04 22 01 03 brief college NRD planMER module Eenrgietransitie provincie ZH bijl 1
Tekst van het document
Aan:
Provincie Zuid-Holland t.a.v. Team Omgevingsbeleid Postbus 90602 2509 LP Den Haag
Van: P. Schop Coördinerend pfh energietransitie VP Gemeente Hellevoetsluis Postbus 13 3220AA Hellevoetsluis
Datum: 15 december 2021 Betreft: Zienswijze op Ontwerp van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau Module Energietransitie
Geachte, Gedeputeerde staten hebben op 2 november 2021 het Ontwerp van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau Module Energietransitie vastgesteld. Deze ligt ter inzage van 8 november tot en met 20 december 2021. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is het ‘startdocument’ voor een milieueffectrapportage (m.e.r.). Deze m.e.r. is gekoppeld aan de Herziening van het provinciale omgevingsbeleid voor de Module Energietransitie. Wij maken, als samenwerkende gemeenten op Voorne-Putten, graag van de gelegenheid gebruik om gezamenlijk onze zienswijze hierop kenbaar te maken, zodat dit betrokken kan worden de definitieve vaststelling van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau Module Energietransitie. Bij de zienswijze is een onderscheid gemaakt tussen meer algemene opmerkingen en inhoudelijke opmerkingen. Algemeen In de planMER wordt de huidige situatie met een aantal alternatieven vergeleken. De alternatieven betreffen 1. de zoeklocaties en zoekgebieden zoals in de RES is gepresenteerd; 2. de zoeklocaties en zoekgebieden zoals in de RES is gepresenteerd aangevuld met de randvoorwaarden die de provincie in haar besluitvorming heeft gesteld; 3. de zoeklocaties en zoekgebieden zoals in de RES is gepresenteerd aangevuld met de randvoorwaarden die de gemeenten in hun besluitvorming hebben gesteld. Deze alternatieven zijn op dit moment niet concreet uitgewerkt.
Voor de zoekgebieden die in de RES 1.0 van onze regio (Rotterdam-Den Haag) zijn genoemd, geldt dat hierbij geen specifieke cijfermatige opgaven zijn geformuleerd. Voor een aantal zoekgebieden is ook nog geen keuze voor zon of wind gemaakt. Daarnaast is het aan de gemeenten om samen met partners (waaronder met de provincie en het waterschap) en inwoners te bepalen op welke manier zij invulling willen geven aan een zoekgebied. Dit is dus nog niet gebeurd. De uitwerking van de zoekgebieden en ook de eventuele realisering van de verschillende projecten vraagt bovendien voldoende financiële middelen en ook personele capaciteit bij o.a. de gemeenten. Bij de ondertekening van het Klimaatakkoord heeft de VNG hierover al een voorbehoud voor gemaakt en ook bij de aanbieding van de RES regio Rotterdam-Den Haag is hier aandacht voor gevraagd. Om de ambities uit de RES 1.0 en de nog te bepalen ambities per zoekgebied te kunnen realiseren moet het huidige omgevingsbeleid van de provincie en de gemeenten mogelijk op een aantal punten worden verruimd. Welke verruiming nodig, wenselijk en haalbaar is, wordt echter pas echt duidelijk als er integraal en gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan de diverse zoekgebieden. Daarom is de vraag of er bij het vergelijken van de alternatieven uitgegaan wordt van het huidige omgevingsbeleid of dat er wordt uitgegaan van een verruimd omgevingsbeleid.
De vraag is vervolgens hoe die verruiming er uit ziet? Om die reden is het ons inziens van belang om bij het ontwerp van de module Energie en de planMER te onderzoeken op welke plekken het provinciaal beleid verruimd kan worden om zoveel mogelijk ruimte te bieden aan goede/kwalitatieve initiatieven die bijdragen aan de duurzaamheidsopgave. (Uiteraard moet het nieuwe beleid geen ruimte bieden aan onwenselijke initiatieven.) Wij roepen u op hierover in gesprek te gaan met gemeenten, inwoners en andere partners om hetgeen bedacht op papier te toetsen met de ervaringen uit de praktijk. Onderzoeken windenergie, zonne-energie (en warmtenetwerk) In aansluiting op het hierboven genoemde punt worden op pagina 18 e.v. verschillende onderzoeken aangekondigd naar o.a. wind-energie en zonne-energie. Bij dit proces zijn wij graag direct betrokken en derhalve ook bereid om mee te denken bij de verdere invulling van zowel de onderzoeken als de vertaling van de uitkomsten van de onderzoeken naar beleid. U geeft aan dat de alternatieven per regio kunnen verschillen maar wij hechten er aan dat de uitgangspunten voor alle regio’s gelijk zijn.
1
Beoordelingskader Het beoordelingskader wat is gepresenteerd is nog niet helemaal uitgewerkt. Wat van belang is dat de planMER in beeld brengt wat de effecten zijn op de leefomgeving nu én wat de effecten zijn op de ontwikkelmogelijkheden van de leefomgeving in de toekomst. Maken de onderzochte alternatieven ontwikkelingen op andere vlakken onmogelijk (of juist mogelijk)? Onduidelijk is of bij de effectbeoordeling ook gekeken wordt naar de potentiële effecten van de aanleg- en verwijderingsfasen, naast die van de uitvoeringsfase. Deze effecten kunnen vooral voor stedelijke gebieden ingrijpend zijn. Bij het beoordelingskader ontbreekt in ieder geval ook de betaalbaarheid voor de eindgebruiker. Uit een recente Kamerbrief van de minister (2021-0000351644): ‘Het zwaartepunt heeft daarbij gelegen op het realiseren van de randvoorwaarden voor het in gang zetten en opschalen van de energietransitie. Haalbaar en betaalbaar zijn hierin voor het kabinet belangrijke aandachtspunten’. PARK_advies Op donderdag 28 oktober jl. ontving Gedeputeerde Staten het advies “Meer dan zon en wind alleen’ van de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK), Noël van Dooren. Dit advies richt zich op de onderwerpen ruimte en landschap in de RES 1.0.
De PARK is een onafhankelijk adviseur die gevraagd en ongevraagd advies geeft over landschap en leefomgeving bij ruimtelijke ontwikkelingen op de regionale en provinciale schaal. Wij vragen u nadrukkelijk rekening te houden met dit advies en dan met name de 5 adviespunten zoals vermeld op pagina 4 van dit advies. Als verdieping van punt 4 uit dit advies (Leg nu een aantal concrete, RES-overschrijdende hoofdlijnen vast, en versterk daarmee een ZuidHollandse identiteit) zouden wij graag zien dat er een integrale afweging komt tussen de draagkracht van het landschap binnen en tussen (RES-)regio’s. Wij zien het als de rol van de provincie om er voor te zorgen dat de RES’en goed op elkaar aansluiten en daarbij rekening gehouden wordt met de kwaliteiten van de diverse landschappen en de andere opgaven in het gebied. Dit sluit overigens ook aan bij de opmerkingen op pagina 18 dat de alternatieven per regio kunnen verschillen, maar dat er dan alternatieven uitgewerkt worden voor de regio’s waar afwijkingen zijn. M.b.t. de stellingen in het PARK-advies over realiteitswaarde en landschap secundair willen we opmerken dat de gemeenten gevraagd is om binnen de complexiteit van diverse parallel optredende, zeer omvangrijke opgaven, met een voorstel te komen voor de energietransitie.
Dat heeft van de gemeenten een zekere flexibiliteit (creativiteit) en toeschietelijkheid geëist, die anderzijds ook van de provincie verwacht zou mogen worden. Vanzelfsprekend is er een spanningsveld tussen landschappelijke kwaliteit (ruimte) en energie-opwek (en alle andere opgaven), ook binnen het bredere provinciale beleid. Bij landschappelijke kwaliteit gaat het ook om natuurbeleving, de groene long en daarmee de regionale (natuur)recreatieve functie van bepaalde landschappen. Voorne-Putten als windeiland, zoals voorgesteld in het PARK-advies, staat vooralsnog ver van de politieke en maatschappelijke realiteit en wens en past ook niet in de RES 1.0 of bij de draagkracht van het landschap. Participatie Bij de totstandkoming van de RES 1.0 is veel aandacht voor participatie en vanuit de gemeenteraden op VoornePutten is aangegeven dat in het vervolg om te komen tot een RES 2.0 er meer aandacht moet zijn voor participatie. Ook PS heeft hiervoor de moties 1012 en 1019 aangenomen. Wij vragen, analoog hieraan, dan ook om participatie nadrukkelijk een plek te geven bij de m.e.r. Hiermee bedoelen we overigens niet alleen de gemeenten, waterschappen en Rijkswaterstaat, maar ook belangenorganisaties en bewoners. Naast landschappelijke draagkracht speelt immers ook de maatschappelijke acceptatie een belangrijke rol bij de invulling van de energietransitie.
Inhoudelijke opmerkingen P.13 e.v. Bij tabel 1 in de ontwerp NRD en m.b.t. sturingsstijlen overheid: biedt het provinciaal omgevingsbeleid de mogelijkheid om voorwaarden te stellen voor bijvoorbeeld mitigerende maatregelen, om zo een ‘nee’ om te zetten in een ‘ja, mits’ (of een ‘nee, tenzij’)? Daarin zou inwonersparticipatie een belangrijke factor moeten/kunnen zijn. P.18: m.b.t. windenergie wordt verwezen naar Omgevingsverordening lid 4. Toegankelijkheid documenten vraagt aandacht (niet echt open of transparant). P.18: verwezen wordt naar de huidige experimenteerruimte voor zonnevelden. Die is onvoldoende bekend. Dit geldt tevens voor de voorwaarde t.a.v. meervoudig ruimtegebruik en de gevolgen hiervan voor de kansrijkheid van zonne-energie voor specifieke provinciale doelen (bijvoorbeeld glastuinbouw, bomen). P.18: zonne-en windenergie worden specifiek benoemd en beschreven. Andere energievormen zoals aquathermie en ook kernenergie worden niet genoemd, maar zijn zeker van belang bij de
2
energietransitie. Ten aanzien van aquathermie en kernenergie is door verschillende gemeenteraden gevraagd hier meer aandacht aan te besteden. P.19: m.b.t. energie-infrastructuur is het van belang om bij te dragen aan het oplossen van specifieke infrastructuurknelpunten van regionaal belang met oog voor tijdige realisatie en technische, financiële, ruimtelijke en maatschappelijke belangen. Verder speelt hierbij ook de afweging tussen veiligheid en de noodzaak van opslagsystemen/laadfaciliteiten. Het IFV heeft met inbreng van specialisten van Brandweer Nederland de publicatie Brandveiligheid parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen uitgebracht. Hierin staan, op basis van literatuurstudie en praktijkkennis, bouwkundige, installatietechnische, organisatorische en repressieve maatregelen die de brandveiligheid van parkeergarages verbeteren. Het lijkt ons goed deze studie hierbij mee te nemen en ook de verschillende veiligheidsregio’s hierbij te betrekken. Realiserende sturingsstijl is mbt energie-infrastructuur behulpzaam, want energie-infrastructuur is gemeente overstijgend. De provincie vervult een belangrijke regionale rol om hierin te faciliteren. Hiervoor verwijzen we o.a. naar motie 1021. P.20: m.b.t.
bovenregionaal warmtenetwerk wordt gesteld dat door opname in het Omgevingsbeleid eraan wordt bijgedragen dat lokaal en regionaal een integrale afweging wordt gemaakt voor energieefficiëntie, toekomstbestendigheid, betaalbaarheid en (ruimtelijke) haalbaarheid. De vraag van haalbaarheid kan ook voor de provincie worden gesteld, welke rol speelt de provincie hierin? P.21: m.b.t. verhogen energie-efficiëntie wordt de wens om gold-plating te voorkomen ondersteund. Zorg voor duidelijkheid en transparantie. P.22: m.b.t. Stimuleren overgang naar schone/ hernieuwbare grondstoffen in de industrie kan, waar het gaat over het afvangen en opnieuw verwerken van CO2 de link gelegd worden naar het CCS/Porthosproject. p.22: m.b.t. biomassa; steun voor de hier geformuleerde uitgangspunten voor gebruik van biomassa voor energie-toepassingen. p.26: m.b.t. fysieke landschapselementen wordt deze indicator aangevuld met de cumulatieve effecten van wind- en zonneparken, zoals het totale horizonbeslag en de visuele interferentie tussen verschillende windparken. Daarbij zouden wij ook aandacht willen vragen voor de invloed van kleine, maar vooral middelgrote windturbines in het buitengebied. Als onderbouwing hiervoor verwijzen we naar pagina 18 (windenergie), aangezien daar wordt gesproken over windturbines op boerenerven tot 35 meter. p.26: m.b.t.
ruimtelijke kwaliteit ontbreken vrije schootsvelden en beschermd stads- en dorpsgezicht, maar wellicht hoort dit meer bij 15. cultuurhistorie. Verder gaat de huidige omschrijving uit van de bestaande situatie terwijl de energietransitie vraagt om een zekere flexibiliteit (creativiteit) en toeschietelijkheid. p.27: bij geluid (nummer 18) wordt gesproken over het geluid bij windmolens. In de tekst staat: “Geluid: Geluidhinder wordt bepaald door de hoeveelheid decibel op een gegeven moment en plaats, en de hinderbeleving. Dit is een momentopname en de enige goed beschikbare indicatie van geluidhinder.” Deze opmerking staat haaks op de geluidsnormen voor windturbines in het activiteitenbesluit (dat overigens sinds de uitspraak van de RvS op 30-06-21 niet meer rechtsgeldig is). In die normering wordt met gemiddelde geluidsbelasting gewerkt. Dit zo noemen doorkruist bovendien de strategie vanuit het rijk om met een PlanMER te komen voor normstelling van windenergie. In de derde kolom worden aanvullende indicatoren genoemd. Er staat 40 dB(A) Lden, maar waarschijnlijk moet dat 47 dB(A) Lden zijn. Althans dat was de norm in het activiteitenbesluit. Kortom de vermelding van deze normen zijn ons inziens te prematuur zijn en waarschijnlijk dus niet afgestemd met geluidsdeskundigen van de diverse windprojecten in wording.
Verder wordt geen aandacht besteed aan over externe veiligheid voor windturbines en wordt slagschaduw, flora, fauna en ecologie en ook gezondheidseffecten alleen summier genoemd. Meer in het algemeen zou het goed zijn als gekeken wordt naar de mogelijkheden om een (procesmatige en/of inhoudelijke) invulling te geven voor de zogenaamde locatiespecifieke normen n.a.v. het bovengenoemde arrest. Op pagina 28 wordt bij indicator 30 ‘leefbaarheid’ verwezen naar de leefbaarometer en 100 indicatoren die hierop van toepassing zijn. Voor de module energietransitie wordt dan vooral gekeken naar de indicatoren “fysieke leefomgeving’. Hierbij is onduidelijk of er geen overlap ontstaat met de reeds genoemde indicatoren op de tabel “Beoordelingskader”. Meer duidelijkheid zou ontstaan indien de relevante leefbaarheidsindicatoren ook expliciet worden opgenomen in deze tabel. p.28: m.b.t. milieu en gezondheid is het m.b.t geluid van belang niet alleen de gestelde richtwaarden te hanteren, maar met name ook tonaliteit van het geluid. Dit kan immers tot klachten leiden. Maak daarnaast een toelichting op gehanteerde (gevalideerde) onderzoeksresultaten en systematic reviews om voldoende het hoofd te bieden aan de maatschappelijke gevoeligheid van dit onderwerp.
Neem mogelijkheden van mitigerende maatregelen mee; geluidsisolatie werkt niet tegen laagfrequent geluid, maar massa (aarden wallen etc.) wel. P.28 m.b.t. leefbaarheid wordt aangegeven slagschaduw mee te nemen. Veel parken worden nu al veel strenger geregeld dan de huidige normen. De verwachting is zelfs dat de huidige normen in Nederland
3
aangescherpt worden omdat dit toch weinig productieverlies op jaarbasis betekent voor ontwikkelaars. Het aantal woningen binnen een wettelijk toegestane contour zegt bovendien weinig. Er mag immers vanuit worden gegaan dat voldaan wordt aan de wet- en regelgeving. p.29: m.b.t. wijze van beoordeling: Welke effecten worden op welke wijze kwantitatief/kwalitatief beoordeeld en hoe wordt dit objectief gedaan? In welke mate vindt dit open en transparant plaats?
Namens de samenwerkende gemeenten op Voorne-Putten,
P. Schop Coördinerend portefeuillehouder Energietransitie VP
4