CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

56-013-1.2 Toelichting bijlage 2 Waterparagraaf woningen Torenstraat 4 Balgoij_2

Raad openbaar Wijchen 24 juni 2021, gemeente wijchenBij agendapunt: 53228 Vaststelling bestemmingsplan Torenstraat 4 Balgoij2.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

WATERPARAGRAAF WONINGEN TORENSTRAAT 4 BALGOIJ WATERHUISHOUDING Wettelijk kader Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 1.

Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Het plangebied is gelegen inhet landelijk gebied, juist buiten de kern Balgoij. Het maaiveld binnen het plangebied ligt op een hoogte van 8,0 tot 8,5 m +NAP (bron: AHN Viewer). Geomorgologisch is het plangebied gelegen op een ‘kronkelwaardrug’, een hoogte ontstaan door schoksgewijze sedimentatie in de binnenbocht van een sterk gekromde rivier. De bodem van het plangebied bestaat uit ‘kalkloze ooivaaggronden’ met lichte zavel (klei op zand). Ooivaaggronden worden aangetroffen op stroomruggen en in uiterwaarden in het rivierkleigebied. Het zijn weinig voorkomende, diep bruine en goed gehomogeniseerde zavel- en kleigronden. Naar verwachting hebben de ooivaaggronden met lichte zavel een doorlatendheidswaarde van 0,5 m per dag. (bron: Basisregistratie ondergrond BRO). Het plangebied valt binnen grondwatertrap VII. Binnen deze grondwatertrap ligt gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) 80 tot 140 cm beneden maaiveld. (bron: www.bodemdata.nl). De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 6,0 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 2,3 m-mv bevindt (bron: bodemonderzoek). Oppervlakte- en afvalwatersysteem In, nabij of langs het plangebied zijn geen A/B/C-watergangen gelegen.

Er is geen sprake van HEN-water (hoogst ecologische norm) of SED-water (specifiek ecologische norm), danwel een watergang die in het beïnvloedingsgebied van een HEN-of SED-watergang is gelegen. Het plangebied is aangesloten op het openbaar drukriool onder de Torenstraat, hierop mag alleen afvalwater geloosd worden. Binnen het plangebied bevindt zich een pompinstallatie voor die drukriolering. Ecosysteem Het plangebied is niet gelegen in de Ecologische hoofdstructuur (gelders natuurnetwerk). Binnen het plangebied bevindt zich geen natte natuur met bijzondere waarde, noch is het plangebied gelgen binnen een beschermingszone voor natte natuur.

2 2. Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn de thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven (zie ook punt 3). Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken.

De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 6.4). 3. Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft op welke wijze op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. Onderdeel hiervan is een motivering van getroffen maatregelen om negatieve effecten op/van het watersysteem tot een minimum te beperken, inclusief de ruimtelijke consequenties daarvan. 3.1 Leefomgeving algemeen Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa.

De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering). Gevolgen van/voor het plan Het planvoornemen voorziet in de aanleg van een wadi, als onderdeel van de om de te realiseren heen liggende dierenweide. De in en om deze dierenweide aan te leggen beplanting vormt de landschappelijke inpassing van de te realiseren woningbouw. De wadi wordt binnen de aan te brengen beplanting ingepast.

3 3.2 Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt.

Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan Het schoon hemelwater afkomstig van de verharde opervlakten bij de nieuwe woningen wordt afgevoerd naar de in de achter de woningen gelegen dierenweide aan te leggen wadi. Vanuit die wadi kan het hemelwater infiltreren in de bodem. Verontreiniging van het schone hemelwater wordt voorkomen door de toepassing van niet-uitlogende materialen en door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. De wadi is onderdeel van de achter de woningen gelegen dierenweide. Deze dierenweide wordt landschappelijk ingepast, waarbij ook naar een verantwoorde inpassing van de wadi in het landschap is gekeken. Daarmee draagt de wadi ook bij aan de belevingswaarde van het water. 3.3 Klimaatverandering Beleidsuitgangspunten De gemeent streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied.

De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Gevolgen van/voor het plan Het plangebied is niet uitzonderlijk gevoelig voor klimaatverandering. De aanleg van een wadi in de achterliggende dierenweide draagt bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. In geval van overvloedige neerslag wordt wateroverlast voorkomen doordat het hemelwater kan worden afgevoerd naar die wadi. Vanuit die wadi kanhet hemelwater vertraagd infiltreren in de bodem, waardoor verdroging wordt tegengegaan.

4 Klimaatbestendigheid wordt verder bewerkstelligd door het vloerpeil van de woningen op circa 0,20-0,30 m boven het peil van de Torenstraat te leggen. Bij hevige regenval wordt daarmee voorkomen dat het water van de Torenstraat in de nieuwe woningen komt te staan. 3.4 Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Keur (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken.

En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan Per saldo heeft het planvoornemen een forse afname van de hoeveelheid verharding binnen het plangebied tot gevolg. De hydrologische situatie binnen het plangebied zal daardoor aanzienlijk verbeteren. Deze wordt verder verbeterd doordat het hemelwater afkomstig van verhare oppervlakken wordt afgekoppeld en opgevangen in een voor dat doel binnen het plangebied aan te leggen wadi. Vanuit die wadi vindt bodeminfiltratie plaats. Binnen de achterliggende dierenweide is meer dan voldoende ruimte aanwezig voor de aanleg van die wadi. 3.5 Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of –fluctuatie.

Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan Het grondwater bevindt zich gemiddeld op ± 2,3 m-mv. De ontwateringsdiepte (het peilverschil tussen het grondwater en het vloerpeil van de begane grond voldoet daarmee ruimschoots aan de gemeentelijke eis. Deze bepaalt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand niet hoger mag zijn dan dan 1,0 m onder het vloerpeil van de begane grond. Eveneens wordt voldaan aan de door het waterschap op basis van de Keur geeiste drooglegging. Het waterschap eist een drooglegging (het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het vloerpeil van de begane grond) van 1,3 m om overlast te voorkomen.

5 Oppervlaktewater is in en om het plangebied niet aanwezig. De aan te leggen wadi ligt in een niet openbaar toegankelijke dierenweide en vormt daarmee geen risico voor de veiligheid. 3.6 Afvalwater Volgens het Bouwbesluit moet iedere nieuwbouwwoning afzonderlijk op de openbare riolering zijn aangesloten. In het kader van het planvoornemen worden de nieuwe woningen via een gezamenlijke particuliere riolering aangesloten op de bestaande pompinstallatie op de locatie Torenstraat 4. Het is eenvoudiger en minder kostbaar om de bestaande pompinstallatie van de gemeente te handhaven, dan elke woning over een afzonderlijke pompinstallatie te laten beschikken.Voor de gezamenlijke riolering zullen ook de benodigde erfdienstbaarheden onderling worden geregeld. 4. Overwegingen en conclusie Overwegingen Gezien de terreinhoogte en grondwaterstanden wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Hemelwater wordt op eigen terrein bewerkt en niet afgevoerd naar riolering en/of oppervlaktewatersysteem, waardoor de noodzaak voor compenserende waterberging komt te vervallen. De waterhuishoudkundige voorzieningen zijn onderdeel van de achterliggende dierenweide met landschappelijke inpassing. Conclusie Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en omgekeerd. 5.

Overleg met waterbeheerder Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder. Veelal is de waterbeheerder het waterschap, maar kan ook Rijkswaterstaat of de Provincie zijn. Het advies of resultaat van het vooroverleg dient te worden verwerkt in de waterparagraaf. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (www.digitalewatertoets.nl). Het hieruit voortvloeiende advies moet, in geval van een relevant waterschapsbelang, worden uitgewerkt in de waterparagraaf. Het planvoornemen is op 23 september 2020 aangemeld via de digitale watertoets. Daarbij is gebleken dat geen waterschapsbelangen in het geding zijn. De relevante zaken uit de uitgangspuntennotitie, die op basis van de aanmelding is opgesteld, zijn in de voorliggende waterparagraaf verwerkt. Als relevant zijn beoordeeld zaken met betrekking tot klimaatadaptatie, waterveiligheid, grondwater (drooglegging en infiltreren) en waterkwaliteit. Watercompensatie is niet noodzakelijk en watergangen zijn niet aanwezig. Op het planvoornemen is de normale procedure watertoets van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=cc849f67-1c83-4261-8e6d-870288d1d7a2