CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

B07 - Quickscan flora en fauna

Raad openbaar Wijchen 2 februari 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 20667 beslisnota Bestemmingsplan Lambrasse4.598 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie

: Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:

: 3 november 2022 : Mark van Thiel Beheer BV : 211x08521 : MvdS : MK

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van project “Lambrasse II”, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet Natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016.

Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 28 maart 2018 tussen 11:00-12:00 door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. De weersomstandigheden betroffen circa 7°C, geheel bewolkt, mar droog met windkracht 3 uit het westzuidwesten. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan 1

BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

1

welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied bevindt zich ten westen van Wijchen. De ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op het hele gebied wat rood en groen omcirkeld is. Het in figuur 1 groen omlijnde deel is echter reeds gerealiseerd. Hier gaan feitelijk geen wijzigingen meer plaatsvinden, waardoor ecologisch gezien geen gevolgen te verwachten zijn door de wijziging. Deze quickscan focust zich op het nog te ontwikkelen deel, rood omlijnd in figuur 1. De locatie voor de bedrijfsbebouwing van Lambrasse is gelegen in de oksel van de oprit naar de A326, naast de nieuwe woonwijk Lambrasse. Het terrein vormt de oostelijke begrenzing van de kern van Wijchen en is in gebruik als agrarisch weiland. Aan de noord- en oostzijde wordt het terrein begrensd door houtwallen en het talud van de A326. Het maaiveld ligt ruim 3 meter lager dan dit talud en de aansluiting op de Hernenseweg.

De houtwallen bereiken een hoogte van ongeveer 15 meter ten opzichte van het maaiveld. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek.

Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

2

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving

Figuur 3. Plangebied vanuit westhoek

Figuur 4. Plangebied vanuit oosten

Figuur 5. Plangebied vanuit noordwesten

Figuur 6. Noordpunt plangebied

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

3

Figuur 7. Vijver gelegen naast plangebied

Figuur 8. Bosschage ten noordwesten van plangebied

Toekomstige situatie Opdrachtgever is voornemens binnen het plangebied bedrijfsbebouwing te realiseren in de vorm van een fast-foodrestaurant, middelgroot hotel en/of een fitnesscentrum (figuur 9). Hiervoor worden ook parkeervoorzieningen gerealiseerd. De houtwal/bosschage langs de snelweg zal behouden blijven. Het terrein krijgt een T-aansluiting op de Hernenseweg, en zal 129 parkeerplaatsen krijgen. Mogelijk wordt er ook een reclamemast gerealiseerd.

Figuur 9. Impressie bouwplan (voorbeeld uitwerking stedenbouwkundig kader)

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

4

Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 7,8 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Gezien de geruime afstand in combinatie met de beoogde ontwikkeling is het niet te verwachten dat een toename aan stikstofdepositie plaats zal vinden.

Zo is deze afstand voldoende ver om 50 woningen te kunnen aanleggen, en zelfs 500 woningen te kunnen gebruiken, zonder een toename aan stikstofdepositie te veroorzaken, in de aanleg noch in de gebruiksfase (handreiking woningbouw en AERIUS; 2019, Rijksoverheid). De voorgenomen ontwikkeling is beperkter in omvang en gebruik dan de genoemde voorbeelden, waardoor een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs is uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. In de provincie Gelderland wordt dit in de huidige situatie beschermd middels het Gelders Natuurnetwerk (GN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO).

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het GNN of GO (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN ligt ongeveer 350 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van de GNN/GO niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN/GO wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

5

Figuur 10. Ligging Gelders Natuurnetwerk (GNN; donkergroen) en Groene ontwikkelingszone (GO; lichtgroen) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)

Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien bij de plannen geen (onderdelen van) houtopstanden worden verwijderd is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

6

Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: 1. Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming) 2. Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming) 3. Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming) De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 WNB) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot de meeste provincie, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld.

Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn).

Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed,

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

7

maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Korte uiteenzetting van provinciale vrijstellingen en beleidsregels die relevant zijn voor de soortenbescherming. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Voor een aantal algemene soorten is het toegestaan om deze zonder ontheffing te vangen en/of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met: 1. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, inclusief het daarop volgende gebruik van het gebied; 2. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 3. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 4. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Vogels Op het terrein is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Door het ontbreken van elementen als schuurtjes of knotbomen, zijn nestlocaties van de steenuil eveneens uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Subconclusie Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij het verwijderen van het opgaand groen kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd.

Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van potentiële nestgelegenheden buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

8

broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone en grijze grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart, meervleermuis en watervleermuis. Er worden bij de uitvoer van de plannen geen holtebomen gekapt of gebouwen gesloopt. Ook in het houtwalgedeelte grenzend aan het plangebied zijn geen verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen aangetroffen. De werkzaamheden zullen geen direct effect hebben op verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is wel geschikt als onderdeel van het foerageergebied. Met name langs de bosschage en boven het water zal waarschijnlijk gefoerageerd worden. Deze elementen worden behouden, waardoor het mogelijk essentiële foerageerhabitat voor vleermuizen in de woonwijk in oostelijke richting niet aangetast wordt.

Ook is er geen sprake van het aantasten van vliegroutes, gezien er geen lijnvormige elementen worden verwijderd of doorbroken. Vereiste is wel dat zowel op de vijver als de bosschages geen verlichting wordt gericht. Verlichting kan namelijk een verstorend effect hebben op zowel foerageer- als vliegroutefuncties. Subconclusie Indien er geen verlichting wordt gericht op de bosschage of de vijver zal er bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van indirecte (potentiele) aantasting van vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageerhabitat voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als konijn, egel, mol, rosse woelmuis, veldmuis en huisspitsmuis kunnen in het plangebied (incidenteel) worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten.

Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

9

Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, wezel, steenmarter en das voor. Binnen het plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen aangetroffen voor deze soorten, in de vorm van holtes in de bodem, houtstapels of takkenrillen. Daarnaast zijn er van geen van de soorten sporen aangetroffen als pootafdrukken, uitwerpselen, latrines, wissels, prooiresten of vraatsporen. De wezel, bunzing en steenmarter kunnen incidenteel voorkomen binnen het plangebied. Door het verder kale karakter biedt het echter beperkt schuilmogelijkheid. Verblijfplaatsen zijn binnen het plangebied daarmee uitgesloten. Ook is het plangebied als foerageergebied matig geschikt. De soorten zoeken hun voedsel in bosjes, groenstroken, heggen, greppels en bermen. Dergelijke elementen zijn in de directe omgeving veelvuldig beschikbaar, waardoor het plangebied niet dient als essentieel leefgebied voor deze soorten. Bij uitvoering van de werkzaamheden is er dus geen overtreding van een verbodsbepaling met betrekking tot wezel, bunzing en steenmarter te verwachten. De das wordt zowel in het landgoed ten noorden van het plangebied als in de Balgoingysche Weter ten zuiden van het plangebied veelvuldig wordt waargenomen. De snelweg vormt echter een barrière tussen de twee populaties.

Er zijn waarnemingen bekend van das in de directe omgeving van het plangebied, zowel in de bosschage langs de noordzijde als in de vorm van aangereden dieren op de A326. Het is daarmee aannemelijk dat het plangebied dienstdoet als onderdeel van het leefgebied van de das. Het plangebied bestaat uit een kruidenrijke, incidenteel gemaaid grasland van om en nabij 5.600 m2. Over belangrijk leefgebied voor de das staat in het Kennisdocument Das (BIJ12, versie 1.0, juli 2017) het volgende: “Belangrijke onderdelen zijn dan gebieden waar het hele jaar eten te vinden is, zoals bemeste graslanden met gras korter dan 5 centimeter. In zulke graslanden kan de das op gemakkelijke wijze veel wormen vinden. Soms keren dassen koeienvlaaien om, om kleinere regenwormen, mestkevers en dergelijke te vinden. Ook in oude en structuurrijke eikenbossen en bosjes kan hij het hele jaar voldoende en een gevarieerd aanbod aan voedsel vinden. Er zijn ook onderdelen, zoals (maïs)akkers, hoogstamboomgaarden en ruigten, die in een bepaald deel van het jaar geschikt zijn om voedsel in te zoeken.” Het onbemeste en ruige grasland, en het kleine deel van het wilgenopschot behoort niet tot het primaire foerageergebied van de das, door het ontbreken van bemesting, en het beperkte aantal maaibeurten.

De veelvuldig aanwezige bosschages, en bemeste akkers en weides, in de directe omgeving bieden ruim voldoende geschikt leefgebied voor de das. Daarnaast ligt het foerageergebied van een das op 1,5 tot 12 km afstand van de burcht, waardoor een grote hoeveelheid geschikt leefgebied te bereiken is. Ook de verbindingen voor de das blijft intact, gezien de bosschage volledig in zijn huidige staat behouden blijft en bereikbaar blijft vanaf het zuiden. Een negatief effect op een nabijgelegen burcht is redelijkerwijs uitgesloten, waardoor overtredingen van een verbodsbepaling van de Wnb is uitgesloten. Wel wordt geadviseerd de snelweg af te scheiden met dassenhekwerk, zoals aan de noordzijde reeds gebeurd is. Deze geleiding zorgt voor het voorkomen van aanrijdingen. De voorgestelde geleiding is in

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

10

onderstaande figuur weergegeven. De dassengeleiding dient te worden voorzien van geschikte uittreedvoorzieningen.

Figuur 11. Bestaand (groen) en gewenst (blauw) dassenhekwerk

Subconclusie De bosschage kan van belang zijn als verbindingszone voor das en/of steenmarter. In de plannen blijft deze, inclusief zijn functie, behouden. Het plangebied zelf bevat echter geen verblijfplaatsen of essentieel leefgebied. Wel wordt geadviseerd om ter hoogte van het plangebied de snelweg af te scheiden met dassenhekwerk, zodat hier geen onnodige verkeersslachtoffers vallen. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de buurt. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Subconclusie Negatieve effecten op reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens is in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, heikikker, kamsalamander en alpenwatersalamander bekend.

De vijver is diep en bevat naar alle waarschijnlijkheid vis. De geschiktheid van

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

11

de vijver neemt hierdoor sterk af. Daarnaast zal, gezien de vijver pas sinds 2011 bestaat, de geïsoleerde ligging kolonisatie in de weg staan. Voortplanting van algemene soorten is te verwachten, maar voor beschermde soorten is de kwaliteit en locatie van de vijver niet toereikend. Wel kan tijdens de werkzaamheden geschikt habitat ontstaan voor rugstreeppad. Deze pioniersoort kan grote afstanden afleggen, en kan in het voortplantingsseizoen gebruik maken van langdurig aanwezige ondiepe plassen, en in het najaar van zandopslag om in te overwinteren. Subconclusie De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Daarnaast dienen met betrekking tot de rugstreeppad maatregelen te worden genomen om ontstaan van langdurig aanwezige ondiepe plassen in het voortplantingsseizoen (maart – augustus), en opslag van zand in het najaar (september – januari) te voorkomen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Subconclusie Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bruine eikenpage, sleedoornpage, beekrombout en rivierrombout. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, wat in het plangebied niet aanwezig is. Daarbij biedt het plangebied geen geschikt (voortplantings-)habitat voor deze soortgroepen. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als akkerboterbloem, akkerogentroost, blaasvaren, dreps, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, korensla, ruw parelzaad, schubvaren en wilde ridderspoor. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

12

Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten. Conclusie Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soort-groepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:  Met betrekking tot de das wordt geadviseerd dassenhekwerk te plaatsen conform figuur 11.

 Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht op de vijver en de houtwal te worden voorkomen;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000-gebieden, het NNB en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

13

Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Potentieel

Sprake van

Vervolgtraject / maatre-

Bijzonderheden / opmerkin-

aanwezig

verstoring

gelen

gen

Ja

Mogelijk

Potentiele broedlocaties Algemeen

wijderen, of controle

Broedvogels Jaarrond beschermd Verblijfplaatsen Vleermuizen

buiten broedseizoen ver-

Foerageerhabitat

Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Ja

Mogelijk

Licht gericht op de vijver

Licht kan verstorend werken op

en bosschage voorkomen foerageer- en vliegroutefuncties Vliegroutes

Ja

Mogelijk

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Mogelijk

Zorgplicht, advies om dassenhekwerk langs snelweg te plaatsen

Zorgplicht heeft betrekking op een soort als de egel

Reptielen

Nee

Nee

-

Amfibieën

Ja

Mogelijk

Zorgplicht

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Afstand tot

Sprake van

gebied

aantasting

Natura 2000

ca. 7,8 km

Nee

-

Natuurnetwerk Nederland

ca. 350 m

Nee

-

Houtopstanden

-

Nee

-

Gebiedsbescherming

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

Vervolgtraject

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Bijzonderheden / opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing

14

Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur 

Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse

Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Ti-

Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuur-

Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

rion Uitgevers, Utrecht.

bescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. 

SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.

Algemene websites 

bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)

eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)

floron.nl (soortgegevens planten)

ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)

sovon.nl (soortgegevens vogels)

synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)

verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)

vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)

wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming)

www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

Gelderland 

https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers (NNN en natuurbeheerplan Gelderland)

Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=6b9e42e6-8077-4fa8-ac2e-554f2215bd02