CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Zonnepark Tinte Ruimteljke Onderbouwing

Gemeenteraad 6 juli 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Zonnepark Konneweg Tinte30.719 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Relatie tot de ontwikkeling Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door bureau Van der Goes & Groot een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan, d.d. 7 september 2018, opgenomen in bijlage 2 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing en ondergaat momenteel een actualisatieslag. De resultaten uit de eerste quickscan worden hieronder besproken. Zodra de resultaten uit het nieuwe onderzoek bekend zijn wordt ook onderhavige paragraaf geactualiseerd. Omdat de biotoopkenmerken van de locatie in de tussenliggende periode ongewijzigd zijn, is op voorhand de verwachting dat de nieuwe quickscan niet tot significant andere resultaten zal leiden. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied betreft Voornes Duin en is gelegen op een afstand van ruim 3 km. Gezien de grote afstand tot het projectgebied en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Nader onderzoek naar deze aspecten is niet noodzakelijk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient ook oog te zijn voor stikstofdepositie op daartoe gevoelige Natura 2000-gebieden.

Sinds de inwerkingtreding van de Stikstofwet (1 juli 2021) geldt daarvoor dat de sloop- en bouwfase van een project als gevolg van de tijdelijke aard van de ingrepen niet langer berekend hoeft te worden. Enkel de gebruiksfase is nog relevant. Voor zonneparken geldt echter dat de gebruiksfase in het geheel niet leidt tot stikstofuitstoot, zodat voor deze ontwikkelingen geen stikstofdepositie berekeningen meer hoeven te worden uitgevoerd. Van een onderzoeks- en eventuele vergunningplicht met het oog op stikstof is voor dit project dan ook niet langer sprake.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 44

figuur 5.7 Ligging projectgebied (rood) ten opzichte van beschermde gebieden (bron: uitsnede quickscan)

NNN Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie figuur 5.7). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Overige beschermde gebieden Het gebied is niet begrensd als bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er wordt bovendien geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand. Soortenbescherming Ter plaatse en in de omgeving van het plangebied is sprake van enkele beschermde soorten waar rekening mee moet worden gehouden. Het gaat om vogels zowel met als zonder jaarrond beschermde nesten en foeragerende vleermuizen. Tevens zijn soorten aangetroffen waarvoor de algemene zorgplicht geldt. Deze wordt in acht genomen en de soorten worden in de ruimtelijke onderbouwing niet verder besproken. Hiertoe wordt verwezen naar de quickscan Wet natuurbescherming zoals opgenomen in bijlage 2 bij voorliggende rapportage.

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn diverse soorten met niet-jaarrond beschermde nesten aangetroffen, namelijk Witte kwikstaart, Winterkoning, Kleine Karekiet, Fazant, Huiszwaluw, Holenduif. Verder is het plangebied in potentie geschikt voor enkele algemene bos- en struweelvogels zoals bijvoorbeeld Merel, Winterkoning of Heggemus. In het water langs het plangebied broeden tot slot mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet en Wilde eend. Er wordt gewerkt conform de maatregelen zoals omschreven in de quickscan. Dit betekent dat wanneer werkzaamheden plaatsvinden waarbij nesten vernield kunnen worden, rekening wordt gehouden met het broedseizoen. De werkzaamheden vinden dan niet plaats in de periode van grofweg 15 maart tot 15 juli. Indien toch broedende vogels buiten deze periode worden aangetroffen, Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 45

worden de werkzaamheden tijdelijk uitgesteld. Mochten wel werkzaamheden noodzakelijk zijn binnen het broedseizoen, wordt voorafgaand aan het broedseizoen of voordat vogels zich kunnen vestigen, het plangebied ongeschikt gemaakt indien er (nog) geen nesten aanwezig zijn. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Op de boerderij buiten het plangebied is een bewoonde nestkast van een kerkuil aanwezig. Tijdens het veldbezoek is deze boerderij bezocht en zijn de sporen van de Kerkuil aangetroffen: Braakballen, veren en uitwerpselen. De loods die binnen het plangebied staat is voor deze kerkuil niet toegankelijk. Verder zijn binnen het plangebied geen hoge bomen met nesten en/of sporen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen. Ook zijn er geen nesten gezien in de hoogspanningsmast. Omdat geen geschikte bebouwing en bomen aanwezig zijn en geen sporen of nesten werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Het is wél mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Kerkuil.

Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied, wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het is, afhankelijk van de precieze inrichting, zelfs zeer goed mogelijk dat het terrein door toename van kruiden geschikter wordt. Foeragerende vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden meerdere soorten vleermuizen waargenomen. In het plangebied kunnen echter geen vleermuizen verblijven omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in de aanwezige bebouwing/bomen. Het plangebied is (marginaal) geschikt voor foeragerende vleermuizen. De (schaarse) aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt eveneens geen negatief effect verwacht van de ingreep. Dit omdat na realisatie van de plannen het terrein geschikt zal blijven of wellicht beter zal worden voor foeragerende vleermuizen.

Conclusie Uit de quickscan blijkt dat negatieve effecten op beschermde gebieden in de omgeving op voorhand niet worden verwacht, gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de relevante gebieden. In verband met de aanwezigheid van soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, wordt rekening gehouden met het broedseizoen. Indien buiten het broedseizoen broedende vogels worden aangetroffen worden werkzaamheden ter plaatse tijdelijk uitgesteld. Mochten toch werkzaamheden binnen het broedseizoen noodzakelijk zijn, wordt met inachtneming van de daartoe geldende voorwaarden het plangebied ongeschikt gemaakt voor vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het gebied door de Kerkuil en foeragerende vleermuizen, worden geen negatieve effecten verwacht en treedt na ontwikkeling mogelijk zelfs een verbetering op ten aanzien van het gebruik door deze soorten. Voor overige aangetroffen soorten geldt de algemene zorgplicht, die door initiatiefnemer in acht wordt genomen. Een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is gelet

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 46

op het bovenstaande niet nodig. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10

Waterhuishoudkundige situatie

Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Daarbij spelen over het algemeen aspecten zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, beschermde gebieden (zoals waterkeringen) en riolering een rol. Binnen dit project is riolering echter geen relevant aspect. Op 31 augustus 2018 is de digitale watertoets doorlopen. Hieruit is destijds een positief wateradvies gekomen. Nadien hebben diverse omstandigheden ertoe geleid dat de ruimtelijke procedure pas op een later moment kon worden voortgezet. Omdat de digitale watertoets in 2018 is doorlopen, is op 1 april 2022 op verzoek van de gemeente een nieuw advies uitgebracht. Op 21 april 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen gemeente, waterschap en initiatiefnemer. Op korte termijn worden enkele onderwerpen in nader overleg met het waterschap in detail verder doorgesproken.

Onderstaand wordt ingegaan op het voorgenomen initiatief in relatie tot de waterhuishoudkundige aspecten, waarbij wordt opgemerkt dat enkele onderwerpen nog aan verdere detaillering onderhevig zijn. In aanloop naar definitieve vergunningverlening toe, worden de laatste onderwerpen zoals hiervoor bedoeld aangevuld op basis van de uitkomsten van het overleg met de bevoegd gezagen (gemeente/ waterschap). Waterkwantiteit Voor de effect van het initiatief op waterkwantiteit in het gebied, dient de toename van het verhard oppervlak in beeld te worden gebracht. Bij de toename van het verhard oppervlak kan een watervergunning en watercompensatie nodig zijn om de gevolgen van de versnelde afvoer van het hemelwater als gevolg van de verharding op te vangen. Op grond van art. 3.3 van de Keur van het Waterschap Hollandse Delta, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Van dit verbod wordt op basis van algemene regels vrijstelling verleend voor zover het verhard oppervlak in het landelijk gebied niet toeneemt met meer dan 1.500 m2. De toename van het verhard oppervlak wordt bepaald op basis van de ingrepen die in het project worden voorzien. De volgende elementen zijn daarop van invloed: het panelenveld, containers met trafostations en het beheer- en onderhoudspad.

Panelen De panelen worden in een schuine hoek geplaatst, waardoor hemelwater via de panelen de grond in kan stromen. De onderliggende bodem blijft zich daarmee als onverhardde grond gedragen. Trafostations De omvormers/trafostations leiden wel tot een netto toevoeging van verhard oppervlak. Deze stations worden geplaatst in containers met een maximale omvang van 40 ft (ca. 28,8 m2). In dit plan wordt uitgegaan van de plaatsing van drie containers. De omvang van de verharding als gevolg van te plaatsen containers bedraagt daarmee ca. 90 m2. Beheer- en onderhoudspaden Tot slot dienen onderhouds-/beheerpaden te worden aangelegd. Het gaat om twee paden die parallel aan elkaar onder de hoogspanningskabels lopen, met elk een lengte van ca. 500 meter. De lengte van de verindingswegen tussen deze paden en de hoofd- en noodingang bedraagt ca. 250 meter. In totaal bedraagt het padenstelsel binnen het zonnepark ca. 1.250 m, met een breedte van 5 meter.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 47

Voor het beheer en onderhoud is het niet noodzakelijk de paden verhard uit te voeren en zal halfverharding volstaan. Door de paden halfverhard uit te voeren met Basetrac (Grid) zijn ze nagenoeg volledig waterdoorlatend. Nadere informatie met betrekking tot Basetrac wordt gedeeld met het waterschap. Op basis daarvan wordt beoordeeld of, en zo ja in hoeverre, een dergelijk pad van invloed is op de waterkwantiteit en de versnelde afvoer van regenwater. Waterkwaliteit Het gebruik van uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, wordt vermeden op plaatsen waar zij in aanraking kunnen komen met afstromend hemelwater. Zo ontstaat geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit. Oppervlaktewater De projectlocatie wordt gedeeltelijk begrenst door bestaande watergangen. Het gaat om de secundaire watergangen die langs de zuid- en westzijde van het projectgebied lopen, te weten wegsloot W24853 en overige watergang T20684. Het Waterschap beschikt over een digitale Legger oppervlaktewateren waarop de genoemde watergangen in kaart zijn gebracht. Figuur 5.8 toont een uitsnede van deze kaart. figuur 5.8 Uitsnede Leggerkaart oppervlaktewateren Hollandse Delta

Op grond van art. 3.2, eerste lid, van de Keur, geldt een verbod om zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen te vervoeren of te laten liggen. Per watergang wordt hieronder beoordeeld in hoeverre het project raakt aan het genoemde verbod. Wegsloot W24853 Ter plaatse van de genoemde watergang geldt een beschermingszone van 5 meter. Hierbinnen wordt de haalbaarheid van een aantal ingrepen nader onderzocht. Voor de beeldvorming is in figuur 4.8 de watergang en een aantal doornsedes opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 48

figuur 5.9 Landschappelijke inpassing langs watergang Konneweg (bron: Feddes/ Othof, omgevingsdialoog 7 april 2022)

NB. Deze afbeelding is aan verandering onderhevig en wordt onder andere benut als praatplaat voor afstemming met het waterschap. De afbeelding wordt geüpdatet op basis van de uitkomsten van het overleg en eventuele overige planoptimalisaties.

Hieronder wordt ingegaan op de vraag welke ingrepen worden beoogd en wat deze impliceren voor het project en de mogelijke vergunningplicht: -

Gedeeltelijke verbreding: In het kader van de landschappelijke inpassing en op verzoek van de Provincie Zuid-Holland wordt de mogelijkheid onderzocht de wegsloot richting het zuiden te verbreden, zodat een wig ontstaat. Hiertoe wordt de oever aan de zijde van het zonnepark verflauwd. De (on)mogelijkheden tot verbreding en bijkomende randvoorwaarden worden op dit moment in nader overleg met het waterschap bepaald. Indien de verbreding kansrijk is, wordt de watervergunning zo snel mogelijk aangevraagd, maar in ieder geval nog ruim binnen de behandelingstijd van de ruimtelijke procedure. Wanneer hier uitsluitsel over is, wordt deze paragraaf daar nader op aangevuld.

-

Natuurvriendelijke oevers: Langs de gehele lengte van de watergang wordt een natuurvriendelijke oever beoogd. Een natuurvriendelijke oever kan onder voorwaarden worden aangelegd op basis van de algemene regels bij de Keur. Dat betekent dat in beginsel kan worden volstaan met een melding. Indien ook overige watervergunningplichtige activiteiten plaatsvinden, wordt echter het geheel in één watervergunning opgenomen. De natuurvriendelijke oever wordt daar dan onderdeel van.

-

Overige beschoeiing binnen beschermingszone: Uit het overleg met direct omwonenden is de behoefte gebleken de zichtbaarheid van het zonnepark langs de zijde van de Konneweg te beperken en daartoe beschoeiing langs de watergang aan te brengen. De beschoeiing wordt aangelegd binnen de beschermingszone van de watergang, hetgeen in beginsel aan een vergunningplicht onderhevig is en bovendien niet altijd en in elke vorm kan worden toegestaan. Zo dient voorkomen te worden dat door wortelgroei de oever van de watergang instort. Onder andere de afstand tot de insteek van de watergang is daarvoor van belang. De afstand tot de insteek van de watergang verschilt naar gelang de beschoeiing verder richting het zuiden wordt aangebracht. In overleg met het waterschap wordt nader bepaald of gehoor kan worden gegeven aan de wens van direct omwonenden. Uit de algemene regels bij de Keur, kan evenwel worden opgemaakt dat knotwilgen op relatief korte afstand tot een watergang kunnen worden geplaatst.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 49

Naar verwachting kan niet aan alle voorwaarden uit de algemene regel worden voldaan, zodat van een vrijstelling bij het plaatsen van knotwilgen vermoedelijk geen sprake is. Wel biedt deze regel ruimte om te onderzoeken of a) de knotwilgen voldoende beantwoorden aan de wens het zonnepark aan zichtbaarheid in te laten boeten en b) knotwilgen of beschoeiing met vergelijkbare beworteling op grond van een watervergunning alsnog op korte afstand tot de insteek kunnen worden geplaatst. -

Wegnemen duiker: In de watergang zijn een drietal duikers aanwezig, twee aan de kop/ staart van het projectgebied en één globaal in het midden daarvan. De twee duikers aan de noorden zuidzijde van het projectgebied zijn voor het waterschap van belang en dienen behouden te blijven. Voor het verwijderen van de middelste duiker bestaan wel mogelijkheden. Het verwijderen van de duiker is vergunningplichtig en wordt als onderdeel van het geheel aangevraagd.

-

Plaatsen hekwerk: Rondom het projectgebied wordt op last van de verzekering en met het oog op de publieke veiligheid een hekwerk geplaatst. Het hekwerk wordt deels binnen de beschermingszone van de watergang geplaatst. Voor het plaatsen van het hekwerk, is een watervergunning benodigd. Vrijstellingen op basis van algemene regels lijken vooralsnog niet voorhanden. De watervergunning zal worden aangevraagd gedurende de planologische procedure.

Overige watergang T20684 Langs de zuidzijde van het projectgebied ligt overige watergang T20684. De watergang kent een beschermingszone van 2 meter. De watergang blijft intact. Voor zover het hekwerk wordt geplaatst binnen de beschermingszone van 2 meter, wordt in overleg met het waterschap bepaald onder welke voorwaarde daartoe een watervergunning kan worden verleend. De uitkomsten daarvan worden zo nodig in deze paragraaf verwerkt. Waterveiligheid Binnen de projectlocatie is geen sprake van (beschermingszones van) waterkeringen. De beschermingszones van de oppervlaktewateren zijn reeds besproken. Van andere beschermde gebieden of onderwerpen die aan waterveiligheid raken is geen sprake. Grondwater Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veendrenking of bedrijfsmatige toepassingen. Wel is grondwateronttrekking aan de orde bij de aanleg van bluswatervoorzieningen naar aanleiding van het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De bestaande oppervlaktewateren bieden onvoldoende capaciteit voor bluswater, zodat bluswater op andere wijze dient te worden verzorgd. Voor de benodigde grondwateronttrekking geldt geen vergunningplicht. Volstaan kan worden met een melding. Conclusie De watertoets is doorlopen en nadien voorzien van aanvullend advies.

Een aantal onderwerpen dienen in nader overleg met het waterschap te worden afgestemd. In onderhavige paragraaf is in beeld gebracht om welke onderdelen het gaat. Voor het project is in elk geval een watervergunning nodig voor het plaatsen van een hekwerk binnen de beschermingszone van een watervlaktewater. In diezelfde aanvraag dienen ook de overige watergerelateerde activiteiten, zoals het wegnemen van de duiker, te worden betrokken. Door een en ander nader vorm te geven in overleg met het waterschap vroegtijdig zicht te hebben op de bij de waterbelangen betrokken randvoorwaarden en (on)mogelijkheden en het planvoornemen hier zo nodig verder op aan te passen, wordt geen negatief effect voorzien op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 50

5.11

Bodem (milieukundig)

Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Het huidige gebruik van de betreffende locatie is agrarisch. Het toekomstig gebruik van de gronden is voor een zonnepanelenpark en betreft geen bodembedreigende activiteit. De gronden zijn geschikt voor het beoogde gebruik, er is immers geen sprake van toekomstige gebruikers (zoals bewoners) die in aanraking kunnen komen met eventueel vervuilde grond. In het kader van de planologische procedure is daarom geen bodemonderzoek noodzakelijk. In een later stadium zal in het kader van de vergunning voor het bouwen een bodemonderzoek worden uitgevoerd. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van een zonnepanelenpark.

5.12

Mer-beoordeling

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst deze afweging gemaakt dient te worden. Deze lijst geeft namelijk aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:  de kenmerken van het project;  de plaats van het project;  de kenmerken van de potentiële effecten. De ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark op agrarische gronden. De realisatie van zonneparken worden niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Wel wordt in de D-lijst een stedelijke ontwikkelingsproject genoemd. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ook geduid. Hier wordt over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 51

geen misverstand over bestaan dat ook ‘dorpen’ hieronder vallen. Wat ‘stedelijke ontwikkeling’ inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen. Het zonnepanelenpark is daarmee niet m.e.r.-plichtig, omdat gelet op de aard van de ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen niet gesproken kan worden van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit m.e.r. Gelet op de kenmerken van het project zullen immers geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 52

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor de maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft de gemeente Westvoorne een spoorboekje ‘Maatschappelijke randvoorwaarden en uitgangspunten (maatschappelijk spoor)’ opgesteld, waarin randvoorwaarden, uitgangspunten en het toetsingskader van de gerealiseerde participatievormen zijn benoemd. Initiatiefnemer Zonnepark Tinte zal middels zorgvuldig uitgewerkte vormen van participatie uitvoering geven aan de door de gemeente Westvoorne gestelde randvoorwaarden en uitgangspunten. 6.2.1

Maatschappelijke randvoorwaarden en uitgangspunten voor participatie

Procesparticipatie Het uitgangspunt van de gemeente bij de ontwikkeling van (grootschalige) zonnevelden is de realisatie van een zorgvuldig omgevingsproces door middel van een actieve samenwerking met de betreffende initiatiefnemer en stakeholders. Onder stakeholders wordt door de gemeente verstaan: iedereen die te maken heeft met het zonne-energieproject. Het gaat niet alleen om omwonenden/inwoners, maar ook om bedrijven, natuurorganisaties, belangenorganisaties en energiecoöperaties. In dat kader heeft Zonnepark Tinte reeds diverse samenwerkingsverbanden opgericht, o.a. met de Nederlandse Bijenvereniging en milieufederatie Zuid-Holland. In aanvulling daarop is een participatietraject gevoerd, waarbij aan de inwoners van Westvoorne mogelijkheid is geboden mee te denken over het ontwerp van de landschappelijke inpassing, informatie in te winnen en eventuele zorgen te uiten. Deze mogelijkheid is ook geboden aan de inwoners van de buurgemeente Brielle. Mede in verband met de geplande fusie van de gemeenten, is van belang dat ook zij in het proces worden betrokken. Bijeenkomsten hebben plaatsgevonden op 24 februari 2022 en 7 april 2022. De reacties waren overwegend positief kritisch.

Met een goede landschappelijke inpassing die het zicht op het park beperkt en met aandacht voor de plaatsing van trafostations, is er geen bezwaar tegen het realiseren van de beoogde voorziening in het kassengebied. Naar aanleiding van het overleg met omwonenden, zijn dan ook de volgende afspraken gemaakt: - de trafostations worden in het ontwerp verplaatst naar de noordzijde van de projectlocatie; - het gedetailleerde beplantingsplan wordt voorafgaand aan het realiseren van de landschappelijke inpassing in nader overleg met omwonenden uitgewerkt. Financiële participatie Door de gemeente wordt onderscheid gemaakt tussen grootschalige commerciële zonneprojecten en zonnevelden die ten gunste zijn van eigen energieopwekking. Bij grootschalige commerciële zonnevelden zoals het voorliggende initiatief, hecht de gemeente er belang aan dat er ingezet wordt om de (financiële) voordelen van zonneprojecten maximaal ten goede te laten komen aan de eigen gemeenschap.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 53

Financiële participatie kent verschillende vormen die in combinatie met elkaar kunnen worden ingezet: 1. Mede-eigenaarschap 2. Financiële deelneming 3. Gebiedsfonds Mede-eigenaarschap Bij mede-eigenaarschap kunnen individuele burgers, omwonenden en lokale ondernemers met eigendom en zeggenschap financieel deelnemen in een zonnepark. Bij mede-eigenaarschap is er niet alleen sprake van financiële deelneming (financiële middelen ter beschikking stellen in ruil voor een vergoeding), maar ook van daadwerkelijk eigenaarschap en zeggenschap. Veelal wordt gebruik gemaakt van een lokale of regionale energiecoöperatie om dit mede-eigenaarschap vorm te geven. Financiële deelneming Financiële deelneming is een andere vorm van financiële participatie waarbij het gaat risicodragend deelnemen in een zonneproject, bijvoorbeeld met aandelen of obligaties of ander financieel voordeel. Bij financiële deelneming is er, afgezien van een stem op een aandeelhoudersvergadering geen sprake van mede-eigenaarschap of zeggenschap. Met de gemeente Westvoorne en de cooperatie Voorne-Putten is afgesproken om een nader te bepalen percentage obligaties ter beschikking te stellen voor de omwonenden en bewoners van Westvoorne en buurgemeenten.

Gebiedsfonds Niet iedereen kan of wil geld ter beschikking stellen om te participeren in de vorm van mede-eigenaarschap of financiële deelneming aan een zonne-energie project. Het gebiedsfonds wordt gevuld uit de opbrengsten van de zonnepanelen waarmee maatschappelijk verantwoorde projecten ondersteund worden die maximaal ten goede komen aan de inwoners en bedrijven van de gemeente. Gedacht kan worden aan nieuwe duurzame energieprojecten, ondersteuning van verenigingen of bepaalde activiteiten etc. Het gebiedsfonds zal worden beheerd door een onafhankelijke entiteit, die bestuurd wordt door inwoners van de gemeente. Invulling financiële participatie door initiatiefnemer Zonnepark Tinte Het voornemen tot realisatie van het zonnepark is in januari 2022 behandeld in de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft positief gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling, waarbij zij enkele aandachtspunten heeft meegegeven voor de verdere uitwerking. Eén van deze aandachtspunten is gelegen in de wijze waarop financiële participatie wordt vormgegeven. Zij hebben daarbij aangegeven te kunnen instemmen indien zorg wordt gedragen voor een bijdrage aan het gebiedsfonds en uitgifte van obligaties, al dan niet uitgegeven door een energiecoöperatie. Zonnepark Tinte geeft hier gehoor aan en maakt de gewenste financiële participatie als volgt mogelijk.

De nader vast te stellen afspraken zullen worden geborgd in de anterieure overeenkomst wlek tussen initiatiefnemer en gemeente Westvoorne wordt gesloten. Financiële deelneming Zonnepark Tinte stelt voor om 50% van het aandelenkapitaal beschikbaar te stellen aan omwonenden binnen de postcoderegio 3233 t/m 3235 in de vorm van preferente aandelen. Dergelijke aandelen ontvangen een vastrentende waarde die bij de uitkering van dividend voorrang krijgen op gewone aandeelhouders. Deze aandelen zullen dan worden ondergebracht in een stichting die wordt beheerd door de lokale energiecoöperatie, die daarmee ook het stemrecht verkrijgt in de AvA. Gebiedsfonds Zonnepark Tinte werkt mee aan de financiering van een gebiedsfonds tijdens de exploitatieperiode van het zonnepark en stelt een bedrag beschikbaar van € 0,50 per opgewekte MWh. Dit bedrag

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 54

kan jaarlijks oplopen tot zo'n € 475 per geïnstalleerde MWp. Zonnepark Tinte stelt daarbij als voorwaarde dat dit bedrag wordt aangewend voor investeringen en/of activiteiten op het gebied van duurzame energie. Om de inwoners van de gemeente te kunnen laten profiteren van de lokaal geproduceerde duurzame stroom, heeft Zonnepark Tinte de ambitie om samen te werken met een lokale energiecoöperatie. Verkoop van de lokaal opgewekte stroom Zonnepark Tinte wil met de hiervoor genoemde lokale energiecoöperatie een samenwerking aangaan om de opgewekte stroom te kunnen leveren aan lokale eindgebruikers. Om voldoende waarborgen richting eindgebruikers te garanderen moet gebruik worden gemaakt van gespecialiseerde duurzame energiemaatschappijen, zoals Oranjestroom, Qurrent e.d. Deze partijen verzorgen de administratieve verwerking van abonnementen, de verwerking van de meetgegevens in facturen en verzorgen de incasso van rekeningen. Daarnaast hebben zij samenwerkingen met grotere energiemaatschappijen zoals Engie waardoor zij beschikken over de benodigde vergunningen, licenties1 en financiële waarborgen, die vereist zijn voor de levering aan consumenten en eindgebruikers. Om de beschikbaarheid van elektriciteit te optimaliseren wordt er gebruik gemaakt van de dealingroom van deze maatschappijen.

Indien de stroom van het zonnepark of eventueel toegevoegde batterij-opslag onvoldoende is worden er andere bronnen van duurzame energie aangesproken. Zo kan in elk geval de beschikbaarheid van in Nederland duurzaam geproduceerde energie aan klanten worden gegarandeerd. De overschotten en/of tekorten als gevolg van (tijdelijke) onbalans tussen lokale vraag en aanbod wordt verhandeld op de Nederlandse markt voor duurzame energie. Bij voldoende interesse kan er ook gebruik worden gemaakt van de postcoderoosregeling of crowdfunding. Ook hier is de intentie van Zonnepark Tinte om daarbij de energiecoöperatie te betrekken. Voordelen van deze directe economische voordelen voor inwoners is daarnaast de directe betrokkenheid bij het zonnepanelenpark. De initiatiefnemers van het zonnepanelenpark zijn graag bereid om mee te denken en samen te werken met andere initiatieven, met draagvlak binnen de gemeente, waarmee duurzame stroom kan worden opgewekt. Te denken valt aan resource sharing zoals delen van de aansluiting of batterijen voor opslag. 6.2.2 Planologische procedure Voor dit plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open.

Met bovenstaande procedures tezamen met de participatiemogelijkheden wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd. Relatie tot de ontwikkeling Ten aanzien van de maatschappelijke uitvoerbaarheid geldt dat sprake is van voordelen voor zowel de gemeente als voor individuele inwoners wat bijdraagt aan de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

1 Zoals bijvoorbeeld een ACM-licentie voor levering van energie.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 55

Het zonnepanelenpark zal op diverse manieren voordelen bieden aan de gemeente en haar inwoners. Voordelen voor gemeente De bouw van het zonnepanelenpark is een grote stap richting de realisatie van de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Westvoorne. De gemeente hoeft hiervoor zelf geen investeringen te doen. Wellicht geniet de gemeente zelfs nog wat geldelijke voordelen in de vorm van (beperkte) leges die ook in de vorm van een bijdrage in een gebiedsfonds kunnen worden gegoten. Voordelen voor individuele inwoners Om de bewoners te kunnen laten profiteren van de lokaal geproduceerde duurzame stroom heeft Zonnepark Tinte de ambitie om samen te werken met een lokale energie coöperatie.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 56

7

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

De initiatiefnemer heeft als doel een zonnepanelenpark te realiseren in het glastuinbouwgebied van Tinte, gemeente Westvoorne. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. Voorliggend document bevat de ruimtelijke onderbouwing, waarbij de verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten die bij het project een rol spelen zijn besproken. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is de aanleg van een zonnepanelenpark niet mogelijk. Hierdoor is het doorlopen van een planologische procedure noodzakelijk. Deze procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’. Gelet op de ligging in agrarisch glastuinbouwgebied, dient de medewerking van de provincie te worden verkregen. In dit geval geldt dat als gevolg van de ligging in glastuinbouwgebied, de realisatie van een zonnepanelenpark aldaar op basis van het provinciale beleid onder voorwaarden mogelijk is. Een van deze voorwaarden is dat de ontwikkeling geen verdringend effect op de glastuinbouwactiviteiten mag hebben. Uit de Gebiedsvisie glasintensivering Tinte blijkt dat de gekozen locatie voor het zonnepanelenpark niet is aangewezen als gebied ten behoeve van de uitbreiding of intensivering van het glasareaal.

Aanvullend daarop zijn twee afzonderlijke haalbaarheidsanalyses uitgevoerd, waaruit blijkt dat de locatie niet bijzonder geschikt of interessant is voor nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven op de locatie. De kans dat zich nieuwe tuinders zullen vestigen wordt mede gelet op de ter plaatse geldende beperkingen in bouwmogelijkheden en in verband met de hoogspanningsmast gering geacht. De ontwikkeling heeft dan ook geen verdringend effect op glastuinbouw ter plaatse, daarmee wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde voor zonneparken binnen dergelijke gebieden. Daarnaast dienen de regels voor ruimtelijke kwaliteit in acht te worden genomen, waarbij de relevante richtpunten uit de provinciale kwaliteitskaart voor zover nodig in het ontwerp van het zonnepanelenpark dienen te worden verwerkt. Aangezien het projectgebied in glastuinbouwgebied Tinte gelegen is (wat behoort tot het agrarisch gebied) en gelet op het bepaalde tijd aanzien van ruimtelijke kwaliteit, is ter bescherming van landschaps- en cultuurhistorische waarden een inpassingsplan opgesteld door een daartoe gespecialiseerd bureau, namelijk Feddes en Olthof. Daarin is voorzien in een inpassing van het plan dat rekening houdt met de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland en het daaruit voortvloeiende gebiedsprofiel ‘Voorne – Putten’.

Het feit dat het gebied onderdeel uit maakt van het glastuinbouwgebied maakt dat voor het zonnepanelenpark een wat zakelijke uitstraling passend is bij de identiteit van dat gebied. Een rechthoekige invulling met een zuid-opstelling, creëert deze zakelijke uitstraling. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan milieu- en omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. Voor archeologie geldt dat aan de hand van een door BOOR opgesteld Programma van Eisen een verkennend archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten is mogelijk nader onderzoek nodig. Belemmeringen worden echter niet verwacht.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 57

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Inpassingsplan, Feddes en Olthof, mei 2022

Pagina | 58

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ZONNEPARK

Westvoorne

FEDDES OLTHOF

landschapsarchitecten

1/18

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ZONNEPARK

Westvoorne

Feddes/Olthof landschapsarchitecten In opdracht van SolarEnergyWorks mei 2022

2/18

3/18

Opbouw van het landschap

Topografische kaart met daarin het plangebied. Het betreft circa 13,3 ha midden in het glastuinbouwgebied, tussen Kerkhoekweg en Kommeweg. Binnen de 13,3 ha wordt een plan gemaakt voor een zonnepark van 10,8 ha.

4/18

Ontwikkelingsgeschiedenis

Circa 1850: Het plangebied ligt midden in de oude zeekleipolder. Het kleinschalig verkavelde landschap is goed herkenbaar.

Circa 1900: Het plangebied ligt tussen de Lange Dwaalweg (thans Kerkhoekweg) en de Kommeweg. Ook de oude boerderij is al aanwezig.

Circa 1950: Er is weinig veranderd in de polder. Wel begint er iets van kassen zichtbaar te worden.

Circa 1990: Brielle breidt uit binnen de ringpolder en er ontstaat steeds meer glastuinbouw. Ook worden de hoogspanningsleidingen aangelegd.

Circa 2000: Het gebied ligt er grotendeels bij zoals in huidige situatie.

hoogtekaart: Op de hoogtekaart is goed de landschapsstructuur af te lezen: de hoger in het landschap gelegen ringdijken omkaderen de zeekleipolder. Binnen de polder wordt het landschap opgedeeld door wegen en een fijnmazig slotenpatroon. 5/18

Kwaliteitskaart

Gebiedsprofiel Voorne Putten

De provincie Zuid-Holland beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. Op het plangebied is een drietal kaartlagen van toepassing. Het gaat om de laag van de ondergrond, de laag van cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de stedelijke occupatie. Binnen de lagen is sprake van verschillende onderdelen en bijbehorende richtpunten. Onderstaand zijn de richtpunten opgenomen waarmee rekening gehouden dient te worden bij een nieuwe ontwikkeling, zoals dit zonnepark.

Ambitie Oude zeekleipolder (uit gebiedsprofiel Voorne-Putten) De ringpolders in het westen tegen de duinen aan, behoren tot de oudste polders van Voorne-Putten. De dijken zijn belangrijke structurerende elementen in het landschap. Ze verdelen het landschap en bieden een panorama op de omgeving. Er zijn verschillende typen dijken: de dijken van de ringpolders en de dijken van de aanwaspolders. • Laag van de ondergrond • Ontwikkelingen houden rekening met hun invloed op het watersysteem als geheel en dragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem. • Ontwikkelingen versterken de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van Zuid-Holland. Ruimte voor natuurlijke dynamiek is hierbij een uitgangspunt. • Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater.

• Laag van cultuur- en natuurlandschappen • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.

Laag van de stedelijke ocupatie • Nieuwe glastuinbouwgebieden worden zoveel mogelijk binnen of in aansluiting op bestaande glastuinbouwgebieden geconcentreerd. • Nieuwe ontwikkelingen in de glastuinbouw sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur. • Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

6/18

•

De ringdijken (veenpolders) worden -zo mogelijkstevig ingeplant. De dijken benutten voor het ontwikkelen van een samenhangend recratief netwerk door deze toegankelijk te maken. De routes liggen bij voorkeur op de kruin van de dijk. Ontwikkelen van het netwerk aan dijken tot een ecologisch netwerk.

Ambitie werkgebieden met karakter (uit gebiedsprofiel Voorne-Putten) Van oudsher zijn er op Voorne-Putten (glas)tuinbouwbedrijven vanwege het gunstige klimaat. Het glas bevond zich oorspronkelijk in het tuinbouwgebied in de binnenduinrand. De laatste jaren is de sprong naar de zeekleipolders gemaakt naar voor hervestiging aangewezen gebieden bij Tinte en Vierpolders. • •

Ontwikkelingen in de glastuinbouw dragen bij aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Bij de inpassing van glastuinbouw wordt aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing en de aansluiting op de omgeving. Er wordt aangesloten op bestaande landschapplijke structuren en verbindingen tussen glastuinbouwgebied en omgeving.

Mogelijkheden voor kassen Het plangebied ligt in het kassengebied. De wens om nieuwe glastuinbouw zoveel mogelijk binnen bestaand glastuinbouwgebied te concentreren leidt ertoe dat er een voorkeur ligt om dit gebied te reserveren voor kassen. De doorsnijding van het gebied door de hoogspanningsleidingen, de kabels en leidingen in de grond en de randvoorwaarden voor het hanteren van afstand tot de weg leiden er echter toe dat het gebied erg opgedeeld is, en daarmee ongeschikt voor kassen. De (tijdelijke) inrichting van het gebied met een landschappelijk goed ingepast zonnepark draagt bij aan het moderne en functionele uiterlijk van het gebied en draagt bij aan de landschappelijke kwaliteit.

7/18

Waarnemingsstudie plangebied

1 2

1 Het oude erf met erfbeplanting.

3

2 De Kerkhoekweg is een zeer smalle weg ten noorden van een brede watergang.

3 De Konneweg is een bredere weg die als ontsluitingsweg dient voor meerdere bedrijven. 8/18

9/18

Ruimtelijke uitgangspunten (afbakening plangebied)

Kabels en leidingen Langs de noordoostrand van het plangebied ligt een strook met kabels en leidingen. Hierop zullen geen panelen of andere opgaande bouwwerken worden geplaatst. Dwars door het plangebied lopen de hoogspanningskabels en midden in het gebied staat een mast. Onder de kabels dient een strook vrij te blijven van 3,4 m en rondom de poeren van de mast dient 25 m vrij te blijven. De toegansweg naar de mast dient 5m breed te zijn

Afstand tot erf en ruimte langs watergang noordzijde Het erf is door de erfbeplanting behoorlijk naar binnen gekeerd. Toch is het van belang dat het historische erf herkenbaar blijft en vrij blijft liggen van de nieuwe ontwikkeling van het zonnepark. Daarnaast wordt er bij de landschappelijke inpassing rekening gehouden met vrije ruimte tussen het zonnepark en de watergang aan de noordzijde van circa 10m tot 15m.

Landschappelijke inpassing Tussen de contour van het zonnepark en de Konneweg kan een wigvormige strook worden ingezet voor landschappelijke inpassing. De breedte van deze strook tussen de weg en het zonnepark verloopt van circa 8m aan de noordzijde tot circa 25m aan de zuidzijde. Voorgesteld wordt om hier langs het zonneveld een landschappelijke haag te planten met gebiedsspecifieke soorten, waardoor het zicht richting de panelen grotendeels door groen wordt bepaald. Daarnaast wordt de bestaande sloot verbreed en krijgt de sloot een natuurlijke rietoever. Hiermee wordt ook de ecologische waarde van het gebied vergroot. Ook aan de noordzijde wordt de vrijgehouden strook langs de watergang ingericht met een natuurvriendelijke oever en een landschappelijke haag. Restruimtes binnen het zonnepark worden ingezaaid met een bloem- en kruidenrijk zadenmengsel. De strook met kabels en leidingen en de rand langs de watergang in het noorden kunnen ook met dit mengsel worden ingezaaid (buiten contour zonnepark, binnen perceelsgrenzen), waardoor de ecologische en landschappelijke kwaliteit van het gebied wordt vergroot.

10/18

Ruimtelijke uitgangspunten (opstelling panelen)

Opstelling panelen Het rechtvormige plangebied leent zich in principe voor zowel een zuid- als een oost-west opstelling. In deze studie wordt uitgegaan van een zuidopstelling die zo wordt verdraaid dat de panelen haaks op de orientatie van de kavel en hoogspanningskabels staan. De rijen met panelen staan op grotere afstand van elkaar dan bij een oost-west opstelling, waarmee de kwaliteit van de bodem beter blijft en het zicht tussen de rijen door minder beperkt wordt. Uitgegaan wordt van rijen met 4 panelen boven elkaar geplaatst, met een maximale hoogte van 2 meter.

Entree en trafokasten De hoofdentree wordt aan de noordkant gesitueerd. Een 5meter breed pad steekt vervolgens naar binnen, en gaat onder de hoogspanningskabels in de lengte van het plangebied door. Hierdoor wordt de vrije ruimte onder de hoogspanningskabels optimaal benut en kan ook het onderhoud aan de mast of kabels eenvoudig plaatsvinden. De ruimtelijke impact van de toegangsweg is op deze manier beperkt. Nabij de entree zullen twee transformatorkasten en een controlcenter worden geplaatst, met een hoogte van maximaal 3 meter.

De panelen worden zo uitgelijnd dat de buitenranden van het zonnepark recht zijn, zonder “rafelranden”. 11/18

Concept ontwerp Het zonnepark beslaat circa 10,5 hectare binnen het circa 13,3 hectare grote plangebied en heeft een strakke en zakelijke uitstraling dat goed past bij de vormentaal van de omliggende percelen met glastuinbouw. Binnen het zonnepark liggen rechte velden met panelen, de toegangsroute met transformatoren, de bestaande hoogspanningsmast met benodigde vrije ruimte en een vrije zone van minimaal 2,5 meter breed tussen de velden van panelen en het hek dat het gehele zonnepark omsluit. De opstelling van panelen is een geroteerde zuid-opstelling. Aan de noordzijde wordt enige afstand tot de watergang aangehouden. De watergang zelf zou hier een natuurvriendelijke oever kunnen krijgen. Aan de noord en westzijde van het zonnepark wordt een landschappelijke haag geplant met soorteigen vegetatie, waardoor een het zicht op het zonnepark door groen gedomineerd wordt. Door de sloot langs de Konneweg iets te verbreden en een natuurlijke rietoever te geven ontstaat een aantrekkelijk landschappelijke rand met grote ecologische potentie. Langs de oostzijde van het plangebied blijft er een zone vrij vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen in de ondergrond. Door de vrije ruimtes binnen en buiten het zonnepark in te zaaien met een bloem- en kruidenrijk zadenmengsel kan de ecologische en landschappelijke kwaliteit van het gebied worden vergroot. (zie ook https://www.

arcadis.com/nl/nederland/arcadis-blog/roderick-groen/bijen-en-veldleeuwerik-geven-zonneweide-bestaansrecht/).

1

Principe langs de westrand: een sloot met rietoever en groenstrook zorgen voor een aantrekkelijk beeld op het zonnepark.

2 1

1 3

Principe langs de noordrand: het water krijgt een natuurlijke oever aan de zuidzijde. Samen met een landschappelijke haag zorgt dit voor een groen decor.

2 2

Principe langs de oostrand: de strook met kabels en leidingen blijft vrij van opgaande beplanting maar wordt ingezaaid met een kruiden- en bloemrijk grasland.

3

principeprofielen 12/18

13/18

Detail hekwerken Rond het zonnepark stellen wij een staalmathekwerk voor. De entree tot het zonnenpark is gesitueerd aan de zuidzijde van het plangebied aan de Konneweg, hier zal het hekwerk worden voorzien van een poort. Het hekwerk en de poort zal rondom in dezelfde kleur zijn (zwart, RAL 9005), en ook de vormgeving (hoogte, vorm palen) wordt op elkaar afgestemd. Het hek en de poorten zijn maximaal 2,00 meter hoog. Staalmathekwerk Het hekwerk bestaat uit gegalvaniseerd stalen palen met gittermatten. De matten zijn opgebouwd uit horizontale en verticale stalen draden. De maasweidte is 5cm breed bij 20cm hoog. De overklimbeveiliging wordt gevormd door de aan de bovenzijde doorstekende verticale staaldraden. De staanders kunnen rond of rechthoekig zijn. Poort entree De poort voor de entree bestaat uit een draaipoort met daarin een ingelaste staafmat, zodat poort en hekwerk bij elkaar passen. Als overklimbeveiliging wordt de poort voorzien van een stalen puntenkam.

Visualisatie van de terreininrichting met panelen vanaf de Konneweg aan de zuidwestzijde van het plangebied.

Referentie poort entree (draaipoort Minerva , Elreka hekwerken)

Visualisatie vanaf de Kerkhoekweg. Rechts in beeld een natuurlijke oever langs het water en groenrand langs de noordelijke rand van het zonneveld. 14/18

Referentie staalmathekwerk. (kleur: zwart RAL 9005) 15/18

Advies beplanting en ecologische inpassing Om tot een concretere uitwerking van de beplanting te komen is contact gezocht met de KNNV Natuurvereniging Hollandse Delta. Hun houding ten opzichte van dit specifieke zonnepark is positief. In het door kassen gedomineerde gebied kan deze ontwikkeling, gepaard met de voorgestelde ecologische inpassing, juist een positieve bijdrage leveren aan de ecologische kwaliteit van het gebied. Om deze reden heeft de KNNV Natuurvereniging Hollandse Delta onderstaand advies uitgebracht om het plan zo goed mogelijk te laten aansluiten op in de regio oorspronkelijk aanwezige vegetatie.

2) voor het creëren van bloemrijke en/of kruidenrijke graslanden wordt aangeraden om niet in te zaaien, maar om via gericht maaibeheer tot een dergelijke vegetatie te komen. Als er toch ingezaaid moet worden op een kaal gemaakt stuk grond dan raden wij aan om eerst een zgn. vals zaadbed aan te leggen, waarop de lokaal aanwezige zadenbank kan ontkiemen en die dan na enkele weken te maaien, waarna het door u gewenste zaadmengsel kan worden ingezaaid. Dan maakt dat zaadmengsel een aanzienlijk grotere kans in de concurrentie met de te verwachten ruderale soorten. Als zaadmengsel raden wij aan om in te kopen bij Biodivers. Dat is de enige zadenleverancier die regionaal zaad oogst en dus de enige die kan garanderen dat u regionaal inheems materiaal krijgt, waarbij ook de regionale genetische eigenschappen van die soorten aanwezig zijn. Dat is een onderschat probleem. Wij denken dat door gebruik van regionaal gewonnen zaad de planten het best geschikt zijn voor interactie met de regionale insectenwereld. Wij zijn tegen het gebruik van zgn. carnavalsmengsels met soorten die soms nog wel inheems zijn, maar niet in onze regio en waarvan de zaden vaak ook nog eens afkomstig zijn uit Oost Europa. https://biodivers.nl/mengsels/ Door gebruik te maken van Biodivers sluit je ook aan bij de Gemeente Westvoorne en de Provincie Zuid-Holland die beide gebruik maken van zaadmengsel van Biodivers.

Tot slot kunt u voor verrijking van de aan te leggen waterpartijen en rietoevers eveneens terecht bij Biodivers https:// biodivers.nl/oevers/

1) voor de aanplant van een haag met gebiedsspecifieke soorten bevelen wij de volgende soorten bomen en struiken aan: Struiken en bomen die geschikt zijn voor ‘zware klei’: ++, lichte klei + of maakt niet uit 0. Alle soorten zijn inheems en komen ook oorspronkelijk in onze regio voor. Zware klei: Salix sp. Knotwilg ++ Salix alba Schietwilg ++ Salix euxina Kraakwilg ++ Alnus glutinosa Zwarte Els knotvorm ++ Acer campestre Spaanse aak 0 Corylus avellana Hazelaar +Crataegus monogyna Eenstijlige meidoorn ++ Prunus spinosa Sleedoorn 0 Ribes rubrum Aalbes ++ Rosa canina Hondsroos ++ Sambucus nigra Gewone vlier 0 Lichte klei: Carpinus Betules Cornus sanguinea Prunus avium Prunus padus Rhamnus cathartica Ribes nigrum Rosa canina Rosa tomentosa Viburnum opvulde

Moeten om de paar jaar geknot worden

Omgang met dit advies Wij zijn de KNNV Natuurvereniging Hollandse Delta zeer dankbaar voor het waardevolle advies. Bij de verdere uitwerking van het beplantingsplan (in de volgende fase) zal de voorgestelde lijst met struiken en boomvormers gehanteerd worden, waarbij gestreefd wordt naar zoveel mogelijk diversiteit. Ook het advies voor het bloem- en kruidenrijke grasland zal worden overgenomen, zowel wat betreft aanleg als wat betreft inkoop. In de nadere uitwerking zal ook een beheerplan worden opgesteld. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat ook het beheer door een lokale partij georganiseerd wordt.

Moeten om de paar jaar geknot worden

Haagbeuk ++ Rode kornoelje + Zoete kers ++ Gewone vogelkers ++ Wegedoorn ++ Zwarte bes ++ Hondsroos ++ Viltroos + Gelderse roos +

Hierbij willen wij opmerken dat wij voorkeur hebben voor een haag waarin zoveel mogelijk van de genoemde soorten worden gebruikt, omdat daarmee de grootste winst gehaald kan worden m.b.t. biodiversiteit. Als jullie ook graag aansluiten bij historische landschapselementen dan raden wij ook aan om te werken met zgn. knotbomen van Zwarte els of wilg. Op Voorne zijn zo hier en daar nog restanten van dergelijke hagen aanwezig en wij stimuleren heraanleg en herstel van dit soort hagen. Bijkomend voordeel is dat de beheerder dan ook de gewenste hoogte van de haag gemakkelijk zelf kan bepalen. 16/18

17/18

18/18

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Quickscan Wet natuurbescherming, Van der Goes & Groot, d.d. 7 september 2018

Pagina | 59

G&G-advies QS2018-84

Zonnepark Westvoorne

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Zonnepark Westvoorne Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

F.N.M. van der Knaap

2018

Opdrachtgever Solar EnergyWorks BV

G&G-advies QS2018-84

Versie Concept Eindrapport

Datum 8 augustus 2018 7 september 2018

Gecontroleerd door: Linda Hartog De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Zonnepark Westvoorne

3

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Het plangebied......................................................................................................... 6

1.4

Werkzaamheden...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 6

Methode

7

2.1

Soorten .................................................................................................................... 7

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 8

Beschermde soorten Wnb

9

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen ............................................................................ 9

3.2

Beschermde soorten.............................................................................................. 10 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 10 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 10 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 10 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 11 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 11 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 12 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 13

3.3

4

5

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 14

Effectbeoordeling en maatregelen

15

4.1

Vogels..................................................................................................................... 15

4.2

Vleermuizen ........................................................................................................... 16

4.3

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 16

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

17

5.1

Natura 2000 ........................................................................................................... 17

5.2

Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 18

5.3

Weidevogelgebieden ............................................................................................. 18

5.4

Houtopstanden ...................................................................................................... 18

5.5

Overige relevante wetgeving................................................................................. 18

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 18

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2018-84

Zonnepark Westvoorne

4

6

Conclusies

19

6.1

Beschermde soorten Wnb .....................................................................................19

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................19

6.3

Zorgplicht ...............................................................................................................19

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

21

8

Bijlagen

22

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2018-84

Zonnepark Westvoorne

1

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11626828/1