CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Achtergrondrapport AB Kustonderzoek Haringvlietmonding eindversieAB v1

Commissie GG & Milieu 9 mei 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Reflectie Toekomst Haringvlietmonding43.875 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Een zeespiegelstijging van 5 mm/j, wat ergens medio deze eeuw kan optreden, heeft een beperkt effect op de netto sedimentatie van het studiegebied. Alleen kijkend naar het sedimentatiegebied tussen Hinderplaat en haringvlietdam (10 km2) is 50,000 m3 sediment nodig om de stijging in het wateroppervlak te kunnen compenseren. Dat is weinig ten opzichte van de huidige sedimentatie van ongeveer 1 miljoen m3/j en ook weinig ten opzichte van een sedimentatie van bijvoorbeeld de helft in 2060 (als gevolg van de verwachting dat dan de vooroever niet verder kan opschuiven). Maar ook de vooroever en de aanpalende gebieden hebben een sediment-’vraag’ als de zeespiegel stijgt. Uitgaande van een totaal oppervlak van 100 km2 van het studiegebied is er bij 5 mm/j zeespiegelstijging een sedimentvolume van 0,5 miljoen m3/j nodig om geen netto verdieping van het hele gebied te krijgen. Dit betekent dat eerst bij deze snellere zeespiegelstijging de sedimentatie in het sedimentatiegebied (10 km 2) zoals hierboven besproken vrijwel ongestoord doorgaat, maar dat op termijn er onvoldoende sediment zal zijn om de zeespiegelstijging in het hele gebied te kunnen ‘compenseren’. Dat heeft dan ook weerslag op de sedimentatie in het sedimentatiegebied waar immers minder sediment beschikbaar voor is.

Als 5 mm/j de zeespiegelstijging de maximale waarde zou blijven, dan is de verwachting dat het kantelpunt tussen sedimentatie en verdieping ergens tweede helft van deze eeuw kan plaatsvinden. Mogelijk al rond 2050. De dieper wordende vooroever gaat dan namelijk steeds meer sediment ‘vragen’ ten koste van de sedimentatie 90

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

achter de Hinderplaat. Bij nog snellere zeespiegelstijgingen van bijvoorbeeld 10 mm/j of zelfs 30 mm/j welke niet onmogelijk worden geacht, kan er al eerder sprake zijn van het omdraaien van sedimentatie in verdieping. Dit wordt echter niet vòòr 2050 verwacht. Vraag 5 - Morfologie Welke invloed heeft de beoogde doorlaat in de Brouwersdam bij de Grevelingen, op de morfologie in het studiegebied? We verwachten een kwalitatieve beschrijving op basis van expert judgement en bestaande rapporten. Antwoord 5 Om de waterkwaliteit op de Grevelingen te verbeteren is een betere verversing met zeewater noodzakelijk. Dat kan alleen middel van een nieuw te realiseren doorlaatmiddel in de Brouwersdam. In de kokers van dat doorlaatmiddel kunnen ook laag-verval turbines worden geplaatst waarmee getijdenenergie kan worden opgewekt. Deze turbines kunnen duurzame elektriciteit opwekken en op de lange termijn ook worden ingezet om bij extreme rivierafvoer en hoge zeespiegelstanden overtollig rivierwater uit te slaan (turbineren en pompen met dezelfde faciliteit). Omdat turbines in het nieuwe doorlaatmiddel een kleine weerstand veroorzaken zal de totale opening iets groter moeten worden.

De eerste verkenningen naar een doorlaatmiddel in de Brouwersdam dateren van eind jaren negentig toen Alkyon in het kader van de prijsvraag “Waterlandschap van de Toekomst” een inzending deed, genaamd “Delta-synergie’. Later volgden de Grevelingendebatten en na 2008 werden er verschillende studies uitgevoerd voor verschillende afmetingen van het doorlaatmiddel. Die hebben uiteindelijk geleid tot een Rijksstructuurvisie waarin aanvankelijk werd uitgegaan van een voorkeursgetijslag van 50 cm op de Grevelingen bij een gemiddeld waterpeil van NAP – 0,20 m (“Gedempt getij”). De getijslag aan de zeezijde van de Brouwersdam is ter vergelijking 2,5 m. Voor de planuitwerkingsfase gaat het project “Getij Grevelingen” volgens de website nu uit van een getijslag van 40 cm rondom een middenpeil van NAP -30 cm. Dat is 10 cm lager dan het huidige middenpeil op de Grevelingen. Er is op dit moment al een opening in de Brouwersdam: de Brouwerssluis. Dit bestaande doorlaatmiddel bestaat uit twee kokers die tezamen een getij-gemiddelde capaciteit hebben van 140 m3/s bij inlaten en 120 m3/s bij spuien. In geval van een eerder beoogde getijslag van 50 cm zou een getijgemiddelde instroom nodig zijn van 1000 m3/s, dus ongeveer 8 keer zoveel. Bij een getijslag van 40 cm is dit weliswaar iets minder (orde 800 m 3/s) maar ook daarvoor is een groter doorlaatmiddel vereist.

Zodra er iets meer getij op de Grevelingen komt veranderen de in- en uitgaande getijstromingen ook het stroombeeld en daarmee de morfologie van het mondingsgebied van de Grevelingen (i.c. het gebied zeewaarts van de Brouwersdam). Dat wordt voor de sedimentuitwisseling met het Haringvliet mondingsgebied relevant als het de aanvoer van zand vanaf de Bollen van de Ooster verandert.

Figuur 79: Morfologie mondingsgebied Grevelingen anno 2012

91

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

In het afstudeeronderzoek van Groenewegen (2019) wordt ingegaan op de morfologische ontwikkelingen van deze zandbanken. De Bollen van de Ooster (locatie weergegeven in Figuur 79) zijn een langgerekte zandplaat die is ontstaan na de afsluiting van de Grevelingen in 1971. Qua genese lijkt deze plaat op de Hinderplaat. In beide gevallen was het de ‘golfkracht’ die de overhand kreeg na de afsluitingen waardoor zand vanaf de vooroever kustwaarts opschoof. De vraag hier is of de Bollen van de Ooster qua vorm en dynamiek wezenlijk zal veranderen na het in gebruik nemen van het nieuwe doorlaatmiddel in de brouwersdam. Een eerste inschatting van het mogelijke effect wordt verkregen door het getijvolume door het nieuwe doorlaatmiddel te vergelijken met het getijvolume van vòòr de afsluiting van de Grevelingen. Als dat van dezelfde orde zou zijn, dan is het denkbaar dat de Bollen van de Ooster weer grotendeels zouden verdwijnen waardoor de zanddoorvoer naar het Haringvliet mondingsgebied zou veranderen. Uitgaande van de bovengenoemde maximale uitstroom van 800 m3/s bedraagt het getijvolume naar schatting 10 miljoen m3/getij (800 m3/s * 3,5 uur/getij *3600 s/uur). Vòòr de afsluiting van het Grevelingen estuarium was dit ongeveer 400 miljoen m 3/getij (situatie 1959, Zicht op de Grevelingen, 2008).

Deze cijfers tonen aan dat de stroming door het beoogde doorlaatmiddel in de directe aanstroom- en uitstroomzones weliswaar enig lokaal effect zal hebben, maar dat van een terugkeer naar de oude situatie geen sprake zal zijn. Daarmee is de verwachting ook gerechtvaardigd dat er geen significante veranderingen zullen optreden in de morfologische ontwikkelingen rondom de Bollen van de Ooster. En daarmee ook niet op de zandtoevoer richting kust van Goeree en het mondingsgebied van het Haringvliet. Vraag 6 - Morfologie Kan er een relatie zijn tussen de aanzanding in de Haringvlietmonding en de zandhonger in de Grevelingenmonding? We verwachten een kwalitatieve beschrijving op basis van expert judgement. Antwoord 6 Er is sprake van ‘zandhonger’ als een bepaald gebied van nature ondieper zou worden maar dat niet doet door gebrek aan sedimentaanvoer. Dit is bijvoorbeeld het geval in de Grevelingen waar de oude geulstructuren van vòòr de afsluiting nog aanwezig zijn die na de afsluiting nauwelijks meer stroming voerden. Die geulen zijn dan te groot en willen sedimenteren. In hoofdstuk 2 is de lineaire relatie tussen geuldoorsnede en getijdebiet toegelicht. Deze situatie deed zich ook voor bij het Rak van Scheelhoek voor de kust van Voorne, maar daar was wel sprake van sedimentaanvoer waardoor deze geul kon sedimenteren. Locale ‘zandhonger’ wordt dus niet altijd gestild.

“De gebraden kippetjes komen niet zomaar aanvliegen”, zei kustprofessor Eco Bijker ooit. Dat geldt ook voor het stillen van de zandhonger in de Grevelingen als daar op termijn “Gedempt Getij” zou worden geïntroduceerd. Het meeste sediment dat met de vloedstroom de Grevelingen dan in gaat zal vermoedelijk achterblijven. Het uitstromende ebwater bevat dan per saldo minder sediment dan het instromende vloedwater. Het sediment dat door het nieuwe doorlaatmiddel met de vloedstroom richting Grevelingen mee stroomt is vermoedelijk fijn qua samenstelling. Er zal een (betonnen) drempel komen in het doorlaatmiddel, waardoor de uitwisseling van zand beperkt blijft (grovere zandkorrels worden door de stroming vaak rollend over de bodem verplaatst). Het richting Grevelingen meegevoerde sediment bestaat dan uit de fijnere zandfracties en slibdeeltjes die zwevend in de waterkolom met de stroming worden meegevoerd. Dat is niet het sediment waar de Bollen van de Ooster mee zijn opgebouwd (zand) en daarom wordt er geen effect verwacht van de voornoemde zandhonger op de morfologische ontwikkelingen in het mondingsgebied van het Haringvliet. Zoals eerder aangegeven is slib alom aanwezig in zeewater en zal een netto import hiervan richting de Grevelingen geen merkbaar effect hebben op de sedimentconcentratie in het zeewater op de Voordelta.

Vraag 7 - Morfologie Welke effecten heeft het kierbesluit op de morfologie in het studiegebied? We verwachten een kwalitatieve beschrijving op basis van expert judgement en bestaande rapporten. Antwoord 7 De Haringvlietdam met spuisluizen vormen een harde barrière tussen zoet en zout water. Hierdoor kunnen trekvissen zoals paling, zalm en zeeforel niet naar hun paaigebieden zwemmen die stroomopwaarts liggen of op zee. Door de Haringvlietsluizen bij vloed op een kier te zetten, kunnen trekvissen met het zoute water mee het Haringvliet op zwemmen. Het operationeel beheer van de sluizen moet wel zodanig zijn dat het water bij zoetwaterinnamepunten voor de landbouw en het drinkwater zoet blijft. Dat vergt nog enige tijd van uitproberen en meten wat er gebeurt. Rijkswaterstaat heeft daarvoor een onderzoeksprogramma gestart met de naam ‘Lerend Implementeren’. In de 92

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

komende jaren zal op basis van de opgedane ervaringen duidelijk worden welk getijvolume daadwerkelijk uitgewisseld kan worden. In de MER Beheer Haringvlietsluizen zijn indertijd een aantal scenario’s gepresenteerd waarmee de visintrek door de Haringvlietsluizen mogelijk zou worden. Door de sluizen tijdens hoog water open te zetten, stroomt er water vanaf de Noordzee naar het Haringvliet. Hierdoor is het ook mogelijk voor vissen om de Haringvlietsluizen te passeren. Het gekozen sluisbeheer “Getemd Getij”, waarbij de sluizen vrijwel permanent open staan, heeft echter als nadeel dat er zoveel zout water naar het Haringvliet stroomt dat dit gevolgen kan hebben op de zoutgehaltes in het binnengebied. Als tijdelijk alternatief is gekozen voor een aangepast sluisbeheer “De Kier”. Hierbij wordt het ingelaten volume water beperkt, zodat de zoutgehaltes binnen beheersbaar blijven, maar vissen wel het Haringvliet kunnen bereiken. Er zijn de afgelopen jaren (sinds de eerste opening op 16 januari 2019) een aantal Kierproeven uitgevoerd, waarbij het effect van het inlaten van zout water in detail wordt gemonitord en geanalyseerd (Figuur 80, Deltares verslag 31 mei 2019).

Figuur 80: Debiet door spuisluizen tijdens Kier-variant proef januari 2019 (Deltares, 2019)

Het geschatte gesommeerde hoeveelheid ingelaten water tijdens de twee opeenvolgende hoog waters op 16 januari bedroeg 10 miljoen m3 (5 miljoen m3 per hoog water), terwijl de hoeveelheid gespuid water tijdens 11 spuiperioden wordt geschat op 700 miljoen m3 (63 miljoen m3 per laag water). Het verschil (58 miljoen m3/getij) is het volume rivierwater dat werd gespuid in die periode. Dit komt overeen met een spuidebiet die orde 10% van de tijd wordt overschreden. Het getijvolume van de Haringvlietmond bedraagt ongeveer 100 miljoen m 3. Dat is het watervolume van het mondingsgebied dat ligt tussen laag water en hoog water. Het is het volume water dat vanuit zee met de vloed wordt aangevoerd en met de eb weer wordt afgevoerd. De proef uit januari 2019 toont aan dat door het openen van de sluizen het getijvolume in dit gebied dus met ongeveer 5% toeneemt. Het neemt iets toe omdat een stukje van het Haringvliet dan immers ook onderdeel wordt van het kombergingsgebied. Een dergelijke kleine procentuele toename heeft geen significant effect op de geschetste morfologische ontwikkelingen in het gebied. Noch op de toekomstvoorspellingen. Bij lagere spuidebieten zal het volume ingelaten water nog minder zijn. Bij hogere spuidebieten (die minder vaak dan 10% van de tijd voorkomen) is het meer, maar omdat dit weer minder vaak voorkomt, is het effect op de lange termijn morfologie zeer beperkt.

Op de lange termijn, indien er wordt over gegaan op het “Getemd Getij” sluisbeheer, zal het volume dat per hoog water wordt ingelaten op het Haringvliet groter zijn, en zal het effect op de morfologie daardoor niet meer beperkt zijn. Volgens het MER zou het 20 tot 30 jaar duren voordat de morfologie van de Haringvlietmonding zich daar weer op heeft ingesteld.

93

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

6

Effectstudie kustveiligheid

6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de effecten van de geschetste autonome morfologische ontwikkelingen geanalyseerd en uitgelegd met betrekking tot kustveiligheid. Hiervoor wordt eerst de huidige situatie beschreven, gevolgd door een beschrijving van de morfologische veranderingen met accent op scenario 1 van de mogelijke veranderingen. Doel van dit rapport is antwoord te geven op onderstaande onderzoeksvragen. Tabel 16 geeft een overzicht van de onderzoeksvragen zoals opgesteld door de coalitie en gerelateerd aan waterveiligheid. Tabel 16. Overzicht van onderzoeksvragen kustveiligheid

Onderzoeksvragen kustveiligheid Vraag 1 Wat is het effect van de autonome morfologische ontwikkeling op vooroever (mate van aanzanding en/of erosie), strand (hoogte en breedte) en duinen (hoogte en breedte) in 2025, 2030, 2040, 2050 en 2060. We verwachten een kwantitatieve inschatting. Vraag 2 Welk effect heeft de autonome morfologische ontwikkeling op de natuurlijke duinaangroei met zand, zowel in de hoogte als in de breedte? We verwachten een kwalitatieve beschrijving die volgt uit de voorgaande vraag. Vraag 3 Wanneer is er vanuit waterveiligheid een opgave aan de kust, en hoe ziet deze opgave eruit? Hierbij gaat het om een second opinion van de eerste inschatting van de beheerder WSHD die we beschikbaar stellen. We verwachten een kwalitatieve beschrijving (eerste beeld is immers dat er voor de komende 40 jaar geen opgave te verwachten is, en dat deze opgave pas veel verder dan over 40 jaar gaat ontstaan). Vraag 4 Welke gevolgen heeft de autonome morfologische ontwikkeling voor de beheerinspanning en waterveiligheidskosten voor zowel de vooroever/suppleties als duinen/versterking (meerkosten of juist kostenbesparing)? We verwachten een kwalitatieve beschrijving met cijfermatige onderbouwing in euro’s.

6.2

Huidige situatie

Onder waterveiligheid wordt verstaan de situatie waarbij de primaire waterkeringen in het gebied voldoen aan de vigerende veiligheidsnormen. Zodra een onderdeel van de waterkering niet meer voldoet aan de norm, dan zal deze moeten worden versterkt en is er een ‘versterkingsopgave’. In dit gebied is het waterschap daar dan voor verantwoordelijk. Naast het borgen van de waterveiligheid is kustlijnzorg van belang. Het doel daarvan is om trendmatig zandverlies in eroderende kustvakken door middel van zandsuppleties te compenseren. Hoeveel zandverlies er jaarlijks plaatsvindt en waar precies, wordt door Rijkswaterstaat berekend op basis van jaarlijkse kustlijnmetingen (Jarkus) en gepresenteerd in de jaarlijkse rapportages Kustlijnkaarten. Bij het vaststellen van het zandverlies wordt een speciaal daarvoor ontwikkelde rekenmethodiek gehanteerd waarbij wordt gekeken naar veranderingen in het zandvolume tussen ongeveer NAP +2 m en een zekere diepte op de vooroever (verschilt per kustvak, maar ongeveer NAP -4 m). De informatie uit de Kustlijnkaarten wordt gebruikt bij de bestuurlijke keuze waar precies in het volgende jaar suppleties worden uitgevoerd. Dit is onderdeel van landelijk beleid. Waterveiligheid en kustlijnzorg hebben dus een verschillende benadering en doel. Bij zandige kustvakken is het evident dat goede kustlijnzorg helpt om ook de duinwaterkering sterk genoeg te houden.

Rijkswaterstaat en regionale waterschappen werken daarom samen bij het maken van keuzes waar wel of nog geen suppleties worden uitgevoerd. In dit hoofdstuk wordt voornamelijk gekeken de waterveiligheid en minder naar kustlijnzorg.

94

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

De waterkering Voorne De primaire waterkering aan de zeewaartse zijde van Voorne bestaat uit het zogenaamde ‘dijktraject 20-1’ wat loopt vanaf de Haringvlietdam tot aan de Brielsche Gatdam (rode lijn in Figuur 81). De overstromingskans van 1/30.000 per jaar (‘signaalwaarde’) die in de legenda bij de figuur is aangegeven, is sinds 2017 als norm in de wet opgenomen. Dit dijktraject beschermt het westelijke deel van Voorne-Putten tegen de invloed van de Noordzee. Het is 16 km lang en bestaat voornamelijk uit duinen. In het deel van het dijktraject dat grenst aan het mondingsgebied van de Haringvliet liggen geen kunstwerken.

Figuur 81 Dijktraject Brouwersdam - Stellendam

Goeree Dijktraject 25.1 “Brouwersdam – Stellendam” beschermt Goeree-Overflakkee tegen de Noordzee (rechterfiguur in Figuur 81). Sinds 1 januari 2017 is de wettelijke overstromingsnorm van dit dijktraject 1/3.000 per jaar (signaalwaarde). Dit dijktraject is 16,7 km lang en bestaat voornamelijk uit duinen. Bij Ouddorp bevat het dijktraject een inmiddels onder het zand liggende zeedijk (het “Flaauwe Werk”). Ter hoogte van de visafslag ligt één kunstwerk (spuisluis Zuiderdiep). Toetsen van duinveiligheid Volgens het waterschap (WSHD) voldoen beide trajecten 20.1 (Voorne) en 25.1 (Goeree) op dit moment aan de sinds 2017 gestelde veiligheidsnorm (signaleringskans). Dit is gebaseerd op de Beoordelingen veiligheid primaire waterkeringen 2017-2023 (WSHD, 2018) & (WSHD, 2019) en sluit aan op de vorige toetsing van de waterkeringen op de ‘oude’ veiligheidsnormen en de uitkomsten van een verkennende studie naar de invloed van de nieuwe veiligheidsnormen (Arcadis, 2016). De vigerende rekenmethodiek voor duinafslag (DUROS+) is voor het gebied rondom de Groene Punt – om meerdere redenen – beperkt toepasbaar. In het recent gestarte project BOI Zandige Waterkeringen wordt door Arcadis in samenwerking met Deltares en in opdracht van Rijkswaterstaat, gewerkt aan de ontwikkeling van een nieuw toetsingsinstrumentarium.

Daarbij zal gebruik worden gemaakt van een proces-gebaseerd rekenmodel, genaamd XBeach. Met dit rekenmodel kan bijvoorbeeld de invloed van de voorliggende bodem (ondiepten/geulen) beter worden meegenomen. Resultaten worden pas later dit jaar verwacht, waarna de feitelijke veiligheidssituatie door middel van een formele toetsing beter kan worden vastgesteld. De uitkomsten van de veiligheidsberekeningen hangen ook sterk af van de opgelegde hydraulische randvoorwaarden. En die hangen weer af van de grootschalige morfologische ontwikkelingen in het gebied. Als gevolg van de gestage verondieping die al heeft plaatsgevonden en waarvan wordt verwacht dat die doorgaat, zijn de thans vigerende hydraulische randvoorwaarden vermoedelijk te zwaar. Indien uit nader onderzoek zou blijken dat de hydraulische randvoorwaarden waarmee voor elke duindwarsdoorsnede de sterkte wordt getoetst, minder zwaar zou zijn, dan neemt de feitelijke kustveiligheid toe. Bij beantwoording van de onderzoeksvragen worden berekeningen gepresenteerd om het effect van de grootschalige morfologische veranderingen op de kustveiligheid te kunnen bepalen. Daarvoor wordt het rekenmodel MorpAn gebruikt 95

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

dat speciaal is ontwikkeld voor waterschappen en gebaseerd op de DUROS+ rekenmethodiek. Die berekeningen dienen louter ter indicatie: het is geen toetsing van de waterkering, noch een speurtocht naar de zwakste schakel.

Terugkijkend: kust van Voorne Langs de kust van Voorne waren twee kwetsbare gedeelten in de duinwaterkering: de Groene Punt en het rechte kustvak vanaf de Groene Punt tot aan de Haringvlietdam. Beiden zijn in 2009/2010 versterkt met strand- en duinsuppleties die een beoogde levensduur hadden van minimaal 20 jaar. Langs de kust van Voorne vond na de afsluiting van het Haringvliet erosie plaats als gevolg van dwarstransport tijdens stormen. Zand afkomstig van het strand en het voorste duin werd verplaatst door golfwerking naar de diepere delen van de voormalige getijgeul Rak van Scheelhoek die dicht onder de kust ligt. Populair gezegd was er lange tijd ‘zandhonger’ die gestild werd met slib tijdens rustig weer en met zand vanaf de kust tijdens stormen. Naarmate de geul verder opvulde nam dit proces van netto zeewaarts dwarstransport af. Pas nadat de restanten van de geul overal uit de kustprofielen zijn verdwenen als gevolg van deze opvulling, ontstaat er weer een natuurlijke balans tussen zeewaartse en landwaartse zandtransporten. Dit lijkt inmiddels het geval te zijn in het kustvak vanaf de Groene Punt tot aan ongeveer RSP 13 km (nabij Rockanje). Iets verder richting de Haringvlietdam is vermoedelijk nog wel sprake van geulrestanten en daar is in theorie nog wel wat zandverlies vanaf het strand te verwachten.

Bij de Groene Punt is de situatie iets anders omdat daar zandverlies optreedt langs de kust en veel minder dwars op de kust. Door de sterke kromming in de kustlijn nemen de langstransporten vanaf een zeker “nulpunt” in twee richtingen toe. Juist ter hoogte van de Groene Punt leidt dit ertoe dat er meer zand het kustvak uit wordt getransporteerd dan dat er aan zand in komt. Het strand, de ondiepe vooroever en uiteindelijk ook het voorste duin ‘leveren’ het verschil in zandvolume, wat zichtbaar wordt als kustlijnachteruitgang. Bovenstaande twee oorzaken van erosie en duinafslag bij de Groene Punt, namelijk “dwars” op de kust door depositie in de voormalige getijgeul en “langs” de kust als gevolg van de kustkromming, noodzaakten Rijkswaterstaat en het Waterschap in 2009 / 2010 tot kustversterking. Over een lengte van 4 km werd toen aan de zeezijde een brede duinenrij van 130 meter aangebracht (duinsuppletie) en het strand verhoogd (strandsuppletie). Bij een eerdere kustverdediging in 1987 was het duin ter hoogte van de Groene Punt nog versterkt met slibrijk zand. Door deze voedselrijke sedimentbron ontwikkelde zich in snel tempo een dicht en hoog duindoornstruweel wat niet de bedoeling was. Het verhinderde namelijk het inwaaien van meer kalkrijk zand vanaf het droge strand, wat gunstig is voor de verjonging van de vegetatie (zie foto hiernaast).

Daarom werd tijdens de laatste versterking in 2010 over een oppervlakte van ongeveer 15 ha de duindoornvegetatie verwijderd en de voedselrijke bovenlaag met een halve meter afgegraven en weer aangevuld met 50 cm kwalitatief beter zand. Terugkijkend: kust van Goeree Langs de kust van Goeree was de zwakste schakel in de waterkering lange tijd het “Flaauwe Werk”. Dat is een zeedijk bij Ouddorp met een lengte van 2,75 kilometer, gelegen tussen RSP 10,5 km en RSP 13,25 km. De kruin van de zeedijk ligt op NAP+9,7m. Het buitentalud en de kruin zijn voorzien van een deklaag van asfalt. Vòòr de zeedijk liggen negen strandhoofden waarvan er inmiddels enkele aan de westzijde weer zichtbaar zijn geworden door de lokale erosie die daar recent plaatsvindt als gevolg van een opschuivende kortsluitgeul (Figuur 53).

96

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

Het Flaauwe Werk bleek aan het begin van de eeuw niet te voldoen aan de toenmalige veiligheidsnorm, waarna deze in 2007/2008 werd versterkt. Over een afstand van 1,5 km werd de dijk 3 meter hoger en landinwaarts met 30 meter verbreed. De asfaltdijk is nu niet meer zichtbaar doordat de dijk is overdekt met zand en één geheel vormt met de duinen eromheen. Ook het strand ervoor is in de laatste jaren breder geworden, met recent een uitzondering aan de westzijde waar als gevolg van een opschuivende kortsluitgeul erosie heeft plaatsgevonden (zie ook Elias, 2021). De verwachting is wel dat deze geul op korte termijn (maanden - jaren) zal verzanden door aanvoer van zand vanaf de aanlandende platen en de in het voorjaar van 2021 ter hoogte van de westkop uitgevoerde strandsuppletie. Zolang de basiskustlijn (BKL) langs de westkop van Goeree blijft gehandhaafd in het kader van kustlijnzorg, zijn er langs de kust van Goeree geen versterkingsopgaven te verwachten. Het hele dijktraject 25.1 is veilig. De verwachte morfologische veranderingen in de toekomst, zoals in dit rapport beschreven, impliceren dat er meer zand langs de kust accumuleert. Dat geeft bredere stranden en daarmee een nog veiliger situatie. Een mogelijke uitzondering hierop is het gedeelte van de kust waar het Slijkgat landwaarts kan migreren. Als zich dat voordoet dan zal dat ongeveer tussen RSP 6 km en RSP 8 km zijn.

Hier is de afgelopen jaren de kust met honderden meters breder geworden dus zelfs al zou daar 50 m van uitschuren, dan nog leidt dat niet tot een versterkingsopgave van de achterliggende waterkering. Evenmin zal dit leiden tot de noodzaak voor een strandsuppletie in het kader van kustlijnzorg.

6.3

Effecten op kustveiligheid

Door opdrachtgever zijn de volgende vragen over de toekomstige kustveiligheid gesteld: Vraag 1 - kustveiligheid Wat is het effect van de autonome morfologische ontwikkeling op vooroever (mate van aanzanding en/of erosie), strand (hoogte en breedte) en duinen (hoogte en breedte) in 2025, 2030, 2040, 2050 en 2060. We verwachten een kwantitatieve inschatting. Antwoord 1 In hoofdstuk 4 zijn aan de hand van drie mogelijke scenario’s de verwachte morfologische veranderingen in het gebied gepresenteerd. De meest waarschijnlijke ontwikkeling is die van scenario “brede kust van Voorne”, waarbij na 2025 sprake is van aanlanding van de Hinderplaat op de kust van Voorne, vermoedelijk op of direct ten oosten van de Groene Punt. Ook de mogelijke veranderingen in de oppervlakten van bepaalde diepte- en hoogtezones is met bandbreedte ingeschat en beschreven in hoofdstuk 4, waarnaar hier wordt verwezen. Bij het onderzoek naar de invloed van de grootschalige morfologische veranderingen op de waterveiligheid is vooral gekeken naar de zwakste schakel: de Groene Punt. Dat is zo’n zwakke schakel omdat juist daar zand via de brandingsgedreven stroming wordt afgevoerd wat tot erosie leidt. En juist op die locatie lijkt zich een geul te ontwikkelen die nog meer kustafslag kan veroorzaken. Langs alle overige kustvakken in het gebied speelt dit niet of veel minder.

Zo is het mogelijk dat er langs de kust van Goeree, aan de westflank van de Kwade Hoek, ook tijdelijk (enkele jaren) erosie kan optreden als daar het Slijkgat kustwaarts opschuift. Omdat de waterkering daar nog vele honderden meters verder landwaarts ligt, zal dit echter niet leiden tot de noodzaak om daar de duinwaterkering te moeten versterken. Ook de erosie aan de westzijde van het Flaauwe Werk wat heeft geresulteerd in het blootspoelen van de eerder onder het zand verdwenen strandhoofden, geeft geen versterkingsopgave. Feitelijk is de NW kust van Goeree sinds de afsluiting van het Haringvliet dermate zeewaarts verbreed, dat hier geen versterkingsopgave wordt verwacht tot aan 2060. Dat geldt ook voor de tussenliggende jaartallen zoals gesteld in de vraag. Hierbij wordt wel aangetekend dat het belangrijk blijft om de kustlijnligging ter hoogte van de westkop van Goeree te blijven onderhouden conform het huidig beleid. Vanaf de Groene Punt tot aan de aansluiting met de Haringvlietdam wordt de kust en de vooroever naar verwachting tot 2060 breder. Er zijn hier tot 2060 geen morfologische ontwikkelingen voorzien die een versterkingsopgave van de duinwaterkering nodig zou kunnen maken.

97

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

Tenslotte blijft de verondieping van het kustvak voor de Brielsche Gatdam doorgaan, waardoor ook daar tot 2060 geen versterkingsopgave wordt verwacht. De conclusie is dat vanuit het perspectief van kustveiligheid vooral de situatie ter hoogte van de Groene Punt nader moet worden beschouwd. Dit wordt hieronder nader uitgewerkt, waarbij drie situaties worden bekeken: 1. Geen grootschalige morfologische veranderingen. Deze situatie wordt meegenomen om de invloed van de grootschalige morfologische ontwikkelingen – die wel degelijk worden verwacht - mee te kunnen vergelijken. Er wordt in deze situatie wel rekening gehouden met een doorgaande kustlijnachteruitgang van 5 meter per jaar als gevolg van brandingsgedreven zandtransporten. Deze waarde is gebaseerd op de waargenomen trend in de kustlijnachteruitgang ter hoogte van de Groene Punt (kustlijnkaarten, 2021). In de berekeningen worden eerst twee tijdshorizonnen beschouwd: 2026 (25 m achteruitgang) en 2031 (50 m kustlijnachteruitgang). Verder vooruitkijken heeft weinig zin, omdat tegen die tijd vermoedelijk de kust in het kader van Kustlijnzorg al weer is aangevuld. 2. Een groter wordende getijgeul voor de kust die landwaarts opschuift. Dit is het toekomstscenario “Geul voor Groene Punt” en vormt in theorie de grootste bedreiging voor de kustveiligheid.

Ook in het meer waarschijnlijk geachte toekomstscenario “Brede kust van Voorne”, is de verwachting dat er rond 2025 nog wel een geul ligt voor dit kustvak, maar dat die daarna verzandt. Bij “Geul voor de Groene Punt” verzand die geul niet maar verplaatst juist landwaarts ten koste van het strand en de achterliggende duinen. De geulmigratie zorgt voor extra kustlijnachteruitgang bovenop de 5 m/j reguliere kustlijnachteruitgang, omdat het twee nagenoeg onafhankelijke processen zijn (golven en getijstroming). In de berekeningen die hierna worden gepresenteerd worden verschillende uitgangspunten gehanteerd voor hoeveel de kust als gevolg van deze geuldynamiek precies achteruitgaat. 3. Een breder wordende kust – ook ter hoogte van de Groene Punt - omdat delen van het Hinderplaatcomplex aanlanden op de kust van Voorne, ter hoogte van de Groene Punt. Deze situatie is voor de kustveiligheid gunstig, omdat het strand breder wordt en de vooroever ondieper en flauwer. Het kan zijn dat er dan tot aan 2060 geen versterking van de duinwaterkering meer nodig is wat mogelijk een kostenbesparing oplevert. Ad 1: geen grootschalige morfologische veranderingen De gehanteerde uitgangspunten bij het vaststellen van het rekenprofiel (ter hoogte van RSP 10.020 km) zijn: • •

98

Horizontaal schuift het profiel per jaar met 5 m op, dus 25 m tot 2026 en 50 m tot 2031. Niet het hele kustprofiel schuift op, omdat deze erosie wordt veroorzaakt door het brandingsgedreven langstransport. Als ondergrens wordt aangehouden NAP -3 m wat relatief ondiep is vanwege de daar weer voor liggende ondieptes van het hinderplaatcomplex.

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

Deze uitgangspunten resulteren in de drie kustprofielen zoals getoond in onderstaande figuur. Deze profielen worden enkel weergegeven voor vergelijking. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt bij de beantwoording van vraag 3. Referentieprofiel 2020

Referentieprofiel 2026

Referentieprofiel 2031

Figuur 82: Referentieprofielen voor 2020, 2026 (25 meter kustachteruitgang) en 2031 (50 meter kustachteruitgang)

Ad 2: de negatieve situatie: getijgeul voor de kust Het gevaar komt hier vanuit een nieuwe getijgeul die zich dicht onder de kust aan het ontwikkelen lijkt te zijn. In de meest recente Jarkus-profielen (2019, 2020) is ter hoogte van RSP 10.020 km tot RSP 10.060 km namelijk al een ontgrondingskuil te zien. Deze lokale ontgronding kan zich op korte termijn (jaren) verder uitstrekken waardoor een geulachtige vorm ontstaat. Deze geul loopt dan door tot aan de Naamloze Geul waarmee het één geheel kan vormen. Uiteindelijk zal de ‘zanddruk’ vanaf de Hinderplaat en vanaf de kust zelf, naar verwachting zo groot worden dat deze geul wel weer opvult, maar of, hoe en wanneer dat gebeurt is niet goed te voorspellen. Als er wel een stabiele geul ontstaat die de ‘zanddruk’ kan weerstaan omdat er voldoende getijwater doorheen stroomt, dan zal die geul niet plaatsvast zijn. De geul zal door de zanddruk vanaf de Hinderplaat kustwaarts migreren en mogelijk ook gaan uitbochten. Het is die situatie die voor de kustveiligheid het meest negatief kan uitpakken en mogelijk tot een snellere kustversterking aanleiding geeft. De kans daarop is weliswaar klein maar niet nul. Om te kunnen inschatten wat deze geulvorming en geulmigratie betekent voor de waterveiligheid, is het nodig om gedetailleerde dwarsprofielen te bepalen.

Dat vraagt een voorspelling op een schaal van meters, wat feitelijk door de beperkte voorspelbaarheid van morfologische veranderingen niet betrouwbaar is. De onderstaande voorspelling van morfologische veranderingen op vooroever, strand en duinen - ter hoogte van de Groene Punt en voor deze situatie zijn dan ook alleen bedoeld om te kunnen vaststellen of er op termijn een extra versterkingsopgave kan ontstaan of niet.

99

Datum: 27 januari 2022

ONDERZOEK AANZANDING KUST HARINGVLIETMONDING BLOK A & B

Onderstaande figuur toont het dwarsprofiel ter hoogte van RSP 10.020 km voor de gemeten situatie in 2020 en voor de situatie over 5 jaar (2026) en 10 jaar (2031). Bij het bepalen van de dwarsprofielen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: •

• • • •

De natte oppervlakte van de geul onder NAP-1 m (gemiddeld laagwater) blijft gelijk. Dat is gerechtvaardigd zolang het maatgevende getijvolume door de geul niet verandert. En dat is het geval zolang het getijprisma van het achterliggende kombergingsgebied niet verandert. Omdat het achterliggende kombergingsgebied naar verwachting verder zal opvullen (ook boven laagwater waar het getijprisma is), neemt in werkelijkheid na verloop van jaren dat getijprisma wel af. Door hier tot aan 2031 geen rekening mee te houden wordt een voorzichtige keuze gemaakt. De verwachte opvulling van het kombergingsgebied zal er na 2031 wel toe leiden dat het getijvolume door de nieuwe geul afneemt. En dat zal uiteindelijk leiden tot het verdwijnen van de geul, omdat er dan te weinig water doorheen stroomt om zandafzettingen af te kunnen voeren. De verwachting is dan ook dat de Geul voor de Groene Punt – als het zich al voordoet – een tijdelijk fenomeen zal zijn. Voor de gevraagde jaartallen 2040, 2050 en 2060 is de verwachting dan ook dat de kust – ook bij de Groene Punt dermate is aangezand dat de dan aanwezige duinwaterkering zal voldoen aan de huidige veiligheidsnorm. De Hinderplaat schuift ter hoogte van de Groene Punt de laatste jaren met ongeveer 80 m/j landwaarts op. Dat is de gemiddelde migratiesnelheid van de landwaartse rand van deze plaat na 2013 (bron: Jarkus-profielen; Figuur 46).

De helft van de ‘nieuwe’ natte oppervlakte die als gevolg van uitschuring ontstaat, wordt ‘geleverd’ door verdieping van de geul. De andere helft wordt ‘geleverd’ door versnelde kustlijn-achteruitgang en teruggang van het duinfront. Er bevinden zich geen harde lagen in het kustprofiel. De profielen schuiven net als in de referentie-situatie met 5 m/j extra landwaarts op als gevolg van kustlangs brandingstransport.

Met deze uitgangspunten zijn twee toekomstige dwarsprofielen voor raai RSP 10.020 km geconstrueerd (2026 en 2031). De situatie kan ‘erger’ worden als de geul niet alleen migreert richting kust maar daarbij ook nog eens gaat uitbochten (meanderen). Bochtstromingsverschijnselen kunnen dan zorgen voor extra afslag van strand en duinen. Of dit gaat gebeuren is niet te voorspellen, maar als het gebeurt dan is de bochtstraal van een dergelijke meander al snel in de orde van enkele keren de breedte van de geul zelf. Dat zou betekenen dat de geul in 2031 ook 80 meter of zelfs 150 m verder duinwaarts kan komen te liggen. De figuur toont de dwarsprofielen van deze twee extreem ongunstige situaties (profielen 2031-E1 en 2031-E2).

100

Datum: 27 januari 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11449559/1