1.2.3 Bijlagen bij toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna i.h.k.v. woningbouw aan de Ravensteinseweg en de Woeziksestraat in Wijchen
Oktober 2019 P19-148/W1700 Auteur: L. Prins Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl
Quickscan flora en fauna i.h.k.v. woningbouw aan de Ravensteinseweg en de Woeziksestraat in Wijchen
Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht
Quickscan flora en fauna i.h.k.v. woningbouw aan de Ravensteinseweg en de Woeziksestraat in Wijchen
Opdrachtgever:
Jansen Bouwontwikkeling
Uitvoering:
Natuur-Wetenschappelijk Centrum
Veldwerk:
Jeroen Dekker, Annemijn de Groot en Danny van den Heuvel
Samenstelling:
Luca Prins
Foto’s:
NWC
Quickscan flora en fauna i.h.k.v. woningbouw aan de Ravensteinseweg en de Woeziksestraat in Wijchen [Samenst.: Prins, L.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC. Trefw.: Wet natuurbescherming, woningbouw, Ravensteinseweg, Woeziksestraat, Wijchen. W1700/P19-148
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever
Dordrecht, oktober 2019
Inhoudsopgave
Samenvatting 1. Inleiding
7
2. Gebiedsbeschrijving
9
3. Wettelijk kader
11
4. Methode
17
5. Resultaten
19
6. Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
21
Referenties
23
Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Samenvatting Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Woeziksestraat Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen
Vleermuizen
Mogelijke verstoring of vernietiging
Aanvullend onderzoek
verblijfplaatsen Grondgebonden
Mogelijke verstoring of vernietiging
Zoogdieren
verblijfplaatsen
Aanvullend onderzoek
Vogels vaste Verblijfplaats
Geen.
Zorgplicht.
Amfibieën
Mogelijke verstoring of vernietiging foerageergebied
Aanvullend onderzoek
Vaatplanten
Geen.
Zorgplicht.
Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen
Vleermuizen
Mogelijke verstoring of vernietiging foerageergebied
Aanvullend onderzoek
Grondgebonden Zoogdieren
Mogelijke verstoring of vernietiging verblijfplaatsen
Aanvullend onderzoek
Vogels vaste Verblijfplaats
Geen.
Zorgplicht.
Amfibieën
Mogelijke verstoring of vernietiging
Aanvullend onderzoek
Ravensteinseweg
foerageergebied Vaatplanten
Geen.
Zorgplicht.
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
8
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
1.
Inleiding Er zijn plannen om aan de Ravensteinseweg en de Woeziksestraat in Wijchen nieuwe woningen te realiseren. Ten behoeve van deze ontwikkelingen zullen alle bomen binnen het plangebied gerooid worden en de bebouwing worden gesloopt. Deze plannen kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming dient daarom eerst een quickscan (en mogelijk aanvullend onderzoek) naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden plaats te vinden en moet een beoordeling van de effecten op deze natuurwaarden gemaakt worden, inclusief maatregelen om eventuele schade en verstoring te verzachten en er zorg voor te dragen dat de functionaliteit van de gebieden voor aanwezige beschermde soorten gewaarborgd blijft. Jansen Bouwontwikkeling heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een offerte uit te brengen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna op deze locaties en voor advisering omtrent de relevante natuurwetgeving.
9
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
10
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
2.
Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen Gebiedsbeschrijving Woeziksestraat Het plangebied aan de Woeziksestraat 649 bevindt zich in het noordoosten van Wijchen (provincie Gelderland). Op deze locatie bevindt zich een woonhuis en een erf dat vervangen zal worden door een nieuwe woningen. Het plangebied wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Woeziksestraat, aan de noordwestzijde door een ander woonhuis en aan de noordoost- en zuidoostzijde door de Bijsterhuizen (figuur 1).
Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) in de omgeving.
Figuur 2. Uitvergroting van het plangebied aan de Woeziksestraat (rood omlijnd).
11
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Gebiedsbeschrijving Ravensteinseweg Het plangebied aan de Ravensteinseweg bevindt zich in het westen van Wijchen (provincie Gelderland). Op deze locatie is geen bebouwing aanwezig. Het plangebied wordt aan de zuidoostzijde begrensd door een watergang, aan de zuidwest- en noordwestzijde door een weiland en aan de noordoostzijde door woningen (figuur 3).
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) in de omgeving.
Figuur 4. Uitvergroting van het plangebied aan de Ravensteinseweg (rood omlijnd).
12
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Beschermde gebieden Het plangebied aan de Woeziksestraat 649 in Wijchen bevindt zich op 6 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Het plangebied aan de Ravensteinseweg in Wijchen bevindt zich op 8,3 kilometer afstand van hetzelfde Natura 2000-gebied. Vanwege de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitats in het Natura 2000-gebied wordt er geadviseerd een verstorings- en verslechteringstoets uit te voeren voor beide plangebieden De plangebieden grenzen niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.
Figuur 5: Ligging van de plangebieden (rood omcirkeld) ten opzichte van het Natura 2000-gebied.
13
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
14
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
3.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wnb en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; •
De aanwezigheid van beschermde soorten;
•
De functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten;
•
Het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten;
•
De effecten van plannen op deze soorten;
• De keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang.
In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel
15
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
(Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: • Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; • Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; • Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1.
Soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; • Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; • Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven.
16
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden.
17
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden.
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: • Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; • Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is.
Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig;
18
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
• Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische belangen. Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. De bescherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.
19
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
20
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
4.
Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het literatuuronderzoek is gebruikgemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door instanties zoals o.a. Stichting RAVON, de Vlinderstichting en de databank van het NWC. Mede op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van de plangebieden onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is specifiek rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van amfibieën, vleermuizen, beschermde grondgebonden zoogdieren, vogels met een vaste verblijfplaats en vaatplanten. De beide plangebieden vormen geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders omdat de bodem te voedselrijk is om als biotoop voor de waardplanten van deze vlindersoorten te kunnen dienen. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk in natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Het veldbezoek is op 4 oktober 2019 uitgevoerd door medewerkers van het NWC. De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg ongeveer 11 °C, het was zeer bewolkt met lichte regenval en een windkracht van 2 Bft.
Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen De plangebieden zijn beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen (bijlage 2). Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bomen en bebouwing als verblijfplaats voor vleermuizen. Hierbij moet gedacht worden aan de aanwezigheid van spouwen in muren, de ouderdom van de bomen, de aanwezigheid van holtes en spleten en de kenmerken van deze holtes en spleten. Ook is beoordeeld of er in en in de directe omgeving van de plangebieden potentieel belangrijke vliegroutes en foerageergebied voor vleermuizen aanwezig zijn zoals bomenrijen, half open gebieden en andere groene, lijnvormige landschapselementen. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze soorten zijn de Buizerd (Buteo buteo), de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Tijdens de quickscan zijn de plangebieden onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). Er is gelet op de aanwezigheid van nesten en op andere sporen
21
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
zoals onder andere braakballen, veren en uitwerpselen. Alle waarnemingen met betrekking tot het voorkomen van soorten en het vertonen van territorium indicerend gedrag, tevens als waarnemingen op het gebied van roep en/of zang zijn zorgvuldig genoteerd. Tevens is bekeken of het plangebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is beoordeeld in hoeverre de plangebieden een geschikt leefgebied vormt voor beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen, holen en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten. Amfibieën In de omgeving van de plangebieden komen de strikt beschermde Rugstreeppad (Epidalea calamita), de Kamsalamander (Triturus cristatua) en de Poelkikker (Pelophylax lessonae) voor. Dit blijkt uit verspreidingsgegevens van de Stichting RAVON. Om deze reden is tijdens het veldbezoek beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor deze soort. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van zandige, open plekken, aanwezigheid van oevervegetatie en de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater.
22
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
5.
Resultaten Woeziksestraat Vleermuizen De bebouwing, die gesloopt zal worden ten behoeve van de voorgenomen plannen, vormt een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Dit onder andere vanwege openingen in de bebouwing, waardoor vleermuizen geschikte verblijfplaatsen kunnen bereiken (foto 1 en 2). Zo bevinden er onder de dakrand kieren en in de muur van bebouwing open stootvoegen waardoor vleermuizen in de binnengelegen open ruimte kunnen komen. De bomen die binnen het plangebied aanwezig zijn, vormen geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen, vanwege het ontbreken van geschikte holtes. Het plangebied kan door de aanwezigheid van besloten open ruimten en bomenrijen ook door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied.
Foto 1. Ruimte onder gevelbetimmering.
Foto 2. Open stootvoegen.
Vogels met een vaste verblijfplaats Nesten van vogels met een vaste verblijfplaats en hun functionele leefomgeving zijn jaarrond beschermd. Ook nesten van kraaiachtigen zijn jaarrond beschermd als ze in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfplaats zoals Buizerd (Buteo buteo) of Sperwer (Accipiter nisus). Binnen het plangebied zijn echter geen bomen aanwezig met nesten van kraaiachtigen of van een vogelsoorten met een vaste verblijfplaats. Er zijn ook geen openingen in de bebouwing gevonden die deze geschikt maakt voor uilen, huismussen of gierzwaluwen. In het plangebied is wel een Huismus waargenomen, dit duidt er op dat het plangebied onderdeel is van het foerageergebied en/of functionele leefomgeving van deze soort. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn uitwerpselen van een Haas gevonden. Dit maakt duidelijk dat het plangebied onderdeel is van de functionele leefomgeving van deze diersoort. De Haas is niet strikt beschermd maar voor deze soort geldt wel de zorgplicht. Het plangebied is daarnaast geschikt voor strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Er bevinden zich
23
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
meerdere openingen in de gebouwen waardoor marterachtigen naar binnen zouden kunnen gaan en op het terrein zijn er plekken waar deze dieren zich zouden kunnen verschuilen (foto 3 en 4). Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van marterachtigen aangetroffen rondom de bebouwing. Echter bestond niet de mogelijkheid om binnen de bebouwing te zoeken naar sporen, hierdoor kan de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied niet worden uitgesloten.
Foto 3. Opening in bebouwing.
Foto 4. Verblijfmogelijheden plangebied.
Amfibieën Het aanwezige zand op het terrein vormt een geschikte plaats voor de Rugstreeppad (Epidalea calamita) om te overwinteren. Het plangebied ligt dichtbij het ‘Berendonck’. Er zijn op deze locatie exemplaren van de Rugstreeppad waargenomen. De rugstreeppad is een goede kolonisator en kan snel geschikte locaties bezetten en is daardoor in staat zich snel te verbreiden. Rugstreeppadden, en dan vooral de juvenielen, kunnen afstanden tot wel circa 5 kilometer afleggen opzoek naar geschikt leefgebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van de Rugstreeppad in het plangebied niet met zekerheid worden uitgesloten.
24
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Ravensteinseweg Vleermuizen Het plangebied omvat een gedeelte van een weiland. Er bevinden zich geen bebouwing en bomen in het plangebied waardoor de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van vleermuizen kan worden uitgesloten. Het plangebied vormt wel geschikt foerageergebied voor vleermuizen dankzij de besloten open ruimte, de bomenrijen net buiten het plangebied en de watergangen aan twee zijden van het plangebied. Vogels met een vaste verblijfplaats Nesten en de functionele leefomgeving van vogels met een vaste verblijfplaats zijn jaarrond beschermd. Ook nesten van kraaiachtigen zijn jaarrond beschermd als ze in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfplaats zoals Buizerd (Buteo buteo) of Sperwer (Accipiter nisus). Binnen het plangebied zijn echter geen bomen aanwezig en daarom kan de aanwezigheid van vogels met een vaste verblijfplaats uitgesloten worden. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt voor de Das (meles meles). De Das heeft een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreid staande bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van deze soort aangetroffen maar het plangebied is wel geschikt als foerageergebied voor de Das.
De aanwezigheid deze strikt beschermde soort in het plangebied kan niet worden uitgesloten. Amfibieën Het plangebied is geschikt voor strikt beschermde amfibieën omdat er binnen het terrein geschikt leefgebied aanwezig is en het plangebied omgeven word door watergangen. Het plangebied vormt een geschikte leefomgeving voor strikt beschermde soorten zoals de Rugstreeppad (Epidalea calamita), de Kamsalamander (Triturus cristatus) en de Alpensalamander (Ichthyosaura alpestris). Deze drie soorten zijn nabij het plangebied waargenomen. De aanwezigheid van strikt beschermde amfibieën kan om deze reden niet met zekerheid worden uitgesloten.
25
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
26
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
6.
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Woeziksestraat Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan niet uitgesloten worden. Om deze reden dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek zal bestaan uit tenminste zes vleermuisinventarisaties die in de periode half mei tot en met eind september uitgevoerd worden. Vleermuizen gebruiken het landschap gedurende het jaar namelijk op verschillende manieren (i.e. kraamplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf, (massa) winterverblijfplaats). Het vleermuisprotocol stelt daarom dat tenminste zes inventarisatiemomenten nodig zijn om de functies, die het plangebied mogelijk voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Vogels met een vaste verblijfplaats Het plangebied vormt geen geschikte verblijfplaats voor vogels met een vaste verblijfplaats. Het plangebied is wel onderdeel van de functionele leefomgeving van de Huismus. Echter zijn er in de omgeving van het plangebied voldoende mogelijkheden, in de vorm van akkerlandschap en tuinen, voor de huismus om te foerageren.
De functionele leefomgeving van de Huismus zal door uitvoering van de planning niet zodanig verkleind worden dat dit negatieve gevolgen zal hebben op de instandhouding van de soort. Hierdoor bestaan er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen voor deze soorten. Wel dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als functionele leefomgeving voor strikt beschermde marterachtigen. Om de functie van het plangebied voor deze soorten vast te kunnen stellen, dienen er wildcamera’s geplaatst te worden. Deze camera’s dienen in de periode maart tot en met augustus zes weken in het veld te staan. Hierbij worden de camera’s tijdens het eerste bezoek in het veld geplaatst en daarna om de week gecontroleerd (dit komt neer op drie controlebezoeken). Er zijn in totaal dus vier bezoeken nodig om het onderzoek uit te voeren. Amfibieën Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor de Rugstreeppad. Hierdoor kan de aanwezigheid van de Rugstreeppad niet met zekerheid worden uitgesloten. Hierdoor dient er nader onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van de Rugstreeppad en de functies van het gebied voor deze soort. De Rugstreeppad gaat vanaf oktober in winterslaap en verstopt zich daarbij onder de grond. Er zijn verschillende methoden om de aanwezigheid van de Rugstreeppad aan te tonen (tabel 1).
27
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Tabel 1. Inventarisatie Rugstreeppad
Soort
Methode
Aantal inventarisaties
Periode
Tijdstip
Rugstreeppad
Methode: Zichtwaarneming
5 bezoeken
Juni- half oktober
Avonden
3 bezoeken
2 in half april- Windstille mei avond na
exemplaren Methode: Kooractiviteit
1 in juni-juli
zware regenval
Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
28
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Ravensteinseweg Vleermuizen De mogelijke aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan worden uitgesloten. Echter kan het plangebied wel onderdeel zijn van (essentieel) foerageergebied. Om deze reden dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Het vleermuisprotocol van maart 2017 stelt dat twee inventarisatiemomenten nodig zijn om de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen te inventariseren. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Vogels met een vaste verblijfplaats De aanwezigheid van vogels met een vaste verblijfplaats binnen plangebied kan met zekerheid worden uitgesloten. Hierdoor bestaan er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen voor deze soortgroep naast de zorgplicht. Grondgebonden zoogdieren Het terrein in het plangebied is geschikt als functionele leefomgeving voor de Das. Om de functie van het plangebied voor deze soorten vast te kunnen stellen, dienen er wildcamera’s geplaatst te worden. Deze camera’s dienen zes weken in de periode maart tot en met augustus in het veld te staan. Hierbij worden de camera’s tijdens het eerste bezoek in het veld geplaatst en daarna om de week gecontroleerd (dit komt neer op drie controlebezoeken).
Er zijn in totaal dus vier bezoeken nodig om het onderzoek uit te voeren. Amfibieën De aanwezigheid van de Rugstreeppad (Epidalea calamita), de Kamsalamander (Triturus cristatus) en de Alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris) kan niet met zekerheid worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is daarom nodig. In de winter leeft de Rugstreeppad verborgen in de grond en ook dan is het met voldoende zekerheid aantonen van afwezigheid redelijkerwijs onmogelijk. Het inventarisatieonderzoek naar salamanders kan ook niet in alle maanden van het jaar even effectief plaatsvinden. Tabel 2 geeft een overzicht van wanneer inventarisaties naar de soorten kunnen plaatsvinden.
29
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Tabel 2. Inventarisatie amfibieën
Soort
Methode
Aantal inventarisaties
Periode
Tijdstip
Rugstreeppad
Methode: Zichtwaarneming
5 bezoeken
Juni- half oktober
Avonden
3 bezoeken
2 in half april- Windstille mei avond na
exemplaren Methode: Kooractiviteit Kamsalamander
Methode: voortplan- 2 bezoeken
1 in juni-juli
zware regenval
Februari-maart
Zonsonder-
tingswater
gang. Eerste zwoele avond met weinig wind met temperatuur boven 5 graden na een koude periode
Methode:
2
bezoeken Mei-juni
Overdag
Aantonen exempla- met 20 dagen ren in water met tussen de beschepnet
Alpenwatersalamander
zoeken
Methode: 2 bezoeken Maart-augustus Overdag Aantonen exempla- met 2 weken ren in water met tussen de beschepnet zoeken
Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
30
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Referenties De Vlinderstichting (2019, oktober). Geraadpleegd van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna (2019, oktober). Geraadpleegd van https://www.telmee.nl/ PDOK, Publieke Dienstverlening Op de Kaart (2019, oktober). Geraadpleegd van https://www.pdok.nl/ RAVON, Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (2019, oktober). Geraadpleegd van https://www.ravon.nl/ SynBioSys, Syntaxonomisch Biologisch Systeem (2019, oktober). Geraadpleegd van https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/default.aspx?main=natura2000 Zoogdiervereniging (2019, oktober). Geraadpleegd van https://www.zoogdiervereniging.nl/
31
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels en onderstaande soorten uit overige soortgroepen beschermd:
Amfibieen Habitatrichtlijn Boomkikker Geelbuikvuurpad Heikikker
Dwergvinvis Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn Gewone vinvis Griend
Otter Wilde kat Wolf
Weekdieren Overige soorten Bataafse stoommossel Platte schijfhoren
Kamsalamander Knoflookpad Poelkikker Rugstreeppad Vroedmeesterpad
Grijze dolfijn Kleine zwaardwalvis Narwal Noordse vinvis
Overige soorten Alpenwatersalamander
Vleermuizen Habitatrichtlijn
Aardmuis Boommarter Bosmuis Bunzing Damhert Das Dwergmuis Dwergspitsmuis
Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker Vinpootsalamander Vuursalamander
Baardvleermuis Brechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Grote hoefijzerneus
Edelhert Eekhoorn Egel Eikelmuis Gewone Bosspitsmuis Gewone zeehond Grote bosmuis Haas Hermelijn
Schubvaren
Vissen Habitatrichtlijn Houting Steur
Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Veldspitsmuis
Zomerschroeforchis
Overige soorten Beekdonderpad Beekprik Elrits
Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis Kleine dwergvleermuis Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis
Overige soorten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis
Gestippelde alver
Ruige dwergvleermuis
Wezel
Blauw guichelheil
Grote modderkruiper
Tweekleurige vleermuis
Waterspitsmuis
Bokkenorchis
Kwabaal
Vale vleermuis
Wezel Wild zwijn Woelrat
Zeezoogdieren Habitatrichtlijn Bruinvis Bultrug Butskop
Landzoogdieren Habitatrichtlijn Bever Hamster Hazelmuis
Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps
Dwergpotvis Gestreepte dolfijn
Lynx Noordse woelmuis
Overige soorten
Kreeftachtige Overige soorten Europese rivierkreeft
Sporenplanten/mossen Habitatrichtlijn Kleine vlotvaren Overige soorten Blaasvaren Groensteel
Zaadplanten Habitatrichtlijn Drijvende waterweegbree Groenknolorchis Kruipend moerasscherm Liggende raket
Echte gamander Franjegentiaan
XXXII
Geelgroene Wespenorchis Geplooide vrouwenmantel Getande veldsla Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groene nachtorchis
Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde riddderspoor Wilde weit Wolfskers Zandwolfsmelk
Haften Habitatrichtlijn Oeveraas
Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs
Zinkviooltje Zweedse kornoelje
Bronslibel Gaffellibel Gevlekte witsnuitlibel Groene glazenmaker Mercuurwaterjuffer Noordse winterjuffer Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel
Kleine schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruiptijm
Tijmblauwtje Zilverstreephooibeestje
Lange zonnedauw Liggende ereprijs Moerasgamander Muurbloem Naakte lathyrus Naaldenkervel Pijlscheefkelk Roggelelie Rood peperboompje
Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote parelmoervlinder Grote bos Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder
Kempense heidelibel Speerwaterjuffer
Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubzegge Smalle raai Spits havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad
Sleedoornpage Spiegeldikkopje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren maan
Vermijoenkever
Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies
Nachtvlinders Habitatrichtlijn Teunisbloempijlstaart
Gladde slang Kemp’s zeeschildpad Lederschildpad Muurhagedis
Dagvlinders Habitatrichtlijn Apollovlinder Boszandoog Donker pimpernelblauwtje
Overige soorten Aardbeivlinder Bosparelmoervlinder Bruin dikkopje Bruine eikenpage
Libellen Habitatrichtlijn
Overige soorten Beekrombout Bosbeekjuffer Donkere waterjuffer Gevlekte glanslibel Gewone bronslibel Hoogveenglanslibel
Kevers Habitatrichtlijn Brede geelrandwaterroofkever Gestreepte waterroofkever Juchtleerkever
Overige soorten Vliegend hert
Reptielen Habitatrichtlijn Dikkopschildpad
Soepschildpad Zandhagedis Overige soorten Adder Hazelworm Levendbarende hagedis Ringslang
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen
Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.
Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: •
indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;
•
indien vleermuizen aangetroffen zijn.
Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •
er sprake is van een kraamkolonie;
•
er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;
•
er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;
•
de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.
De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of
XXXIV
anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan. Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: •
niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);
•
vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.
Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebieden en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van het leefgebied in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rust- en verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: •
Is er een wettelijk belang?
•
Is er een andere bevredigende oplossing?
•
Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar?
“Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter niet als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven. Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor alle vogelsoorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb).
Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil).
XXXVI
2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil). Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk
Falco subbuteo
Buizerd Gierzwaluw
Buteo buteo Apus apus
Grote gele kwikstaart Havik
Motacilla cinerea Accipiter gentilis
Huismus
Passer domesticus
Kerkuil Oehoe
Tyto alba Bubo bubo
Ooievaar Ransuil
Ciconia ciconia Asio otus
Roek Slechtvalk
Corvus frugilegus Falco peregrinus
Sperwer
Accipiter nisus
Steenuil Wespendief
Athene noctua Pernis apivorus
Zwarte wouw
Milvus migrans
Quickscan flora en fauna i.h.k.v woningbouw te Wijchen
Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger Boerenzwaluw
Ardea cinerea Hirundo rustica
Bonte vliegenvanger
Ficedula hypoleuca
Boomklever Boomkruiper
Sitta europaea Certhia brachydactyla
Bosuil Brilduiker
Strix aluco Bucephala clangula
Draaihals Eider
Jynx torquilla Somateria mollissima
Ekster
Pica pica
Gekraagde roodstaart Glanskop
Phoenicurus phoenicurus Parus palustris
Grauwe vliegenvanger Groene specht
Muscicapa striata Picus viridis
Grote bonte specht Hop
Dendrocopos major Upupa epops
Huiszwaluw
Delichon urbica
IJsvogel Kleine bonte specht
Alcedo atthis Dendrocopos minor
Kleine vliegenvanger Koolmees
Ficedula parva Parus major
Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw
Certhia familiaris macrodactyla Riparia riparia
Pimpelmees
Parus caeruleus
Raaf Ruigpootuil
Corvus corax Aegolius funereus
Spreeuw Tapuit
Sturnus vulgaris Oenanthe oenanthe
Torenvalk Zeearend
Falco tinnunculus Haliaeëtus albicilla
Zwarte kraai
Corvus corone
Zwarte mees Zwarte roodstaart
Parus ater Phoenicurus ochruros
Zwarte specht
Dryocopus martius
XXXVIII