CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

11 Verordening maatschappelijke ondersteuning Voorne aan Zee

Commissie IZ & Middelen 1 november 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Harmonisatie Verordening maatschappelijke ondersteuning Voorne aan Zee17.964 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorne aan Zee Hoofdstuk 1: Definities en algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1.

2.

In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening of dienst waarvan het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover ook als hij geen beperkingen had, kon beschikken, omdat:  de voorziening niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking;  algemeen verkrijgbaar is en;  niet (veel) duurder is dan vergelijkbare producten;  bekostigd kan worden met een inkomen op minimumniveau. b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet; c. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee; d. beleidsregels WMO-vervoer: beleidsregels ten aanzien van de vervoersvoorziening; e. budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt waaruit blijkt dat de besteding van het persoonsgebonden budget voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening, zonodig aangevuld met voorwaarden die naar het oordeel van het college gesteld mogen worden; f. bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; g. gesprek: gesprek in het kader van onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; h. hoofdverblijf: woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning waarvoor woonlasten verschuldigd zijn, waar de persoon met beperkingen zich gevestigd heeft met het doel er voor langere tijd te verblijven; i.

hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; j. ingezetene: persoon die hoofdverblijf heeft in de gemeente Voorne aan Zee; k. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; l. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; m. pgb: persoonsgebonden budget, als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet; n. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; o. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; p. Wlz: Wet langdurige zorg; q. Zzp: zelfstandige zonder personeel volgens de criteria van de Belastingdienst. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2. Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. mantelzorg ondersteuning; b. welzijnswerk; c. algemeen maatschappelijk werk; d. ondersteuning vrijwilligerswerk; e. Andere voorzieningen m.b.t. deelname aan het maatschappelijk verkeer’ f. 75-plus vervoerspas. 2. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. huishoudelijke ondersteuning; b. woonvoorzieningen; c. vervoersvoorzieningen; d. rolstoelen; e. ambulante ondersteuning; f. dagbesteding; g. beschermd wonen, geclusterd wonen en opvang; h. Waakvlam; i. logeeropvang/respijtzorg.

Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Artikel 3. Melding 1. De melding kan schriftelijk worden gedaan op een door de gemeente beschikbaar gesteld meldingsformulier of op een voorgeschreven digitale wijze. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of per e-mail en wijst de cliënt op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van wet te overhandigen. 3. Het college maakt zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding een afspraak voor een gesprek. 4. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 5. 5. Het college kan afspraken maken met aanbieders en partijen uit het maatschappelijk middenveld op welke wijze zij, namens een cliënt, met een (gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een melding kunnen doen.

Artikel 4. Informatie en identificatie 1. De cliënt geeft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

2

2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 5, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.

Artikel 5. Onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger. 2. Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 3. De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f.

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn; h. de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken. 4. Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 5. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 7 in te dienen. 6. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 8. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3 tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid.

3

Artikel 6. Het verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en het gesprek. 2. Na het onderzoek gesprek verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek en het gesprek in een schriftelijk verslag. 3. De cliënt ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt het verslag ondertekend binnen 2 weken na het ontvangen naar het college. De beslistermijn wordt vanaf het moment van versturen van het advies totdat het is terugontvangen van de cliënt opgeschort. 4. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. 5. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en het gesprek. 6. Na het onderzoek gesprek verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek en het gesprek in een schriftelijk verslag. 7. De cliënt ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt het verslag ondertekend binnen 2 weken na het ontvangen naar het college. De beslistermijn wordt vanaf het moment van versturen van het advies totdat het is terugontvangen van de cliënt opgeschort. 8. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 7. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een cliënt schriftelijk ingediend bij het college middels een daarvoor bedoeld aanvraagformulier of op een volgens de gemeente vastgestelde werkwijze en kan pas worden ingediend nadat het onderzoek zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2. Een ondertekend verslag van het gesprek en onderzoek wordt eveneens beschouwd als aanvraagformulier. 3. Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel, waaronder over de wijze waarop de procedure voor een aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang in behandeling wordt genomen.

Artikel 8. Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of; d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; 4

f. algemene voorzieningen en/of; g. andere voorzieningen. 2. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of; d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f. algemene voorzieningen en/of; g. andere voorzieningen. 3. Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, er geen andere oplossing is, en b. het een van de volgende voorzieningen betreft: 1°. verhuiskostenvergoeding; 2°. vervoersvoorziening voor taxikosten of leef kilometervergoeding; 3°. Vervoersvoorziening voor rolstoeltaxikosten; 4°. een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is; 5°. Sportrolstoel; 6°.

overige sportvoorziening voor de meerkosten ten opzichte van ‘normale’ sportdeelname. 4. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 6. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. 7. De kostprijs van een voorziening wordt vastgesteld op een door het college vastgestelde wijze. 8. Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel en deze vastleggen in beleidsregels.

5

Artikel 9 Criteria algemene voorziening 75-plus vervoerspas

1. Voor de algemene voorziening 75 -plus vervoerspas voldoet de inwoner aan de volgende voorwaarden: a. De inwoner is 75 jaar of ouder op het moment van aanvraag; 2. Inwoners die een beroep wensen te doen op de 75- plus vervoerspas kunnen zich rechtstreek wenden tot het Wmo-loket van de gemeente/ de gemeente Voorne aan Zee. 3. Het college kan nadere regels stellen. Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende en tijdig beschikbare voorziening. 2. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet antirevaliderend werkt. 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat waarvan de cliënt op b. grond van het eigen kracht principe en eigen mogelijkheden redelijkerwijs gebruik kan maken; c. als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d.

als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning; e. als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; f. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; g. als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wlz of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is. Hierbij wordt artikel 2.3.5, zevende lid van de wet in acht genomen. 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: a. deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; b. de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Voorne aan Zee. 5.

Bij de te verstrekken collectieve vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.800 kilometer op jaarbasis. 6

6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning; d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; e. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; f. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; g.

in afwijking van lid 6 onderdeel b van dit artikel en artikel 2.3.5., zesde lid van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden. 7. Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel, waaronder over de wijze waarop voorzieningen worden verstrekt voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang.

Artikel 11. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking zoals bedoeld in artikel 11. 2. De cliënt moet zich, indien van toepassing, binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen zes maanden gebruiken voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.

Artikel 12. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een financiële maatwerkvoorziening of een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; c. de hoogte van de maatwerkvoorziening indien het een financiële maatwerkvoorziening betreft; d. indien van toepassing de termijn van zes maanden waarbinnen de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 10, tweede lid;

7

e. welke bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening; f. indien van toepassing aanvullende voorwaarden, zoals het anti-speculatie beding. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welk doel het pgb moet worden besteed; b. welke voorwaarden aan het pgb zijn verbonden; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, alsook de kwaliteitseisen die gesteld worden aan de in te kopen zorg; d. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; e. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; f. de termijn van zes maanden waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 10, tweede lid; g. hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden en; h. welke bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening; i. indien van toepassing aanvullende voorwaarden, zoals het anti-speculatie beding.

Artikel 13. Hoogte financiële tegemoetkoming personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. De tegemoetkoming voor individueel personenvervoer, zoals bedoeld bij sociale contacten in en rond de gemeente, bedraagt per kalenderjaar voor: a. taxikosten c.q. leef-kilometervergoeding maximaal € 1.650,-; b. rolstoeltaxikosten bedraagt maximaal € 2.060,-. 3. De tegemoetkoming voor verhuiskosten en bijkomende herinrichtingskosten, zoals bedoeld bij wonen in een geschikt huis, is gekoppeld aan de hoogte van de verhuiskostenvergoeding op grond van de regeling Minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie binnen het Burgerlijk Wetboek. Deze tegemoetkoming wordt jaarlijks van rijkswege vastgesteld en bedraagt met ingang van februari 2019 € 6.095,00. Uitbetaling vindt pas plaats als de klant een getekende huurovereenkomst of koopcontract overlegt van de voor hem meest geschikte beschikbare woning gelet op zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning. 4.

De tegemoetkoming voor de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening, zoals bedoeld bij het resultaatgebied deelname aan recreatieve activiteiten, bedraagt per drie jaar, inclusief onderhoud voor: a. een sportrolstoel maximaal € 3.600,00. Indien cliënt gemotiveerd aan kan tonen dat een duurdere rolstoel of andere sportvoorziening met een langere levensduur beter geschikt is dan kan het bedrag worden omgerekend naar een jaarbedrag en vermenigvuldigd worden met de technische levensduur van de voorziening met een

8

maximum van 6 jaar. De termijn voor het opnieuw verstrekken van een sportvoorziening is dan evenredig aan de verwachte levensduur met een maximum van 6 jaar; b. overige sportvoorzieningen maximaal € 300,00 van de meerkosten ten opzichte van ‘normale’ sportdeelname. 5. De gemeente kan ieder jaar een indexatie toepassen daarbij de Landelijke Tarievenindex (LTI) voor taxivervoer . De bedragen worden naar boven afgerond op 10-tallen. 6. Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel. Artikel 14. Regels voor een pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6., tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. De cliënt dient daarvoor een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a. hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; b. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; c. welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; d.

op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 3. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 4. Het pgb bevat in beginsel geen vrij besteedbaar bedrag. Het college heeft de discretionaire bevoegdheid om op verzoek van cliënt een vrij te besteden bedrag op te nemen in het pgb als naar het oordeel van het college blijkt dat een vrij te besteden bedrag redelijkerwijs noodzakelijk is voor de ondersteuning van de cliënt. 5. Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb: a. er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; b. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c.

de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. d. Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 6. Een aanvraag in de vorm van een pgb kan worden geweigerd indien de cliënt een gemachtigde of beheerder van het pgb heeft aangewezen die tevens uitvoerder is van de met het pgb ingekochte ondersteuning. 9

7. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Artikel 15. Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Informele hulp is: a. Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid; b. Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar bloed- of aanverwanten in de 1 e of 2e graad zijn van cliënt.

Artikel 16. Hoogte pgb 1. De omvang van het pgb voor een zaak bedraagt nooit meer dan de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. Indien nodig kan het pgb voor een hulpmiddel aangevuld worden met een vergoeding voor instandhoudingskosten. Indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten kan een pgb worden verstrekt ter hoogte van een door het college geaccepteerde offerte. 2. Indien het pgb is gebaseerd op een uur- dagdeel of etmaaltarief, wordt onderscheid gemaakt tussen ondersteuning geleverd door een erkende instelling, een gekwalificeerde zzp-er en personen uit het sociaal netwerk: a. Het tarief voor een erkende instelling is gelijk aan het tarief van de gelijkwaardige gecontracteerde ondersteuning in natura bij een leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht; b. Het tarief voor een gekwalificeerde zzp-er is gebaseerd op het tarief van de door de gemeente ingekochte gelijkwaardige ondersteuningsvorm minus 20% overheadkosten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht; 10

c. Het tarief voor een persoon uit het sociaal netwerk is gebaseerd op het tarief van de door de gemeente ingekochte gelijkwaardige ondersteuningsvorm minus 50% met een maximum van het gangbare tarief zoals genoemd in tweede lid van artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg voor een persoon uit het sociale netwerk. De ondergrens is gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder c bedraagt het pgb bij maatschappelijke ondersteuning die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 2ab lid 1 Uitvoeringsregeling Wmo 2015: a. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming of (zie toelichting); b. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2ab lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.

De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de ten tijde van de aanvraag meest recente richtbedragen van het Nibud of bij het ontbreken daarvan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening. 4. Indien het op basis van het eerste en tweede lid van dit artikel vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 5. De hoogte van het pgb voor vervoer is gelijk aan het tarief van het Openbaar Vervoer waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van de cliënt, tot maximaal 1.800 kilometer per kalenderjaar. 6. De hoogte van het pgb voor collectief vervoer in de vorm van de regiotaxi is gelijk aan het aantal zones of kilometers dat verstrekt wordt als er sprake is van zorg in natura en op basis van de gecontracteerde prijs bij de aanbieder van het collectief vervoer met daarop in mindering gebracht de vigerende eigen bijdrage voor het door de gemeente georganiseerde collectieve vervoer. 7.

De hoogte van het pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding wordt vastgesteld op basis van het toepasselijke tarief van de gelijkwaardige voorziening in natura bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het Openbaar Vervoer de cliënt belemmeren. 8. De hoogte van het pgb voor een autoaanpassing wordt vastgesteld op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. 9. De hoogte van het pgb voor het bezoekklaar maken van een woning wordt vastgesteld op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer. Het pgb bedrag kan nooit hoger zijn dan de daadwerkelijk gemaakte kosten. 10.De hoogte van het pgb voor kortdurend verblijf en respijtzorg wordt vastgesteld op:

11

a. basis van het laagst toepasselijke tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien de voorziening wordt uitgevoerd door een professionele instelling; b. 50% van het toepasselijke tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een gemeente gecontracteerde aanbieder met een maximum van het tarief in het tweede lid van artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg voor een persoon uit het sociale netwerk.

Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten Artikel 17. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen of pgb 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt cq er de beschikking over heeft of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt of toegekend. 2. De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit. 3. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd per bijdrageperiode door: a. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120 % van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 21 Participatiewet, uitgaande van de norm van juli van het voorgaande jaar afgerond naar boven op tientallen; b. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120 % van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 22 van de Participatiewet, uitgaande de norm van juli van het voorgaande jaar afgerond naar boven op tientallen; c.

de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120 % van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 22 van de Participatiewet, uitgaande van de norm van juli van het voorgaande jaar afgerond naar boven op tientallen. 4. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt. 6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 7. Voor de voorziening collectief vervoer is het abonnementstarief niet van toepassing. 8. Aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening collectief vervoer wordt enkel door de vervoerder een intstaptarief en een bijdrage per kilometer in rekening gebracht ter hoogte van de kosten van het Openbaar Vervoer. 9. De bijdragen in de kosten voor opvang worden door het CAK vastgesteld en geïnd. Alle eigen bijdragen worden geïnd door het CAK. 10. De ingangsdatum van de bijdrage als genoemd in het eerste lid start bij de ingangsdatum van de zorg of levering van de voorziening voor zolang de cliënt gebruik maakt van de zorg en/of de beschikking heeft over de voorziening. 11.

Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd.

12

12. Als de woning waarvoor een Wmo voorziening is verstrekt wordt verkocht kan de voorziening worden teruggevorderd. Het college kan hierover nadere regels vastleggen in beleidsregels. 13. Uitgezonderd van een eigen bijdrage kunnen worden zogenaamde zorgmijders voor zover de toekenning van de Wmo-voorziening betrekking heeft op de problematiek die ten grondslag ligt aan het zorgmijden. 14. Het college kan nadere regels stellen betreffende het opleggen van een bijdrage in de kosten.

Hoofdstuk 5: Bestrijding misbruik Artikel 18. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem rede-

lijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; of f. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt; g. de ondersteuning of voorziening die wordt ingekocht niet voldoet aan de kwaliteitseisen zoals gesteld bij zorg in natura en de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning; 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden; 5.

Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb; 6. Het college kan het terug te vorderen bedrag, als bedoeld in lid 5, bij dwangbevel invorderen. 7. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Het college kan hierover nadere regels vastleggen in beleidsregels. 8. Het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het uitoefenen van toezicht 13

als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 en artikel 5.11 van de Awb met de daarbij horende bevoegdheden om het toezicht te kunnen uitvoeren, waaronder mede begrepen het uitoefenen van toezicht op de rechtmatigheid van besluiten en opdrachtuitvoering in het kader van deze wet, deze verordening en de daarbij horende beleidsregels. Artikel 19. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden. Artikel 20. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18, derde lid, onder d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste en of tweede lid.

Artikel 21. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding en de wijze van het uitvoeren van toezicht hierop.

Hoofdstuk 6: Kwaliteit en veiligheid Artikel 22. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a. doeltreffendheid: de ondersteuning biedt zicht op resultaat; b. voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt; c. voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg; d. inzet van de juiste deskundigheid; e. ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector; f. er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard; g. aanbieders stellen een (integraal) ondersteuningsplan op; h. aanbieders rapporteren over de resultaten;

14

i. aanbieders evalueren regelmatig de inzet in relatie tot het resultaat en stelt dit in het gesprek met de inwoner en zijn mantelzorger of vertegenwoordiger aan de orde. Deze uitkomst wordt betrokken bij de innovatie van de wijze waarop de ondersteuning wordt aangeboden. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3. Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 4. Instellingen dragen zorg voor veiligheid van inwoner en personeel tijdens de door hem geleverde dienstverlening. Het gaat hierbij om veilige gebouwen, veilig aanbod en veilig voelen. Als een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de hoofdaanbieder er verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 5.

Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt of steekproefsgewijs ter plaatse controleren van de kwaliteit van de geleverde voorzieningen. 6. Het college wijst op grond van artikel 6.1 van de Wmo en zoals bedoeld in artikel 5.11 Awb een toezichthouder aan welke toeziet op de naleving van de kwaliteitseisen alsook voor het uitoefenen van toezicht op de rechtmatigheid van besluiten in het kader van deze wet, deze verordening en de daaraan verbonden beleidsregels. 7. De geleverde ondersteuning of voorziening welke wordt verstrekt in de vorm van een pgb dient aan dezelfde kwaliteitseisen te voldoen als verstrekkingen van ondersteuning of voorzieningen in het kader van deze wet of verordening in de vorm van natura. 8. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de kwaliteitseisen van voorzieningen.

Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; 15

c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van loon binnen een overeenkomst; f. overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii. instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening, en; iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 24. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Hoofdstuk 7: Waardering mantelzorgers Artikel 25. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit: een uitnodiging voor de dag van de mantelzorger, gezamenlijke koffie/borrel/uitstapje, deelname aan het mantelzorgcafé en een financiële tegemoetkoming of een financiële tegemoetkoming op een mantelzorgpas. Hoofdstuk 8: Klachten en medezeggenschap Artikel 26. Klachtregeling 1.

Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door hen geleverde diensten en goederen.

16

3. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders 1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de aan hen geleverde Wmo voorziening. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 9: aanvullende bepalingen en overgangsrecht Artikel 29. Aanvullende bepalingen 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening en de hierop gebaseerde regelgeving niet voorziet, beslist het college. 2. Indien de herbeoordeling leidt tot een wijziging ten nadele van de bewoner wordt een gewenningstermijn gehanteerd van minimaal 3 maanden en maximaal 6 maanden, ingaande vanaf de datum van het nieuwe besluit. 3. Het college is bevoegd ter zake van de uitvoering van deze verordening en de daarop berustende besluiten nadere regels te stellen, overeenkomsten met derden aan te gaan en 4. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Over de uitvoering wordt jaarlijks gerapporteerd. Artikel 30. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan. Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

17

1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westvoorne/Brielle/Hellevoetsluis 2021 wordt ingetrokken per 31 december 2022. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westvoorne/Brielle/Hellevoetsluis 2021, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westvoorne/Brielle/Hellevoetsluis2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening. 4. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westvoorne/Brielle/Hellevoetsluis 2021, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westvoorne/Brielle/Hellevoetsluis 2021 die daarvoor zijn geldigheid behoudt. 5. Van het vierde lid kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 31 december 2022 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westvoorne/Brielle/Hellevoetsluis 2021. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorne aan Zee.

18

TOELICHTING OP DE VERORDENING Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in 3 hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht: 1. het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; 2. het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; 3. het bieden van beschermd wonen en opvang. De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Het plan is erop gericht dat: a. cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. cliënten die beschermd wonen of opvang ontvangen, een veilige woonomgeving hebben en, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

De Wmo 2015 schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015).

De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die volgens de wet verplicht zijn (zie de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de wet). Daarbij is ook gebruik gemaakt van de bepalingen in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde modelverordening. Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om:   

de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen; de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te inventariseren; te achterhalen welk oplossingen de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen.

19

te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de cliënt.

De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Mandaat college De Wmo 2015 en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of nietondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt (ten aanzien van een voorziening) mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1: Definities en Algemene bepalingen In hoofdstuk 1 wordt uitgelegd wat er verstaan wordt onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening. Tevens wordt bepaald welke algemene en maatwerkvoorzieningen in ieder geval beschikbaar worden gesteld.

Artikel 1. Definities

20

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.

Lid 1 Lid 1 onder a. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Eerst dient de vraag te worden gesteld of de zaak op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. De criteria om dit te beoordelen zijn benoemd door de Centre Raad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals: a. b. c. d.

de voorziening is algemeen verkrijgbaar; de voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking; de voorziening is niet aanzienlijk duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel; de voorziening kan worden bekostigd met een inkomen op minimum niveau.

Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de cliënt, zoals leeftijd en inkomen, een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager. Lid 1 onder b. andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Lid 1 onder h. hoofdverblijf: Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf, is hier verduidelijkt wat hier onder wordt verstaan. Lid 1 onder i. hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. Lid 1 onder j. ingezetene: 21

Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 2209-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend.

Lid 1 onder k. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Lid 1 onder l. persoonlijk plan: In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken. Lid 1 onder q. zzp: Criteria ZZP-er Om te kunnen bepalen of iemand een zzp-er is, kan worden aangesloten bij de criteria van de Belastingdienst:      

aantal opdrachtgevers: een ondernemer heeft meerdere opdrachtgevers of klanten en heeft wisselende inkomsten; zelfstandigheid: de ondernemer bepaalt zelf hoe hij het werk uitvoert; streven naar continuïteit: de ondernemer onderneemt acties om te zorgen dat het bedrijf blijft bestaan; investeren: de ondernemer investeert in zijn bedrijf: Bedrijfsmiddelen, marketing, enzovoorts; risico: de ondernemer loopt zelf het risico als dingen misgaan, is bijvoorbeeld aansprakelijk bij schade; winst: de ondernemer streeft naar winst.

Lid 2 De begrippen die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. Voorbeelden hiervan zijn de begrippen algemene voorziening en maatwerkvoorziening. Artikel 2. Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen

22

De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene (vrij toegankelijke) voorziening kan zijn als een individuele maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de maatwerkvoorzieningen zal door de gemeente eerst beoordeeld moeten worden of deze ondersteuning daadwerkelijk nodig is. De bewoner heeft recht op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. In dit artikel worden de diverse vormen van het aanbod van voorzieningen nader omschreven.

Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding en aanvraag- fase zijn opgenomen in het volgende hoofdstuk. Artikel 3. Melding In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor. Artikel 4. Informatie en Identificatie Deze bepaling is opgenomen voor het borgen van een zorgvuldige procedure.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11957742/2