220919 Toelichting en regels BP Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen - definitief.pdf
Tekst van het document
Toelichting en regels
Vastgesteld
Bestemmingsplan
Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
6 6 6 8 9
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 12
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
15 15 16 18 19
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Duurzaamheid 4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
20 20 20 21 23 24 25 26 28 33 36 40 40 41
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Inleidende regels 5.3 Bestemmingsregels 5.4 Algemene regels 5.5 Overgangs- en slotregels
42 42 42 42 44 45
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
46 46 46
Bijlagen bij toelichting
49
Bijlage 1
Bodemonderzoek
50
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
51
Bijlage 3
Digitale watertoets
52
Bijlage 4
Quickscan ecologie
53
Bijlage 5
Mitigatieplan das, steen- en kerkuil
54
Bijlage 6
Archeologisch bureauonderzoek
55
Bijlage 7
Nota zienswijzen
56
2
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Regels
57
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
58 58 62
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Bestemmingsregels Agrarisch met waarden - 1 Natuur Water Wonen - 1 Waarde - Archeologie 1 Waarde - Archeologie 2 Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied
63 63 68 69 70 74 76 78
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels
80 80 80 81
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
82 82 82
Bijlagen bij regels
84
Bijlage 1
85
Landschappelijke inpassing
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
3
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
4
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Toelichting
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
5
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de zuidzijde van de Oosterweg te Wijchen, tussen de bestaande woonpercelen Oosterweg 220 en Oosterweg 290, is een agrarisch perceel gelegen. De initiatiefnemer is voornemens op het huidige agrarische perceel twee vrijstaande Nul-op-de-meter (NOM)-woningen te realiseren, met rondom deze woningen een robuuste landschappelijke inpassing. Op 16 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om principemedewerking te verlenen aan dit plan. Om de bouw van de beide woningen aan de Oosterweg mogelijk te maken, moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de planologische borging van dit initiatief.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Oosterweg, een weg aan de oostelijke dorpsrand van de kern Wijchen, en staat kadastraal bekend als gemeente Wijchen, sectie H, nr. 4921, met een oppervlakte van 9.890 m². Het plangebied wordt globaal gezien begrensd door: Noordzijde: de Oosterweg; Oostzijde: het woonperceel Oosterweg 220; Zuidzijde: een agrarisch perceel, met daarachter fase 3 van de nieuwbouwwijk Huurlingsedam; Westzijde: een woon- c.q. agrarisch perceel Oosterweg 290 - 292.
Globale ligging plangebied (rode druppel, bron: maps.google.nl)
6
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Globale begrenzing plangebied (gele omkadering) Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
7
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor de gronden in het plangebied gelden zowel het bestemmingsplan 'Buitengebied Wijchen', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 31 januari 2013, alsmede het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2014', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 16 oktober 2014. Op grond van deze bestemmingsplannen heeft het plangebied de bestemming ‘Agrarisch met waarden -1’. Een smalle strook aan de oostzijde heeft de bestemming 'Water'. Daarnaast is het plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’. Aanvullend geldt voor het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorisch waardevol gebied' uit het bestemmingsplan 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen', om de eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden te behouden, te beheren en te versterken.
Uitsnede geldend(e) bestemmingsplan(nen) met globale aanduiding plangebied (rode omkadering) De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van twee vrijstaande woningen. Op grond van de huidige bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' (zonder bouwvlak) mag niet worden gebouwd in het plangebied. Ook het gebruik van de gronden voor woondoeleinden is op grond van de huidige bestemming niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling te realiseren moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld.
8
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en beschrijving plangebied In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
9
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving plangebied
Bestaande situatie
Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de Oosterweg, een oostelijke invalsroute naar het centrum van Wijchen. Langs het gedeelte van de Oosterweg dat buiten de bebouwde kom is gelegen, bevindt zich verspreid liggende lintbebouwing, met doorzichten naar het achterliggende agrarische landschap. De Oosterweg wordt begeleid door een kenmerkende bomenlaan. Het plangebied ligt nu nog op de overgang tussen de bebouwde kom van Wijchen en het buitengebied. Na het realiseren van fase 3 en 4 van de nieuwbouwwijk Huurlingsedam, zal het plangebied in de praktijk, zoals te zien op navolgende luchtfoto, meer bij de bebouwde kom gaan horen.
Vogelvluchtperspectief d.d. 2 maart 2021 met globale aanduiding plangebied (rode omkadering) in relatie tot de nog aan te leggen fase 3 en 4 van nieuwbouwwijk Huurlingsedam (gele omkadering) De frontbreedte van het plangebied aan de zijde van de Oosterweg is circa 107 m. Zowel aan de oost- als de zuidzijde wordt het plangebied omsloten door een A-watergang. In de bestaande situatie is het plangebied zowel de oost- als westzijde ingeklemd tussen de twee burgerwoningen op nr. 220 en nr 290.
10
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Impressies bestaande burgerwoningen Oosterweg 290 (links) en Oosterweg 220 (rechts) Het plangebied is op dit moment onbebouwd en ligt braak. In het verleden is het plangebied in gebruik geweest als akkerland, waarbij de laatste twee jaren mais is verbouwd.
Impressie plangebied, gezien in oostelijke richting (naar nr. 290)
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
11
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
2.2
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens in het plangebied twee vrijstaande Nul-op-de-meter (NOM)woningen te realiseren. Er is bewust gekozen voor twee vrijstaande woningen om enerzijds meer courante kavelafmeting(en) te verkrijgen en om anderzijds qua maat en schaal van zowel de kavels als de te realiseren bebouwing aan te sluiten op de reeds aanwezige lintbebouwing en de ingezette transitie van de Oosterweg naar een woonlint. Er worden in beide woningen minimaal 4 slaapkamers op de verdieping gerealiseerd, zodat een behoorlijk volume nodig is binnen in de woningen. Het hele kadastrale perceel wordt daarbij heringericht, waarbij het opgedeeld wordt in vijf verschillende zones. Het meest westelijk gelegen perceel wordt het eerste woonperceel van circa 2.665 m² (1), in het verlengde van dit woonperceel wordt een boomgaard gerealiseerd van circa 1.350 m² (2), vervolgens wordt er kruidenrijk grasland van circa 2.050 m² (3) gerealiseerd waarbij een doorkijk naar het zuiden (Huurlingsedam) gewaarborgd blijft door een onbebouwde strook van een kleine 25 m breed. Daarnaast komt er een tweede woonperceel van circa 1.970 m² (4) en in het verlengde van dit woonperceel wordt een voedselbos gerealiseerd van circa 1.300 m² (5). Bij het positioneren van de woningen is rekening gehouden met een afstand van circa 25 m tot de wegas vanwege wegverkeerslawaai.
Deze afstand is met behulp van de twee bouwvlakken in het bestemmingsplan vastgelegd. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats door het toevoegen van twee inritten aan de Oosterweg. In het verlengde van deze inritten worden de hoofdgebouwen van de woningen en de bijbehorende bouwwerken geclusterd. Op deze manier blijven de gronden langs de twee woningen (aan de oost- en westzijde van het plangebied) vrij van bebouwing en blijven doorzichten langs de woningen naar de achterzijde van de toekomstige woonpercelen aanwezig. Daarnaast blijft er voldoende ruimte over op het perceel voor het toevoegen van landschappelijke kwaliteit voor de flora en fauna, (o.a. ten behoeve van de das), de biodiversiteit (realisatie van boomgaard/ kruidenrijk grasland/ voedselbos) en de toegankelijkheid voor passanten (voedselbos). Ruim 55% van het perceel wordt hiervoor gebruikt. Landschappelijke inpassing Er is een landschappelijke inpassingstekening gemaakt van beide nieuwe woonpercelen en de omliggende agrarische gronden in het plangebied:
12
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Binnen het plangebied wordt centraal in het plangebied voorzien in voldoende capaciteit om het hemelwater te bergen in de vorm van een regenwatervijver danwel een wadi/poel (ter bevordering van de biodiversiteit). De onderlinge erfgrenzen tussen het plangebied en de naastgelegen percelen worden uitgevoerd met een haag van een dichte vegetatiestrook bestaande uit bessen en doorn dragende struiken. Hierdoor ontstaat een slaap-, schuil- en nestelplaats voor veel vogelsoorten zoals de mus en de merel. Ook insecten zoals vlinders gebruiken het als schuilplaats en voedselbron en daarnaast fungeert het als voedselbron voor de das. De hoogte van de hagen aan de Oosterweg bedraagt circa 0,5 m, om het groene straatbeeld langs de Oosterweg te continueren en te versterken. De hagen worden circa 10 à 15 m doorgezet vanaf de voorzijde van de percelen. Vanaf hier zullen de hagen in verband met onderlinge privacy met een hoogte van circa 1,8 m uitgevoerd worden. Aan de achterzijde van het plangebied wordt een groene landschapszone ingericht waarbij de beschermingszone van 4,0 m van de ten zuiden gelegen A-watergang gerespecteerd wordt en een smalle bufferzone voor de das wordt gerealiseerd. Vervolgens wordt het overige plangebied ingevuld met een woonperceel met daar achter een boomgaard, een stuk kruidenrijk grasland en vervolgens het volgende woonperceel met daar achter een plukbos.
De globale inrichting van de diverse clusters is onder andere in afstemming met Stichting Das en Boom uitgewerkt. De uitvoering en instandhouding van het inrichtingsplan wordt geborgd door een voorwaardelijke verplichting in de regels. Vanwege de verplichting tot instandhouding zijn tevens het beheer en het onderhoud gewaarborgd.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
13
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Beeldkwaliteit Het plangebied ligt ten zuiden van de Oosterweg en valt daarom binnen het gebied rondom de wijk Huurlingsedam, waarvoor de gemeente streeft naar een eenduidige stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit. Er zijn voor deze woningen een aantal spelregels opgesteld, waar het ontwerp aan moet voldoen. De ontwerpen en de architectuur van de twee woningen zullen zodanig uitgewerkt worden, dat deze passen binnen het beeld van de reeds gerealiseerde woningen langs de Oosterweg. De woningen worden lager uitgevoerd dan de maximum bouwhoogte uit het geldende bestemmingsplan. In basis worden de woningen via een traditionele bouwmethode gebouwd en wordt voor beide woningen qua ontwerp gekozen voor de 'stal- schuurwoningarchitectuur' waarbij de daken zijn voorzien van een overstek.
Duurzaamheid De woningen worden conform het Bouwbesluit gebouwd. Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De initiatiefnemer gaat echter nog een stap verder, door beide woningen als NOM-woningen uit te laten voeren. Dit houdt in dat de woning in basis net zoveel energie opwekt als dat het gebouw en de gebruikers nodig hebben. Hiermee past de woning binnen de doelstellingen uit het klimaatakkoord voor 2050. De woningen worden uitgevoerd met een uitstekende isolatie van de gevels, de vloer en het dak. Een WTW ventilatiesysteem en een bodemwarmtepomp die via de vloerverwarming kan verwarmen en kan koelen. Voor meer info over de duurzaamheidsmaatregelen wordt verwezen naar paragraaf 4.12.
14
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek In het Barro worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk
gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
15
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Op basis van jurisprudentie is bij een toevoeging van 11 woningen geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorliggend initiatief voorziet slechts in de realisatie van twee woningen. Zodoende is artikel 3.6.1, tweede lid Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame ontwikkeling hoeft niet doorlopen te worden.
3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Algemeen
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten van Gelderland de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (december 2021)' hebben Provinciale Staten op 15 december 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.
3.2.2
Omgevingsvisie
De komende decennia komt er veel op Gelderland af: het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. De provincie zet in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Gezond en veilig; dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is ook voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is ook aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend; dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, alsmede het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden. De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden.
16
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het uitgangspunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. Het plangebied ligt net buiten de kern van Wijchen, maar is desondanks onderdeel van bestaand stedelijk gebied, omdat het onderdeel is van de lintbebouwing langs de Oosterweg. Bovendien wordt direct ten zuiden van het plangebied de nieuwe woonwijk Huurlingsedam (fase 3 en later nog fase 4) ontwikkeld. Binnen de kern Wijchen is onvoldoende ruimte voor woningen van deze omvang. Daarnaast betreft het vrijstaande levensloopbestendige woningen. Hiermee wordt bijgedragen aan de provinciale ambitie om voor een ieder een passende woning te hebben.
Ook wordt aan de provinciale duurzaamheidambities gedacht door beide woningen als Nulop-de-meter (NOM) woningen te realiseren. In paragraaf 4.12 van deze toelichting is beschreven welke duurzaamheidsmaatregelen in het voorliggende plangebied worden toegepast. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.
3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek Ten aanzien van nieuwe woningen is in artikel 2.2 van de Omgevingsverordening opgenomen dat een bestemmingsplan uitsluitend nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Op basis van de regionale woonagenda 2020 - 2030 mogen er in de gemeente Wijchen 1.430 woningen worden gebouwd in de periode tot 2030, waarvan 70 % in de eerste vijf jaar moeten worden gerealiseerd (versnelling). Het overgrote deel van de plancapaciteit bestaat echter uit zachte plannen, waarvan een deel uiteindelijk niet gerealiseerd zal worden.
In de regionale woonagenda is daarom aangegeven dat het wenselijk is om 130 % aan plancapaciteit te realiseren; voor in totaal circa 1.850 woningen tot 2030. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van twee extra woningen binnen het contingent dat beschikbaar is voor 'Kleine woningbouwinitiatieven' en past daarmee binnen het provinciale beleidskader.
3.2.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
17
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Wijchen
De gemeente Wijchen heeft één structuurvisie voor de hele gemeente opgesteld, welke op 29 mei 2009 is vastgesteld. De structuurvisie geeft een overzicht van de verwachte ontwikkelingen binnen de gemeente Wijchen. De gemeente gaat uit van een compacte groei en het benutten van de potenties van bestaand stedelijk gebied zonder daarbij de bestaande kwaliteit aan te tasten, in combinatie met een vitaal platteland en sterke kleine kernen. Het buitengebied is in principe niet de plek om (grote hoeveelheden) nieuwe woningen toe te voegen. Enkel indien er sprake is van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering als gevolg van functieverandering van voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen of landgoedontwikkeling overeenkomstig de Natuurschoonwet bestaan er mogelijkheden voor woningbouw in het buitengebied. Die woningbouw moet dan wel aansluiten bij het landschap en de structuur van het buitengebied. Nieuwe woningen mogen de (agrarische) bedrijfsontwikkeling niet hinderen. Derhalve wordt terughoudend omgegaan met woningbouw in open grootschalige agrarische productiegebieden. In het kleinschalige rivierduinenlandschap en aansluitend aan de dorpsrandgebieden zijn meer mogelijkheden voor woningbouw of andere niet-agrarische functies zoals kleinschalige werkfuncties en recreatie. In de structuurvisie maakt het plangebied deel uit van een groter gebied dat is aangeduid als 'Ontwikkelen wonen'.
Navolgende afbeelding toont de verbeelding van de structuurvisie:
Verbeelding structuurvisie gemeente Wijchen, met globale aanduiding plangebied (blauwe cirkel) De gemeente kiest voor een concentratie van de bouwopgave voor de kern Wijchen, met als uitbreidingslocaties: de nog te starten locatie Wijchen-West en de al in ontwikkeling zijnde wijk Huurlingsedam. Planspecifiek Het plangebied grenst aan fase 3 van de nieuwe woonwijk Huurlingsedam en valt binnen de aanduiding 'Ontwikkelen wonen'. De beoogde toevoeging van twee wooneenheden is in die zin aansluitend op de gewenste concentratie van woningbouw ter plaatse. Bovendien zijn beide woningen voorzien van een robuuste landschappelijke inpassing, aansluitend bij het landschap en passend binnen de structuur met lintbebouwing aan beide zijden van de Oosterweg. Onderdeel van deze landschappelijke inpassing is het toevoegen van nieuwe natuur in aansluiting op de natuurgronden ten zuiden van het plangebied.
18
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
3.3.2
Woonvisie Wijchen 2025
De gemeente Wijchen heeft in haar woningbouwprogrammering ruimte gereserveerd voor kleinschalige initiatieven. Hieronder verstaan zij initiatieven met maximaal vier woningen. Om de woningvoorraad duurzaam en gevarieerd te houden wil de gemeente flexibel om kunnen gaan met nieuwe initiatieven. In de beoordeling van nieuwe aanvragen voor woningen zal de gemeente onder meer beoordelen of het initiatief meerwaarde heeft voor de leefbaarheid. Belangrijke relevante aandachtspunten daarbij zijn o.a.: De (lokale) behoefte is leidend. Plannen moeten kwantitatief en kwalitatief aansluiten bij de behoefte. Nieuwbouw moet bijdragen aan de identiteit van een wijk of dorp. Daarbij gaat het zowel om de ruimtelijke als de sociale kwaliteit. Vervanging en verbetering van bestaande bebouwing, gaat vóór uitbreiding. Waar mogelijk tenminste energieneutraal en gasloos en zo duurzaam mogelijk. Een passende kwaliteit van wonen bieden, o.a. aan mensen met een zorgvraag. De gemeente Wijchen heeft de ambitie uitgesproken om de 'mismatch' tussen vraag en aanbod weg te nemen. In de woonvisie 'Thuis in Wijchen' wordt de wens uitgesproken om alle woningen zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de kwalitatieve eisen en wensen van bewoners. Het gaat daarbij niet alleen om de huidige bewoners van een woning, maar zeker ook de toekomstige bewoners.
De gemeente Wijchen streeft naar een duurzame en meer flexibele woningvoorraad, zodat geanticipeerd kan worden op huidige en toekomstige behoeften en woonwensen. Mensen met een zorgvraag blijven langer thuiswonen. Dit leidt tot een toenemende behoefte aan een meer divers woningaanbod, met woonvormen die nu niet of onvoldoende beschikbaar zijn in Wijchen. Woonvormen waar bijvoorbeeld verschillende generaties onder één dak wonen of waar men dicht bij (zorg)voorzieningen woont. Woningen waarbij de eindgebruiker een centrale rol bij de ontwikkeling van de woning speelt en daarom een huis naar eigen wensen kan indelen. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling met twee vrijstaande levensloopbestendige Nul-op-de-meter (NOM)woningen sluit aan bij het uitgangspunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. Het plangebied ligt op dit moment weliswaar nog net buiten de kern van Wijchen, maar binnen enkele jaren sluiten fase 3 en 4 van de nieuwbouwwijk Huurlingsedam vrijwel aan op het plangebied. Daarmee wordt de Oosterweg feitelijk opgenomen binnen het stedelijk gebied. Los hiervan passen beide woningen binnen de ritmiek van de al bestaande structuur met grotere vrijstaande woningen in de vorm van lintbebouwing langs de Oosterweg.
Daarnaast worden de beoogde woningen, aansluitend op de gemeentelijke duurzaamheidsambities, volgens het Nul-Op-de-Meter concept gerealiseerd. Verder is de initiatiefnemer sinds 1999 woonachtig in de kern Wijchen en gaat hij zelf op één van de twee percelen wonen. Daarmee wordt voorzien in een lokale behoefte. In paragraaf 4.12 van deze toelichting is beschreven welke duurzaamheidsmaatregelen in het voorliggende plangebied worden toegepast. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.
3.3.3
Conclusie
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
3.4
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
19
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
Verkeer en parkeren
4.1.1
Verkeer
Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, is de verkeersaantrekkende werking bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het berekenen van de voertuiggeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee vrijstaande woningen. Op basis van de CROW-publicatie geldt voor een vrijstaande woning een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigbewegingen, op een gemiddelde weekdag, uitgaande van een ligging in 'matig stedelijk' gebied, in het 'buitengebied'. Gelet op het voorgaande leidt de beoogde ontwikkeling tot 8,6 x 2 = 17,2 motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Het plangebied wordt ontsloten via de Oosterweg. Beide kavels krijgen een eigen inrit direct op de Oosterweg. De inritten komen tussen de bestaande bomen langs de Oosterweg te liggen. Hiervoor is met een plantafstand van circa 10 m tussen het hart van de bomen voldoende ruimte aanwezig voor een inrit van 3 à 4 m breed. Aangezien het a) om een relatief beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen gaat en b) de Oosterweg als ontsluitingsweg van het oosten van Wijchen voldoende capaciteit heeft om deze toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename.
Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.1.2
Parkeren
Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen hanteert de gemeente Wijchen de maximale parkeernormen uit CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Dit is bepaald in het 'Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen', dat op 3 maart 2020 in werking is getreden. In artikel 11.3 van de regels van onderhavig bestemmingsplan is een regeling ten aanzien van parkeren opgenomen. Daarin is bepaald dat bij het bouwen en het wijzigen van het bestaande gebruik moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij de parkeernormen in CROW-publicatie 381 als uitgangspunt dienen. Voor vrijstaande woningen, in 'matig stedelijk' gebied, in het 'buitengebied', geldt een maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning. Parkeren moet geheel op eigen terrein worden opgelost. Dat betekent dat per kavel voorzien moet worden in tenminste drie parkeerplaatsen. Gelet op de ruime kavelmaat is er voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein aan te leggen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.
20
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.
4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Vanwege de wijziging van de functie 'agrarisch' naar de milieugevoeligere functie 'wonen' is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Conclusies onderzoek Voor de onderzoekslocatie is voor de algemene kwaliteit de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Algemene kwaliteit Op basis van de resultaten kan de gestelde hypothese worden aangenomen. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Zintuiglijk zijn ter plaatse van één watergang waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van de voormalige watergang (klei, 0,5 - 0,7 m -mv). Naar verwachting is voorafgaand aan de demping van de andere watergang eventueel slib uit de watergang verwijderd en is de watergang gedempt met gebiedseigen grond. Analytisch zijn er geen verontreinigingen aangetoond ter plaatse van de voormalige watergangen. De aangetoonde verhoogde gehalten op de onderzoekslocatie betreffen overschrijdingen van de streefwaarden.
Aangezien de interventiewaarden niet worden overschreden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wet bodembescherming noodzakelijk. BBK De boven- en ondergrond op de onderzoekslocatie is op basis van de indicatieve toetsing van de onderzochte NEN-parameters aan de BBK altijd toepasbaar. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Wegverkeer Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in artikel 82 t/m 85 van de Wgh in acht worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
21
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in artikel 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk.
Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Railverkeer Langs landelijke spoorwegen liggen referentiepunten, waarvoor is vastgelegd hoeveel geluid de spoorlijn mag produceren, zogenaamde geluidsproductieplafonds (GPP’s). De hoogte van de geluidsproductieplafonds is vastgelegd in het geluidsregister. De grootte van de zone van een spoorweg is afhankelijk van het geluidsproductieplafond en is vastgelegd in artikel 1.4a uit het Besluit geluidhinder (Bgh). De zone van een spoorweg ligt aan beide zijden van de spoorweg en wordt gemeten van de buitenste spoorstaaf. De wettelijke zone van een spoorweg is afhankelijk van de toegestane geluidsbelasting op het referentiepunt uit het geluidregister.
4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Vanwege de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van de Oosterweg (200 m), is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Conclusies onderzoek De hoogste geluidsbelastingen, afkomstig van de Oosterweg, bedraagt 54 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de Oosterweg, het vergroten van de afstand tussen de woningen en de weg of het toepassen van dove gevels. Gezien de beperkte schaal van dit plan (realisatie van twee woningen) is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het gemeentelijke geluidbeleid ‘Notitie Hogere Waarden’, d.d. juni 2007, ligt de nadruk op het voorkomen van geluidhinder.
Echter de verlening van hogere waarden is mogelijk wanneer de geluidsbelasting niet kosteneffectief is terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarden, danwel dat er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn. De onderzochte afschermende maatregelen zijn onvoldoende doelmatig en zullen gelet op de ligging bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard ondervinden. Bij een hogere geluidsbelasting is het nadelig voor het woon- en leefklimaat van de woning. Door de volgende compenseerde maatregelen wordt deze hogere geluidsbelasting bij de woningen gecompenseerd door de volgende akoestische compensatie.
22
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
De zuidgevel is een geluidsluwe gevel (zie figuur 3) Aan de stille zuidzijde van de woning ligt een deel van de tuin. Hierdoor is er sprake van een stille buitenruimte. Een deel van de leefruimte ligt aan de geluidsluwe gevel, hierdoor is ventileren door middel van ramen in de geluidsluwe gevel mogelijk. Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid kan de gemeente Wijchen een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting van 54 respectievelijk 53 dB voor woningen wp1 en wp2 afkomstig van de Oosterweg. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure. Het besluit hogere waarden is toegevoegd achter het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai zoals opgenomen in bijlage 2 bij de toelichting. Het aspect 'geluid' vormt na het verlenen van hogere waarden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNGhandreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Tabel: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven aanwezig, die een belemmering vormen voor de twee beoogde vrijstaande woningen. De milieucontouren van de meest nabij gelegen niet-agrarische bedrijven in de omgeving, Oosterweg 279 en Oosterweg 302 overlappen niet met het plangebied. Los hiervan zijn andere woningen maatgevend voor deze bedrijven. Beide bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering geschaad en omgekeerd ondervinden de beoogde woningen geen overlast van deze bedrijven.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
23
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Wel is er direct ten noorden van het plangebied, aan de Oosterweg 265 en 273, een recreatieve bestemming opgenomen. De VNG-publicatie geeft voor kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) (SBI-code 552) een richtafstand van 50 m in een rustig buitengebied ten opzichte van woningen, vanwege het maatgevende milieuaspect geluid. Vanwege de bedrijvigheid aan de Oosterweg en het feit dat de Oosterweg een drukke invalsroute is, kan het plangebied aangemerkt worden als een gemengd gebied. Dat betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap teruggebracht kunnen worden. Voor wat betreft dit kampeerterrein met ondersteunende horeca en terras geldt in een gemengd gebied een richtafstand voor geur van 10 m en voor geluid van 30 m. De geluidsaspecten houden hierbij verband met de ondersteunende horeca, waarbij vooral het buitenterras relevant is voor de geluidsaspecten. De inpandige ondersteunende horecavoorziening kan op grond van het bepaalde in het bestemmingsplan 'Oosterweg 265 en 273' uitsluitend plaatsvinden binnen het verzamelgebouw dat qua positie vastligt en is gelegen op circa 100 m van het plangebied, achter de bestaande woningen aan de Oosterweg. Ook is in het bestemmingsplan 'Oosterweg 265 en 273' geborgd, dat een buitenterras uitsluitend kan worden gesitueerd ter plaatse van de op verbeelding opgenomen aanduiding ‘terras’.
De aanduiding ‘terras’ ligt hierbij op een afstand van circa 125 m tot beide nieuwe gevoelige bestemmingen. Er wordt ruimschoots aan de benodigde richtafstanden wordt voldaan. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure moet worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij moet het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007 - inmiddels opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) - gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten moeten worden beoordeeld op basis van de voormalige Wet luchtkwaliteit c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
24
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal twee woningen mogelijk en valt dus binnen de NIBM-regeling. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool en de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten (GCN en GDN) zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 langs de Oosterweg bepaald. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 respectievelijk circa 14,0 µg/m3, 16,5 µg/m3 en 9,5 µg/m3 bedragen in 2020. Daarmee worden de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
maximaal 3 ouE/m³
maximaal 2 ouE/m³
andere diercategorieën
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
maximaal 14 ouE/m³
maximaal 8 ouE/m³
andere diercategorieën
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Wijchen heeft geen gemeentelijke geurverordening vastgesteld. De normen voor de geurbelasting op basis van de Wet geurhinder en veehouderij zijn daarom van toepassing. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
25
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied reeds andere gevoelige woonbestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
26
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Voor het bepalen van de risico's op het gebied van externe veiligheid is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Hieruit komt het volgende naar voren:
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De meest nabijgelegen inrichting is gelegen op een afstand van circa 600 m tot het plangebied en betreft een bovengrondse propaantank van 5.000 l bij MHC Wijchen. De plaatsgebonden risicocontour van een dergelijke installatie bedraagt 0 m. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over waterwegen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over wegen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over het spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een buisleiding waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen" (definitief)
27
bestemmingsplan Oosterweg tussen 220 - 290 Wijchen
4.8
Waterhuishouding
Wettelijk kader Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, moet een watertoets worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (artikel 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (artikel 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt.