CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

21 03 Wijziging APV tekst verordening

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Wijziging APV Westvoorne 202124.109 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

APV WESTVOORNE 2021 tekst

Vastgesteld 23 maart 2021

Inhoud APV WESTVOORNE 2021......................................................................................................1 Algemene bepalingen............................................................................................................... 3 Hoofdstuk 2.............................................................................................................................. 6 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en...................................................................6 milieu........................................................................................................................................ 6 Afdeling 1. Voorkomen van ongeregeldheden..........................................................................6 Artikel 2:2 Optochten................................................................................................................6 Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen...............8 Afdeling 3. Evenementen.......................................................................................................11 Afdeling 4.

Toezicht op openbare inrichtingen........................................................................14 Afdeling 5............................................................................................................................... 18 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet.............................................................................................................................. 18 Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf...............................20 Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden...........................................................................21 Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade................................22 Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen.....................................................................31 Afdeling 10. Consumentenvuurwerk.......................................................................................32 Afdeling 10a. Carbidschieten..................................................................................................33 Afdeling 11.

Drugsoverlast.....................................................................................................35 Afdeling 12............................................................................................................................. 36 Bestuurlijke bevoegdheden van de burgemeester..................................................................36 Hoofdstuk 3............................................................................................................................ 38 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d................................................................38 Afdeling 1. Begripsbepalingen................................................................................................38 Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke...............................39 Afdeling 3. Beslistermijn: weigerings- en intrekkingsgronden.................................................43 Afdeling 5. Overgangsbepaling..............................................................................................45 Hoofdstuk 4............................................................................................................................

46 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente............................................................................................................................... 46 Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting..........................46 ............................................................................................................................................... 49 Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden..........................................................................51 Afdeling 4............................................................................................................................... 52 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast......................................................................52 Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen.....................................................................53 Afdeling 6. Strand en duin/natuurgebied................................................................................54 Hoofdstuk 5............................................................................................................................ 56 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente.....................................56 Afdeling 1.

Parkeerexcessen en stopverbod..........................................................................56 Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan...............58 Afdeling 2. Collecteren........................................................................................................... 59 Afdeling 3. Venten.................................................................................................................. 60 Afdeling 4. Standplaatsen......................................................................................................61 Afdeling 5. Snuffelmarkten.....................................................................................................62 Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken................................................................63 Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en....................................................................65 ruiterverkeer in natuurgebieden..............................................................................................65 Afdeling 8. Vuurverbod........................................................................................................... 67 Afdeling 9. Asverstrooiing.......................................................................................................68 Afdeling 10.

Detectoren.......................................................................................................... 68 Afdeling 11. Bestrijding groei en verspreiding planten............................................................69 Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen.................................................................70 2

Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: o badseizoen: de periode van 1 april tot 1 november van enig jaar; o badstrand: het zeestrand met daarbij de droog liggende banken tussen de strandpalen 12.000 en 13.300; o bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. o bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

o beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; o bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; o bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Bouwverordening; o college: het college van burgemeester en wethouders; o duingebied: het gebied bestaande uit duinen, bossen, graslanden en daarin gelegen wateren; o exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; o gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; o handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; o openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; o openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; o parkeren: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het reglement verkeersregels en verkeersteken 1990; o

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; o strand: het zeestrand met daarbij de droog liggende banken; o vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten; o voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; o weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. o woonschip: elk vaartuig, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning of recreatieverblijf dan wel door zijn constructie, afmetingen en inrichting uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd of geschikt is om te worden gebruikt als woning of recreatieverblijf; o zwemplaatsen: die gedeelten van de openbare wateren, welke door middel van palen, drijvers of ander wijze van het openbaar water zijn afgescheiden, dan wel als zodanig zijn aangeduid;

3

Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11. 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn vastgesteld.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag [vervallen]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

4

Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde/overlast; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu; e. de verkeersveiligheid. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

5

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet of aangewezen. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2 Optochten [vervallen]

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. 6

Artikel 2:4 Afwijking termijn [vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens [vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op het badstrand Rockanje. 2.2.Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. [vervallen]

Artikel 2:8 Dienstverlening [vervallen]

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen [gereserveerd]

7

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats 1. Het is verboden de weg, een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg of de openbare plaats, de bruikbaarheid van de weg of de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg of de openbare plaats; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1.20 m wordt gelaten op voetpaden en van 3.50 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod in niet van toepassing op: a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de waterschapskeur of Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur. 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

8

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid [vervallen]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter de laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke . Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke [gereserveerd]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht . 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

9

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp [vervallen]

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen [vervallen]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.

10

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Onverminderd het gestelde in artikel 1.4 kan de burgemeester in het kader van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het houden van evenementen. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op: a. De plaats en het tijdstip van het evenement; b. De benodigde technische voorzieningen c. De inrichting van het evenemententerrein d. Het activiteitenprogramma e. Een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers en verkeersregelaars f. Het verkeersplan g. Geluidseisen 3. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: a. Dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement b. De verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd; c. De zedelijkheid of de gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd; d. Als het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat activiteiten worden verricht of voortgezet; e.

De bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde reguliere markt nodig is; 11

f.

De ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet; g. Tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen; h. De inhoud of de uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid , het imago of de belangen van de gemeente Westvoorne. i. het evenement van een categorie B- of C-evenement niet voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement zal plaatsvinden is aangemeld voor de regionale evenementenkalender. j. een aanvraag categorie A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement compleet is ingediend; k. een aanvraag categorie B- of C-evenement niet ten minste twaalf weken voor aanvang van het evenement compleet is ingediend. 4. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- of een C evenement indien de organisator; a. Onder curatele staat; of b. In enig opzicht van slecht levensgedrag is; of c. De leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt. 5. Voor de bepaling van de vergunningplicht en de categorisering van een evenement wordt aangesloten bij de uitkomsten van de (regionaal vastgestelde) risicoscan. Deze scan wordt door de gemeente en de politie ingevuld aan de hand van de gegevens van de vergunningaanvraag. 6.

Indien uit de risicoscan blijkt dat het om een evenement van de 0-categorie gaat en a. het aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 100 personen; b. het evenement vindt tussen 09.00 uur en 01.00 uur plaats; c. er wordt geen muziek ten gehore gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur; d. er worden slechts kleine objecten geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per object; e. er is een organisator; f. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; g. de organisator heeft uiterlijk binnen 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding gedaan aan de burgemeester; dan bestaat er geen vergunningplicht. Er is dan sprake van een meldingsplicht. In afwijking van hetgeen in lid 6 is bepaald, dient voor een evenement of melding in het Natura 2000 gebied te allen tijde een evenementenvergunning te worden aangevraagd. 7. De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 8. Een ontvankelijke aanvraag dient: a. voor een meldingsplichtig evenement dat valt onder de 0-categorie uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement te zijn ingediend; b.

voor een evenement dat valt onder de A-categorie uiterlijk 8 weken voorafgaand aan het evenement te zijn ingediend; c. voor een evenement dat valt onder de B- of C-categorie uiterlijk 3 maanden voorafgaand aan het evenement te zijn ingediend. 9. Evenementen die onder de B- of C-categorie vallen moeten voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar dat het evenement plaatsvindt, aangemeld te worden bij de gemeente, zodat getoetst kan worden of het evenement op de Regionale Evenementenkalender geplaatst kan worden. 10. De aanvrager krijgt voor 1 februari van het jaar waarin het evenement plaatsvindt bericht als het evenement niet geplaatst kan worden op de Regionale Evenementenkalender en niet plaats kan vinden op de aangevraagde datum. 11. De aanvraag voor een evenementenvergunning bevat ten minste; a. De plaats waar het evenement gehouden wordt 12

b. c. d. e. f. g.

De datum en het tijdstip waarop het evenement gehouden wordt Een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers De inrichting van het evenemententerrein Het activiteitenprogramma Tekeningen (op schaal) van het evenemententerrein Technische tekeningen (op schaal) van bouwwerken, podia en tenten op het evenemententerrein. h. De mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en veiligheid i. Het veiligheidsplan inclusief het aantal beveiligers j. Het verkeersplan inclusief het aantal verkeersregelaars k. De maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen l. De maatregelen die de organisator zelf zal nemen tijdens calamiteiten. 12. Indien het evenement als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten, kan de burgemeester aan het evenement voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de verkeersveiligheid. 13. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 14. De verlichting van het evenemententerrein dient op een zodanige wijze uitgevoerd te worden dat lichthinder zoveel mogelijk wordt beperkt. a.

Armaturen met alleen een uitstraling naar boven (bijvoorbeeld skybeamers en lasers) zijn niet toegestaan. b. De hoofdverlichting dient na afloop van het evenement zo spoedig mogelijk uitgeschakeld te worden. c. Vanaf een uur na afloop van het evenement mag alleen nog bewakingsverlichting ingeschakeld zijn. d. De bewakingsverlichting dient zodanig opgesteld te zijn dat er geen directe instraling bij de omliggende woningen plaatsvindt. 15. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

13

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder een openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, coffeeshop, cafetaria, snackbar, discotheek, seksinrichting, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt; 2. Een buiten de, in het eerste lid bedoelde, besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. 5. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; zorginstelling; b. museum; of c.

bedrijfskantine of restaurant 6. Voor de openbare inrichting als bedoeld in het vijfde lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. automatiek; b. broodjeszaak; c. cafetaria; d. croissanterie; e. koffiebar; f. lunchroom; g. ijssalon; h. snackbar; i. tearoom; j. traiteur; k. pizzeria. tenzij er in die openbare inrichtingen alcohol voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt.

14

8. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 9. De vrijstelling, genoemd in lid 8 wordt ingetrokken wanneer zich incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting 10. Het bepaalde in het achtste en negende lid geldt niet voor zover de Waterwet of de Wegenverordening Zuid-Holland van toepassing is. 11. De vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd of ingetrokken indien: a. de houder en de leidinggevenden geen verklaring omtrent gedrag overleggen die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; of b. De exploitant of beheerder onder curatele staat; of c. De exploitant of de beheerder niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt; of d.

De exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of e. Er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een wijziging in de exploitatie, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd; of f. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of g. Er uit feiten of omstandigheden blijkt dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. 12. Exploitatievergunningen voor openbare inrichtingen die zich nieuw in de gemeente vestigen worden verleend voor een periode van maximaal 1 jaar. Wanneer er zich in deze periode geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, wordt de exploitatievergunning, na aanvraag verlenging, vervolgens verleend voor onbepaalde tijd. 13. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling.

Artikel 2:28a Terrassen 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras te exploiteren. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 zijn terrassen geplaatst op trottoirs en direct aan of voor de gevel van het bij behorende bedrijfspand van waaruit het terras wordt geëxploiteerd vergunningsvrij mits: a. maximaal 8 zit- en/of staplaatsen gecreëerd worden; b. het terras maximaal de helft van het trottoir inneemt; c. op het trottoir altijd een obstakelvrije doorgang overblijft van minimaal 1,20 m in een rechte lijn; d. er geen alcoholische drank worden verstrekt en/of genuttigd; e. er vóór aanvang van de voorgenomen plaatsing, of wijziging van de in gebruik genomen ruimte voor het terras op de weg aan het college van burgemeester en wethouder melding is gedaan van deze plaatsing, of wijziging met het daarvoor door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde meldingsformulier; f. er geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8. 15

g. de geplaatste materialen niet omgevingsvergunningplichtig zijn. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.10 beslist de burgemeester over vergunningaanvragen die betrekking hebben op één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woonen leefsituatie of openbare orde in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 5. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van een terras. 6. De vergunning kan worden ingetrokken in het belang van: a. De openbare orde; of b. Het voorkomen of beperken van overlast; of c. De verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; of d. De zedelijkheid of gezondheid. 7. Onverminderd het derde en vijfde lid kan de burgemeester de ingebruikname van de weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren dan wel intrekken: a.

Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. Indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 8. Het bepaalde in dit artikel geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Rijkswegenreglement of de Provinciale wegenverordening. 9. De vergunning als bedoeld in lid 1 heeft in afwijking van het bepaalde in artikel 1:5 een zakelijk karakter. 10. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in lid 1.

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.30 uur en 06.00 uur (sluitingstijd). 2. Terrassen behorende bij openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 23.00 uur en 07.00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 5. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 6. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid, onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

16

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:30a Aanwezigheid exploitant of leidinggevende 1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te houden indien in deze inrichting niet aanwezig is: a. de exploitant die is vermeld in de vergunning of b. een leidinggevende die is vermeld in het aanhangsel bij de vergunning 2. In afwijking van het eerste lid is het een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te houden indien in deze inrichting niet aanwezig is: a. de exploitant die is vermeld in de vergunning of b. een leidinggevende die is vermeld in het aanhangsel bij de vergunning of c. een barvrijwilliger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder c, van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid. c. Op het terras spijzen of dranken verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan [vervallen]

17

Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34a Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: Drank- en Horecawet; b. terras: het buiten de besloten ruimte gelegen deel van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse mogen worden verstrekt; c. vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet; d. bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: - leidinggevenden in de zin van de wet; - personen die dienst doen in de inrichting; - personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; - paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf exploiteert. 2. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de overige begrippen in deze verordening verstaan hetgeen de wet daaronder verstaat.

Artikel 2:34b Voorschriften aan vergunningen om het horecabedrijf of het slijtersbedrijf uit te oefenen De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf of het slijtersbedrijf voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld: a. ter bescherming van de volksgezondheid, of b. in het belang van de openbare orde, of c. ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de wet.

Artikel 2:34c Prijsacties horeca Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:34d Verbod verstrekken alcoholhoudende drank 1. Het is verboden alcoholhoudende drank te verstrekken in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend welke deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt om onderwijs te geven aan leerlingen die merendeels de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. 2. Het is verboden sterke drank te verstrekken in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend: a. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten, worden verkocht; of b. welke deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties, of

18

c. welke deel uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer sportorganisaties of –instellingen, met uitzondering van watersportverenigingen.

Artikel 2:34e Schenktijden paracommerciële inrichtingen 1. Paracommerciële instellingen mogen, onverminderd artikel 2:34e, tweede lid, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 2. Paracommerciële instellingen mogen, onverminderd artikel 2:34e, eerste lid, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van 12.00 uur tot 24.00 uur. 3. In afwijking van lid 2 mogen tennisverenigingen, onverminderd artikel 2:34e, eerste lid, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van 12.00 uur tot 01.00 uur.

Artikel 2:34f Bijeenkomsten van persoonlijke aard Ter voorkoming van oneerlijke mededinging is het verboden in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen.

Artikel 2:34g Bijeenkomsten van derden Ter voorkoming van oneerlijke mededinging is het verboden in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen of organisaties die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken.

Artikel 2:34h Facultatieve ontheffingen 1. De burgemeester kan op aanvraag permanent, dan wel tijdelijk, ontheffing verlenen van de in artikel 2:34d gestelde verboden. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2. De burgemeester kan conform het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de wet, met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard op aanvraag voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen ontheffing verlenen van de in artikel 2:34e, f en g gestelde verboden en beperkingen. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag om ontheffingen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 2:34i Intrekkingsgronden ontheffing De in artikel 2:34h bedoelde ontheffingen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien: a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt, of b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist, of c. zich feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, of d. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen, of e. van de ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn, of indien de houder van de ontheffing dit verzoekt. 19

Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. 2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

20

Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen: 2. De burgemeester weigert de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn in totaal twee spelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee behendigheidsspelautomaten toegestaan, kansspelautomaten niet toegestaan.

21

Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen die daartoe ontheffing hebben ontvangen van het college of wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:41a Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.

Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6. Op aanvraag van een belanghebbende kan: a. een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden b. een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:41b Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten 1. Het college kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid van artikel 2:41c van toepassing is. 2. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van het college de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. 3. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. 22

4. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van het college de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. De gemeenteraad wordt hierover vooraf geconsulteerd.

Artikel 2:41c Vergunning uitoefening bedrijf 1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:41b aangewezen gebouw of gebied voor door het college benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:41b aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; 3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

Artikel 2:41d Vergunningaanvraag 1. De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:41c wordt aangevraagd door de exploitant. 2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 4. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 2:41e Intrekking en wijziging van een vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:41c intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of 23

c. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9840356/2