CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Zonnepark Tinte Ruimteljke Onderbouwing

Commissie GG & Milieu 27 juni 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Zonnepark Konneweg Tinte30.719 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dit zou er voor kunnen zorgen dat een beperkte groep zich alsnog wil vestigen in Tinte. De analyses zijn opgenomen in bijlage 6 en 7 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Voor een uitgebreide behandeling van de gemeentelijke visie en de aanvullende haalbaarheidsanalyses in relatie tot de locatiekeuze, wordt verder verwezen naar paragraaf 4.3.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. 

In aanvulling op het bovenstaande is in overleg met de provincie gekomen tot een juridische constructie waarmee tegemoet wordt gekomen aan de provinciale belangen ten aanzien van glastuinbouw. Verwezen wordt naar paragraaf 2.2.4 met betrekking tot de instandhoudingstermijn. In tegenstelling tot de gebruikelijke exploitatietermijn van 25 jaar voor zonneparken, wordt de mogelijkheid ingebouwd deze termijn na 16 jaar te beëindigen indien zich een nieuwe koper in het gebied aandient die ter plaatse een glastuinbouwbedrijf wil exploiteren. Indien daarvan geen sprake is, wordt de omgevingsvergunning automatisch verlengd met nog eens 9 jaren, zodat het zonnepark daarmee in totaal gedurende 25 jaar kan worden geëxploiteerd. Een en ander zal anterieur worden geborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 23

Uitgangspunten fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van bovengenoemde ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving:  Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Zuid−Holland.  Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen. Hierin beschrijft de provincie welke kwaliteiten in welke gebieden worden nagestreefd.  Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Verbeteren van ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag.

Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). Binnen deze spelregels en met dit gedeelde kwaliteitsbeeld is er ruimte voor maatwerk om te komen tot de best mogelijke oplossing voor de gestelde opgave. De provincie beschikt over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont en onderdeel is van het Omgevingsbeleid. De kwaliteitskaart staat met de bijbehorende uitwerking in richtpunten aan de basis van de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, die een handreiking vormen voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.

Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:  De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.  Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.  Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.  Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 24

figuur 4.3 Inpassen, aanpassen en transformatie (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Relatie tot de ontwikkeling Bij de realisatie van een zonnepanelenpark zijn de regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit van belang. Aan de hand van de kwaliteitskaart dient gemotiveerd te worden dat de beoogde ontwikkeling naar aard en omvang past in de omgeving. Daarbij kan sprake zijn van inpassen, aanpassen of transformeren. De van toepassing zijnde onderdelen van de kwaliteitskaart in relatie tot de beoogde ontwikkeling worden in de navolgende subparagraaf 3.2.1.1 verder besproken. Om te voorzien in een goede landschappelijke inpassing van het zonnepanelenpark is gebruik gemaakt van landschapsarchitecten Feddes en Olthof. Het landschappelijk inpassingsplan wordt besproken in paragraaf 4.1. De beoogde ontwikkeling is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Zuid-Holland bestaat uit een scala aan gebieden en kenmerken. Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen:  Laag van de ondergrond  Laag van de cultuur- en natuurlandschappen  Laag van de stedelijke occupatie  Laag van de beleving Voor iedere plek is een aantal lagen van toepassing. Het is dan ook van belang die lagen en de bijbehorende richtpunten in samenhang te beschouwen. Kwaliteitskaart en richtpunten vormen een belangrijk en richtinggevend onderdeel van het handelingskader ruimtelijke kwaliteit.

Ruimtelijke ontwikkelingen worden getypeerd als inpassing, aanpassing of transformatie. Inpassing, aanpassing of transformatie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepanelenpark in glastuinbouwgebied. Een dergelijk ontwikkelproject kan worden getypeerd als aanpassing: dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet, zoals bij de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed. Aanpassing is sterk gericht op het vergroten van de gebruikswaarde van een gebied. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk de invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Toets aan kwaliteitskaart en gebiedsprofiel Voorne-Putten Op het plangebied is een drietal kaartlagen van toepassing. Het gaat om de laag van de ondergrond, de laag van cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de stedelijke occupatie.

Binnen de lagen is sprake van verschillende onderdelen en bijbehorende richtpunten. Hieronder wordt per kaartlaag aangegeven welk onderdeel op de locatie van toepassing is. Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 25

Kaartlaag I: Laag van de ondergrond  Rivierdeltacomplex  Water als structuurdrager Kaartlaag II: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen  Rivierdeltalandschap Kaartlaag III: Laag van de stedelijke occupatie  Glastuinbouwgebieden  Bouwwerken voor energieopwekking tabel 4.1 Toets aan kwaliteitskaart Kaartlaag en onderdeel Richtpunten Laag van de ondergrond  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke pro Rivierdeltacomplex cessen en zoet-zoutovergangen in de Deltawate(1) ren en natuurlijke buitendijkse gebieden. (1)  Water als structuur Ontwikkelingen houden rekening met hun invloed drager (2) op het watersysteem als geheel en dragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem. (2)  Ontwikkelingen versterken de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van ZuidHolland. Ruimte voor natuurlijke dynamiek is hierbij een uitgangspunt. (2)  Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater. (2) Laag van de cultuur- en natuurlandschappen  Rivierdeltalandschap

  

 

Laag van de stedelijke occupatie  Glastuinbouwgebieden

 

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. Nieuwe glastuinbouwgebieden worden zoveel mogelijk binnen of in aansluiting op bestaande glastuinbouwgebieden geconcentreerd. Nieuwe ontwikkelingen in de glastuinbouw sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur. Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Relatie tot ontwikkeling  De projectlocatie is niet gelegen in de deltawateren of in buitendijks gebied. Het genoemde richtpunt is daarmee niet relevant voor de beoogde ontwikkeling.  Paragraaf 4.10 gaat in op de waterhuishoudkundige situatie en het effect daarop als gevolg van de ontwikkeling. Mogelijk is een aantal activiteiten aan een watervergunningplicht onderhevig. Overleg vindt plaats met het bevoegde waterschap, zodat negatieve effecten worden vermeden.  Het project heeft geen invloed op het karakter en de kenmerken van de eilanden.  De ontwikkeling vindt niet plaats aan de rand van de eilanden, een dijk of deltawateren.  De locatie is niet gelegen binnen opwas- en/ of aanwaspolders.  De noordelijk gelegen kreek wordt gerespecteerd. Er wordt een passende afstand tot de kreek bewaard en er is aandacht voor de landschappelijke inpassing langs de randen, waaronder langs de noordzijde bij de kreek.  Van een nieuw glastuinbouwgebied is geen sprake. Het initiatief behelst de realisatie van een zonnepark en is geen glastuinbouwontwikkeling. Wel wordt het zonnepark opgericht binnen glastuinbouwgebied.  Bij de landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden met het zakelijke karakter van het glastuinbouwgebied en wordt zorg gedragen voor een goede inpassing van de randen.

Pagina | 26

Bouwwerken voor energieopwekking Hoewel het ter plaatse van de projectlocatie niet naar bovenkomt op de kwaliteitskaart, is binnen de derde kaartlaag ook een richtpunt opgenomen voor bouwwerken voor energieopwekking. Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking is altijd een zorgvuldige locatiekeuze en inbedding in de omgeving van belang. Een beeldkwaliteitsparagraaf moet inzicht geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. In paragraaf 2.2 is ingegaan op de landschappelijke inpassing van het zonnepark. Daarbij is onder meer rekening gehouden met het gebiedsprofiel ‘Voorne – Putten’ zoals hieronder besproken. Gebiedsprofiel Voorne-Putten Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. Voorbeelden van kenmerkende ruimtelijke elementen zijn: de verkavelings- en waterstructuur, linten, laanbeplantingen, herkenbare dijken en openheid. De gebiedsprofielen geven een overzicht van de landschappelijke waarden, waarmee bij ruimtelijke ingrepen rekening moet worden gehouden. Maar ze beschrijven ook ambities die richting geven aan de ontwikkeling van de kenmerken. Het gebiedsprofiel is een regionale uitwerking van de provinciale kwaliteitskaart. Voor het gebied waar de projectlocatie onder valt is gebiedsprofiel ‘Voorne – Putten’ vastgesteld.

De ringpolders in het westen tegen de duinen aan, behoren tot de oudste polders van Voorne-Putten. De dijken zijn belangrijke structurerende elementen in het landschap. Ze verdelen het landschap en bieden een panorama op de omgeving. Er zijn verschillende typen dijken: de dijken van de ringpolders en de dijken van de aanwaspolders.  De ringdijken (veenpolders) worden -zo mogelijk- stevig ingeplant.  De dijken benutten voor het ontwikkelen van een samenhangend recreatief netwerk door deze toegankelijk te maken. De routes liggen bij voorkeur op de kruin van de dijk.  Ontwikkelen van het netwerk aan dijken tot een ecologisch netwerk. Van oudsher zijn er op Voorne-Putten (glas)tuinbouwbedrijven vanwege het gunstige klimaat. Het glas bevond zich oorspronkelijk in het tuinbouwgebied in de binnenduinrand. De laatste jaren is de sprong naar de zeekleipolders gemaakt naar voor hervestiging aangewezen gebieden bij Tinte en Vierpolders. Binnen het gebiedsprofiel Voorne – Putten gelden de volgende uitgangspunten voor ontwikkeling:  Ontwikkelingen in de glastuinbouw dragen bij aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren.  Bij de inpassing van glastuinbouw wordt aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing en de aansluiting op de omgeving.

Er wordt aangesloten op bestaande landschappelijke structuren en verbindingen tussen glastuinbouwgebied en omgeving Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de kwaliteitskaart en de daaruit voortvloeiende regionale gebiedsprofielen voor ruimtelijke kwaliteit. De projectlocatie valt zoals gesteld onder gebiedsprofiel ‘Voorne – Putten’. In het landschappelijk inpassingsplan zoals opgesteld door landschapsarchitecten Feddes/ Olthof, is rekening gehouden met dit gebiedsprofiel. Hieronder wordt kort ingegaan op hoe het project binnen dit gebiedsprofiel past. Het inpassingsplan is reeds besproken in hoofdstuk 2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing en is tevens opgenomen in de bijlage 1. Er is sprake van een rechthoekig plangebied binnen het bestaande glastuinbouwgebied Tinte. Passend bij het glastuinbouwgebied vormen de panelen binnen het zonnepanelenpark zakelijke rechte vakken. De vorm van het plangebied leent zich bovendien goed voor een zuidopstelling van de panelen. De panelen worden zo verdraaid dat deze haaks staan op de oriëntatie van de kavel en hoogspanningsverbinding. Hierdoor krijgt het geheel een strakke en zakelijke uitstraling.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 27

Conclusie Het project houdt rekening met de relevante richtpunten uit de kwaliteitskaart en het gebiedsprofiel Voorne – Putten. Het plan is in lijn met de provinciale ambities en beleidskeuzes ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. 4.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Met ingang van 15 maart 2022 is, naast de Omgevingsvisie, ook de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening, waarin de beleidskeuzes worden vertaald naar een concrete juridische regeling. In de verordening van provinciale staten van ZuidHolland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan. Relatie tot ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Daarnaast zijn een aantal onderwerp- en gebiedsspecifieke bepalingen van toepassing. In onderstaande tabel zijn de bepalingen uit de provinciale Omgevingsverordening – voor zover relevant voor de ontwikkeling - opgenomen. tabel 4.2 Toets aan Omgevingsverordening Zuid-Holland Thema Artikel Randvoorwaarden Ruimtelijke Artikel 6.9 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangekwaliteit (lid 1 tot toond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten en met 5) minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie, beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4.

Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Relatie tot ontwikkeling Het voorgenomen initiatief valt onder artikel 6.9, lid 5, onder a van de Omgevingsverordening Zuid-Holland, omdat geen wijzigingen op structuurniveau worden voorzien. Aan de richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit wordt voldaan, zoals aangetoond in paragraaf 4.2.1.2). De ruimtelijke kwaliteit blijft ten minste gelijk en wordt door een goede landschappelijke inpassing waar mogelijk versterkt. Lid 4 is niet van toepassing op het project.

Pagina | 28

5.

Glastuinbouwgebied

Artikel 6.15 , lid 1

Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;

Een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking.

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark binnen glastuinbouwgebied Tinte en betreft daarmee een voorziening voor energieopwekking. Voorwaarde voor een dergelijke ontwikkeling is dat geen sprake mag zijn van een verdringend effect. De wijze waarop tegemoetgekomen wordt aan dit belang, is reeds onderbouwd in paragraaf 4.2.1.1.

Conclusie Er wordt voldaan aan artikel 6.9 en 6.15 van de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.2.1

Energieagenda 2016-2020-2050 ‘Watt Anders’

De provincie voert regie op de energietransitie in Zuid-Holland. Richtinggevend is Watt anders, Energieagenda 2016-2020-2050. Deze Energieagenda, vastgesteld op 12 oktober 2016 door Provinciale Staten, kenmerkt zich door een uitvoeringsgerichte aanpak. De Energieagenda bevat ambities en acties om energie te besparen en versneld over te stappen van fossiele bronnen naar hernieuwbare bronnen. Trias Energetica De Energieagenda legt de prioriteit bij de gebouwde omgeving, industrie, glastuinbouw en mobiliteit & infrastructuur. Gebouwde omgeving verwijst naar woningen, scholen, kantoren en bijvoorbeeld ziekenhuizen. Steeds wordt de trias energetica gevolgd: 1. Energie besparen. 2. Hernieuwbare bronnen benutten. 3. Onvermijdbare koolstofbronnen zó gebruiken dat ze zo min mogelijk CO2-uitstoot veroorzaken. Hernieuwbare bronnen benutten Zuid-Holland hanteert als ambitie om in 2020 minimaal 9% van de energieconsumptie duurzaam op te wekken. Wij hebben eerder uitgerekend dat dit voor die termijn het hoogst haalbare is, gegeven het bijzondere karakter van de Zuid-Hollandse economie.

Voor deze tussenstap is nodig:  Meewerken aan 7,8 PJ energiebesparing en -transitie in de industrie, de gebouwde omgeving (woningen & kantoren) en glastuinbouw;  Bevorderen dat 20 PJ restwarmte en aardwarmte in de glastuinbouw en de steden kan worden benut;  Mogelijk maken van 735,5 MW opgesteld vermogen aan windenergie op land;  Stimuleren van innovaties op het gebied van zonne-energie (1,5 PJ) en energie uit biomassa.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 29

Bovenstaande betreft zoals gezegd een tussenstap richting het behalen van de doelstellingen op lange termijn. In 2035 is de energievoorziening van de gebouwde omgeving CO2 -neutraal. In 2050 is de CO2-uitstoot met 80-90% verminderd ten opzichte van 1990. Zonne-energie De ontwikkeling van zonne-energie groeit. De schatting is dat Zuid-Holland op dit moment jaarlijks 0,3 PJ aan zonne-energie opwekt. Er zijn zowel in de gebouwde omgeving en in het landelijk gebied nog veel geschikte locaties. Denk aan daken van woningen en bedrijven, geluidschermen langs wegen en spoorwegen, maar ook aan terreinen met industriële functies zoals stortplaatsen en zuiveringsinstallaties. De ruimtelijke inpassing van zonnevelden wordt nader bekeken. In de periode tot 2020 ligt een vervijfvoudiging van het aandeel van zonne-energie tot 1,5 PJ binnen bereik. Relatie tot de ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een zonnepanelenpark. Over zonneparken wordt in de Energieagenda nog niet heel uitgebreid stilgestaan, omdat de mogelijkheden daartoe ten tijde van het opstellen van de agenda nog werden onderzocht. Nieuwe inzichten hebben geleid tot een aanpassing van het provinciale beleid zoals in voorgaande paragrafen is beschreven. De locatie leent zich goed voor de aanleg van een zonnepanelenpark.

De realisatie van de beoogde ontwikkeling levert daarmee een substantiële bijdrage aan het behalen van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van CO2-reductie in het algemeen en het opwekken van duurzame energie bijzonder: de komende vijf jaar voorziet de provincie immers een vervijfvoudiging van het aandeel zonne-energie. Het beoogde zonnepanelenpark levert een CO2-reductie van 4.819 ton per jaar op en kan ruim 3.200 huishoudens van zonne-stroom voorzien. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de provinciale Energieagenda 2016-2020-2050 (“Watt Anders”).

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 30

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 Op 24 januari 2017 heeft de gemeente Westvoorne de nu geldende ‘Omgevingsvisie Westvoorne 2030’ vastgesteld. In deze visie worden de verschillende belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. De gemeente benoemt de eigen identiteiten en zet in op het behouden en verbeteren van deze identiteiten aan de hand van toekomstige ontwikkelingen: behoud door ontwikkeling. De Omgevingsvisie bevat een visiekaart. Op die kaart is af te lezen van welk gebied een locatie onderdeel uit maakt alsook de eventuele gewenste ontwikkelingsrichting. Figuur 4.4 toont een uitsnede van de visiekaart, met de projectlocatie globaal omcirkeld in het rood. Te zien is dat de locatie onderdeel uitmaakt van de oude zeekleipolders en gelegen is binnen glastuinbouwgebied. figuur 4.4 Visiekaart Omgevingsvisie Westvoorne

Milieu, gezondheid en duurzaamheid Het milieu-, gezondheids- en duurzaamheidsbeleid is gericht op een duurzame, gezonde en toekomstbestendige gemeente waar het goed wonen, werken en recreëren is. Het toekomstbeeld is:  een samenleving waar de milieubelasting door bodemvervuiling, geluid- en luchtverontreiniging en externe veiligheidsrisico’s laag is;  een samenleving die alleen gebruik maakt van hernieuwbare energie, waar kringlopen gesloten zijn en waar afval niet bestaat, omdat alle producten weer worden hergebruikt volgens de principes van een circulaire economie;  een duurzaam ingerichte leefomgeving, waarbij in het ontwerp van woningen, straten en wijken rekening wordt gehouden met de gevolgen van een veranderend klimaat. Het gaat bij deze klimaatadaptatie bijvoorbeeld om gebruik van duurzame energie, bouw van woningen met een gezond leefklimaat en een lage milieubelasting maar ook om buitenruimtes die extreme weersomstandigheden kunnen opvangen (hitte, droogte, overmatige neerslag) en die geschikt zijn als leefruimte voor planten en dieren die in de gemeente voorkomen. Schone energie en energiebesparing Om te komen tot schone energie en energiebesparing (met een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050) heeft de gemeente Westvoorne zich een aantal doelstellingen gesteld, waaronder:

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 31

Het faciliteren van het optimaal benutten van bebouwde ruimtes voor de opwekking van zonne-energie. Aanvullend stimuleert de gemeente particulier initiatief om op onbebouwde restruimtes in bijvoorbeeld het glastuinbouwgebied Tinte zonnepanelen aan te brengen.

Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepanelenpark in een gebied dat in de Omgevingsvisie is aangewezen als gebied waar de gemeente opwekking van zonne-energie faciliteert. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Westvoorne 2030. 4.3.2 Gebiedsvisie Glasintensiveringsgebied Tinte De gemeente Westvoorne beschikt over de Gebiedsvisie Glasintensiveringsgebied Tinte (gebiedsvisie). Het vigerende bestemmingsplan “Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte” omschrijft de ontwikkelingen in het gebied op basis van een voorkeursvariant uit de gebiedsvisie. De gebiedsvisie maakt duidelijk dat de gemeente van oudsher een tuinbouwgebied is. Al in het begin van de 19e eeuw vormde de tuinbouw een wezenlijk onderdeel van het dagelijks leven in de dorpen Oostvoorne en Rockanje. De schaalvergroting in de glastuinbouw vanaf de jaren '80 van de 20e eeuw had een sterke toename van het glas tot gevolg binnen de huidige gemeentegrenzen. De toename van het glas bracht negatieve gevolgen voor de beleving van het landschap met zich mee, vooral voor de kwetsbare binnenduinrand, vanouds een belangrijk gebied voor de tuinbouw. Uit de zorg om het landschap en de wens om perspectief te bieden voor de tuinders, is het concentratiebeleid voor de glastuinbouw geboren.

Het gebied tussen de Rietdijk en de Schrijversdijk, kortweg 'Tinte' genoemd, is daarbij aangewezen als intensiveringsgebied. figuur 4.5 Uitsnede voorkeursvariant Gebiedsvisie (bron: Bpln. Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte)

Binnen het bestemmingsplangebied is sprake van gebiedsontwikkelingen die gebaseerd zijn op een van de voorkeursvarianten uit de gebiedsvisie. Deze voorkeursvariant is daarmee leidend voor de ontwikkelingen binnen het gebied. Figuur 4.5 betreft een uitsnede van de voorkeursvariant zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De projectlocatie waarop het zonnepanelenpark wordt beoogd is aangeduid in het rood. De geel gearceerde gebieden bieden mogelijkheden om het te verplaatsen glas van elders uit de gemeente in het plangebied te accommoderen en dit glas zoveel mogelijk te concentreren en aan te sluiten bij bestaande glasopstanden. Ook zijn deze gebieden bedoeld om mogelijkheden te bieden aan de reeds aanwezige glastuinbouwbedrijven binnen het plangebied voor een verdere groei

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 32

boven hun bestaande uitbreidingsrechten, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Binnen de aangegeven gebieden is ruimte voor de uitbreiding (bovenop de bestaande uitbreidingsrechten) van het bestaande netto glasareaal met maximaal 55 ha (ten opzichte van de ijkdatum: 1 januari 2007). De beschikbare ruimte heeft een grotere opnamecapaciteit dan de 55 ha. Hierdoor is er ruimte voor een flexibele uitvoeringsstrategie. Ook is flexibiliteit ingebouwd om verschillende deelopgaven voor nieuw glas in de tijd te realiseren. Relatie tot de ontwikkeling en onderzoek Vanuit het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland en ook op basis van de gebiedsvisie is het belangrijk dat ontwikkelingen in het aangewezen gebied de uitbreiding dan wel intensivering van de glastuinbouw niet in de weg staat. Daarvoor geldt dat de geel gearceerde gebieden een groter gebied dan 55 ha betreft om flexibiliteit te behouden. Er blijft daarom voldoende ruimte over - voor zover deze ruimte nog niet is benut - voor de doelstellingen die de gemeente nastreeft door middel van de gebiedsvisie. De ontwikkeling van een zonnepanelenpark leidt op basis van het bovenstaande niet tot verdringing van glastuinbouwactiviteiten aldaar.

Belangrijke aanvulling daarop is dat het gebied op de kaart zoals afgebeeld in figuur 4.5 is aangewezen als locatie waarop gemeenschappelijke duurzame voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. De gebiedsvisie omschrijft hier mogelijkheden zoals waterberging of algenproductie, maar omschrijft ook nadrukkelijk dat de visie dit slechts als mogelijkheden benoemt en de keuze hiervoor nog open laat. De locatie is daarmee geschikt voor de ontwikkeling van een duurzame voorziening zoals het beoogde zonnepanelenpark. Haalbaarheidsanalyse WLTM Coöperatie Om er zeker van te zijn dat de ontwikkeling van een zonnepanelenpark op deze locatie geen belemmering vormt voor de uitvoering van de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van glastuinbouw, is een haalbaarheidsstudie uitgevoerd. Hierin is onderzocht in hoeverre de situering van glastuinbouw op deze locatie haalbaar is. De haalbaarheidsanalyse is uitgevoerd door WLTM Cooperatie U.A.. De rapportage van 21 december 2018 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Uit de analyse blijkt dat de locatie niet bijzonder geschikt of interessant is voor de ontwikkeling van glastuinbouw. Enerzijds omdat bouwlocaties gelegen onder hoogspanningsverbindingen doorgaans moeilijker te benutten en te verkopen zijn ten opzichte van locaties die zich niet onder een hoogspanningsverbinding bevinden.

Daarnaast maakt de aanwezigheid van een buisleidingstrook en aan verandering onderhevige wet- en regelgeving ter zake de locatie eveneens minder geschikt voor de nieuwvestiging van glastuinbouw. Een andere reden waardoor de locatie minder aantrekkelijk is voor nieuwvestiging is dat benutting van het perceel voor een compleet nieuw glastuinbouwbedrijf om aanzienlijk hogere investeringen zal vragen dan waar bestaande tuinbouwlocaties mee worden geconfronteerd. Ook in de toekomst worden de kansen voor vestiging van glastuinbouw klein geacht. Met name gunstigere prijsomstandigheden zouden tot een milder oordeel kunnen leiden, echter dient ook rekening te worden gehouden met de schaalvergroting die nu al plaatsvindt in deze sector. Verwacht wordt dat de projectlocatie in de toekomst te klein wordt geacht voor de nieuwvestiging van glastuinbouw. Ontwikkeling van glastuinbouw ter plaatse wordt om voornoemde redenen dan ook niet kansrijk geacht. Analyse tuinbouw Vijverberg Advies & Begeleiding Door Vijverberg Advies & Begeleiding is in aanvulling op de eerder uitgevoerde analyse een studie gedaan naar tuinbouw in Tinte en specifiek ter plaatse van de projectlocatie. Zij hebben onderzocht in hoeverre het opportuun is dat zich in de toekomst glastuinbouwbedrijven zouden willen vestigen. De rapportage van 30 januari 2020 is opgenomen in bijlage 7 bij voorliggende onderbouwing.

De geschiktheid van de projectlocatie wordt laag geacht in verband met de ligging in Tinte, het perceel

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 33

an zich, de bouwmogelijkheden ter plaatse van het perceel en de aanwezigheid van de Hoogspanningsmast, wat bezwaren kent in verband met veiligheid en (vervolg)schade. Daarover stellen zij het volgende:  Gebied: na de crises zijn er landelijk veel nieuwen kassen gebouwd, echter in Tinte niet tot nauwelijks, waaruit kan worden geconcludeerd dat het gebied een lage aantrekkingskracht heeft;  Perceel: vanwege de mast in het midden van het perceel, is deze alleen geschikt voor het bouwen van twee solitaire bedrijven van 4 ha, terwijl landelijk de werkwijze is dat meerder blokken van ca. 10 ha aaneengesloten één bedrijf vormt  Bouwhoogte: de aanwezige hoogspanning geeft een beperking in de bouwhoogte  Hoogspanningsmast schade: door afvallende ijspegels i.r.t. scherven en voedselveiligheid ontstaat veel vervolgschade  Hoogspanningsmast veiligheid: Voor kinderen tot 15 jaar is mogelijk onveilig te werken in de kas onder de hoogspanning. Op basis van het bovenstaande komen zij tot de conclusie dat het projectgebied een zeer beperkte aantrekkingskracht heeft. In de directe omgeving zien zij beschikbare percelen die deze aantrekkingskracht wel hebben, omdat genoemde beperkingen daar niet gelden. Daarnaast is de nieuwbouw van glastuinbouw in Tinte gering, waardoor niet verwacht wordt dat de beschikbare planologische ruimte volledig benut wordt.

Om dit gebied in Tinte nog enigszins aantrekkelijk te houden wordt de toevoeging van duurzame toepassingen juist wenselijk geacht. Dit zou er voor kunnen zorgen dat een beperkte groep zich alsnog wil vestigen (op geschiktere locaties) in glastuinbouwgebied Tinte. Conclusie De Gebiedsvisie Glasintensiveringsgebied Tinte vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Andersom zorgt de ontwikkeling van een zonnepanelenpark niet voor verdringing van glastuinbouw ter plaatse en blijft voldoende ruimte beschikbaar voor de beoogde intensivering van het glas. Van belang daarbij is onder meer dat het gebied dat is aangewezen voor intensivering van glastuinbouw een groter gebied behelst dan de gewenste 55 ha, zodat met de toevoeging van een zonnepark glastuinbouw niet hoeft in te boeten. Ook uit een tweetal uitgevoerde haalbaarheidsanalyses kan worden geconcludeerd dat nieuwvestiging van glastuinbouw ter plaatse weinig kansrijk is en niet waarschijnlijk is. De beoogde ontwikkeling staat het behalen van de gemeentelijke (en provinciale) doelstellingen op het gebied van glastuinbouw dan ook niet in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 34

5

Omgevingsaspecten

5.1

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de verkeers- en parkeersituatie beoordeeld te worden om er voor te zorgen dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en een goede ontsluiting alsook om ongewenste verkeerssituaties zoals een te grote verkeersdruk op een weg, te voorkomen. In dit geval is sprake van de aanleg van een zonnepanelenpark. Een dergelijke ontwikkeling brengt in beginsel nagenoeg geen parkeerbehoefte met zich mee, omdat het een functie is die over het algemeen geen bezoekers of publiek aantrekt. Hierdoor is ook de verkeersaantrekkende werking laag. Uitzondering hierop vormen enkele verkeersbewegingen ten behoeve van beheer en onderhoud (en tijdens de aanleg- en ontmantelingsfase). Het gebied wordt aan de noordzijde ontsloten op de Konneweg, waar een toegangsweg van 5 meter breed wordt aangelegd ten behoeve van de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud van het zonnepark. Deze weg is tevens noodzakelijk om het gebied bereikbaar te houden voor beheerders van de bovengrondse hoogspanningsverbinding (TenneT). Op basis van het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (zie ook paragraaf 2.2.2) dient daarnaast te worden zorggedragen voor een extra ontsluiting op een tegenovergestelde locatie van de hoofdtoegang.

Hiermee wordt de bereikbaarheid voor de brandweer gewaarborgd en worden zij in staat gesteld een eventuele calamiteit vanuit twee richtingen te benaderen. De noodontsluiting wordt aan de zuidzijde van het projectgebied gerealiseerd. Een en ander is weergegeven op figuur 5.1. figuur 5.1 Aanduiding ontsluiting op de Konneweg

Conclusie Verkeer- en parkeeraspecten vormen gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 35

5.2

Archeologie

Wettelijk kader Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2020 in werking treedt. Situatie plangebied Ter plaatse van het projectgebied speelt archeologie een rol. Uit de bestemmingsplantoets in paragraaf 2.3 is gebleken dat het gehele gebied is bestemd met de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie e’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Figuur 4.6 maakt de waarden inzichtelijk. figuur 5.2 Aanduiding archeologische waarden

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 2’ geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is wanneer werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte van meer dan 200 m2 die dieper reiken dan 0,4 meter beneden maaiveld. Voor het overige gebied geldt dat een onderzoek dient te worden uitgevoerd bij werkzaamheden over een oppervlakte van meer dan 200 m2 die dieper reiken dan 0,8 meter beneden maaiveld. In verband met de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek, is door Archeologie Rotterdam (BOOR) in opdracht van de gemeente Westvoorne een bureauonderzoek en een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Uit het bureauonderzoek blijkt dat tot 5 meter beneden maaiveld archeologische waarden te verwachten zijn uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. Het PvE voorziet in een onderzoeksvoorstel voor het benodigde onderzoek, dat in eerste instantie bestaat uit een inventariserend veldonderzoek met boringen. Het PvE van 11 maart 2019 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van het PvE is het benodigde onderzoek in gang gezet. Het onderzoek wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau Vestigia en vindt plaats parallel aan het doorlopen van de planologische

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 36

procedure. De resultaten van het onderzoek worden voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’ verwerkt in onderhavige paragraaf. Conclusie Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk. Dit onderzoek is reeds in opdracht gegeven. Zodra de resultaten daarvan bekend zijn worden deze verwerkt in onderhavige paragraaf. Belemmeringen raken aan de uitvoerbaarheid van het initiatief worden op voorhand niet verwacht.

5.3

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in deze nota beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2020 in werking treed. Relatie tot het projectgebied Landschap Het projectgebied maakt onderdeel uit van de oude zeekleipolders. De kwaliteiten van dit landschap dienen te worden behouden en waar mogelijk versterkt.

Voor een toelichting op hoe met deze kwaliteiten rekening is gehouden, wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Cultureel erfgoed Op basis van het kaartmateriaal behorende bij het provinciale beleid, kan worden geconcludeerd dat zich in de directe omgeving van het projectgebied geen waardevolle objecten bevinden die geschaad kunnen worden door de aanleg van een zonnepanelenpark. figuur 5.3 Uitsnede kaart Cultureel Erfgoed provincie Zuid-Holland

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 37

Conclusie In paragraaf 2.2 is het landschappelijk inpassingsplan van Feddes en Olthof besproken, waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling de huidige kenmerken van het landschap respecteert en goed in te passen is in het glastuinbouwgebied. Tevens zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle objecten die geschaad kunnen worden door de aanleg van een zonnepanelenpark. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.

figuur 5.4 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

In de handreiking (maart 2009): Bedrijven en milieuzonering VNG is een zonnepanelenpark niet opgenomen. Voor het zonnepark worden twee trafokasten en een controlecenter geplaatst. De activiteit zou daardoor vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, <10 MVA. De activiteit valt dan binnen milieucategorie 2. Dit betekent dat voor het aspect geluid 30 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen. De zonnepanelen zelf veroorzaken geen geluid. Bij de plaatsing van de trafokasten en controlecenter dient rekening gehouden te worden met de voornoemde richtafstand tot woningen. In de omgeving van de projectlocatie zijn woonbestemmingen gelegen. De locatie voor de trafokasten en controlecenter was in eerste instantie nabij de entree tot het park, langs de zuidelijke grens van het zonnepark. Naar aanleiding van overleg met omwonenden in het kader van het participatietraject (zie ook paragraaf 6.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing) is ervoor gekozen de trafostations aan de noordzijde van het projectgebied te plaatsen. De meest nabijgelegen woonbestemming ligt aan de Konneweg 4, op een afstand van ca. 65 meter ten opzichte van de genoemde objecten.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 38

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

(Externe) veiligheid

Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: 

Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.

Naast het bovenstaande in het kader van de wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid, kunnen ook andere veiligheidsaspecten een rol spelen. Relatie tot ontwikkeling Externe veiligheid Van belang is dat het projectgebied aan de oostzijde wordt begrensd door een buisleidingstrook. Daarnaast wordt het park aangelegd onder een bovengrondse hoogspanningsverbinding. In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op kabels en leidingen en worden voornoemde leidingen besproken. Van belang om in deze paragraaf te vermelde is dat een zonnepanelenpark geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft in het kader van externe veiligheid, zodat van beperkingen voor het plaatsen van dergelijke objecten binnen veiligheidszones geen sprake is. De voorgenomen activiteit zelf is bovendien ook geen risicovolle activiteit. Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Op 17 maart 2022 heeft een overleg plaatsgevonden met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Naar aanleiding van het overleg hebben zij schriftelijk advies uitgebracht. Het advies van 24 maart 2022 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De gemeente Westvoorne volgt het advies van de Veiligheidsregio. De belangrijkste onderwerpen worden hieronder toegelicht.

Een gedetailleerde (technische) uitwerking ervan landt in het technisch ontwerp, dat wordt opgesteld in aanloop naar de realisatiefase (na verlening omgevingsvergunning). Het is belangrijk dat de hulpdiensten op een veilige en adequate manier een incident moeten kunnen bestrijden. Hiervoor zijn een aantal zaken van belang, namelijk bluswater en bereikbaarheid. Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 39

Bereikbaarheid is niet alleen te voet maar ook met voertuig en/of ander materieel van belang. Ook bij een zonnepark kan het zo zijn dat er mensen aan het werk zijn en betrokken raken bij een incident. Als hulpdiensten moet de brandweer snel en veilig kunnen werken. Daarbij is ook bluswater noodzakelijk. - Bereikbaarheid: Om er zeker van te zijn dat de brandweer het park op veilige wijze kan benaderen, is van belang dat twee tegengestelde toegangen van elkaar worden gerealiseerd, dit zodat het park altijd bovenwinds kan worden benaderd. Het landschappelijk inpassingsplan houdt hier rekening mee en de definitieve technische uitwerking betreft onder andere een verdere concretisering daarvan. - Bluswater: Bij brand is bluswater essentieel, om mensen te redden, schade te beperken en omgeving te beschermen. Daarom is het belangrijk dat er bluswater op het zonnepark aanwezig is. Dit kan worden uitgevoerd op diverse manieren, waarbij in de regel de voorkeur wordt gegeven aan gebruik van in de nabijheid gelegen oppervlaktewater. Omdat het oppervlaktewater in dit geval onvoldoende capaciteit biedt, dient bluswatervoorziening op andere wijze te worden verzorgd. In dit geval wordt gekozen voor het realiseren van bluswater door grondwateronttrekking. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Kabels en leidingen

Binnen het projectgebied is sprake van een hoogspanningsverbinding. Daarnaast liggen aan de oostzijde van het gebied diverse leidingen. Het gaat om een waterleiding, gasleidingen en een olieleiding. De leidingen vallen buiten het projectgebied en worden daarom niet besproken in deze paragraaf. In verband met de olieleiding is tevens de ‘veiligheidszone – olieleiding’ van kracht. Deze overlapt wel voor een deel met het projectgebied. Onderstaand wordt ingegaan op de hoogspanningsverbinding en de veiligheidszone in verband met de olieleiding. Hoogspanningsverbinding Door het projectgebied loopt een hoogspanningsverbinding van TenneT. Deze is in het vigerende omgevingsplan “Buitengebied Westvoorne” bestemd met de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’. Figuur 5.5 maakt de locatie van de verbinding inzichtelijk, het gaat om de gronden binnen het blauwe kader. figuur 5.5 Aanduiding bestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 40

De gronden aangeduid als 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' mogen worden gebruikt voor bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Daarnaast mogen de gronden worden gebruikt voor de andere daar voorkomende bestemmingen. Indien werken en/of werkzaamheden nodig zijn ter plaatse van de gronden aangeduid als ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’, is een omgevingsvergunning nodig voor de volgende werken of werkzaamheden: a. het opslaan van goederen; b. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen; c. de sloop van bebouwing; d. het kappen van bomen. Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien de leidingbeheerder in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen en wanneer aan het leidingbelang geen schade wordt toegebracht. In verband met de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding, heeft de initiatiefnemer de plannen voorgelegd aan TenneT. Bij brief van 16 juli 2018 heeft TenneT een voorlopige verklaring van geen bezwaar afgegeven, mits wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. Het betreft nadrukkelijk een verklaring onder voorbehoud, in het verdere vervolg van het proces zal nader overleg worden gevoerd tussen initiatiefnemer en TenneT. De brief is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Veiligheidszone - risicocontour Langs de oostzijde van het projectgebied ligt voor een beperkt deel een risicocontour.

figuur 5.6 maakt dit inzichtelijk, de veiligheidszone is aangegeven in het groen. figuur 5.6 Aanduiding ‘veiligheidszone – risicocontour’

Binnen deze veiligheidszone mogen op basis van het bestemmingsplan geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Omdat een zonnepanelenpark geen (beperkt) kwetsbaar object betreft, vormt de veiligheidszone geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 41

Conclusie TenneT heeft onder voorbehoud van het voldoen aan de gestelde voorwaarden bij brief van 16 juli 2018 een voorlopige verklaring van geen bezwaar afgegeven voor de aanleg van een zonnepanelenpark. Omdat geen (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd, vormt de veiligheidszone in verband met een olieleiding eveneens geen belemmering. Kabels en leidingen in het gebied vormen gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van een zonnepanelenpark.

5.7

Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient, afhankelijk van het soort functie, een beoordeling plaats te vinden in het kader van geluid. Daarvoor zijn de Wet geluidhinder en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer van belang. Wet geluidhinder In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Activiteitenbesluit milieubeheer Wanneer inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer worden gerealiseerd, dient er zorg voor te worden gedragen dat deze geen onacceptabele hinder richting de omgeving veroorzaken.

In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn daarom normen opgenomen waaraan een inrichting dient te voldoen. Daarbij gelden verschillende normen voor de dag-, avond- en nachtperiode. Relatie tot ontwikkeling Met de realisatie van een zonnepanelenpark wordt geen geluidgevoelige functie gerealiseerd. De geluidszone in verband met industrielawaai in de omgeving (zie hoofdstuk 3), is uitsluitend relevant voor geluidgevoelige functies en legt daarmee geen beperkingen op aan de realisatie van een zonnepark. De Wet geluidhinder is daarmee niet van toepassing op dit project. Een zonnepark betreft in de regel geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Alleen in uitzonderlijke gevallen zouden ze tot een inrichting gerekend kunnen worden. Bijvoorbeeld wanneer de zonnepanelen worden opgericht binnen de grenzen van een bestaande inrichting (zoals een tankstation), of wanneer de omvormers meer dan 200 MVA distribueren. Aangezien daarvan geen sprake is, zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit eveneens niet van toepassing. Onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit is dan ook niet nodig.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 42

De zonnepanelen produceren geen geluid. Alleen de trafokasten zullen enigszins geluid produceren. Deze worden echter in een bouwwerk geplaatst, waarmee de eventuele geluidsimmissie als gevolg van laagfrequent geluid omlaag wordt gebracht. Verder geldt dat de omvormers vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, <10 MVA. Voor deze activiteit betekent dat voor het aspect geluid 30 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen in het kader van bedrijven en milieuzonering. De meest nabijgelegen woonbestemming ligt aan de Konneweg 4, op een afstand van ca. 65 meter ten opzichte van de genoemde objecten. Aan de richtafstand wordt dan ook in ruime mate voldaan. Conclusie Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Luchtkwaliteit

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). AMvB ‘niet in betekenende mate’ In het Besluit NIBM en de bijbehorende ministeriële Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In onderhavig geval is sprake van de aanleg van een zonnepanelenpark. De zonnepanelen leveren duurzame energie voor ruim 3.200 huishoudens en hebben daarmee een CO2 reductie van 4.819 ton per jaar als gevolg. Er vindt geen uitstoot plaats van (schadelijke) stoffen door het park zelf of door het aan het park gerelateerde vervoersbewegingen. Het park heeft bovendien nagenoeg geen verkeersaantrekkende werking. Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

5.9

Ecologie

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 43

De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11622451/1