CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

21 06 11 Voorontwerp bestemmingsplan Fazantenlaan, Oostvoorne

Gemeenteraad 30 juni 2021, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Ingekomen stukken17.147 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

FAZANTENLAAN, OOSTVOORNE bestemmingsplan 27 mei 2021

1/2

Fazantenlaan, Oostvoorne

Westvoorne

bestemmingsplan

Identificatie Identificatiecode:

NL.IMRO.0614.BPFazanten-0001

planstatus datum:

status:

30-04-2021

concept

27-05-2021

voorontwerp ontwerp vastgesteld

Projectnummer:

061400.20201220 projectleider:

R. Sips

Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding en doel

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

11

Beleidskader

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.2

Provinciaal beleid

17

3.3

Gemeentelijk beleid

19

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

23

4.1

Inleiding

23

4.2

Vormvrije mer-beoordeling

23

4.3

Bedrijven en milieuhinder

24

4.4

Ecologie

24

4.5

Externe veiligheid

31

4.6

Luchtkwaliteit

32

4.7

Bodem

34

4.8

Water

35

4.9

Kabels en leidingen

39

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

39

4.11

Mobiliteit

40

4.12

Wegverkeerslawaai en industrielawaai

43

4.13

Duurzaamheid

44

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

45

5.1

Bestemmingsplansystematiek

45

5.2

Planregels

45

Economische uitvoerbaarheid

49

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 6

3/4

Hoofdstuk 7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51

7.1

Inspraak

51

7.2

Zienswijzen

51

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 2

Stikstofonderzoek

Bijlage 3

Stikstofberekening realisatiefase

Bijlage 4

Stikstofberekening gebruiksfase

Bijlage 5

Ecologische quickscan

Bijlage 6

Winterinspectie

Bijlage 7

Soortgericht onderzoek vleermuizen en vogels

Bijlage 8

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 9

Archeologisch rapport

Bijlage 10

Akoestisch onderzoek

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

77

Artikel 1

Begrippen

77

Artikel 2

Wijze van meten

82

Bestemmingsregels

83

Artikel 3

Groen

83

Artikel 4

Tuin

84

Artikel 5

Verkeer

85

Artikel 6

Water

86

Artikel 7

Wonen

87

Hoofdstuk 3

Algemene regels

91

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

91

Artikel 9

Algemene bouwregels

92

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

93

Artikel 11

Algemene afwijkingsregels

94

Artikel 12

Overige regels

95

Overgangs- en slotregels

97

Artikel 13

Overgangsrecht

97

Artikel 14

Slotregel

98

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

4/5

TOELICHTING

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

In Oostvoorne bevindt zich tussen de Patrijzenlaan, Fazantenlaan en de Van der Meerweg een terrein waarvoor al langere tijd wordt gewerkt aan een woningbouwprogramma. Voor het gebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld. In totaal komen op het terrein circa 76 woningen, waaronder rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen. Deze ontwikkeling is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne'. Op het terrein ligt nu nog de bestemming 'Tuin- 2'. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan 'Fazantenlaan' beschrijft deze ontwikkeling en geeft de onderzoeken naar de sectorale aspecten weer.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is centraal gelegen in Oostvoorne en wordt omsloten door de Patrijzenlaan, Fazantenlaan, Van der Meerweg en de Rialaan. De ontsluiting naar het plangebied loopt via de Fazantenlaan. Figuur 1.1 geeft de locatie weer van het plangebied.

Figuur 1.1 Ligging plangebied Oostvoorne 7/8

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne', vastgesteld 25 juni 2013. Figuur 1.2 laat het plangebied zien waar de woningen gebouwd gaan worden.

Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan en beoogd plangebied Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming Tuin-2. Verder ligt over het gehele plangebied een functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3'. Hier geldt een archeologische bescherming voor alle bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) met een oppervlakte groter dan 200 m² en die tevens dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld. Op het gebied ligt ook een specifieke bouwaanduiding die zwembaden en tennisbanen uitsluit. Ook ligt ter plaatse een gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie', omdat het plangebied gelegen is binnen de geluidszone van industrieterrein Europoort-Maasvlakte. Daarnaast geldt momenteel voor het plangebied de 'Parapluherziening erfafscheiding, BenB, gastenverblijf en parkeren'. Deze parapluherziening voorziet in nieuwe regelingen voor:  het bouwen van nieuwe erfafscheidingen bij woningen;  het gebruik van bijgebouwen bij woningen ten behoeve van gastenverblijf en bed & breakfast;  de formulering van een parkeerregeling.

8/9

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:     

9/10

Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en gaat verder in op de nieuwe ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan het kader biedt. Hoofdstuk 3 brengt het beleidskader in beeld. Het ruimtelijk beleid op het niveau van Rijk, provincie en gemeente komt hier aan bod. In hoofdstuk 4 wordt stilgestaan bij de diverse sectorale aspecten en de wijze waarop het plan op een goede ruimtelijke manier met deze aspecten omgaat. Hoofdstuk 5 beschrijft vervolgens de juridische opzet van het plan en de mogelijkheden die daarin worden geboden. Hoofdstuk 6 en 7 tonen tot slot aan op welke wijze het plan in economische en maatschappelijke zin uitvoerbaar is.

10/11

Hoofdstuk 2

2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied ligt achter de duinen in een gebied dat ooit deel uitmaakte van het gebied de Geest. Dit gebied lag direct ten zuiden van het landgoed Mildenburg. Het grootste deel van het plangebied bestaat uit gronden die in het verleden een agrarisch gebruik kenden. Dit deel is nu nog grasland en bevat een aantal houtsingels. Verder kenmerkt het plangebied zich door de gunstige ligging ten opzichte van het centrum van Oostvoorne en de goede uitvalsmogelijkheden naar de nabijgelegen duinen en kustzone. Aan de Fazantenlaan en Van der Meerweg staan de woningen haaks op de weg, aan de Rialaan en de Patrijzenlaan voor een groot deel ook evenwijdig. De vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen bestaan uit maximaal 2 bouwlagen onder één kap. De kap bestaat overwegend uit een eenvoudig maar soms ook T- of L-vormig samengesteld zadeldak. Op een aantal plekken langs de Fazantenlaan en Patrijzenlaan komen ook plat afgedekte woningen voor. Achter deze huizen bevindt zich het plangebied dat nu nog bestaat uit grasland. In de jaren '90 sprak de gemeente Westvoorne al de wens uit tot het realiseren van woningbouw in dit gebied. Voorliggende bestemmingsplan moet deze ontwikkeling mogelijk maken.

2.2

Toekomstige situatie

De ontwikkeling aan de Fazantenlaan ligt in het zuidwesten van het centrum van Oostvoorne. De entree naar de nieuwe wijk vindt plaatst aan de zuidzijde van het gebied aan de Fazantenlaan. De wijk is zo opgezet dat de woningen grotendeels langs de buitenrand zijn gesitueerd. De achtererven van de woningen aan de buitenzijde liggen gespiegeld aan de achtererven van de nieuwe woningen. Door deze opzet ontstaat er achter de bestaande bebouwing aan de buitenzijde een soort 'eiland met bouwkavels'. Het zogenaamde eiland krijgt een interne ontsluiting en er is veel ruimte voor groen. In het gebied komen enkele waterpartijen en een aantal bomenlanen voor. Een deel van de parkeerplaatsen komt in de openbare ruimte tussen het groen, de andere parkeerplaatsen komen op het privéterrein van de woningen. De ontwikkeling gaat bestaan uit circa 76 woningen, waaronder:     

11/12

18 rijwoningen, kleine variant; 16 rijwoningen, grote variant; 11 rijwoningen, levensloopbestendige woningen; 26 twee-onder-een-kappers; 5 vrijstaande woningen.

Figuur 2.2 weergeeft het stedenbouw plan voor de Fazantenlaan.

Figuur 2.2 Stedenbouwkundig plan Fazantenlaan

12/13

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven. Achtereenvolgens komt het rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid aan bod.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:  dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;  met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;  waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;  met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;  waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.

 dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;  waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;  dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

13/14

Voor dit project relevante nationale belangen zijn:  Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.  Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.  Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. De belangrijkste keuzes zijn:  Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit  Ruimte voor overgang naar een circulaire economie  Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden  Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.

Toetsing Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding. Het mogelijk maken van de nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied past binnen het rijksbeleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Voor de doorwerking van de Rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. De geconsolideerde versie is van januari 2020. Toetsing Er gelden geen beperkingen uit het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 sub 2) Ieder plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor projecten binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven.

14/15

De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een stedelijke ontwikkeling bij plannen voor meer dan 11 woningen. Toetsing Het programma gaat uit van: 18 kleine rijwoningen; 16 grote rijwoningen; 26 twee-onder-één-kapwoningen; 11 levensloopbestendige woningen; 5 vrijstaande woningen. De beoogde ontwikkeling van maximaal 76 grondgebonden woningen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Daarom is hierna de behoefte beschreven. Beschrijving behoefte In het Regioakkoord 2018-2030 (Vastgesteld tijdens Regiotafel Wonen op 23-01-2019) maken de veertien gemeenten van het Samenwerkingsverband Wonen zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam uit te breiden. De gemeenten en de woningcorporaties zetten zich ook in voor een betere balans van het woningaanbod in de regio. De regionale afspraken zijn gemaakt op basis van de provinciale woningbehoefteraming WBR 2016. Inmiddels is een nieuwe prognose WBR 2019 beschikbaar die hoger uitkomt. Uit de provinciale Woningbehoefteraming 2019 blijkt dat de woningbehoefte in de regio Rotterdam groter is dan in 2016 was berekend.

De Trendraming komt voor deze regio het hoogste uit. In de periode 2020 - 2030 zijn op basis van de Trendraming meer dan 44.000 woningen nodig, waarvan 800 in de gemeente Westvoorne.

Figuur 3.1 Gewenste woningvoorraadtoename Regio Rotterdam obv trendraming 2019

15/16

Er moet ook rekening worden gehouden met planuitval. De provincie gaat ervan uit dat er 30% meer woningen moeten worden gepland om uiteindelijk in 100% van de behoefte te kunnen voorzien. Voor de regio is de behoefte 44.630. Om dat te bereiken moeten er in verband met planuitval plannen zijn voor 58.019 woningen in de regio. Voor Westvoorne is de behoefte 800 woningen. Om dat te bereiken moeten er in verband met planuitval plannen zijn voor circa 1.40 woningen. Hierbij is geen rekening gehouden met de regionale opgave, waar Westvoorne deels invulling aan geeft. Plancapaciteit De gemeente Westvoorne beschikt over voldoende plancapaciteit. Binnen 10 jaar moeten 720 woningen worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling past binnen de plancapaciteit. Woonvisie Voorne-Putten 2016-2020 De provincie Zuid – Holland stelt een regionale woonvisie als voorwaarde voor het toetsen van het woningbouwbeleid en nieuwe woningbouwontwikkelingen. In aanvulling op de woningmarktafspraken, die hoofdzakelijk kwantitatief van aard zijn, wordt in de woonvisie Voorne-Putten ingespeeld op de bestaande en gewenste kwaliteiten van het woningaanbod, als ook de te verwachten bevolkingstransitie, zodat het toekomstig aanbod aan woningen zo veel mogelijk aansluit bij de huidige en toekomstige vraag van de inwoners van de regio.

In de Woonvisie Voorne-Putten 2016 – 2020 wordt verwacht dat een 'mismatch' zal ontstaan tussen de woonwensen en woonbehoeften enerzijds en de woningvoorraad anderzijds. Herstructurering van de woningvoorraad wordt dan ook gezien als instrument, waarmee woningen en woonmilieu ingrijpend gewijzigd en verbeterd kunnen worden. Nieuwbouw mag nog enkel ingezet worden om specifieke tekorten in de voorraad aan te vullen. Naast herstructurering wordt het van belang geacht om de bestaande voorraad levensloopgeschikter en duurzamer te maken. Ook wordt ingezet op het verbeteren van de doorstroming en dient de betaalbaarheid van de woningen jaarlijks gemonitord te worden. Toetsing Het woningbouwprogramma geeft invulling aan de woningbehoefte. Met name het herontwikkelen en vergroten van het sociale woningbouwprogramma geeft invulling aan de realisatie van meer betaalbare (huur)woningen. De ontwikkeling geeft dan ook invulling aan het gestelde in de Woonvisie.

16/17

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 2020) De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie heeft in haar visie opgenomen dat vraag en aanbod van woningen kwantitatief en kwalitatief in balans moeten zijn. Met behulp van woonmilieus wordt de (ruimtelijke) kwaliteit van verschillende typen wijken en buurten onderscheiden. Hiermee kunnen gemeenten sturen op de kwaliteit van de nieuw geplande en bestaande woon/leefomgevingen om zo het kwalitatieve aanbod in balans te brengen met de kwalitatieve vraag. Toetsing Met de transformatie van een open gebied binnen bestaand stedelijk gebied wordt binnenstedelijke ruimte beter benut.

Dit geeft invulling aan de visie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerde versie 2020) De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; 3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a.

een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

17/18

Toetsing Op de bij de Omgevingsvisie horende kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland, is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen' (op de kaart laag van de stedelijke occupatie). Relevante richtpunten:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.  Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. De ontwikkeling draagt bij aan een versterking van de kern Oostvoorne. Met de stedenbouwkundige opzet en de maatvoering van de bebouwing wordt aansluiting gezocht met de omgeving, zodat een natuurlijke aansluiting op de omliggende bebouwing ontstaat. Verder wordt ruimte gehouden voor groen en water, zodat de kwaliteiten die het gebied in de huidige situatie heeft, meegenomen worden in het beoogde plan. Er is in dit geval sprake van inpassen. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.

indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing De ontwikkeling is in paragraaf 3.1.3 getoetst aan de ladder en ligt binnen bestaand stads- en dorpsgebied.

18/19

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 In deze visie worden de verschillende belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. Deze integrale visie is vertaald in een visiekaart. Daarvan is in figuur 3.2 een uitsnede opgenomen. Daaruit valt af te lezen, dat het plangebied is aangemerkt als een toekomstige woningbouwlocatie (geel rondje).

Figuur 3.2 Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie Westvoorne 2030 Voor woningbouw is het volgende in de Omgevingsvisie Westvoorne opgenomen: 

19/20

Een evenwichtige bevolkingsopbouw is van groot belang. Nieuwe ontwikkelingen zoals woningbouw zijn vooral een middel om dit te bereiken (en geen doel op zichzelf). De gemeente streeft naar een gevarieerde woningvoorraad waar ruimte is voor diverse leeftijds-, huishoudens- en inkomensgroepen. De gemeente vindt het belangrijk dat de inwoners, maar ook mensen van buiten kunnen kiezen uit verschillende aantrekkelijke woonmilieus. Speerpunten daarbij zijn de huisvestingsmogelijkheden voor jongeren en het verder versterken van het wonen in een aantrekkelijke, groene omgeving. De bijzondere kwaliteiten die het wonen in de gemeente Westvoorne aangenaam maken, willen ze hierbij benutten. Een hoge ruimtelijke kwaliteit in bestaand en nieuw bebouwd gebied is daarbij van groot belang.

De gemeente streeft naar een voldoende aanbod van kwalitatief goede en betaalbare woningen, zowel in de huurals in de koopsector. Flexibiliteit is het sleutelwoord. Woningbouw wordt steeds gerealiseerd op basis van een actuele woonvisie, die input is voor de regionale woonvisie Voorne-Putten.

De gemeente gaat verdere stappen nemen in de richting van een verantwoord en toekomstbestending beheer van het gemeentelijk Woonbedrijf. Dat houdt in het bijzonder in dat het Woonbedrijf zich ontwikkelt tot een zelfstandig functionerend bedrijf binnen de gemeentelijke organisatie. Voor het Woonbedrijf wordt een strategisch voorraadbeleid opgesteld en geformaliseerd. Door verbetering van de energetische kwaliteit en het planmatig energieneutraal renoveren van complexen wordt een aantrekkelijk woningbestand nagestreefd waarmee Westvoorne onderscheidend is ten opzichte van het aanbod van huurwoningen in de regio.

Bij nieuwbouw gaat de gemeente uit van duurzame, zo mogelijk energie- of klimaatneutrale bebouwing. Op het gebied van energievoorziening en isolatie zijn de bouwkundige ontwikkelingen inmiddels zo ver gevorderd dat energieneutrale woningen voor een marktconforme prijs zijn te realiseren. Zowel in het gemeentelijke bouwprogramma als in de gebiedsontwikkelingen van particuliere initiatiefnemers gaan ze daarom uit van energieneutraliteit in woningbouw.

Toetsing Het streven is binnen het programma verschillende woningtypen te realiseren voor verschillende doelgroepen. Met het programma en de architectuur is aansluiting gezocht met de directe omgeving van het plangebied. De woningen worden gasloos en energieneutraal uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling past goed binnen de Omgevingsvisie Westvoorne. 3.3.2 Woonvisie Westvoorne 2015 - 2030 Het doel van de woonvisie is een antwoord te geven op de vraag voor welke doelgroepen de gemeente welke ingrepen in de gemeentelijke woningvoorraad het beste kan doen. Het gaat over het wonen voor en door inwoners van Westvoorne. Daarnaast gaat het over de mate waarin de bouwkundige kwaliteit, de prijs, de omvang en het woonmilieu passen bij de vraag van de bevolking. De woonvisie begint met een omgevingsanalyse. Deze levert op hoofdlijnen de volgende constateringen op: Westvoorne ligt in de directe nabijheid van één van de economische motoren van Nederland. De economische vooruitzichten, zowel in Westvoorne als op Voorne-Putten en in het havenindustrieel complex, zijn voldoende positief om te kunnen spreken van een blijvende bron van werkgelegenheid.

Tegelijkertijd wordt de gemeente gekenmerkt door een demografische transitie: in de komende 15 jaar is er sprake van een afname van het aandeel jongeren, een sterke toename van het aandeel ouderen en een afname van de groep daartussen, de potentiële beroepsbevolking. Deze ontwikkelingen leiden tot een simultane afname van het aantal inwoners en een stijging van het aantal huishoudens, wat resulteert in een huishoudensverdunning.

20/21

De waardering van het wonen in Westvoorne is goed, maar niet zonder uitdagingen. Vraagstukken op de Westvoornse woningmarkt betreffen vooral de mogelijkheden van het zelfstandig wonen door ouderen en de koop- en huurmogelijkheden voor jongeren. Daarnaast liggen er opgaven in het verbeteren en versterken van de karakteristieke woonmilieus. Om de ontwikkelingen in gewenste banen te leiden en de uitdagingen aan te gaan, zijn in de visie vier ambities geformuleerd, die beantwoorden aan de actualiteit en de meest pregnante verwachtingen:  Wonen met zorg: voorbereiden van de woningvoorraad op vergrijzing en extramuralisering.  Betaalbaar wonen: verantwoordelijkheid nemen voor alle inkomensgroepen. Daarbinnen hebben met name jongeren en starters ondersteuning nodig.  Duurzaam wonen: energieprestatie van de woningvoorraad verbeteren en levensloopbestendigheid van nieuwe en bestaande voorraad bevorderen.  Buiten wonen: de karakteristiek van de gemeente versterken, zowel de dorpskernen als het buitengebied. Het faciliteren van bedrijfsbeëindigingen heeft daarin een belangrijke plek om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren conform de provinciale regels. Toetsing Met de nieuwe woningen wordt de kern Oostvoorne versterkt. Het streven is binnen het programma verschillende woningtypen te realiseren, waaronder woningen voor starters en senioren. Dit sluit aan bij de opgestelde ambities.

De woningen worden gasloos en energieneutraal uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling past binnen het gestelde in de Woonvisie Westvoorne. 3.3.3 Toekomstvisie (2009) In de Toekomstvisie heeft de gemeente een duidelijke richting voor de toekomst bepaald. Het belangrijkste uitgangspunt is de verbetering van het voorzieningenniveau in de gemeente. Hiervoor is een groei van het inwoneraantal nodig. Westvoorne maakt hiervoor gebruik van de kansen die de Mainport en het toerisme bieden. Er wordt bewust gekozen voor een beheerste groei, zowel voor het aantal inwoners, de voorzieningen als voor de economische activiteiten. Harde randvoorwaarden zijn onder meer:  het authentieke dorpse karakter van de verschillende kernen blijft gehandhaafd;  het toegankelijke groene karakter van de gemeente blijft bestaan en wordt versterkt, zowel als open buitengebied, als in de woonkernen;  Westvoorne blijft, met zijn unieke natuur, de groene buffer tegen het havengebied;  de groei zal moeten bijdragen aan een evenwichtige bevolkingsopbouw;  de meer dan landelijk gemiddelde vergrijzing wordt tegengegaan. Toetsing De ontwikkeling past binnen het uitgangspunt van de gemeente voor het behoud van het groene karakter van de gemeente en het dorpse karakter van Oostvoorne door in het ontwerp ruimte te bieden aan groen en water.

21/22

22/23

Hoofdstuk 4

4.1

Sectorale aspecten

Inleiding

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is naar verschillende ruimtelijk relevante (onderzoeks)aspecten gekeken. In het voorliggende hoofdstuk wordt het toetsingskader, onderzoek en conclusies van de verschillende sectorale aspecten beschreven.

4.2

Vormvrije mer-beoordeling

Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.  Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.  Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.

Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2);  de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

23/24

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 76 woning waarmee de drempelwaarden niet worden overschreden. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Hierom is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 1.

4.3

Bedrijven en milieuhinder

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om bij ontwikkelingen de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Toetsing en conclusie De directe omgeving van het plangebied bestaat uit alleen woningbouw. De beoogde ontwikkeling bestaat ook uit enkel woningbouw. Er is derhalve geen toetsing noodzakelijk aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Het aspect 'bedrijven en milieuhinder' staat de realisatie van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.4

Ecologie

Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura 2000-gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

24/25

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de

25/26

landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming

Figuur 4.1 Beschermde gebieden en globaal plangebied (rood omcirkeld) Het plangebied is op circa 330 meter gelegen van het Natura 2000-gebied Voornes Duin. Dit is tevens ook het dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Nederland. Het plangebied ligt dus buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Ook overige effecten zoals licht-, trilling- en geluidsverstoring zijn op voorhand uit te sluiten gezien de afstand tot de gebieden en de tussenliggende bestaande bebouwing. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van zowel de realisatiefase en de gebruiksfase van de beoogde ontwikkelingen uit te sluiten zijn twee berekeningen uitgevoerd. De berekening van de realisatiefase is opgenomen in bijlage 3 en de gebruiksfase in bijlage 4. Realisatiefase Uit de AERIUS-berekening van 26 juni 2020 blijkt dat de maximale emissie in de realisatiefase resulteert in een stikstofdepositie van 0,19 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Voornes Duin. Onderstaande tabel geeft weer uit welke maximale bijdragen op habitattypen deze depositie bestaat.

26/27

Tabel 4.1 Stikstofdepositie in mol/ha/jaar gedurende de realisatiefase op Natura 2000-gebied Voornes Duin Habitattype

Stikstofdepositie

H2180C Duinbossen (binnenduinrand)

0,19

Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

0,08

H2130A Grijze duinen (kalkrijk)

0,07

H2180B Duinbossen (vochtig)

0,06

H2160 Duindoornstruwelen

0,05

H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), 0,03 oligo- tot mesotrofe vormen H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

0,03

ZGH2130B Grijze duinen (kalkarm)

0,02

H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

0,02

H2130B Grijze duinen (kalkarm)

0,02

H2130C Grijze duinen (heischraal)

0,02

H2180Ao Duinbossen (droog), overig

0,01

H2120 Witte duinen

0,01

H2190Ae Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen

0,01

Tevens blijkt dat de maximale emissie in de realisatiefase resulteert in een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Voordelta. Deze depositie bestaat uit een bijdrage van maximaal 0,01 mol/ha/jaar op het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks). Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening van 26 juni 2020 blijkt dat de maximale emissie in de gebruiksfase resulteert in een stikstofdepositie van 0,21 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Voornes Duin. Onderstaande tabel geeft weer uit welke maximale bijdragen op habitattypen deze depositie bestaat. Tabel 4.2 Stikstofdepositie in mol/ha/jaar gedurende de gebruiksfase op Natura 2000-gebied Voornes Duin Habitattype

Stikstofdepositie

H2180C Duinbossen (binnenduinrand)

0,21

Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

0,05

H2130A Grijze duinen (kalkrijk)

0,04

H2160 Duindoornstruwelen

0,04

H2180B Duinbossen (vochtig)

0,03

H2190Aom Vochtige duinvalleien (open 0,02 water), oligo- tot mesotrofe vormen H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

0,02

ZGH2130B Grijze duinen (kalkarm)

0,01

H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) 0,01

27/28

H2180Ao Duinbossen (droog), overig

0,01

H2130B Grijze duinen (kalkarm)

0,01

H2130C Grijze duinen (heischraal)

0,01

H2120 Witte duinen

0,01

Regeling natuurbescherming en stikstofregistratiesysteem Bij brief van 13 november 2019 heeft het kabinet een specifiek maatregelenpakket aangekondigd, waarvan de effecten onder meer worden gebruikt om de toestemmingverlening voor activiteiten in de bouwsector (woningbouw en infrastructuur) weer op gang te brengen en tegelijk de stikstofbelasting van de natuur te verminderen. Daarbij gaat het om maatregelen zoals de verlaging van de maximumsnelheid op autosnelwegen, vermindering van emissies uit de veehouderij door veevoermaatregelen, en de eerder aangekondigde verhoging van het subsidieplafond voor de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Deze stikstofreductie kan voor maximaal 70% worden ingezet met gebruikmaking van het in de onderhavige regeling ingestelde stikstofregistratiesysteem om direct de effecten van de bouwactiviteiten in termen van stikstofdepositie te neutraliseren. Voor ten minste 30% zal de stikstofreductie worden gebruikt om ook bij te dragen aan de vermindering van de stikstofbelasting op de Natura 2000-gebieden. Op 23 maart 2020 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de Regeling natuurbescherming (spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur) gepubliceerd. Deze regeling is op 24 maart 2020 opengesteld voor projecten die onder de regeling vallen. Dit project is hiervoor aangemeld en valt onder deze regeling.

Met de beschikbare ontwikkelingsruimte is verzekerd dat geen verslechtering plaatsvindt van alle stikstofgevoelige habitattypen en habitats van soorten. Daarbij kan worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van relevante Natura 2000-gebieden worden aangetast. Voorwaarde hierbij is dat er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Vaststellen benodigde ontwikkelingsruimte Voor de gevraagde activiteit dient te worden beoordeeld of ontwikkelingsruimte nodig is. Daarbij dient voorts beoordeeld te worden of de benodigde ruimte aanwezig is en of voldaan wordt aan de Regeling natuurbescherming. De aanvraag is daartoe geregistreerd in het AERIUS Register. Uit de AERIUS-bijlagen bij het toestemmingsbesluit van 10 juli 2020 met kenmerk RcuEdGhS3gs8 en van 10 juli 2020 met kenmerk RfrSvGtwKb2 blijkt dat er voor de gevraagde activiteit in de vigerende periode én in 2030 voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Conclusie gebiedsbescherming Er is vastgesteld dat de zekerheid is verkregen dat er voor de stikstofdepositie op alle relevante hexagonen salderingsruimte beschikbaar is op grond van het SSRS. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de gevraagde activiteit geen belemmering vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen en dat een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb kan worden verleend.

Deze vergunning is reeds verleend op d.d. 17-09-2020. Soortenbescherming Op 8 augustus 2019 heeft een veldonderzoek plaatsgevonden in het kader van een ecologische quickscan, zie bijlage 5.

28/29

Uit de ecologische quickscan blijkt dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. 

Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden dient een soortgericht onderzoek te worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van nesten, rustplaatsen en essentieel leefgebied van de boomvalk, buizerd, sperwer, ransuil en havik aan te tonen. Voorafgaand aan de geplande herontwikkeling van het projectgebied dient een soortgericht onderzoek te worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen en essentiële vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en baardvleermuis aan te tonen. Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden dient een soortgericht onderzoek te worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen en essentieel leefgebied van de eekhoorn aan te tonen.

Daarnaast wordt geadviseerd:  In de periode van 1 maart tot en met augustus dienen grondhopen met steile hellingen (zoals voorbelasting) in het projectgebied (of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden) voorkomen te worden, zodat oeverzwaluwen hier niet in gaan broeden. Steile wanden dienen te worden afgevlakt of afgedekt met bijvoorbeeld wegendoek.  Kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen door te voorkomen dat geschikt habitat op het terrein ontstaat door het uitvoeren van de werkzaamheden.  De werkzaamheden in eerste instantie uit te voeren buiten het broedseizoen. Met name het kappen van bomen en verwijderen van ander groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Enkel indien tijdens een controle, uitgevoerd door een deskundig ecoloog, blijkt dat in het projectgebied en de directe omgeving geen broedende vogels of nesten aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd.  Gedurende de werkzaamheden dient voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren moeten voldoende tijd krijgen om te kunnen vluchten. Gedurende de werkzaamheden dient voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren moeten voldoende tijd krijgen om te kunnen vluchten. Naar aanleiding van de quickscan is een winterinspectie uitgevoerd.

Doel hiervan is het bepalen van de (mogelijk) aanwezigheid of afwezigheid van jaarrond beschermde nesten, nesten van eekhoorn en boomholten die geschikt zijn als rust- of voortplantingsplaats voor vleermuizen. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 6. Hieruit kan het volgende geconcludeerd worden:  

 

29/30

Nesten en essentieel leefgebied van de eekhoorn in onderhavig onderzoeksgebied kunnen worden uitgesloten; Jaarrond beschermde nesten van ransuil en sperwer binnen het onderzoeksgebied worden verwacht in zowel de groenstrook direct ten oosten van de te slopen bebouwing aan de Patrijzenlaan, als in de boomsingels binnen de oude agrarische gronden; nesten van andere roofvogels en uilen (die in de ecologische quickscan nog niet werden uitgesloten) worden niet binnen projectgebied verwacht. Verschillende typen rust- en voortplantingsplaatsen van boombewonende vleermuizen worden verwacht in zowel de directe omgeving van de te slopen bebouwing aan de Patrijzenlaan, als in de boomsingels binnen de oude agrarische gronden.

Naar aanleiding van de winterinspectie is een soortgericht onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en vogels, zie bijlage 7. Doel van het soortgericht onderzoek is het uitsluiten dan wel aantonen van de aanwezigheid van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en vogels met een jaarrond beschermd nest uit categorie 4. Hieruit worden de volgende conclusies getrokken:  In het projectgebied is één baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. De bijbehorende paarverblijfplaats bevindt zich in één van de bomen nabij het projectgebied. - Het kan niet worden uitgesloten dat eerdergenoemde paarverblijfplaats tevens door individuen van de soort in gebruik is als winterverblijfplaats gedurende milde winters.  In het projectgebied zijn geen voortplantings- of rustplaatsen vastgesteld van andere vleermuissoorten dan de gewone dwergvleermuis.  Ter plaatse van de bomenrij ten zuidoosten van de Patrijzenlaan is een essentiële vliegroute van gewone dwergvleermuis en een mogelijk essentiële vliegroute van laatvlieger vastgesteld.  In de directe omgeving van het projectgebied is één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze verblijfplaats lijkt buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden te liggen.

Echter, het kappen van de bomensingel ten zuidoosten van de Patrijzenlaan (essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis) zal leiden tot verlies van (functionaliteit van de) vastgestelde kraamverblijfplaats. Derhalve ligt de verblijfplaats –indirect binnen de invloedssfeer van de voorgenomen kap- en rooi werkzaamheden.  In de directe omgeving van het projectgebied zijn 3 zomerverblijfplaatsen en elf baltsterritoria van gewone dwergvleermuizen, en 3 paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen vastgesteld. Deze liggen alle buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. In de directe omgeving van het projectgebied (ter plaatse van de bomenrij langs de Fazantenlaan, direct ten zuidwesten van projectgebied) is een belangrijk foerageergebied van laatvliegers vastgesteld. Dit foerageergebied bevindt zich buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.  In het projectgebied zijn geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld.  In het projectgebied zijn geen nesten of rustplaatsen van de ransuil of sperwer vastgesteld.  In het projectgebied kunnen tijdens het broedseizoen nesten of rustplaatsen van algemene broedvogels en broedvogels uit categorie 5 (met voldoende alternatief) aanwezig zijn. Ook kunnen, tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, rugstreeppadden worden aangetrokken. In de uitgevoerde ecologische quickscan (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk 20190989, d.d.

16-09-2019) is reeds geadviseerd op welke manier hier rekening mee gehouden dient te worden gedurende de werkzaamheden. De vervolgstappen bestaan uit het bepalen of de aangetroffen beschermde elementen van vleermuizen worden aangetast door de geplande werkzaamheden en of het mogelijk is om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Wanneer het niet mogelijk is om overtreding te voorkomen, dient een ontheffing te worden aangevraagd. Voor het aanvragen van een ontheffing dient een activiteitenplan opgesteld te worden. Geadviseerd wordt om voor onderhavig project als mitigerende maatregel voor de paarverblijfplaats binnen het baltsterritorium (ter plaatse van de groenstrook direct ten oosten van de bebouwing binnen projectgebied) vleermuiskasten in de directe omgeving te plaatsen. Indien overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen kan worden, wordt geadviseerd in het kader van de zorgplicht een ecologisch werkprotocol op te laten stellen wat specifiek is afgestemd op de uitvoeringsplanning en de te nemen maatregelen voor de uitvoerders. Geadviseerd wordt de werkzaamheden in eerste instantie uit te voeren buiten het broedseizoen.

Enkel indien tijdens een controle, uitgevoerd door een deskundig ecoloog, blijkt dat in het projectgebied en de directe omgeving geen broedende vogels of nesten aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd.

30/31

Indien algemene broedvogels in het projectgebied broeden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of, op welke manier en wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Ook moet de zorgplicht in acht genomen worden. In het onderzoek zijn tevens aanbevelingen gegeven om de afname van de ecologische waarde van het gebied enigszins te beperken. Conclusie soortenbescherming Voor het plangebied is een quickscan, winterinspectie en nader onderzoek uitgevoerd. De vervolgstappen bestaan uit het bepalen of de aangetroffen beschermde elementen van vleermuizen worden aangetast door de geplande werkzaamheden en of het mogelijk is om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Wanneer het niet mogelijk is om overtreding te voorkomen, dient een ontheffing te worden aangevraagd. Indien overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen kan worden, wordt geadviseerd in het kader van de zorgplicht een ecologisch werkprotocol op te laten stellen wat specifiek is afgestemd op de uitvoeringsplanning en de te nemen maatregelen voor de uitvoerders.

4.5

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

31/32

Onderzoek en conclusie

Figuur 4.2 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied blauw omlijnd' Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, zie figuur 4.2. Daarnaast vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, per spoor, over het water of door buisleidingen. Op circa 1 kilometer van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Op circa 1,2 kilometer van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen plaats. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10-6-contour of het invloedsgebied van het groepsrisico van de weg en de buisleidingen. Beide risicobronnen hebben geen externe werking op het plangebied. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.6

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het beleid en normstelling voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven.

32/33

Tabel 4.3

Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof

toetsing van

grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ( = 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 76 woningen.

Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Fazantenlaan, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 17,4 µg/m³ voor NO2, 18 µg/m³ voor PM10 en 10 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

33/34

Figuur 4.3

Maatgevende punt

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem.

34/35

Vooronderzoek en hypothese Uit het vooronderzoek is niet gebleken dat op of nabij de onderzoekslocatie bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Daarom is de locatie als "onverdacht" aangemerkt ten aanzien van bodemverontreiniging. De locatie is als niet-asbestverdacht aangemerkt. Verkennend bodemonderzoek Tijdens het veldwerk is gebleken dat de bovengrond bestaat uit siltig zand. De ondergrond bestaat tot de geboorde einddiepte grotendeels uit siltig zand en vanaf 1,50 à 1,80 m-mv uit kleiig veen. De grondwaterstand is waargenomen op een variërende diepte van 0,10 à 0,38 m-mv. Bij zintuiglijk onderzoek zijn geen afwijkingen waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat plaatselijk in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik en PAK zijn gemeten. Voor het overige zijn in de boven- en ondergrond geen gehalten boven de achtergrondwaarde gemeten voor de geanalyseerde parameters. In het grondwater zijn plaatselijk (marginaal) verhoogde gehalten aan naftaleen gemeten. Voor het overige zijn geen verhoogde gehalten gemeten in het grondwater. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10293759/1