CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Huurlingsedam fase 3 - Toelichting

Raad openbaar Wijchen 27 januari 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 66063 beslisnota Bestemmingsplan Huurlingsedam fase 323.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierbij wordt ingezet op vijf kernelementen: • Meer structurele aandacht voor verkeersveiligheid • Meer verbondenheid en samenwerking tussen overheden en maatschappelijke organisaties • Risicogestuurd beleid door analyse van de grootste risico’s • Bevorderen van integraal verkeersveiligheidsbeleid • Monitoren en bijsturen van de uitvoering in overleg Mobiliteitsvisie- en plan Druten en Wijchen ‘Duurzaam onderweg tussen Maas en Waal’ Het gemeentelijke mobiliteitsbeleid is opgebouwd uit een mobiliteitsvisie en een mobiliteitsplan. De mobiliteitsvisie “Duurzaam onderweg tussen Maas en Waal” is op 28 januari 2021 vastgesteld door de gemeenteraden van Druten en Wijchen. Deze bevat de visie van beide gemeenten op mobiliteit voor de periode 2020-2030. Het mobiliteitsplan vormt de uitwerking van de visie en geeft antwoord op de vraag hoe de gemeenten Druten en Wijchen met het mobiliteitsbeleid kunnen helpen om de wensen en ambities zoals opgenomen in de mobiliteitsvisie waar te maken. In het mobiliteitsplan zijn maatregelen opgenomen. Aanvullend hierop wordt een (meerjaren) uitvoeringsprogramma opgesteld, waarin staat wat Druten en Wijchen de komende jaren concreet gaan doen op het gebied van verkeer en mobiliteit, welke investeringen hiervoor nodig zijn, welke partners daarvoor nodig zijn en wat de planning is.

De mobiliteitsvisie bevat 5 doelstellingen (of speerpunten): • Duurzaam verplaatsen • Verkeersveiligheid als blijvend speerpunt • Leefbaarheid in de gemeenten • Bereikbaarheid tussen de kernen • Verbonden met de regio

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

30

Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen Op 16 juni 2016 is het Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen in werking getreden. Het gemeentelijke uitgangspunt luidt dat elk gebied, voorziening, complex, bedrijf of instelling in de eigen parkeerbehoefte dient te voorzien. Daarbij is het belasten van omliggende gebieden met parkeerdruk door een plaatselijk tekort ongewenst. Gemeente Wijchen toetst bij nieuwe ontwikkelingen aan de door het CROW (Nationaal kenniscentrum verkeer, vervoer en infrastructuur) opgestelde landelijke parkeernormen. 4.2

Onderzoek Verkeersgeneratie Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in twee-aaneengebouwde als aaneengebouwde woningen (koop en sociaal). Op grond van de CROW-richtlijnen geldt voor aaneengebouwde (koop)woningen een verkeersgeneratie van 7,5 motorvoertuigbewegingen per woning op een gemiddelde weekdag1. Voor aaneengebouwde woningen in de sociale sector geldt een verkeersgeneratie van 5,3 motorvoertuigen per woning op een gemiddelde weekdag1 en voor twee-aaneengebouwde bedraagt de verkeersgeneratie respectievelijk 8,2 1 motorvoertuigbewegingen per woning op een gemiddelde weekdag . Conform de meest recente verkaveling zijn de volgende woningtypen aanwezig: Woningtypen

Verkeersgeneratie per woning Vrijstaand 8,6 Twee-aaneengebouwd 8,2 Aaneengebouwd (koop) 7,5 Aaneengebouwd (sociaal) 5,3 Totale aantal verkeersbewegingen

Aantal woningen 3 72 128 50

Verkeersgeneratie 26 590 960 265 1.841

Op basis van de bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling tot 1.841 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag leidt. Ontsluiting De mobiliteit binnen het plangebied wordt mogelijk gemaakt voor zowel auto als voet- en fiets verkeer. Vrijwel alle wegen en straten zijn voor alle verkeersdoeleinden toegankelijk. Het plangebied is aan de oostzijde van Wijchen gesitueerd, globaal gelegen tussen de Zuiderdreef, Oosterweg en de Graafseweg (N324). Deze wegen hebben een belangrijke functie in de externe (auto)ontsluiting van het plangebied. In oostelijke richting takt de derde fase via de Wagenmaker en de Huurinck aan op de Graafseweg. Aan de westzijde sluit het plangebied ter plaatse van de Veldwachter en de Houtzager aan op fase 2, richting de Zuiderdreef. Voorgenoemde wegen hebben een voldoende breed profiel en hebben voldoende capaciteit om

1

Uitgaande van een ligging in de rest van de bebouwde kom, binnen matig stedelijk gebied

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

31

de extra verkeersbewegingen als gevolg van de voorliggende ontwikkeling te verwerken. Lange rechtstanden worden vermeden door knikken, buigingen of onderbrekingen in de route, waardoor de rijsnelheid wordt geremd. Daarnaast is er bij de aanleg van de rotonde Graafseweg en de ontsluiting richting Huurlingsedam al rekening gehouden met eventuele toekomstige uitbreiding van de wijk. De toekomstige woonstraten zijn dorps en informeel, bestaande uit één rijbaan met langsparkeren en haaksparkeren, en over het algemeen met trottoirs aan weerszijden. Door de toepassing van diverse dwarsstraten op de hoofdontsluitingsweg ontstaat een fijnmazig wegenstelsel. Voor fietsers en voetgangers is voorzien in een uitgebreid net van wegen en paden waardoor zij zich kris kras door het woongebied kunnen bewegen. Parkeren Parkeren wordt deels voorzien op eigen terrein en in de openbare ruimte. Dat betekent dat bij vrijstaande en twee-aaneengebouwde tenminste twee parkeerplaatsen op eigen terrein worden voorzien. De parkeerbehoefte van aaneengebouwde woningen wordt opgevangen middels parkeerkoffers, langs- en haaksparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen wordt aangesloten bij het ‘Parkeerbeleidsplan Gemeente Wijchen’ d.d. 10 mei 2016, dat op 16 juni 2016 in werking is getreden.

Op grond van het parkeerbeleidsplan wordt bij nieuwe ontwikkelingen getoetst aan de CROW-publicatie 317 ‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. De bebouwde kom van Wijchen - waarbinnen het voorliggende plangebied is gelegen – is aangemerkt als ‘matig stedelijk’ gebied. Huurlingsedam Fase 2 is gelegen aan de rand van Wijchen en behoort daarmee tot de ‘rest van de bebouwde kom’. Gelet op het voorgaande gelden voor Huurlingsedam fase 2 de volgende (maximale) parkeernormen: Soort woning Vrijstaande woningen Twee-onder-een-kapwoningen Rijwoningen Totaal benodigd

(Maximale) parkeernorm2 per woning 2,6 2,5 2,3

Benodigde parkeerplaatsen Eigen terrein 180 409,9 590

Om te kunnen voorzien het benodigd aantal parkeervoorzieningen is in de regels bepaald dat bij twee-aaneengebouwde en vrijstaande woningen tenminste twee parkeerplaatsen en bij hoekwoningen één parkeerplaats op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd en in stand gehouden te worden. De overige parkeerbehoefte moet worden opgelost in de openbare ruimte. Hiertoe is in dit bestemmingsplan voldoende ruimte gereserveerd binnen de bestemming ‘Verkeer’. De uitgewerkte parkeerbalans is opgenomen als bijlage 13 bij deze toelichting. 4.3

Conclusie Het aspect mobiliteit levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

2

Uitgaande van een ligging in de rest van de bebouwde kom, binnen matig stedelijk gebied

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

32

5

Natuur en landschap

5.1

Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

5.1.1 Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1.

Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.

2.

Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

33

• •

3.

de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Wijchen is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

5.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

34

5.2

Onderzoek

5.2.1 Soortenbescherming Ten behoeve van de ontwikkeling is door onderzoeksbureau Tauw een ecologische quickscan uitgevoerd. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten en aanbevelingen hieruit beschreven. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Uit de quickscan blijkt dat het onderdeel soortbescherming van belang is, gelet op het potentieel voorkomen van beschermde soorten. Toetsing aan beschermde gebieden (zoals Natura 2000 en het NNN) en houtopstanden is niet benodigd. Conclusies toetsing soortenbescherming: • Flora en vissen: o Geen overtreding artikel 3.5 of 3.10 • Grondgebonden zoogdieren o Mogelijk overtreding artikel 3.5 of 3.10 o Soortgericht onderzoek naar bever o Soortgericht onderzoek naar das en actualisatie bestaand onderzoek inclusief compensatieplan • Vleermuizen o Geen overtreding artikel 3.5, mits maatregel: Niet werken met uitstralende verlichting in de periode april tot en met december, in realisatie en gebruiksfase. Alternatief is amberkleurige (vleermuisvriendelijke) verlichting • Vogels o Mogelijk overtreding artikel 3.1 o Start van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (dus niet in maart t/m augustus).

Bij (start van) werken in broedperiode regelmatige broedvogelcontroles uitvoeren door ter zake kundige (ecoloog) • Vogels jaarrond beschermd o Mogelijk overtreding artikel 3.1 o Soortgericht onderzoek nest op rand perceel Huurlingsedam 33 o Soortgericht onderzoek naar steenuil o Soortgericht onderzoek naar kerkuil • Amfibieën en reptielen o Mogelijk overtreding artikel 3.5 en 3.10 o Soortgericht onderzoek naar Alpenwatersalamander • Vlinders, libellen en overige ongewervelden o Mogelijk overtreding artikel 3.5 o Soortgericht onderzoek naar teunisbloempijlstaart Op basis van de resultaten uit de quickscan is door onderzoeksbureau Bureau Waardenburg het plangebied nader geïnventariseerd op het voorkomen van bever, alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart en de effecten van de werkzaamheden op deze soorten bepaald. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied voor bever. Deze functie blijft deels behouden en in de omgeving zijn voldoende alternatieven, zie ook de paragraaf hieronder. Door de werkzaamheden zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten op de bever. Tijdens het nader onderzoek zijn teunisbloempijlstaart en

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

35

alpenwatersalamander niet aangetroffen en het plangebied heeft geen functie voor deze soorten. Dassen Om de waarde van dit gebied voor de das te bepalen is in 2016 door Stichting Das&Boom een rapport opgesteld. Aangezien een groot deel van het leefgebied van diverse dassenfamilies verloren zou gaan, werden in dat rapport voor zowel de impact van de werkzaamheden van fase IIa als die van fase IIb (inmiddels veranderd in fase 3) compenserende maatregelen voorgesteld. Omdat dat rapport inmiddels verjaard is, is dit onderzoek geactualiseerd. De belangrijkste resultaten worden in deze paragraaf beschreven. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Door de aanleg van een woonwijk zijn compenserende maatregelen nodig als gevolg van het verlies aan foerageergebied en het vernietigen van een dassenburcht. Als compensatie voor de aanleg van fase 2 zijn al de afgelopen jaren een aantal maatregelen genomen. Het compensatiegebied, bestaande uit van de aanleg van primair foerageergebied tussen woonwijk fase 3 en Graafseweg, wordt meegenomen in fase 3. Dit gebied is als natuurbestemming opgenomen in dit bestemmingsplan. Daarnaast zijn er in de actualisatie van het rapport door Das&Boom een aantal aanpassingen en toevoegingen geadviseerd aan de reeds getroffen maatregelen.

Steenuil en Kerkuil De afgelopen jaren hebben zowel Regelink (2017), NWC (2020) als Bureau Waardenburg onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van kerkuil en steenuil in het gebied. Daarnaast is aanvullende informatie uit het NDFF opgevraagd en is er door de lokale uilendeskundige J. Houkes informatie aangeleverd. Onderdeel van fase 3 is de aanleg van een compensatiegebied voor de das. Onderzocht is in hoeverre het compensatiegebied voor de das ook potentie heeft als functioneel leefgebied voor kerkuil en steenuil en of er dan nog aanvullende maatregelen voor de kerkuil of steenuil genomen dienen te worden om een goede staat van instandhouding van beide soorten te garanderen. Hiervoor is onderzoek uitgevoerd en is een notitie opgesteld, welke als bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat het huidige grootschalige akkergebied zowel voor de steenuil als de kerkuil een weinig tot in sommige perioden matig geschikt foerageergebied is. De steenuilen zullen vooral in andere delen van hun potentiële foerageergebied foerageren. Het akkergebied vormt geen onderdeel van het essentiële foerageergebied van steenuilen. De realisatie van fase 3 zal niet of nauwelijks van invloed zijn op de bestaande territoria. Door de aanleg van het dassencompensatiegebied ontstaat voor de steenuil een hoogwaardig nieuw foerageergebied.

Dit biedt waarschijnlijk de mogelijkheid om hier een extra broedpaar van de steenuil zich te laten vestigen. Het ophangen van steenuilennestkasten in het dassencompensatiegebied is hiervoor wel noodzakelijk. Ook voor de kerkuil is het grootschalig akkerbouwgebied niet bijzonder aantrekkelijk als foerageergebied, zodat ook voor deze soort geen essentieel leefgebied verloren gaat. Door de aanleg van het dassencompensatiegebied ontstaat een hoogwaardig foerageergebied voor de kerkuil door de grote randlengte en de aanwezigheid van grasland. Dit compenseert ruimschoots het verlies aan potentieel foerageergebied door de realisatie van bouwfase 3. Daarnaast komen de huisjes, die als compensatiemaatregel zijn gebouwd voor het verlies van de verblijfplaats van een niet-broedende kerkuil, door het aanleggen van het dassencompensatiegebied ook in een voor de kerkuil aantrekkelijker omgeving te liggen, waardoor de functionaliteit van de huisjes voor de kerkuil naar verwachting sterk verbeterd. Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

36

Concluderend kan gesteld worden dat het verlies van het grootschalig akkerbouwgebied door de realisatie van fase 3 Huurlingsedam geen verlies van essentieel leefgebied van de steenuil en de kerkuil oplevert. De realisatie van het dassencompensatiegebied levert zowel voor de steenuil als de kerkuil hoogwaardig foerageergebied op, waardoor er netto voor beide soorten een kwaliteitsverbetering ontstaat, dat het eventuele verlies aan foerageergebied door fase 3 ruimschoots compenseert. Er hoeven dan ook geen extra maatregelen genomen te worden, omdat de gunstige staat van instandhouding van beide soorten door de aanleg van fase 3 in combinatie met de aanleg van het dassencompensatiegebied niet negatief beïnvloed wordt. Aanbevelingen voor beide soorten Het dassencompensatiegebied kan alleen optimaal door de steenuil benut worden indien hier op geschikte plekken steenuilenkasten worden opgehangen. Zowel voor de steenuil, maar ook voor de das is het belangrijk dat er geen verstoringen plaatsvinden in het dassencompensatiegebied door het gebruik als hondenuitlaatgebied of als speelgebied door kinderen. Dit kan de functionaliteit duidelijk negatief beïnvloeden. De kerkuilenhuisjes die gebouwd zijn als compensatie voor het verlies van een verblijfplaats van een niet-broedende kerkuil, zijn voor kerkuilen alleen toegankelijk via de raampjes.

Dit is vermoedelijk niet de optimale toegang voor kerkuilen. Overwogen moet worden om de toegankelijkheid te verbeteren door in de kopse gevels een toegang te maken. De kerkuilenhuisjes bieden de mogelijkheid om ook voor andere faunasoorten geschikte rusten verblijfplaatsen te realiseren. Hierbij kan gedacht worden aan dagrustplaatsen voor vleermuizen en broedplekken voor bijvoorbeeld huismussen. In combinatie met de aanleg van grasland met hagen in het dassencompensatiegebied ontstaat geschikt foerageergebied voor zowel vleermuizen als ook broedvogels zoals huismussen en spreeuwen. Steenuil en huismus ter plaatse van Huurlingsedam 33 Op het perceel Huurlingsedam 33 heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar diverse vogelsoorten. Uit dit onderzoek blijkt dat de ontwikkelingen die hier zijn voorzien, invloed hebben op de voorkomende steenuilen en huismussen op het perceel. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is hiervoor noodzakelijk. In het kader van de ontheffingsaanvraag is een Activiteitenplan opgesteld, welke als bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd. De resultaten van het nader onderzoek zijn verwerkt in dit activiteitenplan. In het activiteitenplan worden de noodzakelijke mitigerende als compenserende maatregelen beschreven.

5.2.2 Gebiedsbescherming Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief berekeningen is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Voor het berekenen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS Calculator, versie 2020. In de berekeningen wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. In de berekeningen zijn de emissies van NOx en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om: • Verkeersbewegingen en mobiele werktuigen in de aanlegfase • Verkeersbewegingen van en naar de locatie in de gebruiksfase

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

37

Er zijn in dit onderzoek drie berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het plan op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen: 1. Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de aanlegfase 2. Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de beoogde situatie (gebruiksfase) 3. Verschilberekening van de stikstofdepositie tussen de beoogde situatie en de referentiesituatie (gebruiksfase) De referentiesituatie voor plannen is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van de (beoogde) vaststelling van het plan. Voor Huurlingsedam fase 3 is dit de huidige situatie. Met het rekenmodel AERIUS is de volgende maximum bijdrage op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken berekend: • 0,00 mol/ha/jaar voor de gebruiksfase • 0,01 mol/ha/jaar voor de aanlegfase • 0,01 mol/ha/jaar voor de referentiesituatie Voor de gebruiksfase bedraagt de maximale bijdrage 0,00 mo/ha/jaar. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan. Voor de aanlegfase geldt dat een zeer beperkte toename van 0,01 mol/ha/jaar wordt berekend ten gevolge van de bouwactiviteiten.

Door interne saldering met het akkerland dat uit productie wordt genomen, en waardoor ammoniakemissies door bemesting wegvallen, is echter netto geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Voor de aanlegfase geldt dat op alle relevante hexagonen sprake is van een gelijke of lagere bijdrage aan de stikstofdepositie dan in de referentiesituatie. Opgemerkt wordt dat de Wet stikstofreductie en natuurherstel (Wns) op 1 juli 2021 in werking is getreden. Met deze wet worden alle tijdelijke bouw- en sloopwerkzaamheden en alle tijdelijke werkzaamheden voor het aanleggen, veranderen en verwijderen van een werk vrijgesteld van de natuurvergunningsplicht. Aangezien het bestemmingsplan mede dient om de bouwactiviteiten voor woningen mogelijk te maken, kan voor dit onderdeel van het plan worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Een eventuele toename in stikstofdepositie die wordt berekend voor de aanlegfase voor de planlocatie kan daarmee sowieso per 1 juli 2021 buiten beschouwing worden gelaten. 5.3

Conclusie Voor het perceel Huurlingsedam 33 geldt dat een ontheffing voor de daar voorkomende steenuilen en huismussen noodzakelijk is, waarin de noodzakelijke mitigerende als compenserende maatregelen worden beschreven. De ontheffingsaanvraag is ingediend en het ligt in de lijn der verwachting dat deze ontheffing wordt verleend. Voor de das geldt dat er in het plangebied maatregelen getroffen moeten worden ter compensatie van het leefgebied van de das. De ontwikkeling vormt geen belemmering vormt voor de overige beschermde soorten die voorkomen in en nabij het plangebied. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan. De Wet natuurbescherming leidt daarmee niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

38

6

Water

6.1

Beleidskader Wettelijk kader Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, project-besluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Na-tionaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plan-toelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen.

6.2

Beschrijving watersysteem In de voorafgaande fase van het totale masterplan van het gehele gebied is door Grontmij in 2015 een watertoetsdocument opgesteld. Dit document is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een (actualiserend) watertoetsdocument opgesteld, dat is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Dit watertoetsdocument richt zich op fase 3 én 4 van Huurlingsedam. Dit bestemmingsplan geldt enkel voor fase 3 van de ontwikkeling. Hoogteligging In het gebied tussen de Oosterweg en de Huurlingsedam varieert de maaiveldhoogte behoorlijk. De Huurlingsedam ligt ongeveer rond +8,0 m NAP. Het maaiveld daalt richting het noordoosten naar circa +6,50 m NAP, ter hoogte van de oost-west gelegen watergang. Richting de Oosterweg loopt het maaiveld weer op naar circa +8,0 m NAP. De watergang ligt in het dal en is daarmee duidelijk te herkennen op de hoogtekaart. Het maaiveld aan de westkant van het plangebied loopt van zuidwest naar noordoost op van circa +6,80 m NAP naar +7,30 m NAP; richting de watergang neemt de hoogte weer af. De woningen in fase 1, ten zuiden van de Huurlingsedam, hebben een vloerpeil van minimaal +8,20 m NAP. De bestaande woningen aan de Oosterweg hebben verschillende vloerpeilen en liggen hoger dan +7,80 m NAP.

Bodemopbouw De bodem in het noordwestelijk deel van het plangebied bestaat uit kalkloze poldervaaggronden. Deze gronden bestaan uit zware zavel en lichte klei. In het westen liggen ooivaaggronden en poldervaaggronden. Deze gronden bestaan respectievelijk uit lichte zavel en zavel, lichte klei. In het noordoosten van het plangebied liggen poldervaaggronden met code, bestaande uit zware klei. Het gebied is ontstaan door afzettingen van de rivieren. Hierdoor is de bodemopbouw sterk wisselend. Op basis van opgehaalde informatie is de conclusie dat de deklaag uit lichte zavel of

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

39

lichte kleigronden bestaat, die slecht doorlatend zijn. Dit betekent dat infiltratie van regenwater naar de ondergrond slechts beperkt mogelijk is. Grondwater In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee peilbuizen met recente meetgegevens en een meerjarige meetreeks. Door het verschil in reliëf van het plangebied is ook het verschil in GHG groot. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert in het gebied van NAP +6,40 m op de lage delen in het westen tot circa NAP +7,30 m op de hoge kop langs de Huurlingsedam. Richting het oosten loopt de GHG weer iets af naar NAP +7,10 m. De GHG is, naast de hoogteligging van het plangebied, mede bepalend voor de aanlegpeilen van wegen en woningen. De grondwaterstromingsrichting verloopt van oostnoordoost naar west-zuidwest. Oppervlaktewater In het plangebied liggen verschillende watergangen die in beheer zijn van Waterschap Rivierenland. Het plangebied ligt in het afwateringsgebied Citters 1 en peilvak CIT02b met een streefpeil van NAP +5,50 m. Het waterpeil wordt gereguleerd door een stuw ter hoogte van de Ruffelseweg / Nieuwe Lagestraat met een streefpeil van NAP +5,50 m. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een brede waterpartij die onderdeel uitmaakt van het Wijchens Meer. Binnen het plangebied liggen verschillende watergangen die of vervallen of (nog) aangepast moeten worden.

Alle leggerwatergangen (A-watergangen) binnen het plangebied hebben een SED-status. Een SED-water is water met een specifiek ecologische doelstelling. Hierover is afstemming nodig tussen de provincie, het waterschap en de projectontwikkelaar. De provincie wil de natuurwaarden van deze wateren herstellen en beschermen. Voor de watertoetsprocedure Huurlingsedam fase 2 is per e-mail contact geweest met provincie Gelderland op 20 mei 2014. In reactie heeft de provincie laten weten dat het vergraven van watergangen afgestemd moet worden met de ecoloog van het waterschap en dat de ecologische doelstelling die voor de betreffende watergang geldt ,versterkt moet worden. Op 17 oktober 2014 is per e-mail aan het waterschap gevraagd of bij het wijzigen van de noordelijk gelegen A-watergang de standaard waterdiepte van een A-watergang aangehouden moet worden. Daarop is telefonisch antwoord gegeven in de week van 20 oktober 2014. Verdiepen van de watergang is niet wenselijk, maar het veranderen van de watergang kan, mits de breedte op waterlijn bij lage afvoeren niet groter wordt. Op grond van de SED-status wordt de watergang in een ecologisch profiel gebracht. Daarmee wordt voldaan aan het ‘stand stil – step forward’ principe van het provinciaal waterhuishoudingsplan.

Waterveiligheid Op basis van de gegevens van de klimaateffectatlas.nl is bepaald of een overstromingsrisico aanwezig is binnen Huurlingsedam. De kans hierop is aangeduid als ‘kleine kans’. Dit is een situatie die eens in de 1.000 jaar voorkomt. De overstromingsdiepte in een dergelijke situatie bedraagt maximaal 2,0 – 5,0 m ter plaatse van de watergangen en 0,5 – 2,0 m ter plaatse van het overgrote deel van het plangebied. 6.3

Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn de thema’s en uitgangspunten voor Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

40

duurzaam waterbeheer omschreven (zie ook punt 3). Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.

Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van Awatergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 3.4). 6.4 Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft op welke wijze op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. Als onderdeel hiervan een motivering van getroffen maatregelen om negatieve effecten op/van het watersysteem tot een minimum te beperken, inclusief de ruimtelijke consequenties daarvan. Leefomgeving algemeen De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen.

Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering). Kwaliteit en beleving De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

41

Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren. Waterkwaliteit Het is van belang zo min mogelijk vervuilende stoffen toe te voegen aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar de bodem of het oppervlaktewater.

Verontreiniging van hemelwater, afkomstig van daken, dient primair te worden voorkomen door beperking van de toepassing van uitloogbare materialen. Licht verontreinigd hemelwater, afkomstig van verharde oppervlakken, wordt alleen afgevoerd via een zuiverende voorziening, zoals een wadi. In eerdere fases is dit principe toegepast en fungeren wadi’s als een zuiveringsvoorziening voor licht verontreinigd water van de wegen en parkeervoorzieningen. In de wadi’s wordt minimaal 10 mm/m2 verhard oppervlak geborgen (First-Flush). Het water kan vanuit de wadi infiltreren naar de ondergrond. De ondergrond binnen het plangebied is beperkt geschikt voor infiltratie door de aanwezigheid van een minder goed doorlatende deklaag van klei. Daarvoor zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Een andere factor die invloed heeft op de waterkwaliteit, is bladval. Bladeren van bomen langs het water komen vaak in het water terecht, waardoor de waterkwaliteit verslechtert. Door hier bij de plaatsing van bomen aandacht voor te hebben, is de invloed van bladval op de waterkwaliteit gering. Klimaatverandering De gemeent streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau.

Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

42

Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. De ontwikkeling ligt in een gebied waar de Regionale Adaptatie Strategie (RAS) Rijk van Maas en Waal van toepassing is. De RAS is in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat Regio Rijk van Maas en Waal uiterlijk 2050 klimaatbestendig is. In de nadere uitwerking worden klimaatadaptieve maatregelen daarom meegenomen in een waterhuishoudkundig plan. In het waterhuishoudkundig plan wordt een model gebruikt om het functioneren van het systeem bij een klimaatbui (70 mm in 2 uur) te beoordelen. Waterberging De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Keur (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd.

De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Toename verhard oppervlak De toename van het verhard oppervlak is bepaald op basis van de tekening van het ruimtegebruik. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • 90% verhard voor kavels van rijtjeswoningen; • 80% verhard voor kavels van twee-onder-een-kap woningen en hoekwoningen; • 70% verhard voor kavels met vrijstaande woningen. Voor de wegen en parkeervoorzieningen is een inschatting gemaakt op basis van een GISanalyse. In tabel 3 is een overzicht gegeven van de verharding in de toekomstige situatie. Hierbij is ook de verharding van fase 4 meegenomen. Het verhard oppervlak van fase 3 en 4 bedraagt in totaal 11,65 ha. Dit is lager dan de 13,7 ha die in het watertoetsdocument voor Huurlingsedam fase 2 is aangehouden.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

43

Watercompensatie Voor de waterbergingseis hanteert het waterschap 436 m3 berging per ha verhard oppervlak. Vanuit eerdere fases is een bergingsoverschot aanwezig dat in fase 3 benut kan worden. In totaal is de beschikbare berging 10.302 m3 en de bergingsopgave 8.085 m3 voor fase 1-4. Dit betekent dat het watersysteem, na afronding van fase 3 en 4, over een bergingsoverschot van 2.217 m3 beschikt. Belangrijk aandachtspunt is de fasering. De aanleg van de “extra” voorziening is noodzakelijk om te zorgen voor voldoende waterberging in de tijdelijke situatie (d.w.z. vóór afronding van fase 4). In overleg met de ontwikkelaar is afgesproken dat deze in het park wordt gerealiseerd. Bij de uitwerking van het watertoetsdocument voor Huurlingsedam fase 2 is een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma Sobek. Hierbij rekening gehouden met de ontwikkeling van fase 3 en 4 door invulling te gegeven aan de waterbergingsopgave voor fase 3 en 4. Op 4 december 2020 is overleg met het waterschap gevoerd. In dit overleg heeft het waterschap aangegeven dat het bestaande model bruikbaar is voor de toetsing van fase 3. Hierbij heeft het waterschap de voorwaarde gesteld dat het model, in samenwerking met een hydroloog van het waterschap, geactualiseerd moet worden. Deze actualisatie moet nog plaatsvinden. Dit wordt gedaan bij de nadere uitwerking in een waterhuishoudkundig plan.

Daarnaast wordt het model gebruikt om het functioneren van het systeem bij een klimaatbui (70 mm in 2 uur) te beoordelen.

Watergangen De waterberging wordt gedeeltelijk gerealiseerd door de bestaande A-watergang te voorzien van een plasberm. Deze berm ligt net boven het streefpeil. In fase 2 is een nieuwe (tijdelijke) watergang gegraven die na/tijdens de realisatie van fase 3 wordt gedempt. Werkzaamheden in de watergang hebben invloed op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Daarom geldt voor werkzaamheden aan de watergangen in het plangebied een vergunnings- of meldplicht. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, is het belangrijk de waterhuishouding in het plangebied op orde te hebben en te houden. De inrichting van het plangebied moet dan ook afgestemd zijn op de geohydrologische situatie binnen het plangebied. Uit het uitgevoerd onderzoek blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand in het plangebied schommelt. Dit betekent dat in bepaalde delen ophoging van het plangebied nodig is om aan de ontwateringseis te voldoen. Een andere maatregel om overlast te voorkomen, is bouwen zonder kruipruimte.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

44

Het waterschap adviseert een drooglegging aan te houden van: · 0,70 m voor het maaiveld; · 1,00 m voor het straatpeil; · 1,30 m voor het bouwpeil. Gezondheid en veiligheid De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het water-systeem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of – fluctuatie. Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Afvalwater Het vuilwater zal in fase 3 en 4 via een droogweerafvoer (DWA) verzameld worden. In fase 1 is een rioolgemaal ontworpen en een uitlegger van 400 mm aangelegd in de Huurlingsedam ter hoogte van De Brink (put D08, b.o.b.

+3,0 m NAP) waarop ook het afvalwater uit Huurlingsedam fase 2 aangesloten wordt. Een verdere uitwerking volgt in het waterhuishoudkundig plan. Waterveiligheid Er ligt geen waterstaatswerk of beschermingszone in het plangebied. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn dus niet van toepassing. 6.5

Overwegingen en conclusie In de voorafgaande fase van het totale masterplan van het gehele gebied is door Grontmij in 2015 een watertoetsdocument opgesteld. Dit document is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Tijdens het watertoetsproces van Huurlingsedam fase 2 is een modelberekening uitgevoerd. In deze berekening is rekening gehouden met de realisatie van fase 3. Hierbij zijn uitgangspunten gehanteerd en afspraken gemaakt die van toepassing zijn op fase 3. De volledige berekeningen en onderbouwingen zijn opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Op basis van voorgaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

45

6.6

Overleg met waterbeheerder Op 4 december 2020 is overleg met het waterschap gevoerd. Tijdens overleg met de gemeente en het waterschap over de ontwikkeling Huurlingsedam fase 3 zijn de volgende punten naar voren gekomen: • Het bestaande model is bruikbaar voor de toetsing van de effecten van Huurlingsedam fase 3 op de waterhuishouding. Wel stelt het waterschap als voorwaarde dat het model geactualiseerd wordt, in samenwerking met een hydroloog van het waterschap. Deze actualisatie zal plaatsvinden tijdens de detaillering en uitwerking in het waterhuishoudkundig plan. • Voor de ontwikkeling van fase 3 gelden dezelfde uitgangspunten en principes voor het verwerken van hemelwater, zoals toegepast in eerdere fases.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

46

7

Archeologie en cultuurhistorie

7.1

Archeologie

7.1.1 Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

Archeologiebeleid gemeente Wijchen Met de invoering van de Monumentenwet (1988) en de Wet op de ruimtelijke ordening (2008) zijn de bevoegdheden met betrekking tot archeologie van de provincie naar de gemeenten overgeheveld. Dit principe is ook vastgelegd in de Erfgoedwet en de toekomstige Omgevingswet. Gemeenten hebben een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg, omdat ze bij de ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang moeten afwegen tegen de andere belangen. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan altijd rekening te houden met in de grand aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Met de vaststelling op 7 september 2000 van het Beleidskader Archeologie Wijchen heeft de gemeenteraad vastgelegd, dat met de archeologische waarden in de bodem op een weloverwogen manier zal worden omgegaan. Het gemeentelijk beleid is er op gericht de gekende en ongekende archeologische (en cultuurhistorische) waarden tijdig in te brengen in het ruimtelijke planproces en daarmee rekening te houden. Dit beleid is in 2003 geconcretiseerd met de vaststelling van een archeologische verwachtingskaart, die de basis vormt voor de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Deze beleidskaart is de visuele weerslag van het gemeentelijke archeologiebeleid.

De archeologische verwachtings- en beleidskaart is in 2008 geactualiseerd, deze vormt het beleidskader waarbinnen het archeologische onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

47

7.1.2 Onderzoek In archeologisch opzicht is Wijchen een rijke gemeente. Op veel plaatsen binnen de gemeente zijn vindplaatsen uit diverse archeologische perioden, van het Neolithicum tot de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, bekend. Het archeologiebeleid van de gemeente Wijchen is, in overeenstemming met ‘Malta’, er op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo blijft het ‘verhaal van de plek’ ook voor toekomstige generaties nog zichtbaar. In 2004 heeft in het kader van de vrijstellingsprocedure voor Huurlingsedam inventariserend onderzoek plaatsgevonden om de archeologische waarde van het plangebied in beeld te brengen (RAAP-rapport 1174, 2005). Aan de hand van het verkennend bureau- en veldonderzoek is bepaald welke delen van het plangebied nader onderzocht dienden te worden door middel van een karterend booronderzoek. Het karterend booronderzoek heeft zich expliciet gericht op de zones met een hoge archeologische verwachting.

Deze zones zijn geselecteerd op basis van relatieve hoogteligging, intactheid van het bodemprofiel en het al dan niet voorkomen van archeologische indicatoren. In totaal zijn op basis van dit inventariserende onderzoek binnen het plangebied Huurlingsedam zeven vindplaatsen gedefinieerd, waarvan er zes binnen het voorliggende plangebied liggen (zie afbeelding 7.1). Het betreft zones waarbinnen de aanwezigheid van (deels) intacte (grond)sporen van bewoning (nederzettingssporen) uit het verleden zeer waarschijnlijk wordt geacht. De vindplaatsen beslaan samen een lange bewoningsperiode (Mesolithicum t/m Late Middeleeuwen). Vooral de Prehistorie is hierbinnen goed vertegenwoordigd.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

48

Afbeelding 7.1: overzicht gekarteerde vindplaatsen Huurlingsedam met de vindplaatsnummers in rood aangegeven (bron: RAAP, 2005)

Dit onderzoek heeft de aard, omvang, datering en het karakter van de archeologische waarden nog niet in voldoende mate in kaart gebracht. Hiervoor is verder inventariserend onderzoek in de vorm van een archeologisch sleuvenonderzoek uitgevoerd. Door middel van dit verdiepende onderzoek is naast aard, omvang, datering en karakter ook de behoudenswaardigheid van de archeologische waarden vastgesteld. Er zijn drie vindplaatsen aangewezen die nader onderzocht dienden te worden in het plangebied. Dit advies is beoordeeld en goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente Wijchen) en opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. In het advies uit 2012 worden tevens vindplaats 4, 5 en een deel van vindplaats 6 genoemd die binnen het plangebied vallen. Voor deze vindplaatsen is geen nader onderzoek nodig omdat de grond hier niet verstoord gaat worden. Als er niettemin toch bodemverstorende activiteiten gaan plaatsvinden, dient er alsnog archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden. De uitkomsten van het archeologisch sleuvenonderzoek zijn weergegeven op de kaart van afbeelding 7.2. Het totale rapport van BAAC d.d. februari 2015 is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. In het vervolg van deze paragraaf zal per vindplaats een korte samenvatting van de bevindingen (o.b.v. het sleuvenonderzoek) worden gegeven.

De nummers van de vindplaatsen komen overeen met de nummeraanduiding van afbeelding 7.1.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

49

Afbeelding 7.2: advieskaart naar aanleiding van proefsleuvenonderzoek

Vindplaats 1 In het onderzoeksgebied zijn aanwijzingen voor bewoning op het terrein uit het neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Op de vindplaats zijn paalkuilen, kuilen en greppels blootgelegd evenals vondstmateriaal dat onderverdeeld kan worden in keramiek, vuur- en natuursteen, metaal en bot. Structuren zoals hoofd- en bijgebouwen zijn in deze fase van het onderzoek niet herkend. Behalve deze nederzettingssporen en vondsten zijn ook off-site structuren in de vorm van greppels aangesneden, evenals een geringe hoeveelheid aardewerk, bouwkeramiek en metaal uit de middeleeuwen/nieuwe tijd. Op basis van resultaten van het onderzoek moet een deel van de vindplaats beschermd worden middels behoud in situ. Indien dit niet mogelijk is door behoud ex situ, door middel van een opgraving. Door middel van een dubbelbestemming in de verbeelding van het bestemmingsplan is de archeologische waarde in het gebied gewaarborgd.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

50

Vindplaats 2 Deze vindplaats bestaat met name uit aardewerk uit de ijzertijd. Ook is een enkele scherf aardewerk en een brok bewerkte vuursteen uit de periode neolithicum-bronstijd aangetroffen. Sporen als zodanig zijn niet blootgelegd. Vermoedelijk is op deze locatie sprake van de periferie van een nederzetting waarvan de kern ten zuidwesten van de Huurlingsedam ligt. Evenals op vindplaats 1 zijn ook hier offsite structuren als greppels en kuilen uit de middeleeuwen/nieuwe tijd aangetroffen. Ook is een kleine hoeveelheid vondstmateriaal uit deze periode verzameld. Het gaat om aardewerk, bouwkeramiek, glas en metaal. Naar aanleiding van de uitkomsten van het sleuvenonderzoek is het niet noodzakelijk om een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren wegens het ontbreken van bewoningssporen in het gebied. Vindplaats 3 Op vindplaats 3 is een enkel antropogeen spoor uit vermoedelijk de prehistorie blootgelegd. Met name het vondstmateriaal (aardewerk, vuur- en natuursteen) wijst op bewoning of gebruik van het terrein in het neolithicum en de ijzertijd. Op basis van het lage aantal aangesneden sporen is de verwachting dat hier sprake is van de periferie van een nederzetting. De mogelijkheid dient echter overwogen te worden of zich in de relatief grote ruimte tussen de sleuven niet ook nog sporen zullen bevinden.

Bovendien is de verwachting op basis van het AHN dat ook sporen ten zuidoosten van de vindplaats aanwezig kunnen zijn. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek wordt het noodzakelijk geacht, indien geen behoud in situ kan plaatsvinden, een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Er zijn namelijk een grote aantal vondsten gedaan tijdens het sleuvenonderzoek, maar er is een gebrek aan sporen op basis van het sleuvenonderzoek. Bovendien verdient het de voorkeur om aan de zuidoostzijde van de vindplaats ook archeologisch onderzoek uit te laten voeren middels aanvullende proefsleuven. Het onderzoek heeft uitgewezen dat buiten de grenzen de rivierduin doorloopt en dat er een reële kans is op het aantreffen van sporen van bewoning. Door middel van een archeologische dubbelbestemming is de archeologische waarde in het gebied voldoende gewaarborgd. Bescherming van archeologische waarden (zoals genoemd onder 7.1) is tevens juridisch planologisch geregeld via een stelsel van bouw- en aanlegvoorschriften die zijn opgenomen in het bestemmingsplan. 7.1.3 Conclusie Resultaten uit het sleuvenonderzoek tonen aan dat er zich mogelijk op twee vindplaatsen in het plangebied voorwerpen van archeologische waarde in de grond bevinden.

Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de beoogde ontwikkeling door middel van mogelijk nader onderzoek op de aangewezen locaties met een archeologische waarde.

Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 3’ Toelichting Vaststelling

51

7.2

Cultuurhistorie

7.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio’s te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma’s en projecten. 7.2.2 Onderzoek Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. 7.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=801843d2-64ff-49b3-b495-cba40d368b92