Zienswijze Natuurlijk Delfland Watergat te Monster (G21-002471)
Tekst van het document
Die rechtspraak werd ingezet met het arrest Briels in 2014, de enige rechtspraak die ten tijde van de opstelling van de passende beoordeling voor het PAS bekend was, en is daarna in vijf arresten door het Hof verder verduidelijkt.
Het vaststellen van de effecten van de verkeersmaatregel vergt wetenschappelijke aandacht. U wordt verwezen naar het TAUW-onderzoek Ecologische beoordeling snelheidsverlaging Rijkssnelwegen (16 maart 2020). Dit onderzoek is beschikbaar via internet. Uit dit onderzoek:
4 Conclusies en aanbevelingen In het voorliggend rapport zijn de resultaten beschreven van de ecologische beoordeling van de landelijke snelheidsmaatregel op Rijkssnelwegen. De beoordeling richt zich specifiek op de effecten van stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-‐gebieden, waarbinnen op één of meer hexagonen een berekende depositietoename plaatsvindt door de snelheidsverlaging. Dit zijn uitzonderingssituaties. In het overgrote deel van de negen betreffende Natura 2000-‐gebieden is sprake van afnames van stikstofdepositie als gevolg van de snelheidsmaatregel. Hetzelfde geldt ook voor alle overige stikstofgevoelige Natura 2000-‐gebieden, waar uitsluitend sprake is van afnames van stikstofdepositie. Daarmee is dus de conclusie dat de snelheidsmaatregel als regel positieve effecten heeft, doordat deze generiek bijdraagt aan een afname van de stikstofbelasting in stikstofgevoelige natuur.
5
Uit de door Tauw uitgevoerde ecologische analyse op hoofdlijnen blijkt dat in de Natura 2000-‐gebieden Rijntakken, Krammer-‐Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde en Maasduinen een aantasting van de natuurlijke kenmerken door de snelheidsmaatregel uitgesloten is, ondanks de plaatselijke toenames van stikstofdepositie (‘groene beoordeling’). Op deze specifieke locaties is stikstofdepositie geen sturende factor voor de kwaliteit van het habitattype of leefgebied en is meestal ook sprake van een goede en stabiele kwaliteit en neutrale of positieve trend. In het gebied Oosterschelde is in het geheel geen sprake van toenames op (naderend) overbelaste hexagonen. Voor de Natura 2000-‐gebieden Veluwe, Polder Westzaan, Sint Jansberg en Brunssummerheide is geheel of gedeeltelijk wel sprake van situaties waarin de toename van stikstofdepositie een aantasting van de natuurlijke kenmerken tot gevolg kan hebben (‘rode beoordeling’). In deze gevallen is het nodig om nadere maatregelen te treffen. Voorkeur hebben maatregelen die de toename van stikstofdepositie tenietdoen. In het geval dit niet (volledig) mogelijk is, kunnen natuurgerichte maatregelen worden getroffen om het risico op een aantasting van de natuurlijke kenmerken te verminderen.
Met name voor de Veluwe, Polder Westzaan en de Sint Jansberg zijn naar verwachting effectieve maatregelen met een korte responstijd mogelijk, waarmee het risico op een aantasting als gevolg van de snelheidsmaatregel op een ecologisch zinvolle wijze kan worden geminimaliseerd. Voor Brunssummerheide is er onzes inziens geen zicht op ecologisch verantwoorde extra maatregelen in het terrein en is daarom het tenietdoen van de toename van stikstofdepositie essentieel om een aantasting van de natuurlijke kenmerken te voorkomen.
Tauw stelt vast dat de verlaging van de maximum snelheid niet in alle gevallen een gunstig ecologisch effect heeft. De verkeersmaatregel heeft ook negatieve ecologische gevolgen in de vorm van stikstofdepositietoenames. Daarmee kan het niet uitsluitend als een natuurpositieve maatregel worden gekwalificeerd. Voor zover bekend zijn de negatieve effecten van de maatregel tot op heden niet teniet gedaan. Aan het verkeersbesluit is geen passende beoordeling ten grondslag gelegd. Daaruit volgt dat met de verkeersmaatregel sprake is van een onverbindend besluit wegens strijd met artikel 6 lid 3 Hrl. 7. Ondeugdelijke uitgangspunten van het stikstofregister Indien de verkeersmaatregel wel verbindend is dan wordt het volgende aangevoerd. De geclaimde positieve effecten van de verkeersmaatregel zijn onvoldoende onderbouwd. De positieve effecten worden overschat. Enkel kan vergunning worden verleend nadat door GS zekerheid is verkregen dat aan de administratieve reservering in het stikstofregister een maatregel ten grondslag ligt waarvan de effecten vast staan. Hierbij dient 70% van de reservering overeen te komen met de berekende depositietoename als gevolg van het project, en 30% geldt als depositiereductiemaatregel ten gunste van de stikstofoverbelaste natuurwaarden.
Indien de uitgangspunten van het register niet deugen, en niet wordt voldaan aan de gestelde doelstelling dan ontbreekt de zekerheid dat met voorliggend project (alsook met alle overige projecten die zijn toegestaan op basis van het stikstofregister) geen significant negatieve effecten optreden. Het vergunningbesluit ontbeert dan een deugdelijke passende beoordeling. 8. Referentiedatum GS stelt dat de deposities niet toenemen. Dan dient GS duidelijk te maken welk referentiedatum hierbij wordt gehanteerd. Volgens vaste jurisprudentie geldt de aanwijzingsdatum als referentiedatum. Solleveld & Kapittelduinen is als N2000 zone zijn aangewezen op 7 december 2004. Dat betekent dat een vergelijking gemaakt dient te worden tussen de deposities op 7 december 2004 en de depositie die optrad ten tijde van het bestreden besluit. 6
Aan de verkeersmaatregel wordt een depositiereductie toegeschreven. Dan moet de vraag worden gesteld welke datum hierbij als uitgangspunt is genomen. Het geldend recht schrijft voor dat de situatie op 7 december 2004 als referentiedatum dient te gelden. Echter, eerst op 1 september 2012 werd de standaardlimiet op Nederlandse snelwegen 130 km/u. ingevoerd. Op 7 december 2004 gold als standaard limiet 120 km/u. Hieruit volgt dat het stikstofregister dient te worden berekend op basis van een limietbeperking van 120 km/u naar 100 km/u. en niet op basis van een standaardlimiet van 130 km p/u. Indien het stikstofregister is gevuld met deposities die mede zijn toegeschreven aan een limietbeperking van 130 km/u dan is gehandeld in strijd met het geldend recht. Het besluit tot verhoging van de limietbeperking is immers genomen ruim nadat de betrokken zone is aangewezen als Natura 2000 zone. Indien het stikstofregister mede is gevuld op basis van de maatregel 'verlaging beperken snelheidslimiet' die is verhoogd na 7 december 2004 dan worden stikstofdeposities 'geruild' tegen deposities die zijn ontstaan nadat de betrokken N2000 zones een wettelijke bescherming genieten. De depositietoename die is ontstaan nadat de Natura 2000 zone is aangewezen hadden niet mogen zijn betrokken in de passende beoordeling van het voorliggende project. 9.
Rekenmodel Ook indien aan het voorgaande punt voorbij moet worden gegaan dan blijft het register gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Voor de berekening van de effecten van de snelheidslimietbeperking zijn verschillende rekenmodellen gebruikt, waarvan de uitkomsten onderling niet transponeerbaar zijn. Het betreft enerzijds het SRM-2 rekenmodel, enkel geschikt voor het berekenen van de effecten binnen een straal van 5 kilometer van de bron. En anderzijds het OPS-rekenmodel, gebruikt voor de berekening van de effecten op meer dan 5 kilometer. Door de minister van LNV is de commissie Hordijk gevraagd onderzoek te doen naar de stikstofrekenmethodiek. Hierop is op 15 juni 2020 het rapport Meer meten, robuuster rekenen, Eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof verschenen. Uit dit rapport, Annex 4, § 4.2.3:
Ten derde maakt AERIUS gebruik van een implementatie van de Standaardrekenmethode-‐2 (SRM-‐ 2) om de concentratie rondom wegen te bepalen, terwijl GCN/GDN hiervoor gebruik maakt van OPS. Dit model houdt rekening met de precieze locatie van de weg in het landschap (boven of onder de grond, effecten van geluidswallen, etc.). De concentratiebijdrage van wegverkeer wordt uitgerekend tot 5 km van de weg, omdat is aangenomen dat deze concentratiebijdrage vanaf deze afstand niet meer te onderscheiden is van de achtergrondconcentratie. De depositie wordt vervolgens bepaald door de uit SRM-‐2 geschatte concentraties te vermenigvuldigen met een door met OPS berekende effectieve depositiesnelheid. Deze effectieve depositiesnelheid is bepaald voor elke mogelijk rekenlocatie in Nederland, op een resolutie van 250 m3. De effectieve depositiesnelheid is voor korte transportafstanden hoger. Dit is eveneens verdisconteerd in de methode. Indien een rekenpunt zich op korte afstand van de bron bevindt (25 -‐1000m), wordt de door OPS berekende depositiesnelheid vermenigvuldigd met een correctiefactor die afhangt van de afstand tussen het rekenpunt en het wegsegment.
7
Dat de spreiding in snelheden een maat is voor de verschillen in uitstoot doet de vraag stellen of die spreiding bij 100 km p/u wellicht groter dan bij 120 km p/u. Op deze vraag heeft de minister geen wetenschappelijk onderbouwd antwoord. Zonder nadere onderzoek op deze aspecten kan niet worden uitgegaan van de door de minister aangenomen depositiereducties zoals berekend voor het stikstofregister. Voorts stellen appellanten dat het college van GS op basis van onzekere aannames stikstofreductie toeschrijven aan de snelheidsmaatregel voor het zichtjaar 2030. Bij de berekening van de effecten van de snelheidsmaatregel voor het zichtjaar 2030 wordt uitgegaan van de verkeersstromen zoals die voor 2021 zijn berekend. Er wordt dus voor 2030 en 2021 van dezelfde invoerbestanden uitgegaan. Dit staat (onduidelijk) genoemd in de toelichting op de berekening van de maatregel. In de stikstofregisterberekening van de minister voor het zichtjaar 2030 wordt geen rekening gehouden met mogelijke autonome groei van het verkeer en wordt ook geen rekening gehouden met de aanleg van nieuwe snelwegen. Het verkeer zal na de aanleg van wegen of wegverbredingen anders verlopen. Dit heeft directe gevolgen voor de te verwachten depositiebijdragen.
Bijvoorbeeld met de realisatie van de Rijnlandroute, de voorgenomen wegverbreding A4 tussen Leiden en Delft, zal meer verkeer rond Natura 2000 gebieden doen ontstaan. Althans, duidelijk mag zijn dat bij wijzigende verkeersstromen de kans groter is dat er sprake is van onverwachte verkeer- en depositietoename. De berekening van 2030 is niet representatief voor 2030. De emissie-cijfers voor zichtjaar 2030 zijn onzeker. Ieder jaar worden emissiecijfers van het wegverkeer door het TNO gerapporteerd. Deze data zijn de basis voor de emissieberekening in Aerius. Feit is dat ieder jaar de cijfers een onjuiste prognose blijken te zijn en er meer emissies plaatsvinden dan eerder is verondersteld. Deels kan dit worden verklaard doordat auto’s minder schoon zijn dan is verondersteld. In ieder geval moet worden vastgesteld dat de emissies en emissiereductie niet zijn geborgd. Aanvullend beleid ontbreekt indien de doelen niet worden gehaald. De rekensystematiek is zelfs versoepeld. Zoals bijvoorbeeld de beslissing in 2017 om geen onderscheid meer te maken in (fiscale) lage en hoge bijtelling voor extra vervuilende auto’s. Het gevolg daarvan is dat het aantal extra vervuilende SUV’s een hoge vlucht heeft genomen. Tot op heden neemt het aandeel extra vuile auto’s toe, zonder dat dit is terug te zien in de stikstofregisterberekening.
Deze gegevens hebben in werkelijkheid een substantiële invloed op de totale emissies van het wagenpark.
11
Het borgen en monitoren van beleid is cruciaal om de natuurdoelen daadwerkelijk te halen. Thans wordt alleen gemonitord en blijken resultaten steevast tegen te vallen. Anders dan GS en de minister zijn de gevolgen van de verkeersmaatregel voor de stikstofdeposities onzeker. Prognoses bieden geen basis voor het toelaten van nieuwe stikstofbronnen. De Afdeling advisering van de Raad van State (Kamerstukken II 2019/20, 35347, nr. 4. kenmerk W11.19.0355/IV) zegt hierover het volgende:
b. Stikstofdepositieruimte Uit het voorgestelde artikel 5.5a, tweede lid, Wet natuurbescherming volgt dat stikstofdepositieruimte ontstaat door aanvullende maatregelen ten opzichte van de in het beheerplan voor het desbetreffende gebied opgenomen maatregelen. De Afdeling merkt op, dat nu in veel gebieden sprake is van overbelasting, inzichtelijk dient te worden gemaakt welke maatregelen in het kader van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn worden genomen die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied en welke maatregelen als bedoeld in het voorgestelde artikel 5.5a, tweede lid, daadwerkelijk als aanvullend zullen kunnen worden beschouwd. Daarnaast moet concreet gemaakt worden dat de te treffen maatregelen verder gaan dan voor het behalen en behouden van de instandhoudingsdoelstellingen nodig is en dat juist die verdergaande maatregelen ruimte vrijmaken voor nieuwe ontwikkelingen die significante gevolgen voor Natura 2000-‐gebieden kunnen hebben. Voorts is van belang dat de stikstofdepositie die tot de stikstofdepositieruimte gaat behoren, nauwkeurig wordt bepaald. Dat zal bij concrete besluiten, zoals de intrekking van een vergunning, eenvoudiger zijn dan bij maatregelen van meer algemene aard, zoals een algehele verlaging van de maximumsnelheid op snelwegen.
Voor de onderbouwing van de voorgestelde regeling is duidelijkheid hierover van groot belang.
Aan de door de Afdeling advisering genoemde voorwaarde wordt niet voldaan. - Second opinion Appellanten zijn doende onderzoek te doen naar de uitgangspunten van het stikstofregister. Daartoe worden ook stukken opgevraagd bij de minister van LNV, die immers krachtens wettelijke bepaling verantwoordelijk is voor het stikstofregister. Zo spoedig mogelijk zal een deskundigenrapport worden overlegd waarin nader zal worden onderbouwd dat het stikstofregister op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd, als gevolg waarvan ten onrechte wordt geconcludeerd dat zeker is gesteld dat geen depositietoenames optreden vanwege het voorliggende vergunde project. 12. Ontvankelijkheid aanvraag De aanvraag bevat onvoldoende informatie om te kunnen worden beoordeeld en een besluit te kunnen nemen. De aanvraag bevat een onvoldoende beschrijving van het beoogde bouwwerk, de beoogde bouwhandelingen en verkeer om de stikstofemissiebronnen te kunnen vaststellen. Tevens geldt dat de aanvraag ten onrechte geen inzicht geeft in het gestelde gasverbruik van de oorspronkelijke kassen. Dit is mogelijk door het overleggen van de gasverbruiknota's. GS had om die informatie moeten hebben gevraagd. De betrokken kassen betroffen koude kassen. De kassen zijn niet of nauwelijks verwarmd geweest. GS schrijft aan de kassen emissies toe die nooit zijn opgetreden.
De aanvraag bevat ook hierom onvoldoende informatie om zorgvuldig te kunnen worden beoordeeld. 12
3.7. Externe saldering is in beginsel wel mogelijk met een milieuvergunning die is verleend voor de referentiedatum en die na die datum is ingetrokken. Hoewel niet relevant is of tot het moment van intrekking van de vergunning, of tot het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie wordt gesloten, nog vee aanwezig was op het bedrijf, is wel relevant of het bedrijf op dat moment feitelijk nog aanwezig was (uitspraken van 29 juni 2011, in zaak nr. 200908730/1/R2 en 14 augustus 2013, in zaak nr. 201205373/1/R2). Dat is, zo preciseert de Afdeling thans, het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 voor de realisering van een project, is vereist. Deze voorwaarden zijn gesteld ten einde het mitigerende karakter van externe saldering te waarborgen. Externe saldering kan alleen met stikstofdeposities die waren vergund op de referentiedatum en die ook nog aanwezig waren of konden zijn tot het moment van intrekking van de milieuvergunning of het sluiten van de overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie ten behoeve van de uitbreiding van het saldo-‐ontvangende bedrijf.
Het gestelde is logischerwijs eveneens van toepassing op interne saldering. Nu de betrokken kassen niet zonder een nieuwe te verlenen Wnb-vergunning in gebruik kunnen worden genomen kunnen de met die kassen betrokken emissies evenmin betrokken worden in een interne salderingstransactie. Hieruit volgt dat de emissies vanwege de kassenteelt niet mogen worden betrokken in de stikstofsaldering. Ten onrechte is het besluit deels gebaseerd op interne saldering. Voorts wordt als feit gesteld dat het zogenaamde 'koude kassen' betroffen. De oorspronkelijke kassen werden niet verwarmd. GS kunnen geen gegevens overleggen waaruit blijkt dat feitelijk en structureel de kasverwarming heeft plaats gehad zoals gesteld in de aerius berekening. Ook hierom is geen sprake van een deugdelijke interne saldering. 15. Voorschriften onvoldoende voor deugdelijke handhaving Door het college van GS wordt een specifieke emissie- en depositiewaarde genoemd zonder dat wordt voorzien in deugdelijk toezicht op naleving. De in de vergunningaanvraag genoemde emissie- en depositiewaarden zijn gebaseerd op aannames. In werkelijkheid kunnen andere verkeersaantallen optreden en ander bouwmaterieel worden ingezet als gevolg waarvan hogere emissies optreden. Hierboven is nader toegelicht dat over de werkelijk optredende emissies en deposities belangrijke onduidelijkheid bestaat.
Voorschriften ontbreken om de werkelijk optredende emissies te kunnen vaststellen. GS kan niet optreden indien niet vergunningconform zou worden gehandeld. GS mist de mogelijkheid op te treden indien meer dan het genoemde aantal van 997 mvt per weekdag (jaargemiddeld) optreedt. Kennelijk wordt hierbij het aantal motorvoertuigen geteld, ongeacht de aandrijving (benzine/diesel/gas/elektrisch). Het aantal voertuigen kan niet separaat worden geteld, aangezien het is gemengd met het bewonersverkeer. Maar, ook indien wel tellingen mogelijk zouden zijn en een substantieel groter aantal gemotoriseerde verkeersbewegingen moet worden vastgesteld dan het aantal in de vergunningaanvraag genoemde aantal van 997 mvt dan mist GS een mogelijkheid om handhavend op te treden.
15
Dit geldt eveneens voor het bouwmaterieel. Voor het beoogde bouwmaterieel worden in de aanvraag bouwjaar en gebruiksuren (draai-uren) genoemd. GS mist de mogelijkheid om toe te zien of uitsluitend genoemd bouwmaterieel maximaal de gestelde draai-uren in werking zal zijn. Handhaving van de vergunning is niet gewaarborgd. (Het gebrekkige toezicht op) de vergunningvoorwaarden is/zijn in strijd met de rechtszekerheid. 16. Conclusie De vergunningbesluit is onder meer in strijd met artikel 2.7, derde lid, in samenhang met artikel 2.8 Wnb. U wordt verzocht het vergunningbesluit van Gedeputeerde Staten te vernietigen. Hoogachtend,
Mr. V. Wösten
16