inpassingsplan (bijlage I).

Waterberging De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld.

30

Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Het initiatief heeft betrekking op een bestemmingswijziging van het perceel, waarbij er geen uitbreiding van bebouwing of verharding plaatsvindt.

Hierdoor is er geen sprake van een toename in verhard oppervlak, wat betekent dat vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen er geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Voor de bestaande bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven.

Gezondheid en veiligheid De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele risico’s van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling (verdroging) of –fluctuatie (zie ook Klimaatverandering). Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). In voorgenomen ontwikkeling wordt geen verharding en/of bebouwing toegevoegd en blijft de bestaande landschappelijke inpassing van het perceel gehandhaafd. Doordat er geen wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie optreden kan de bestaande ruimtelijke inrichting behouden blijven.

5.2.4

Overwegingen en conclusie Het initiatief heeft betrekking op een bestemmingswijziging van het perceel, waarbij er geen uitbreiding van bebouwing of verharding plaatsvindt. Hierdoor is er geen sprake

31

van een toename in verhard oppervlak, wat betekent dat vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen er geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Voor de bestaande bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven.

5.2.5

Overleg met waterbeheerder Formeel overleg met het Waterschap Rivierenland in het kader van de watertoets is volgens de nieuwe beleidslijn van het Waterschap verplicht indien de toename aan verharding groter is dan 500 m2 (stedelijk gebied) of 1.500 m2 (landelijk gebied). In voorliggend initiatief is er geen sprake van een toename van verharding waardoor formeel overleg niet aan de orde is. Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg ter kennisneming toegezonden aan het Waterschap Rivierenland. Het waterschap Rivierenland is benaderd om een advies uit te brengen ten aanzien van het onderhavige bestemmingsplan. Het waterschap concludeert hier niet bij betrokken te hoeven zijn aangezien het een functiewijziging betreft.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.

Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Rijntakken’. Dit gebied is op een afstand van circa 9.9 kilometer ten noorden van de planlocatie gelegen. Daarnaast is op een afstand van circa 17,1 kilometer ten oosten van de planlocatie het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ gelegen. 32

Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021, geldt de bouwvrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Hierdoor is het uitvoeren van stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase van voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk. Daarnaast kan de stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase, gezien de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie, achterwege gelaten worden. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten. Tot slot wordt opgemerkt dat de gesplitste woning in het verleden reeds is vergund en dat de verkeersgeneratie ten behoeve van de twee woningen in de huidige situatie reeds aanwezig is. Als gevolg van voorgenomen ontwikkeling vinden er in de praktijk dus geen wijzigingen in het aantal verkeersbewegingen plaats. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen.

Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is op circa 100 meter ten zuiden van het plangebied gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en groenelementen zoals bomen fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het verwijderen hiervan kan een negatieve gevolgen hebben voor dieren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden bepaald of er al dan niet nader onderzoek dient te worden gedaan naar voorkomende diersoorten. In dit geval vindt er enkel een splitsing van een bestaand pand plaats en bestaat de ontwikkeling niet uit sloop- of nieuwbouwwerkzaamheden waardoor de ontwikkeling geen negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Het aspect ‘Natuur’ levert geen belemmering op voor het planvoornemen.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen

33

toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform het bestemmingsplan ‘Geconsolideerde versie Buitengebied en herziening 2014’ heeft een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Aangezien voorgenomen ontwikkeling niet voorziet in bodemroeringen is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het aspect ‘Archeologie’ levert geen belemmering op voor voorgenomen ontwikkeling.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland en de cultuurhistorische beleidskaart van de gemeenten Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit De splitsing van de bestaande woonboerderij in twee wooneenheden zal zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. De toename van het aantal verkeersbewegingen zal echter minimaal zijn. Conform de kencijfers van het CROW (publicatie 381) is de verkeersgeneratie van één twee-onder-een-kapwoning in het buitengebied maximaal 16,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De huidige infrastructuur heeft gezien de ontsluiting op de Maasbandijk voldoende capaciteit om deze verkeerstoename te verwerken. Hierdoor is aanpassing van de Maasbandijk en de wegen die met de Maasbandijk in verbinding staan niet aan de orde.

34

5.6.2

Parkeren De gemeente Wijchen hanteert de parkeernormen uit de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (nummer 381). Conform deze kencijfers dienen er tenminste bij een twee-onder-een-kapwoning in het buitengebied (2 * 2,6 =) 5,2 (afgerond 6) parkeerplaatsen aanwezig te zijn. De parkeerplaatsen moeten per perceel aanwezig zijn. Dit is privaatrechtelijk geregeld. Het plangebied is groot genoeg om in dit aantal parkeerplaatsen te kunnen voorzien, welke overigens ook reeds aanwezig zijn. In figuur 7 en bijlage I is de situering van de parkeerplaatsen op eigen terrein weergegeven. Daarmee is het aspect parkeren geen belemmering voor de planontwikkeling.

35

HOOFDSTUK

6.1

6 Uitvoerbaarheid

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.

6.2

Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. In dit geval is een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten waardoor deze eis niet geldt.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Vooruitlopend op deze procedure heeft de initiatiefnemer zijn plannen kenbaar gemaakt bij omwonenden middels het voeren van een omgevingsdialoog. Voor de verslaggeving van deze omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage V.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=7a9f2612-6b16-4198-b152-b0863f8c6401