CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Zonnepark Bankhoef

Raad openbaar Wijchen 30 maart 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 72524 Beslisnota definitieve VVGB zonnepark Bankhoef14.188 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

32

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

4.4.3

Soortenbescherming

Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Flora Het terrein bestaat uit agrarische percelen voorzien van aardappelen. Langs de percelen liggen grasranden voorzien van ruderale graslandsoorten. Langs De Bankhoeve staat wegbeplanting van populier en langs het Papenstraatje staan eiken. In het bosje aan de noordzijde van het perceel staan eiken, beuken en zwarte els. In de struiklaag staat eenstijlige meidoorn, gewone braam, rozenstruiken en natuurlijke verjonging van de eik en beuk. In de kruidlaag bevinden zich o.a. kruiden als look zonder look, gewone brandnetel en kleefkruid. Op het zuidelijke perceel werd ten tijde van het veldbezoek mais verbouwd.

Langs de randen van het projectgebied stonden daarnaast nog enkele algemene gras- en plantensoorten, zoals Engels raaigras, grote brandnetel en grote weegbree. Binnen het projectgebied is geen opgaande beplanting aanwezig. Direct ten zuidoosten van het projectgebied stonden drie zomereiken langs de Groenestraat. De aanwezige soorten duiden op voedselrijke tot zeer voedselrijke omstandigheden. Beschermde houtopstanden Gemeente Wijchen heeft een lijst opgesteld waarop beschermde- en monumentale bomen staan vernoemd. Uit deze lijst is gebleken dat er aan De Bankhoeve en de Groenestraat waardevolle bomen aanwezig zijn. Wanneer tijdens de werkzaamheden de wegen worden gebruikt waaraan de waardevolle bomen staan dient er een bomen effectenanalyse uitgevoerd te worden om op de aanwezige waardevolle bomen in beeld te brengen. Overige Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving, het agrarische gebruik en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. Fauna Fauna wordt in de quick scan onderverdeeld in de categorieën zoogdieren, vleermuizen, vogels en overige soorten.

Zoogdieren Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals haas, huismuis en huisspitsmuis komen hoogstwaarschijnlijk voor in en rond het plangebied. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. In de directe omgeving van het projectgebied is het voorkomen van de niet-vrijgestelde bever, bunzing,

33

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

wezel, das, eekhoorn en steenmarter bekend. Geschikt leefgebied voor bever, zoals grote wateren, is niet in of nabij het projectgebied aanwezig. Kleine marterachtigen zoals bunzing en wezel zijn vooral aangewezen op kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende dekking. Vanwege het ontbreken van takkenrillen, struweel of rechtlijnige elementen in het projectgebied, worden bunzing en wezel niet in het projectgebied verwacht. Voor eekhoorn ontbreekt binnen het projectgebied eveneens geschikt leefgebied, zoals bosgebied. Aanwezigheid van eekhoorn in het projectgebied kan hierdoor worden uitgesloten. Steenmarter maakt verblijfplaatsen in kleine holtes, voornamelijk in bomen, takkenhopen, rommelschuren en zolders. In het projectgebied zijn geen bomen, takkenhopen of bebouwing aanwezig waar steenmarter een verblijf kan hebben. Wel kan steenmarter incidenteel foerageren langs de randen van het projectgebied. Andere beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van het ontbreken van geschikt habitat en waarnemingen uit de omgeving niet te verwachten in het projectgebied. In het bosje ten noorden van het plangebied zijn er tijdens de inventarisatie twee pijpen, foerageersporen en loopsporen van de das in het bosje en op het agrarische perceel aangetroffen.

De das gebruikt het bos en mogelijk het perceel om te foerageren, de pijpen maken mogelijk een onderdeel uit van de hoofdburcht of als bijburcht. Om het gebruik van het plangebied en het functionele/essentiële leefgebied in kaart te brengen dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden. Het nadere onderzoek is uitgevoerd en ter volledigheid toegevoegd als Bijlage 10. De daarin opgenomen maatregelen zijn later verder uitgewerkt in het activiteitenplan behorend bij de ontheffing Wet natuurbescherming. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat negatieve effecten op de dassenburcht door verlies van foerageergebied niet uitgesloten konden worden. Er is hiervoor een ontheffing aangevraagd van de Wet natuurbescherming bij de provincie Gelderland, In het bijbehorende activiteitenplan zijn maatregelen beschreven die nodig zijn om de functie van het plangebied als foerageergebied te waarborgen. De ontwerp ontheffing is op 18 november 2022 verleend. Uit het aanvullende onderzoek komen maatregelen voort waar rekening mee gehouden moet worden. Om de functionaliteit van het plangebied als foerageergebied en Ecologische verbindingszone (EVZ) voor das te waarborgen worden de volgende maatregelen uitgewerkt, onder andere: 1. 2. 3. 4. 5.

vrije toegankelijkheid van plangebied voor das (als foerageergebied en als doorgang naar achterliggende gebieden); creëren van habitat van hoge kwaliteit (als foerageergebied en onderdeel van de EVZ das); de zonneparken zelf ontwikkelen als foerageergebied; het voorkómen van verstoring van de verblijfplaatsen nabij de noord- en oostrand; het werken buiten de kwetsbare periode.

De hierboven beschreven maatregelen resulteren in een zonnepark dat geheel toegankelijk blijft voor das en circa 10 ha foerageergebied met een hogere kwaliteit oplevert dan in de huidige situatie. De lage kwaliteit foerageergebieden binnen het plangebied worden dus vervangen door brede randen van hoge kwaliteit. De kwaliteit is hoger zowel qua variatie in voedselaanbod voor das, als qua beschikbaarheid gedurende het jaar als qua aanwezigheid van dekking door het gehele gebied. Aanvullend worden ook de stroken tussen de rijen zonnepanelen zelf geschikt als foerageergebied door de aanwezigheid van circa 1 m brede graskruidenstroken tussen de rijen zonnepanelen, die in totaal 2,5 ha beslaan. Aanvullend is ook de ruimte onder de zonnepanelen nog beschikbaar als foerageergebied. Daarmee zijn negatieve effecten op foerageergebied van das uitgesloten en zelfs positieve effecten te verwachten. Tevens wint het gebied aan kwaliteit doordat rust in het zonnepark is gewaarborgd door het hekwerk rondom en doordat er voor het onderhoud veel minder menselijke activiteit nodig is dan bij het huidige agrarische gebruik. Gedurende de avond en nacht zijn er geheel geen activiteiten. Door de maatregelen 4 en 5 wordt verstoring van de verblijfplaatsen en foerageergebied in de aanlegfase voorkomen. Door al deze maatregelen blijft de functionaliteit van het plangebied als foerageergebied behouden en

34

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

wordt verstoring van de verblijfplaatsen voorkomen. De maatregelen zijn verwerkt in het ontwerp van het zonnepark en worden in acht genomen bij uitvoering van werkzaamheden en in bedrijfstelling. Vogels Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Geschikte bebouwing voor huismus, gierzwaluw en uil ontbreken, waardoor nestlocaties zijn uitgesloten in het plangebied. Uit de directe omgeving zijn enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bekend, zoals huismus, gierzwaluw, buizerd en sperwer (NDFF). Vanwege het ontbreken van bebouwing of opgaande beplanting in het gebied kan de aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten. De randen van het projectgebied maken mogelijk onderdeel uit van het foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de directe omgeving bekende huismus. Wanneer de werkzaamheden binnen de broedperiode (maart-half juli, weersafhankelijk) plaatsvinden is het noodzakelijk om maximaal vijf dagen voor aanvang van het werk een schouw uit te voeren. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren.

Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden. Overige soorten Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen, mits er rekening wordt gehouden met de aanbevelingen en conclusies uit de Quickscan flora en fauna (16-2-2021), Quickscan flora en fauna zuidelijk perceel (1-9-2022) en de maatregelen uit het activiteitenplan behorend bij de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming.

4.5

Milieuzonering

Het voorliggende initiatief maakt geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk die invloed kunnen hebben op de omliggende functies. Geluid Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure, daarmee is geen richtafstand voor zonneparken voor handen. Zonnepanelen zelf hebben ook geen milieubelastende effecten. Echter zijn de elektrische omvormers en transformatorgebouwen die gebruikt worden om de energie te winnen wel milieubelastende functies. Hierbij is geluid het bepalende aspect voor de richtafstanden. Een transformatorstation zet de opgewekte zonne-energie om van laagspanning naar middenspanning. Op grond van de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. In het kader van potentiële overlast bij woningen van derden op circa 140 m van het plangebied is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is na te lezen in Bijlage 6

35

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

Onderzoeksresultaat Het zonnepark bestaat uit twee percelen, waarvan een perceel wordt ingericht met zonnepanelen en bijbehorende omvormers en trafostation. Het andere perceel wordt ingericht als foerageergebied voor de das. Totaal worden 58.810 zonnepanelen met bijbehorende omvormers en trafostation in het noordelijk perceel geplaatst. Op de inrichting zijn voor het in werking zijn van de 58.810 zonnepanelen 4 trafo units in opgesteld. De trafo units zijn containers waar installaties staan opgesteld. In de meest oostelijke trafo unit op de inrichting staat 1 omvormer en 1 inkoopstation opgesteld. In de andere 3 trafo units op de inrichting staan 2 omvormers opgesteld. Het geluiddrukniveau in de trafo unit met het inkoopstation is 92 dB(A) en het geluiddrukniveau in de trafo unit van de overige stations is 95 dB(A). De zonnestroominstallaties kunnen van net voor zonsopgang tot net na zonsondergang actief zijn. De dag met het langste licht in de gemeente Wijchen in 2020 was 22 juni met een zonsopkomst om 05:18 uur en een zonsondergang om 22:00 uur. Dit betekent dat de zonnestroominstallaties maximaal 12 uur in de dagperiode (07:00 - 19:00 uur), 3 uur in de avondperiode (19:00 – 23:00 uur) en 1 uur en 42 minuten in de nachtperiode (23:00 - 07:00 uur ) actief zijn.

Alle overige dagen in het jaar zijn de dagen korter en op die dagen zal de bedrijfstijd van de installaties korter zijn. Zowel de geluidvermogenniveaus als de bedrijfstijd zijn maximaal. In het voorliggend onderzoek is dus uitgegaan van een maximale representatieve bedrijfssituatie. Uit de beschrijving blijkt dat er geen sprake is van kortstondige verhogingen van geluidniveaus. Gelet hierop is er geen sprake van relevant maximale geluidniveaus en derhalve ook niet meegenomen in dit onderzoek. Concluderend wordt gesteld dat de gehanteerde grenswaarden niet worden overschreden. Elektromagnetische straling Vanwege de gelijkstroom waarmee de energie wordt opgewekt bij de PV-panelen is de mate van elektromagnetische straling bij het gehele park minimaal. Bij de omvormers wordt deze energie omgezet naar een wisselspanning, hierdoor ontstaat een groter elektromagnetisch veld. Echter is dit in zulke beperkte mate dat het stralingsniveau verwaarloosbaar is. De afstand van de omvormers tot woningen in het kader van geluid is daarom meer dan voldoende. Warmteontwikkeling Recente (2013) studies (o.a. Analysis of the potential for a heat Island Effect in Large Solar Farms, Columbia University) hebben onderzocht of er bij zonnevelden sprake is van '(Urban) Heat Island Effects'.

Uit onderzoeken is gebleken dat er onder bepaalde condities sprake kan zijn van een hogere temperatuur direct boven zonnevelden. Direct rondom zonnevelden zijn eventuele temperatuurverschillen deels, danwel geheel te verwaarlozen, afhankelijk van de windrichting en eventuele neerslag. Het is dan ook niet te verwachten dat er sprake zal zijn van significante temperatuurverschillen in de omgeving van het zonneveld, door de komst van dit zonneveld. Daarbij komt dat er in dit specifieke plan is gekozen voor een opstelling, met begroeiing tussen de panelen. Ook wordt er in en om het zonneveld relatief veel beplanting toegevoegd. Dit zorgt ervoor dat afkoeling door verdamping blijft plaatsvinden. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Geurhinder

Bij het verlenen van omgevingsvergunningen, voor de activiteit milieu voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast veroorzaakt door veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU’s). De in de wet opgenomen maximale geurbelastingsnormen zijn maximaal 14 OU/m³ voor

36

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd). Voor bepaalde veehouderijbedrijven (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste afstand. Deze afstand tot geurgevoelige objecten is binnen de bebouwde kom 100 m en buiten de bebouwde kom 50 m. Onverminderd de bovengenoemde geurbelastingsnormen en vaste afstanden bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minsten 50 m binnen de bebouwde kom en 25 m buiten de bebouwde kom. Conclusie Een zonnepark is geen geurgevoelige functie en dus worden omliggende veehouderijen niet beperkt in hun functioneren. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Ng/m3 NO2 of PM10 ) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd.

De voorliggende ruimtelijke onderbouwing biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een zonnepark. Een dergelijke functie heeft, met uitzondering van verkeer in verband met onderhoudswerkzaamheden, geen verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie van de nieuwe functie is dan ook nihil. Het project moet derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan om deze reden achterwege blijven. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Water

4.8.1

Wettelijk kader

Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets

37

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van het Rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. In het kader van dit initiatief is de watertoets is uitgevoerd. Het resultaat is opgenomen als Bijlage 11. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt. 4.8.2

Waterbeleid en waterbeheer

Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema's en uitgangspunten voor duurzaam water-beheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens art. 7 en 10 en Activitei-tenbesluit art. 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wm art 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet art. 3.5).

Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaren is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatre-gelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet art. 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleige-naar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van A-watergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig.

38

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

4.8.3

Uitgangspunten ruimtelijk plan

Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater alleen lozen via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren.

Planspecifiek Binnen het plangebied bevinden zich enkele B-Watergangen. In het kader van dit initiatief worden de oevers van deze watergangen aangepast tot een natuurvriendelijke oever. Ten behoeve van het aanleggen van natuurvriendelijke oevers is een Waterwet vergunning verleend, onder voorwaarde dat het waterschap vooraf op de hoogte wordt gesteld van wanneer de werkzaamheden zullen beginnen. De B-watergangen die het plangebied doorkruisen worden aangepast tot natuurvriendelijke oever. Aanvullend worden 7 waterpoelen van minimaal 500 m2 gerealiseerd ten behoeve van de kamsalamander. Deze onderdelen van het landschappelijk inpassingsplan voegen ecologische meerwaarde toe aan de ontwikkeling. Op 17 februari 2022 is er voor Zonnepark Bankhoef door waterschap Rivierenland een vergunning op grond van de Waterwet verleend. De elementen en het beheer, zoals aangegeven in het landschappelijk inpassingsplan, zijn afgestemd met het waterschap Rivierenland. Belangrijkste voorwaarde vanuit het waterschap is een melding van tevoren voor wanneer de werkzaamheden zullen starten. Op onderstaande afbeelding zijn de B-watergangen in het plangebied weergegeven.

39

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

Afbeelding 13: uitsnede legger t.h.v. noordelijk perceel van het plangebied. Hierin zijn de B-watergangen binnen het plangebied duidelijk zichtbaar.

Afbeelding 14: uitsnede legger t.h.v zuidelijk deel van het plangebied. Klimaatadaptatie en waterberging Beleidsuitgangspunten

40

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

Klimaatadaptatie De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan.

Waterberging De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plan-gebied en 5) Afvoer naar riool. Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geinfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd.

Planspecifiek Zonnepanelen in veldopstelling zorgen niet voor een toename van verharding of een verslechtering van het waterbergend vermogen van het plangebied. Bij de ontwikkeling wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen zoals zink of koper. Als onderdeel van de landschappelijke inpassing (Bijlage 1) worden enkele aanpassingen gemaakt aan de bestaande watersituatie. Zo worden er extra poelen aangelegd die de waterberging ter plaatse vergroten. Ook worden er natuurvriendelijke oevers aangelegd bij bestaande watergangen. Deze ontwikkelingen vergroten het waterbergend vermogen van het plangebied en dragen daarmee bij aan de gemeentelijke uitgangspunten met betrekking tot klimaatadaptatie en waterberging. Conclusie Het initiatief is in overeenstemming met de gemeentelijke uitgangspunten met betrekking tot water. Tevens is een watervergunning verleend door het waterschap. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Kabels en leidingen

Voor ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met bestaande onder- en bovengrondse kabels en leidingen cq. infrastructuur.

41

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

De enige planologisch relevante ondergrondse infrastructuur in het plangebied is een gasleiding. Deze bevindt zich aan de oostzijde van het plangebied. Deze is aangeduid met de dubbelbestemming 'Leiding Gas'. In het planvoornemen zijn geen bouwwerkzaamheden beoogd op deze locatie. De strook zal gebruikt worden om de droge ecologische verbindingszone te versterken. Het zal ingeplant worden met kruidenrijke vegetatie. In dit deel wordt geen opgaande beplanting geplaatst om de leidingen bereikbaar te houden. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid houdt zich bezig met de risico's als gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen. In dat kader zijn vier onderwerpen van belang: bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); bedrijven die op grond van overige milieuwetgeving afstandsnormen voor veiligheid bezitten, zoals het Vuurwerkbesluit of het Activiteiten-besluit (bv. propaantanks); het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water; het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Om te bepalen of in de nabijheid van het projectgebied sprake is van de vier bovenstaande onderwerpen is de Risicokaart geraadpleegd. Kaartmateriaal is te zien op de onderstaande afbeelding.

42

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

Afbeelding 16: Uitsnede risicokaart In bovenstaande afbeelding is te zien dat er ten oosten van het plangebied meerdere gasleidingen aanwezig zijn. Een van deze gasleidingen loopt ook door het plangebied. Hier is in het planvoornemen rekening mee gehouden. De gronden direct boven en rondom de gasleiding blijven onbebouwd. De risicocontour wordt hiermee gerespecteerd. Op deze gronden wordt enkel voor de landschappelijke inpassing werkzaamheden verricht. In of in de nabijheid van het projectgebied zijn geen bedrijven of inrichtingen die onder het Bevi vallen gelegen. Er zijn wel meerdere bedrijven in de omgeving die in vanwege propaantanks aangeduid zijn op de risicokaart. De meest nabije propaantank ligt op circa 180 m ten zuiden van het plangebied (Maatschap Derks-Peters). De risicocontour van dergelijke propaantanks is 25 m. De afstand tot het plangebied is derhalve te groot om een negatief effect te kunnen hebben. Bij de bouw van kwetsbare objecten dient men rekening te houden met bovenstaande factoren. De bouw van zonnepanelen in veldopstelling valt hier echter niet onder. Een zonnepark vormt geen (beperkt) kwetsbaar object, er verblijven geen mensen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.11 Verkeer Voorliggend initiatief heeft betrekking op de realisatie van een zonnepark. In het gemeentelijk beleid is geen specifieke norm opgenomen ten behoeve van een dergelijke ontwikkeling. Ook zijn er geen normen vanuit instanties zoals het CROW waar naar verwezen kan worden. Een zonnepark behoeft geen intensief beheer en er wordt ook geen woon-werkverkeer door gegenereerd, omdat er ook geen verblijfsfunctie wordt gerealiseerd. Het zonnepark functioneert grotendeels passief. In het kader van verkeersgeneratie kan gesteld worden dat het vergelijkbaar is aan dat van het huidige agrarische gebruik. Het parkeren ten behoeve van onderhoud of andere redenen tot bezoek, kan ruimschoots op het zonnepark zelf plaatsvinden.

43

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.12 Reflectie Dit initiatief betreft de realisatie van een zonnepark langs de A50. Omdat het verkeer geen hinder mag ondervinden van het initiatief is een onderzoek naar de reflectie van de zonnepanelen uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Onderzoeksresultaat Alleen op de Hernenseweg wordt hinderlijke reflectie ondervonden bij de keuze voor glad glas met anti-reflectiecoating, voornamelijk in noordelijke rijrichting. Wenselijk voor de verkeersveiligheid is dat alle reflectie in het groene bereik van de modeluitkomsten ligt, of dat er geen reflectie wordt waargenomen. Dit is wel het geval voor de snelwegen A50 en A326, maar niet het geval voor de Hernenseweg. Met een hellingshoek van 10° zal, zonder rekening te houden met het inpassingsplan, het verkeer op de Hernenseweg 's avonds tussen 19.30 en 21.15 uur (zomertijd) van half maart tot eind september hinder ondervinden van reflectie afkomstig van zonnepark Bankhoef. Als het inpassingsplan uitgevoerd wordt is de verwachting dat de reflectie niet tot hinder zal leiden voor het verkeer, omdat de reflectie dan geblokkeerd zal worden. Voordat de panelen worden gelegd is deze groene afscheiding hoogstwaarschijnlijk nog geen 3.5 meter. Er wordt daarom een tijdelijke vervangende afscheiding aangebracht die deze reflectie tegen gaat.

Het aanbrengen van deze tijdelijke afscheiding wordt opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de vergunning. Conclusie Het aspect reflectie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De Raad van State heeft bij uitspraak van 14 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2770) geoordeeld dat een zonnepark niet valt onder de reikwijdte van het Besluit milieurapportage (Besluit Mer). Het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

44

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemers. De kosten voor het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten van de ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer. Overige financiële afspraken in het kader van grondexploitatie (afd. 6.4 Wro) worden middels een anterieure overeenkomst vastgelegd. Het project is hiermee vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg De voorbereiding van het zonnepark heeft plaatsgevonden in nauw overleg met de gemeente, provincie, inwoners en maatschappelijke organisaties. De initiatiefnemers van het zonnepark zijn sinds februari 2020 in contact en overleg met inwoners en maatschappelijke organisaties. Inwoners binnen een gebied van 1000 meter van het plangebied hebben brieven gekregen over het zonnepark, met daarin informatie en uitnodigingen voor deelname aan informatieavonden en de werkgroep. Tientallen maatschappelijke organisaties hebben dezelfde informatie en uitnodigingen ontvangen. Met direct omwonenden van het zonnepark is enkele malen overleg gevoerd over het plan. Sinds april 2020 is een werkgroep actief voor Zonnepark Bankhoef. Hieraan nemen deel inwoners, IVN Rijk van Nijmegen en Natuur en Milieu Wijchen. In nauwe samenspraak met deze werkgroep is het voorliggende plan ontwikkeld en voorliggende plan kan op instemming rekenen van de werkgroep. Er is ook enkele malen contact geweest met stichting Das & Boom. Hoewel deze stichting verder niet bij de ontwikkeling van het zonnepark betrokken wil zijn, heeft de stichting in de gesprekken wel inhoudelijke aandachtspunten genoemd. Deze punten zijn betrokken bij de uitwerking van het plan.

De initiatiefnemers hebben de omgeving zoveel mogelijk geïnformeerd over de voortgang van het initiatief, onder andere via brieven, persoonlijke gesprekken, informatieavonden, nieuwsbrieven en persberichten. Op de website www.zonneparkbankhoef.nl zijn veel van deze communicatie-uitingen terug te vinden. Energiecoöperatie Leur e.o. is een van de twee initiatiefnemers van het zonnepark. Van het zonnepark is vijftig procent eigendom van de energiecoöperatie. Dit is conform het streven zoals opgenomen in de landelijke Klimaatakkoord aangaande duurzame opwek met wind en zon op land. Inwoners uit de (direct) omgeving van het zonnepark worden via de energiecoöperatie mede-eigenaar van het zonnepark, investeren erin mee en behalen zo een persoonlijk voordeel op hun investering. Met de inkomsten uit het zonnepark kan de coöperatie nieuwe (maatschappelijke) initiatieven beginnen of bestaande ondersteunen. Hierover beslissen de leden van de coöperatie. Daarnaast komt er een omgevingsfonds van 0,50 euro per opgewekte megawattuur, voor een periode van vijftien jaar. Hoe dit fonds wordt beheerd en waaraan het wordt besteed, bespreken de initiatiefnemers ook met de omgeving - onder andere via de werkgroep. Op grond van de artikelen 6.18 Bor en 3.1.1.

Bro is een projectoverleg gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In verband met de provinciale aanwijzing als Groene ontwikkelingszone heeft uitgebreid overleg

45

omgevingsvergunning Zonnepark Bankhoef

plaatsgevonden met de provincie Gelderland. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een akkoord van de provincie (onder voorwaarden), die als Bijlage 13 bij deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. De provincie Gelderland geeft aan dat indien initiatiefnemer wil afwijken van het versterkingsplan, dit alleen kan na overleg met en goedkeuring van Gedeputeerde Staten. De conclusie hieruit is dat het zonnepark maatschappelijk uitvoerbaar is en in samenspraak met de omgeving tot stand is gekomen. Ook genereert het zonnepark middelen die via de energiecoöperatie en het omgevingsfonds terugvloeien naar de omgeving en waarmee nieuwe of bestaande maatschappelijke doelen (deels) kunnen worden bereikt. Terinzagelegging Om voorliggend initiatief mogelijk te maken, is een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan nodig. Dit wordt met een uitgebreide omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. Door de gemeenteraad is een zogenoemde 'verklaring van geen bedenkingen' afgegeven in het kader van een goede ruimtelijke ordening (art. 6.5 Bor). De verklaring van geen bedenkingen is toegevoegd. Het Wabo-projectbesluit het met ingang van 8 december 2022 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen, zoals dit is voorgeschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Algemene wet bestuursrecht. Er is één zienswijze ingediend. In het raadsvoorstel wordt deze beantwoord.

De zienswijze is aanleiding om in paragraaf 4.4. te verduidelijken dat er ook een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is aangevraagd bij de provincie Gelderland voor de das.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=710bdbf7-20e8-4e81-a82e-6f55b35885fc