CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

22 01 Zonnepark Konneweg Ruimtelijke Onderbouwing

Gemeenteraad 26 januari 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Initiatief Zonnepark aan de Konneweg Tinte.27.856 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Pagina | 21

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 Op 24 januari 2017 heeft de gemeente Westvoorne de nu geldende Omgevingsvisie Westvoorne 2030 vastgesteld. In deze visie worden de verschillende belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. De gemeente benoemt de eigen identiteiten en zet in op het behouden en verbeteren van deze identiteiten aan de hand van toekomstige ontwikkelingen: behoud door ontwikkeling. De Omgevingsvisie bevat een visiekaart. Op die kaart is af te lezen van welk gebied een locatie onderdeel uit maakt alsook de eventuele gewenste ontwikkelingsrichting. Figuur 3.2 toont een uitsnede van de visiekaart, met de projectlocatie globaal omcirkeld in het rood. Te zien is dat de locatie onderdeel uitmaakt van de oude zeekleipolders en gelegen is binnen glastuinbouwgebied. figuur 3.2 Visiekaart Omgevingsvisie Westvoorne

Milieu, gezondheid en duurzaamheid Het milieu-, gezondheids- en duurzaamheidsbeleid is gericht op een duurzame, gezonde en toekomstbestendige gemeente waar het goed wonen, werken en recreëren is. Het toekomstbeeld is:  een samenleving waar de milieubelasting door bodemvervuiling, geluid- en luchtverontreiniging en externe veiligheidsrisico’s laag is;  een samenleving die alleen gebruik maakt van hernieuwbare energie, waar kringlopen gesloten zijn en waar afval niet bestaat, omdat alle producten weer worden hergebruikt volgens de principes van een circulaire economie;  een duurzaam ingerichte leefomgeving, waarbij in het ontwerp van woningen, straten en wijken rekening wordt gehouden met de gevolgen van een veranderend klimaat. Het gaat bij deze klimaatadaptatie bijvoorbeeld om gebruik van duurzame energie, bouw van woningen met een gezond leefklimaat en een lage milieubelasting maar ook om buitenruimtes die extreme weersomstandigheden kunnen opvangen (hitte, droogte, overmatige neerslag) en die geschikt zijn als leefruimte voor planten en dieren die in de gemeente voorkomen. Schone energie en energiebesparing Om te komen tot schone energie en energiebesparing (met een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050) heeft de gemeente Westvoorne zich een aantal doelstellingen gesteld, waaronder:

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 22

Het faciliteren van het optimaal benutten van bebouwde ruimtes voor de opwekking van zonne-energie. Aanvullend stimuleert de gemeente particulier initiatief om op onbebouwde restruimtes in bijvoorbeeld het glastuinbouwgebied Tinte zonnepanelen aan te brengen.

Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepanelenpark in een gebied dat in de Omgevingsvisie is aangewezen als gebied waar de gemeente opwekking van zonne-energie faciliteert. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Westvoorne 2030. 3.3.2 Gebiedsvisie Glasintensiveringsgebied Tinte De gemeente Westvoorne beschikt over de Gebiedsvisie Glasintensiveringsgebied Tinte (gebiedsvisie). Het vigerende bestemmingsplan “Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte” omschrijft de ontwikkelingen in het gebied op basis van een voorkeursvariant uit de gebiedsvisie. De gebiedsvisie maakt duidelijk dat de gemeente van oudsher een tuinbouwgebied is. Al in het begin van de 19e eeuw vormde de tuinbouw een wezenlijk onderdeel van het dagelijks leven in de dorpen Oostvoorne en Rockanje. De schaalvergroting in de glastuinbouw vanaf de jaren '80 van de 20e eeuw had een sterke toename van het glas tot gevolg binnen de huidige gemeentegrenzen. De toename van het glas bracht negatieve gevolgen voor de beleving van het landschap met zich mee, vooral voor de kwetsbare binnenduinrand, vanouds een belangrijk gebied voor de tuinbouw. Uit de zorg om het landschap en de wens om perspectief te bieden voor de tuinders, is het concentratiebeleid voor de glastuinbouw geboren.

Het gebied tussen de Rietdijk en de Schrijversdijk, kortweg 'Tinte' genoemd, werd aangewezen als intensiveringsgebied. figuur 3.3 Uitsnede voorkeursvariant Gebiedsvisie (bron: Bpln. Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte)

Binnen het bestemmingsplangebied is sprake van gebiedsontwikkelingen die gebaseerd zijn op een van de voorkeursvarianten uit de gebiedsvisie. Deze voorkeursvariant is daarmee leidend voor de ontwikkelingen binnen het gebied. Figuur 3.3 betreft een uitsnede van de voorkeursvariant zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De projectlocatie waarop het zonnepanelenpark wordt beoogd is aangeduid in het rood. De geel gearceerde gebieden bieden mogelijkheden om het te verplaatsen glas van elders uit de gemeente in het plangebied te accommoderen en dit glas zoveel mogelijk te concentreren en aan te sluiten bij bestaande glasopstanden. Ook zijn deze gebieden bedoeld om mogelijkheden te bieden aan de reeds aanwezige glastuinbouwbedrijven binnen het plangebied voor een verdere groei

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 23

boven hun bestaande uitbreidingsrechten, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Binnen de aangegeven gebieden is ruimte voor de uitbreiding (bovenop de bestaande uitbreidingsrechten) van het bestaande netto glasareaal met maximaal 55 ha (ten opzichte van de ijkdatum: 1 januari 2007). De beschikbare ruimte heeft een grotere opnamecapaciteit dan de 55 ha. Hierdoor is er ruimte voor een flexibele uitvoeringsstrategie. Ook is flexibiliteit ingebouwd om verschillende deelopgaven voor nieuw glas in de tijd te realiseren. Relatie tot de ontwikkeling en onderzoek Vanuit het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland en ook op basis van de gebiedsvisie is het belangrijk dat ontwikkelingen in het aangewezen gebied de uitbreiding dan wel intensivering van de glastuinbouw niet in de weg staat. Op figuur 3.3 is te zien dat de locatie niet bestaat uit bestaand glas en ook niet is aangewezen als gebied ten behoeve van de uitbreiding of verdichting van glas. De ontwikkeling van een zonnepanelenpark staat daarom de intensivering van glastuinbouw op de locatie niet in de weg. Daar komt nog bij dat de geel gearceerde gebieden een groter gebied dan 55 ha betreft om flexibiliteit te behouden. Er blijft daarom voldoende ruimte over, voor zover deze ruimte nog niet is benut, voor de doelstellingen die de gemeente nastreeft door middel van de gebiedsvisie.

De ontwikkeling van een zonnepanelenpark leidt derhalve niet tot verdringing van glastuinbouwactiviteiten aldaar. Belangrijke aanvulling daarop is dat het gebied op de kaart is aangewezen als locatie waarop gemeenschappelijke duurzame voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. De gebiedsvisie omschrijft hier mogelijkheden zoals waterberging of algenproductie, maar omschrijft ook nadrukkelijk dat de visie dit slechts als mogelijkheden benoemt en de keuze hiervoor nog open laat. De locatie is daarmee geschikt voor de ontwikkeling van een duurzame voorziening zoals het beoogde zonnepanelenpark. Haalbaarheidsanalyse WLTM Coöperatie Om er zeker van te zijn dat de ontwikkeling van een zonnepanelenpark op deze locatie geen belemmering vormt voor de uitvoering van de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van glastuinbouw, is een haalbaarheidsstudie uitgevoerd. Hierin is onderzocht in hoeverre de situering van glastuinbouw op deze locatie haalbaar is. De haalbaarheidsanalyse is uitgevoerd door WLTM Cooperatie U.A.. De rapportage van 21 december 2018 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Uit de analyse blijkt dat de locatie niet bijzonder geschikt of interessant is voor de ontwikkeling van glastuinbouw.

Enerzijds omdat bouwlocaties gelegen onder hoogspanningsverbindingen doorgaans moeilijker te benutten en te verkopen zijn ten opzichte van locaties die zich niet onder een hoogspanningsverbinding bevinden. Daarnaast maakt de aanwezigheid van een buisleidingstrook en aan verandering onderhevige wet- en regelgeving ter zake de locatie eveneens minder geschikt voor de nieuwvestiging van glastuinbouw. Een andere reden waardoor de locatie minder aantrekkelijk is voor nieuwvestiging is dat benutting van het perceel voor een compleet nieuw glastuinbouwbedrijf om aanzienlijk hogere investeringen zal vragen dan waar bestaande tuinbouwlocaties mee worden geconfronteerd. Ook in de toekomst worden de kansen voor vestiging van glastuinbouw klein geacht. Met name gunstigere prijsomstandigheden zouden tot een milder oordeel kunnen leiden, echter dient ook rekening te worden gehouden met de schaalvergroting die nu al plaatsvindt in deze sector. Verwacht wordt dat de projectlocatie in de toekomst te klein wordt geacht voor de nieuwvestiging van glastuinbouw. Ontwikkeling van glastuinbouw ter plaatse wordt om voornoemde redenen dan ook niet kansrijk geacht. Analyse tuinbouw Vijverberg Advies & Begeleiding Door Vijverberg Advies & Begeleiding is in aanvulling op de eerder uitgevoerde analyse een studie gedaan naar tuinbouw in Tinte en specifiek ter plaatse van de projectlocatie.

Zij hebben onderzocht in hoeverre het opportuun is dat zich in de toekomst glastuinbouwbedrijven zouden willen vestigen.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 24

De rapportage van 30 januari 2020 is opgenomen in bijlage 7 bij voorliggende onderbouwing. De geschiktheid van de projectlocatie wordt laag geacht in verband met de ligging in Tinte, het perceel an zich, de bouwmogelijkheden ter plaatse van het perceel en de aanwezigheid van de Hoogspanningsmast, wat bezwaren kent in verband met veiligheid en (vervolg)schade. Daarover stellen zij het volgende:  Gebied: na de crises zijn er landelijk veel nieuwen kassen gebouwd, echter in Tinte niet tot nauwelijks, waaruit kan worden geconcludeerd dat het gebied een lage aantrekkingskracht heeft;  Perceel: vanwege de mast in het midden van het perceel, is deze alleen geschikt voor het bouwen van twee solitaire bedrijven van 4 ha, terwijl landelijk de werkwijze is dat meerder blokken van ca. 10 ha aaneengesloten één bedrijf vormt  Bouwhoogte: de aanwezige hoogspanning geeft een beperking in de bouwhoogte  Hoogspanningsmast schade: door afvallende ijspegels i.r.t. scherven en voedselveiligheid ontstaat veel vervolgschade  Hoogspanningsmast veiligheid: Voor kinderen tot 15 jaar is mogelijk onveilig te werken in de kas onder de hoogspanning. Op basis van het bovenstaande komen zij tot de conclusie dat het projectgebied een zeer beperkte aantrekkingskracht heeft.

In de directe omgeving zien zij beschikbare percelen die deze aantrekkingskracht wel hebben, omdat genoemde beperkingen daar niet gelden. Daarnaast is de nieuwbouw van glastuinbouw in Tinte gering, waardoor niet verwacht wordt dat de beschikbare planologische ruimte volledig benut wordt. Om dit gebied in Tinte nog enigszins aantrekkelijk te houden wordt de toevoeging van duurzame toepassingen juist wenselijk geacht. Dit zou er voor kunnen zorgen dat een beperkte groep zich alsnog wil vestigen (op geschiktere locaties) in glastuinbouwgebied Tinte. Conclusie De Gebiedsvisie Glasintensiveringsgebied Tinte vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Andersom zorgt de ontwikkeling van een zonnepanelenpark niet voor verdringing van glastuinbouw ter plaatse en blijft voldoende ruimte beschikbaar voor de beoogde intensivering van het glas. Van belang daarbij is dat de locatie niet is aangewezen als gebied voor uitbreiding / intensivering van glastuinbouw en daarentegen juist wel voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke duurzame voorzieningen. Ook uit een tweetal uitgevoerde haalbaarheidsanalyses kan worden geconcludeerd dat nieuwvestiging van glastuinbouw ter plaatse weinig kansrijk is en niet waarschijnlijk is. De beoogde ontwikkeling staat het behalen van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van glastuinbouw dan ook niet in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 25

4

Ruimtelijke aspecten

4.1

Landschappelijke inpassing

Op basis van het provinciale beleid dient een ruimtelijke onderbouwing een beeldkwaliteitsparagraaf te bevatten, waarin de relevante onderdelen / belangen zoals weergegeven in de ruimtelijke kwaliteitskaart worden besproken. Voor de landschappelijke inpassing is gebruik gemaakt van de expertise van het bureau Feddes en Olthof. Het inpassingsplan van december 2020 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende rapportage. Voor de volledige inhoud van het inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 1. Hieronder wordt ingegaan op het ontwerp. figuur 4.1 Ontwerp zonnepark (bron: Feddes | Olthof landschapsarchitecten, december 2020)

Gebiedsprofiel Voorne - Putten Op basis van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland heeft voor afzonderlijke gebieden binnen de provincie een regionale uitwerking van de relevante richtpunten plaatsgevonden. Deze uitwerkingen betreffen gebiedsprofielen voor ruimtelijke kwaliteit. De projectlocatie maakt onderdeel uit van gebiedsprofiel Voorne-Putten. De ringpolders in het westen tegen de duinen aan, behoren tot de oudste polders van Voorne-Putten. De dijken zijn belangrijke structurerende elementen in het landschap. Ze verdelen het landschap en bieden een panorama op de omgeving. Er zijn verschillende typen dijken: de dijken van de ringpolders en de dijken van de aanwaspolders.  De ringdijken (veenpolders) worden -zo mogelijk- stevig ingeplant.  De dijken benutten voor het ontwikkelen van een samenhangend recreatief netwerk door deze toegankelijk te maken. De routes liggen bij voorkeur op de kruin van de dijk.  Ontwikkelen van het netwerk aan dijken tot een ecologisch netwerk. Van oudsher zijn er op Voorne-Putten (glas)tuinbouwbedrijven vanwege het gunstige klimaat. Het glas bevond zich oorspronkelijk in het tuinbouwgebied in de binnenduinrand. De laatste jaren is de Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 26

sprong naar de zeekleipolders gemaakt naar voor hervestiging aangewezen gebieden bij Tinte en Vierpolders.  Ontwikkelingen in de glastuinbouw dragen bij aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren.  Bij de inpassing van glastuinbouw wordt aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing en de aansluiting op de omgeving. Er wordt aangesloten op bestaande landschappelijke structuren en verbindingen tussen glastuinbouwgebied en omgeving Ontwerp Invulling zonnepark Het zonnepark beslaat circa 10,5 hectare binnen het circa 13,3 hectare grote plangebied en heeft een strakke en zakelijke uitstraling dat goed past bij de vormentaal van de omliggende percelen met glastuinbouw. Binnen het zonnepark liggen rechte velden met panelen, de toegangsroute met transformatoren, de bestaande hoogspanningsmast met benodigde vrije ruimte en een vrije zone van 4 meter breed tussen de velden van panelen en het hek dat het gehele zonnepark omsluit. De opstelling van panelen is een geroteerde zuid-opstelling. Voor een goede landschappelijke inpassing houdt de contour van het zonnepark rekening met een vrije ruimte rond het bestaande erf en enige afstand tot de watergang aan de noordzijde van het plangebied (ca. 10 tot 15 meter).

Het rechthoekige plangebied leent zich goed voor een zuid-opstelling die zo wordt verdraaid dat de panelen haaks op de oriëntatie van de kavel en hoogspanningskabels staan. De rijen met panelen staan op grotere afstand van elkaar dan bij een oost-west opstelling, waarmee de kwaliteit van de bodem beter blijft en het zicht tussen de rijen door minder beperkt wordt. Uitgegaan wordt van rijen met 4 panelen boven elkaar geplaatst, met een maximale hoogte van 2 meter. Landschappelijke inpassing randen zonnepark Tussen de contour van het zonnepark en de Konneweg kan een wigvormige strook worden ingezet voor landschappelijke inpassing. De breedte van deze strook tussen de weg en het zonnepark verloopt van circa 8m aan de noordzijde tot circa 25 meter aan de zuidzijde. Voorgesteld wordt om hier langs het zonneveld een landschappelijke haag te planten met gebiedsspecifieke soorten, waardoor het zicht richting de panelen grotendeels door groen wordt bepaald. Daarnaast wordt de bestaande sloot verbreed en krijgt de sloot een natuurlijke rietoever. Hiermee wordt ook de ecologische waarde van het gebied vergroot. Figuur 4.2 Visualisatie terreininrichting met panelen vanaf de Konneweg aan de zuidwestzijde van het plangebied

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 27

Ook aan de noordzijde wordt de vrijgehouden strook langs de watergang ingericht met een natuurvriendelijke oever en een landschappelijke haag. Restruimtes binnen het zonnepark worden ingezaaid met een bloem- en kruidenrijk zadenmengsel. De gehanteerde groentoepassingen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij het zicht op de panelen vanaf de openbare weg zo goed als weggenomen wordt. De visuele impact van het park is daarmee beperkt. Figuur 4.3 Visualisatie vanaf Kerkhoekweg met natuurlijke oever langs het water en groenrand langs de noordzijde

De strook met kabels en leidingen en de rand langs de watergang in het noorden kunnen ook met dit mengsel worden ingezaaid (buiten contour zonnepark, binnen perceelsgrenzen), waardoor de ecologische en landschappelijke kwaliteit van het gebied wordt vergroot. Figuren 4.4a en 4.4b tonen (de locatie van) een dwarsdoorsnede van het profiel aan de noord-, oost en westzijde van het park. figuur 4.4a: Aanduiding locatie principeprofiel figuur 4.4b figuur 4.4b: dwarsdoorsnedes principeprofiel, inpassing randen

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 28

Advies beplanting en ecologische inpassing Om tot een concretere uitwerking van de beplanting te komen is contact gezocht met de KNNV Natuurvereniging Hollandse Delta. Hun houding ten opzichte van dit specifieke zonnepark is positief. In het door kassen gedomineerde gebied kan deze ontwikkeling, gepaard met de voorgestelde ecologische inpassing een positieve bijdrage leveren aan de ecologische kwaliteit van het gebied. Om deze reden heeft de KNNV Natuurvereniging Hollandse Delta een advies uitgebracht om het plan zo goed mogelijk te laten aansluiten op in de regio oorspronkelijk aanwezige vegetatie. Voor het volledige advies wordt verwezen naar bijgevoegd inpassingsplan. Het advies is zeer waardevol en wordt bij de verdere uitwerking van het beplantingsplan ter harte genomen. De nadere uitwerking vindt plaats in een volgende fase, waarbij zowel het advies ten aanzien van struiken en boomvormers als advies ten aanzien bloem- en kruidenrijk grasland wordt overgenomen. Als onderdeel van of aanvulling op het beplantingsplan, wordt een beheer en onderhoudsplan opgesteld waarbij wordt gestreefd naar beheer door een lokale partij.

4.2

Analyse van verkeer- en parkeeraspecten

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de verkeers- en parkeersituatie beoordeeld te worden om er voor te zorgen dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en een goede ontsluiting alsook om ongewenste verkeerssituaties zoals een te grote verkeersdruk op een weg, te voorkomen. In dit geval is sprake van de aanleg van een zonnepanelenpark. Een dergelijke ontwikkeling brengt in beginsel nagenoeg geen parkeerbehoefte met zich mee, omdat het een functie is die over het algemeen geen bezoekers of publiek aantrekt. Hierdoor is ook de verkeersaantrekkende werking laag. Uitzondering hierop vormen enkele verkeersbewegingen ten behoeve van beheer en onderhoud (en tijdens de aanleg- en ontmantelingsfase). Het gebied wordt aan de zuidzijde ontsloten op de Konneweg, waar een toegangsweg van 5 meter breed wordt aangelegd ten behoeve van de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud van het zonnepark. Deze weg is tevens noodzakelijk om het gebied bereikbaar te houden voor beheerders van de bovengrondse hoogspanningsverbinding (TenneT). Figuur 4.5 maakt de beoogde ontsluiting inzichtelijk. figuur 4.5 Aanduiding ontsluiting op de Konneweg

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 29

Conclusie Verkeer- en parkeeraspecten vormen gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Archeologie

Wettelijk kader Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2020 in werking treedt. Situatie plangebied Ter plaatse van het projectgebied speelt archeologie een rol. Uit de bestemmingsplantoets in paragraaf 2.3 is gebleken dat het gehele gebied is bestemd met de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie e’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Figuur 4.6 maakt de waarden inzichtelijk. figuur 4.6 Aanduiding archeologische waarden

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 30

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 2’ geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is wanneer werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte van meer dan 200 m2 die dieper reiken dan 0,4 meter beneden maaiveld. Voor het overige gebied geldt dat een onderzoek dient te worden uitgevoerd bij werkzaamheden over een oppervlakte van meer dan 200 m2 die dieper reiken dan 0,8 meter beneden maaiveld. In verband met de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek, is door Archeologie Rotterdam (BOOR) in opdracht van de gemeente Westvoorne een bureauonderzoek en een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Uit het bureauonderzoek blijkt dat tot 5 meter beneden maaiveld archeologische waarden te verwachten zijn uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. Het PvE voorziet in een onderzoeksvoorstel voor het benodigde onderzoek, dat in eerste instantie bestaat uit een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek. Daaruit dient te blijken of de gronden voldoende zijn onderzocht of dat nader onderzoek nodig is in de vorm van een waarderend inventariserend veldonderzoek. Het PvE van 11 maart 2019 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Dit onderzoek wordt in gang gezet nadat de aanvraag omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’, waar voorliggend document onderdeel van uitmaakt, is ingediend.

4.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in deze nota beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 31

een primair gemeentelijke opgave. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2020 in werking treed. Relatie tot het projectgebied Landschap Het projectgebied maakt onderdeel uit van de oude zeekleipolders. De kwaliteiten van dit landschap dienen te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Voor een toelichting op hoe met deze kwaliteiten rekening is gehouden, wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Cultureel erfgoed Op basis van het kaartmateriaal behorende bij het provinciale beleid, kan worden geconcludeerd dat zich in de directe omgeving van het projectgebied geen waardevolle objecten bevinden die geschaad kunnen worden door de aanleg van een zonnepanelenpark. figuur 4.7 Uitsnede kaart Cultureel Erfgoed provincie Zuid-Holland

Conclusie In paragraaf 4.1 is het landschappelijk inpassingsplan van Feddes en Olthof besproken, waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling de huidige kenmerken van het landschap respecteert en goed in te passen is in het glastuinbouwgebied. Tevens zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle objecten die geschaad kunnen worden door de aanleg van een zonnepanelenpark. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Waterhuishoudkundige situatie (watertoets)

Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Daarbij spelen over het algemeen aspecten zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, beschermde gebieden (zoals waterkeringen) en riolering een rol. Binnen dit project is riolering echter geen relevant aspect. Op 31 augustus 2018 is de digitale watertoets doorlopen. Hieruit is een positief wateradvies gekomen. De resultaten worden hieronder besproken en zijn tevens toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Waterkwantiteit Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen netto verharding toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. De zonnepanelen worden in een schuine hoek geplaatst, waardoor hemelwater

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 32

via de panelen de ondergelegen grond in kan lopen. Er worden bovendien geen watergangen gedempt. Compenserende maatregelen als gevolg van verharding of dempen zijn dan ook niet nodig. Waterkwaliteit Het gebruik van uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, wordt zo veel mogelijk voorkomen. Zo ontstaat geen negatief effect op de waterkwaliteit. Grondwater Ten behoeve van de planontwikkeling is geen bronnering van grondwater nodig. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen. Oppervlaktewater De enige watergangen zijn de secundaire watergangen die langs de zuid- en westkant van het projectgebied lopen. Het Waterschap beschikt over een digitale Legger oppervlaktewateren waarop de watergangen in kaart zijn gebracht. Figuur 4.7 toont een uitsnede van deze kaart. De oppervlaktewateren langs het projectgebied blijven in principe ongewijzigd. Wel wordt in het kader van de landschappelijke inpassing en op verzoek van de Provincie Zuid-Holland nog de mogelijkheid onderzocht de westelijk gelegen watergang richting het zuiden te verbreden, zodat een wig ontstaat. Mocht dit voorstel tot uitvoering worden gebracht, wordt indien nodig een watervergunning aangevraagd.

figuur 4.7 Uitsnede Leggerkaart oppervlaktewateren Hollandse Delta

Beschermde gebieden Binnen de projectlocatie is geen sprake van (beschermingszones van) waterkeringen. Het projectgebied bevindt zich ook niet binnen een beschermingszone van de belangrijkste type wateren. Conclusie De watertoets is doorlopen. Er treden geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 33

5

Milieu aspecten

5.1

Bedrijven en milieuzonering

Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.

figuur 5.1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

In de handreiking (maart 2009): Bedrijven en milieuzonering VNG is een zonnepanelenpark niet opgenomen. Voor het zonnepark worden twee trafokasten en een controlecenter geplaatst. De activiteit zou daardoor vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, <10 MVA. De activiteit valt dan binnen milieucategorie 2. Dit betekent dat voor het aspect geluid 30 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen. De zonnepanelen zelf veroorzaken geen geluid. Bij de plaatsing van de trafokasten en controlecenter dient rekening gehouden te worden met de voornoemde richtafstand tot woningen. In de omgeving van de projectlocatie zijn woonbestemmingen gelegen. De geplande locatie voor de trafokasten en controlecenter is nabij de entree tot het park. De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt globaal ten zuiden van deze objecten en bevindt zich op een afstand van 30 meter tot de objecten. Er wordt derhalve voldoende afstand gehouden in het kader van bedrijven en milieuzonering. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 34

5.2

Externe veiligheid

De externe veiligheid wordt bepaald door aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (productie, gebruik, opslag en vervoer) in en rond het projectgebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren (b.v.o. kleiner dan 1500 m2), winkels, horeca en parkeerterreinen. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie, het Vuurwerkbesluit (2002, herziening 2004). Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan.

Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb) voor onder andere hogedruk aardgastransportleidingen. Aan de andere kant is het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijke beleid en externe veiligheid beleid dienen dus goed te worden afgestemd. Een ruimtelijke onderbouwing of toelichting is geen instrument om de mate van risico’s te beheersen, maar is wel een schakel tussen het externe veiligheidsbeleid en ruimtelijke ordening. De risico’s worden door twee factoren bepaald: de kans dat zich een ongeval voordoet en de effecten van dat ongeval. Om te kunnen beoordelen wat wel en niet aanvaardbaar is, bestaan er twee risicomaten, namelijk het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van het plaatsgebonden risico (PR). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken).

De grenswaarde voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten is 10–6 per jaar. Voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten betreft dit een richtwaarde. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. De officiële definitie van groepsrisico in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) luidt: ‘de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is’. Het groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. De onderdelen waar bij de verantwoording aandacht aan moet worden besteed staan beschreven in Bevi-artikel 12 voor Beviactiviteiten en artikel 13 voor ruimtelijke plannen. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 35

In deze situatie geldt dat een zonnepanelenpark geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft in het kader van externe veiligheid. Hierdoor vormt de ‘veiligheidszone – olieleiding’ (zie paragraaf 2.3) geen belemmering. De voorgenomen activiteit zelf is bovendien ook geen risicovolle activiteit Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen  onderwijsgebouwen  ziekenhuizen  verpleeghuizen  verzorgingstehuizen  psychiatrische inrichtingen  kinderdagverblijven. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Met de realisatie van een zonnepanelenpark wordt geen geluidgevoelige functie gerealiseerd. Om die reden is de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’ voor dit project niet relevant. De zonnepanelen produceren bovendien geen geluid. Alleen de trafokasten zullen enigszins geluid produceren. Deze worden echter in een bouwwerk geplaatst. De omvormers kunnen vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, <10 MVA. Voor deze activiteit betekent dat voor het aspect geluid 30 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen in het kader van bedrijven en milieuzonering.

Aan deze afstand wordt voldaan (zie ook paragraaf 5.1). Een zonnepark betreft in de regel geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Alleen in uitzonderlijke gevallen zouden ze tot een inrichting gerekend kunnen worden. Bijvoorbeeld wanneer de zonnepanelen worden opgericht binnen de grenzen van een bestaande inrichting (zoals een tankstation), of wanneer de omvormers meer dan 200 MVA distribueren. Aangezien daarvan geen sprake is, zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit eveneens niet van toepassing. Onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit is dan ook niet nodig. Conclusie Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Luchtkwaliteit

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). AMvB ‘niet in betekenende mate’ In het Besluit NIBM en de bijbehorende ministeriële Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 36

van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In onderhavig geval is sprake van de aanleg van een zonnepanelenpark. De zonnepanelen leveren duurzame energie voor ruim 3.200 huishoudens en hebben daarmee een CO2 reductie van 4.819 ton per jaar als gevolg. Er vindt geen uitstoot plaats van (schadelijke) stoffen door het park zelf of door het aan het park gerelateerde vervoersbewegingen.

Het park heeft bovendien nagenoeg geen verkeersaantrekkende werking. Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

5.5

Ecologie

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.

Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.

Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 37

Relatie tot de ontwikkeling Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door bureau Van der Goes & Groot een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan, d.d. 7 september 2018, opgenomen in bijlage 2 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder besproken. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied betreft Voornes Duin en is gelegen op een afstand van ruim 3 km. Gezien de grote afstand tot het projectgebied en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Nader onderzoek naar deze aspecten is niet noodzakelijk. Wel is gezien de huidige ontwikkelingen rondom stikstof een berekening naar de stikstofdepositie op natuurgebieden uitgevoerd. Daarbij is, gelet op de aard van de ontwikkeling, enkel de aanlegfase relevant. De berekening is op 20 november 2019 uitgevoerd door ingenieursbureau CaubergHuygen. De uitdraai ervan, waarin de invoergegevens en resultaten zijn weergegeven, zijn opgenomen in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing (bijlage 3). De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. De rekenresultaten zijn ter beoordeling voorgelegd aan de DCMR.

Bij brief van 29 november 2019 (9999149181_9999699809) hebben zij laten weten in te stemmen met deze berekening en de resultaten te onderschrijven. De beoordeling van de DCMR is eveneens opgenomen in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is gelet op het voorgaande niet noodzakelijk. figuur 5.2 Ligging projectgebied (rood) ten opzichte van beschermde gebieden (bron: uitsnede quickscan)

NNN Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie figuur 5.2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 38

Overige beschermde gebieden Het gebied is niet begrensd als bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er wordt bovendien geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand. Soortenbescherming Ter plaatse en in de omgeving van het plangebied is sprake van enkele beschermde soorten waar rekening mee moet worden gehouden. Het gaat om vogels zowel met als zonder jaarrond beschermde nesten en foeragerende vleermuizen. Tevens zijn soorten aangetroffen waarvoor de algemene zorgplicht geldt. Deze wordt in acht genomen en de soorten worden in de ruimtelijke onderbouwing niet verder besproken. Hiertoe wordt verwezen naar de quickscan Wet natuurbescherming zoals opgenomen in bijlage 2 bij voorliggende rapportage. Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn diverse soorten met niet-jaarrond beschermde nesten aangetroffen, namelijk Witte kwikstaart, Winterkoning, Kleine Karekiet, Fazant, Huiszwaluw, Holenduif. Verder is het plangebied in potentie geschikt voor enkele algemene bos- en struweelvogels zoals bijvoorbeeld Merel, Winterkoning of Heggemus.

In het water langs het plangebied broeden tot slot mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet en Wilde eend. Er wordt gewerkt conform de maatregelen zoals omschreven in de quickscan. Dit betekent dat wanneer werkzaamheden plaatsvinden waarbij nesten vernield kunnen worden, rekening wordt gehouden met het broedseizoen. De werkzaamheden vinden dan niet plaats in de periode van grofweg 15 maart tot 15 juli. Indien toch broedende vogels buiten deze periode worden aangetroffen, worden de werkzaamheden tijdelijk uitgesteld. Mochten wel werkzaamheden noodzakelijk zijn binnen het broedseizoen, wordt voorafgaand aan het broedseizoen of voordat vogels zich kunnen vestigen, het plangebied ongeschikt gemaakt indien er (nog) geen nesten aanwezig zijn. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Op de boerderij buiten het plangebied is een bewoonde nestkast van een kerkuil aanwezig. Tijdens het veldbezoek is deze boerderij bezocht en zijn de sporen van de Kerkuil aangetroffen: Braakballen, veren en uitwerpselen. De loods die binnen het plangebied staat is voor deze kerkuil niet toegankelijk. Verder zijn binnen het plangebied geen hoge bomen met nesten en/of sporen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen. Ook zijn er geen nesten gezien in de hoogspanningsmast.

Omdat geen geschikte bebouwing en bomen aanwezig zijn en geen sporen of nesten werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Het is wél mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Kerkuil. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied, wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het is, afhankelijk van de precieze inrichting, zelfs zeer goed mogelijk dat het terrein door toename van kruiden geschikter wordt.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 39

Foeragerende vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden meerdere soorten vleermuizen waargenomen. In het plangebied kunnen echter geen vleermuizen verblijven omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in de aanwezige bebouwing/bomen. Het plangebied is (marginaal) geschikt voor foeragerende vleermuizen. De (schaarse) aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt eveneens geen negatief effect verwacht van de ingreep. Dit omdat na realisatie van de plannen het terrein geschikt zal blijven of wellicht beter zal worden voor foeragerende vleermuizen. Conclusie Uit de quickscan blijkt dat negatieve effecten op beschermde gebieden in de omgeving op voorhand niet worden verwacht, gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de relevante gebieden. Ook ten aanzien van stikstofdepositie treden er geen belemmeringen en/of een vergunningplicht in het kader van de Wnb op. In verband met de aanwezigheid van soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, wordt rekening gehouden met het broedseizoen. Indien buiten het broedseizoen broedende vogels worden aangetroffen worden werkzaamheden ter plaatse tijdelijk uitgesteld.

Mochten toch werkzaamheden binnen het broedseizoen noodzakelijk zijn, wordt met inachtneming van de daartoe geldende voorwaarden het plangebied ongeschikt gemaakt voor vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het gebied door de Kerkuil en foeragerende vleermuizen, worden geen negatieve effecten verwacht en treedt na ontwikkeling mogelijk zelfs een verbetering op ten aanzien van het gebruik door deze soorten. Voor overige aangetroffen soorten geldt de algemene zorgplicht, die door initiatiefnemer in acht wordt genomen. Een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is gelet op het bovenstaande niet nodig. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Bodem (milieukundig)

Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Het huidige gebruik van de betreffende locatie is agrarisch. Het toekomstig gebruik van de gronden is voor een zonnepanelenpark en betreft geen bodembedreigende activiteit. De gronden zijn geschikt voor het beoogde gebruik, er is immers geen sprake van toekomstige gebruikers (zoals bewoners) die in aanraking kunnen komen met eventueel vervuilde grond. In het kader van de planologische procedure is daarom geen bodemonderzoek noodzakelijk. In een later stadium zal in het kader van de vergunning voor het bouwen een bodemonderzoek worden uitgevoerd. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van een zonnepanelenpark.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 40

5.7

Kabels en leidingen

Binnen het projectgebied is sprake van een hoogspanningsverbinding. Daarnaast liggen aan de oostzijde van het gebied diverse leidingen. Het gaat om een waterleiding, gasleidingen en een olieleiding. De leidingen vallen buiten het projectgebied en worden daarom niet besproken in deze paragraaf. In verband met de olieleiding is tevens de ‘veiligheidszone – olieleiding’ van kracht. Deze overlapt wel voor een deel met het projectgebied. Onderstaand wordt ingegaan op de hoogspanningsverbinding en de veiligheidszone in verband met de olieleidingen. Hoogspanningsverbinding Door het projectgebied loopt een hoogspanningsverbinding van TenneT. Deze is in het vigerende omgevingsplan “Buitengebied Westvoorne” bestemd met de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’. Figuur 5.3 maakt de locatie van de verbinding inzichtelijk, het gaat om de gronden binnen het blauwe kader. figuur 5.3 Aanduiding bestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’

De gronden aangeduid als 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' mogen worden gebruikt voor bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Daarnaast mogen de gronden worden gebruikt voor de andere daar voorkomende bestemmingen. Indien werken en/of werkzaamheden nodig zijn ter plaatse van de gronden aangeduid als ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’, is een omgevingsvergunning nodig voor de volgende werken of werkzaamheden: a. het opslaan van goederen; b. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen; c. de sloop van bebouwing; d. het kappen van bomen. Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien de leidingbeheerder in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen en wanneer aan het leidingbelang geen schade wordt toegebracht. In verband met de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding, heeft de initiatiefnemer de plannen voorgelegd aan TenneT. Bij brief van 16 juli 2018 heeft TenneT een voorlopige verklaring van geen bezwaar afgegeven, mits wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. Het betreft na-

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 41

drukkelijk een verklaring onder voorbehoud, in het verdere vervolg van het proces zal nader overleg worden gevoerd tussen initiatiefnemer en TenneT. De brief is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Veiligheidszone - risicocontour Langs de oostzijde van het projectgebied ligt voor een beperkt deel een risicocontour. figuur 5.4 maakt dit inzichtelijk, de veiligheidszone is aangegeven in het groen. figuur 5.4 Aanduiding ‘veiligheidszone – risicocontour’

Binnen deze veiligheidszone mogen op basis van het bestemmingsplan geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Omdat een zonnepanelenpark geen (beperkt) kwetsbaar object betreft, vormt de veiligheidszone geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie TenneT heeft onder voorbehoud van het voldoen aan de gestelde voorwaarden bij brief van 16 juli 2018 een voorlopige verklaring van geen bezwaar afgegeven voor de aanleg van een zonnepanelenpark. Omdat geen (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd, vormt de veiligheidszone in verband met een olieleiding eveneens geen belemmering. Kabels en leidingen in het gebied vormen gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van een zonnepanelenpark.

5.8

Mer-beoordeling

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 42

de D-lijst deze afweging gemaakt dient te worden. Deze lijst geeft namelijk aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:  de kenmerken van het project;  de plaats van het project;  de kenmerken van de potentiële effecten. De ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark op agrarische gronden. De realisatie van zonneparken worden niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Wel wordt in de D-lijst een stedelijke ontwikkelingsproject genoemd.

In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ook geduid. Hier wordt over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook ‘dorpen’ hieronder vallen. Wat ‘stedelijke ontwikkeling’ inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen. Het zonnepanelenpark is daarmee niet m.e.r.-plichtig, omdat gelet op de aard van de ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen niet gesproken kan worden van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit m.e.r. Gelet op de kenmerken van het project zullen immers geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 43

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor de maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft de gemeente Westvoorne een spoorboekje ‘Maatschappelijke randvoorwaarden en uitgangspunten (maatschappelijk spoor)’ opgesteld, waarin randvoorwaarden, uitgangspunten en het toetsingskader van de gerealiseerde participatievormen zijn benoemd. Initiatiefnemer Zonnepark Tinte. zal middels zorgvuldig uitgewerkte vormen van participatie uitvoering geven aan de door de gemeente Westvoorne gestelde randvoorwaarden en uitgangspunten. 6.2.1

Maatschappelijke randvoorwaarden en uitgangspunten voor participatie

Procesparticipatie Het uitgangspunt van de gemeente bij de ontwikkeling van (grootschalige) zonnevelden is de realisatie van een zorgvuldig omgevingsproces door middel van een actieve samenwerking met de betreffende initiatiefnemer en stakeholders. Onder stakeholders wordt door de gemeente verstaan: iedereen die te maken heeft met het zonne-energieproject. Het gaat niet alleen om omwonenden/inwoners, maar ook om bedrijven, natuurorganisaties, belangenorganisaties en energiecoöperaties. In dat kader heeft Zonnepark Tinte reeds diverse samenwerkingsverbanden opgericht, o.a. met de Nederlandse Bijenvereniging en milieufederatie Noord-Holland. De initiatiefnemer staat open voor meerdere samenwerkingsverbanden binnen de regio, zoals met de lokale energiecoöperatie. Zonnepark Tinte zal voor het zonneproject een aanspreekpunt voor de omgeving aanstellen. Financiële participatie Door de gemeente wordt onderscheid gemaakt tussen grootschalige commerciële zonneprojecten en zonnevelden die ten gunste zijn van eigen energie opwekking. Bij grootschalige commerciële zonnevelden zoals het voorliggende initiatief, hecht de gemeente er belang aan dat er ingezet wordt om de (financiële) voordelen van zonneprojecten maximaal ten goede te laten komen aan de eigen gemeenschap. Financiële participatie kent verschillende vormen die in combinatie met elkaar kunnen worden ingezet: 1.

Mede-eigenaarschap 2. Financiële deelneming 3. Gebiedsfonds Mede-eigenaarschap Bij mede-eigenaarschap kunnen individuele burgers, omwonenden en lokale ondernemers met eigendom en zeggenschap financieel deelnemen in een zonnepark. Bij mede-eigenaarschap is er niet alleen sprake van financiële deelneming (financiële middelen ter beschikking stellen in ruil voor

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 44

een vergoeding), maar ook van daadwerkelijk eigenaarschap en zeggenschap. Veelal wordt gebruik gemaakt van een lokale of regionale energiecoöperatie om dit mede-eigenaarschap vorm te geven. Financiële deelneming Financiële deelneming is een andere vorm van financiële participatie waarbij het gaat risicodragend deelnemen in een zonneproject, bijvoorbeeld met aandelen of obligaties of ander financieel voordeel. Bij financiële deelneming is er, afgezien van een stem op een aandeelhoudersvergadering geen sprake van mede-eigenaarschap of zeggenschap. Gebiedsfonds Niet iedereen kan of wil geld ter beschikking stellen om te participeren in de vorm van mede-eigenaarschap of financiële deelneming aan een zonne-energie project. Het gebiedsfonds wordt gevuld uit de opbrengsten van de zonnepanelen waarmee maatschappelijk verantwoorde projecten ondersteund worden die maximaal ten goede komen aan de inwoners en bedrijven van de gemeente. Gedacht kan worden aan nieuwe duurzame energieprojecten, ondersteuning van verenigingen of bepaalde activiteiten etc. Het gebiedsfonds zal worden beheerd door een onafhankelijke entiteit, die bestuurd wordt door inwoners van de gemeente. 6.2.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11013219/1