Toelichting gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan Watergat te Monster (22-0006562)
Tekst van het document
57
t 2*
I ' 'I H * V ţ mm**'*
Uitsnede Leggerkaart Wa terkwantiteit
Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Als gevolg de ontwikkeling is er een afname van verhard oppervlak in het gebied. Dit komt voornamelijk doordat er in de bestaande situatie een groot verhardingspercentage was in de vorm van glastuinbouwbedrijven. De bestaande en nieuwe situatie is weergegeven in onderstaande afbeeldingen. Dakvbk Onverhard Verhard !verkeer)
Oww***—te»
(Tľl Verhard (voonseWed)
Bestaande situatie
Toekomstige situatie
In de prakijk worden een deel van het als verhard woongebied opgenomen vlakken in de afbeelding voor de toekomstige situatie uitgevoerd als onverhard oppervlak. In de balans is dit echter volledig als verhard oppervlak berekend. De oppervlakken in de huidige en de toekomstige situatie zijn opgenomen in onderstaande tabellen. Dit betreft de oppervlakken binnen de bestemmingsplangrens.
58
Type oppervlak
Deel A
Type oppervlak
Water Glastuínbo jw Verharding Dakoppervlak Onverhard Totaal
[m2] 3.209 28,927 11,781 1.118 38,549 83.543
Water Glastuinbouw Verharding Dakoppervlak Onverhard Totaal
Bestaande situatie
Deel A [m1] 2.654 0 23.131 9.785 48.014 83.584
Toekomstige situatie
De ontwikkeling heeft een reductie van verhard oppervlak tot gevolg. Met name in het tweede plandeel wordt nog een grote aanvullende reductie in verhard oppervlak gerealiseerd omdat hier geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd. In het bestemmingsplan is nog niet voldoende oppervlaktewater opgenomen om de demping voldoende te compenseren (tekort bedraagt 555 m2). Het ontwerp voor de locatie heeft een hoger ambitieniveau en hierin is meer oppervlaktewater opgenomen waardoor er voldoende water wordt gecompenseerd. Waterbalans Als gevolg van de ontwikkelingen van De Nieuwe Duinvallei wordt er netto nieuw water gegraven. Een deel van het bestaande oppervlaktewater wordt gedempt en er wordt oppervlaktewater toegevoegd. In De Nieuwe Duinvallei is er een positieve balans die in de latere fases verder oploopt. Het extra graven van water in het huidige ontwerp ten opzichte van het bestemmingsplan is opgenomen in de afbeelding.
fcxĩra wJlJíf ti'aT br7lmnniingsçīďnqncm
[ | EMtra water (JkKín
59
l:ř*t:rrļli|
H ŮppfPíWilMflSr hUUNiuNl hKurri
H OptWfviflÉķwMriPl ---- ŕtiľgŕtíK
Extra graven water m ontwerp Binnen de bestemmingsplangrens wordt in het huidige ontwerp 1.562 m2 extra water gegraven ten opzichte van het bestemmingsplan. Buiten de bestemmingsplangrens is nog eens 797 m2 water opgenomen in het ontwerp. Voor plandeel De Nieuwe Duinvallei is met behulp van de watersleutel de benodigde aanvullende berging bepaald. Van de ambitie in het ontwerp dient eerst 555 m2 te worden gerealiseerd om het dempen van water te compenseren. Deze 555 m2 is al in de watersleutel in de bijlage opgenomen en daarvoor is het onverhard oppervlak gereduceerd met dezelfde waarde ten opzichte van de oppervlakken in de tabel oppervlakken toekomstige situatie. Vervolgens dient aanvullend volgens de watersleutel in totaal 492 m2 of 111,8 m3 water te worden gerealiseerd om naast de compensatie ook te voldoen aan de doelstellingen voor het klimaat van 2050. Daarmee bedraagt het totaal te realiseren wateroppervlak dan minimaal 1.047 m2 (555 m2 + 492 m2) en daaraan wordt ruimschoots voldaan binnen de plangebiedsgrenzen met een ambitie van 1.562 m2. In de tweede en derde fase wordt verder nog meer water toegevoegd aan het areaal, deels door het verleggen van watergangen en de manier waarop de natuurontwikkeling wordt gerealiseerd. Dit wordt in een later stadium gekwantificeerd.
Tenslotte wordt in De Nieuwe Duinvallei potentieel nog water vast gehouden doordat hemelwater ingezameld wordt met behulp van een IT-riool. Het water dat hierin wordt geborgen infiltreert in de ondergrond en komt vertraagd tot afstroming. Bij hevige neerslag kan de overstort naar open water in werking treden. Watersysteem In het nieuwe ontwerp wordt het plangebied onderdeel van het boezemgebied en wordt het opgezette peil verlaten. Het gehele gebied krijgt een waterpeil van 0,43 m-NAP. De watergangen worden voor een groot deel verbreed ten opzichte van de huidige situatie. Aan de Rijnweg wordt het oppervlaktewater voor een deel gedempt. Hier wordt onderzocht of dit kan worden vervangen door een IT riool. Dit IT riool wordt onder de grondwaterstand geprojecteerd en zorgt zowel voor afwatering als mogelijk ontwatering van het gebied. Ten noordoosten van het eerste plandeel (in de 2e fase) wordt getracht de oorspronkelijke duinmorfologie en -ecologie terug te brengen. De watergang langs de Slaperdijk krijgt hier een vrij fluctuerend peil met een overstort aan de noordoostkant en/of zuidwestkant. Het water vanuit het zuidelijke plandeel voert dan af via een watergang tussen deze twee plandelen door, en vervolgens door de watergang aan de zuidoostkant parallel aan de Haagweg. Deze watergang wordt ruim gedimensioneerd om voor voldoende afvoercapaciteit zorg te dragen.
In het middengebied wordt voldoende oppervlaktewater gerealiseerd om peilstijgingen te beperken en te zorgen dat voldaan wordt aan de wateropgave. Dit gebied is weergegeven in onderstaande afbeelding
60
dfcoLj duingraslarìd
vochtige vallei
io ne kwelwater
-------------------®--------------------------
strandwal
----------- duirtbeek
droog doing rasla nd
Natuurontwikkeling fase 2 Onderstaande afbeelding toont het principe voor het oppervlaktewater systeem in de toekomstige situatie van het plandeel De Nieuwe Duinvallei.
dŕŭūgi 'il'jiriyr ĵl.Iĵi'1 J
toezenrirtater
pĵŕjbŭŭldulfì
boezĖnwāīťr
Slrņŗig tfu į legras fa ntj
Oppervlakte water nieuwe situatie Het oppervlaktewater staat in de toekomstige situatie in verbinding met de boezem via dezelfde duiker onder de Haagweg als in de bestaande situatie. Doordat aanvullende berging in het plangebied wordt gerealiseerd en het verhard oppervlak wordt verkleind wordt de afvoer van deze duiker niet vergroot. De normafvoer in het gebied wordt in de eindsituatie verlaagd van circa 3 m3Ariin in de oorspronkelijke situatie tot ruim 2 m3Ariin. In de interim situatie dat alleen het eerste deelgebied is ontwikkeld bedraagt de normafvoer 1,5 m3Ariin. In deze interim situatie voldoet de opstuwing in de bestaande duiker. In de bestaande situatie en eindsituatie voldoet de duiker niet. De duiker dient in overleg met het Hoogheemraadschap te worden aangepast. M aaiveldhoogte Het ontwerppeil van het plangebied is +1,0 m+NAP. Met een oppervlaktewaterpeil van 0,43 m-NAP bedraagt de minimale drooglegging in het gebied circa 1,4 meter. De groenzones tussen de woonvelden liggen beduidend hoger. Een principe doorsnede van een woonveld is opgenomen in onderstaande afbeelding.
61
I
įť
V
Doorsnede woonveld met links bestaande panden Watersysteemkwaliteit en ecologie Delfland bewaakt en meet de waterkwaliteit om inzicht te krijgen in de ontwikkeling daarvan en het effect van maatregelen. In het plangebied is een meetlocatie aanwezig. Bij de laatst beschikbare gegevens was op dit meetpunt alleen een overschrijding van de streefwaarde van het gehalte fosfaat. De waterkwaliteit in het gebied werd met name bepaald door het gebruik als glastuinbouwlocatie. De watergangen kenmerkten zich door de grote concentratie nutriënten met als gevolg eutrofiëring. In de toekomstige situatie wordt het watersysteem alleen belast met hemelwater, waardoor de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt verbeterd. Bij de bouw worden geen uitlogende materialen toegepast. Bij de inrichting van de watergangen wordt rekening gehouden met de effecten hiervan op de waterkwaliteit (Natuurvriendelijke oevers). In het tweede plan deel wordt natuurontwikkeling gerealiseerd waarbij wordt getracht de oorspronkelijke duinmorfologie en - ecologie terug te brengen. De watergang langs de Slaperdijk krijgt hier een vrij fluctuerend peil met een overstort aan de noordoostkant en/of zuidwestkant. De hoofdafvoer komt dan aan de zuidwestkant van het gebied te liggen. Bodem en grondwater Binnen het plangebied wordt een drooglegging van circa 1,4 m bereikt.
Omdat de toplaag uit doorlatend materiaal bestaat wordt niet verwacht dat aanvullende ontwatering noodzakelijk is. Nader onderzoek moet dit bevestigen. Door de peilverlaging van het oppervlaktewater wordt de grondwaterstand in de omgeving beïnvloed. Daarom is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij een model is gemaakt om de invloed op de omgeving te bepalen. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 2. De te verwachten verlaging van de grondwaterstanden als gevolg van het verlagen van het oppervlaktewaterpeil is weergegeven in onderstaande afbeelding.
62
Invloed peilverlaging oppervlaktewater op grondwaterstand In het geohydrologisch onderzoek is het effect bepaald van de verlaging op zettingen, funderingen, groen en natuurwaarden, ontwateringsdiepte, archeologie en grondwateronttrekkingen. Er wordt geconcludeerd dat er geen negatieve effecten op de omgeving zijn als gevolg van de ontwikkeling. Er worden geen ondergrondse constructies aangelegd die de grondwaterstroming beïnvloeden. Afvalwater en riolering Het afvalwater van de woningen zal in de toekomstige situatie afvoeren naar de gemengde riolering van de kern Monster. Hiervoor wordt in het gebied een gemaal aangelegd indien niet onder vrijverval kan worden aangesloten. Via het gemengde riool in bestaand gebied wordt het afvalwater getransporteerd naar de AWZI Harnaschpolder. Recentelijk is een afvoeranalyse uitgevoerd van het gemaal Haagweg en beschreven in het rapport “Westlandse zoom, Achter de Duinen, gemalen en persleidingen”, d.d. 28 november 2019. Hieruit blijkt dat er in de toekomst voldoende afvoercapaciteit aanwezig is om deze toename in het aanbod van vuilwater te kunnen verwerken en dat het plangebied af kan voeren op dit eindgemaal.
63
Naar AWZI Harnaschpolder
Bemalingsgebied: Monster » Ter Heijde Gemaal: Haagweg Prognose droog: 884 m^uur Prognose nat: 1637 mvuur
■•rast Afvalwater naar Haagweg in nieuwe situatie Afwatering De woonvelden grenzen aan de noordwestzijde aan oppervlaktewater nabij de Slaperdijk en krijgen hier mogelijk deels een directe afVoer. De hoofdafVoer van de woonvelden vindt plaats naar de zuidoostkant van het plangebied. Hier wordt een IT-riool gerealiseerd met ruime berging en een overstort naar het oppervlaktewater aan beide zijden. De afwatering is schematisch weergegeven in onderstaande afbeelding.
64
Afwatering nieuwe situatie Aan de buitenranden van de woonvelden liggen groenzones in de vorm van duinlandschap. Daar wordt hemelwater rechtstreeks geïnfiltreerd. Onderhoud In de bestaande situatie is het watersysteem onderhoudbaar vanaf de buitenzijde van het plan. Dit blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. Het extra water dat binnen de ambitie wordt gegraven aan de binnenzijde van het plan heeft met name een functie voor berging (boven het streefpeil) en heeft niet overal direct een watervoerende functie. Binnen het plangebied is voor een groot deel tevens onderhoud mogelijk. Het te realiseren oppervlaktewater kan tevens varend worden onderhouden. De lengte en breedte van de watergangen is hiervoor groot genoeg. En aanvullend wordt buiten het eerste plandeel aansluitend oppervlaktewater gegraven. Er zijn binnen het plangebied geen belemmerende constructies hiervoor zoals bruggen of duikers. De minimale waterdiepte die moet worden gerealiseerd bij varend onderhoud is 1,0 m. Met betrekking tot onderhoud dienen bij de verdere uitwerking nadere afspraken te worden gemaakt het hoogheemraadschap van Delfland.
65
3.10 Bodem 3.10.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.10.2
Onderzoek
In het verleden zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd (zie bijlagen): * * * * *
Verkennend bodemonderzoek Rijnweg 330 Monster', opgesteld door Mol Ingenieursbureau, met kenmerk A2196 van 2 februari 2017; ‘Waterbodemonderzoek Rijnweg 330 Monster', opgesteld door Mol Ingenieursbureau, met kenmerk A2196 van 2 februari 2017. Verkennend bodemonderzoek Rijnweg 336 Monster Gemeente Westland', opgesteld door BMA Milieu B.V., met kenmerk NEN.2015.0101 van 15 juli 2015; ‘Waterbodemonderzoek Rijnweg 336 Monster Gemeente Westland', opgesteld door BMA Milieu B.V., met kenmerk WB.2015.0101 van 16 juli 2015; Verkennend (water)bodemonderzoek locatie Watergat te Monster opgesteld door Van der Helm Milieubeheer B.V. met kenmerk WZMO20211072 van 5 november 2021.
Op basis van de resultaten uit de onderzoeken, heeft de Omgevingsdienst Haaglanden, namens gemeente Westland, geconcludeerd dat er voldoende inzicht is verkregen in de bodemkwaliteit. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik. Opgemerkt wordt dat, mede met voorgaand bodemonderzoek 'Verkennend en aanvullend milieukundig bodemonderzoek aan de Madeweg 64, Plaats Langeveld 13A, Rijnweg 340 en Haagweg 10, 22 en 24 te Monster' (opgesteld door VanderHelm Milieubeheer B.V., met kenmerk WZM71183 van 29 augustus 2008), ter plaatse van de inrit van Rijnweg 340 een sterke verontreiniging met minerale olie aanwezig is. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging, omdat het geschatte volume van de verontreiniging minder dan 25 m3 is.
66
3.11 Ecologie 3.11.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * « *
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.
67
Verbod shepalmg
vogels vu
Dienen Hm Planter Hrv BonrVBern
BornVBsm
Dienen
Planten
fjiįļiwaan fnalionaan
Dieren of planten: 3 tC t a
Doden of vangen storen/verstoren
3.T.4 ((jĖľlľJij
3 1 5)
3 10 l.t
Plukken. verzamelen, afsnijden. onlworteien oí vernielen Ond er zich heb Ijen of vervoeren
Plaatsen: vernieler. Ijeschadgen of wegnemen resten Beschadigen of vernielen
3 10 1 b
■vodlpijnlingsplanlsen
ĮvaslĚ vp)
Beschadigen of vernielen ruslp aatsen
3.10.1 .D
u-asre rpi Eieren vernielen (oT-vn- beschadigenj
Papen Onder ach heb ;en
TaeKChOiQO Codes vowyzen naar wetsartikelen Wet natuurtjes charming
Orane
veriiodsbepalmg geldt alleen wanneer sprake is van opzei verbodsbepaling geld' in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is
Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de jįùlÈ
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
68
3.11.2
Onderzoek
Door Aqua-Terra Nova BV is een Eco-effect scan uitgevoerd 20112/AQT301FF/LT d.d. 23 oktober 2020 (zie bijlage) naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het plangebied. Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn en welke soorten op voorhand redelijkerwijs uitgesloten kunnen worden. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming-
Natura 2000-gebieden Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' ligt direct aan de grens, ten noorden van de plangebieden. Het Natura 2000-gebied 'Westduinpark & Wapendal' is gelegen op circa 5 km afstand ten noordoosten van de plangebieden. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.
De Duinen en Molenslag te Monster Ligging plangebied Ļo.v. Natura 2 IJ Lí Ū Proletr 20112
Legenda l~ 1 Md(*iţķg L
i De Ďjinen
I l soitven i ftļïitekjuìwi ■J YínWnnļ-jit i vtapcndal
ūiHïStraetMap Plangebied ten opzichte van Natura 2000 Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen2. Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevinden zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora. Het Natura 2000-gebied 'Westduinpark' is een breed, gevarieerd en kalkrijk duingebied met kenmerkende habitats van de Hollandse duin- en kuststreek. Er is een breed scala aan vegetatietypen van jonge en oude, droge duinen, met ruigten, graslanden en struwelen en binnenduinbos aanwezig, met karakteristieke flora. 'Wapendal' bestaat uit oud duin met struikheivegetatie. De werkzaamheden hebben vanwege de korte afstand en de aard van de werkzaamheden mogelijk negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Solleveld en Kapittelduinen'. Negatieve effecten aan het Natura 2000-gebied kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van gebiedsbescherming is noodzakelijk. Op bladzijde 11 van het rapport concludeert Aqua Terra Nova als volgt:
69
Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof, die in de vorm van NOX(stikstofoxiden) of NH3(ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest, hebben een stikstofuitstoot. In Nederland zijn in 118, van de 161 Natura 2000-gebieden, stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste eìeìn habitat aanwezig kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Een stikstofdepositieberekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden is volgens Aqua-Terra Nova noodzakelijk. Stikstof Op 14 oktober 2020 is door de Omgevingsdienst Haaglanden namens Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een vergunning verleend op grond van artikel 2.7 tweede lid van de Wet natuurbescherming. In deze vergunning is het volgende vermeld: Uit de passende beoordeling is de zekerheid verkregen dat de stikstofdepositie als gevolg van het project, in samenhang met andere projecten, nergens leidt tot een verslechtering van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, waaronder Solleveld & Kapittelduinen.
Dit betekent dat voor wat betreft het onderdeel stikstof geen passende beoordeling vereist is gelet op het bepaalde in artikel 2.8 lid 2 van de Wet natuurbescherming Overige effecten Zoals in de rapportage van Aqua Terra Nova is vermeld, hebben de werkzaamheden mogelijk negatieve effecten en is nader onderzoek in het kader van de gebiedsbescherming nodig. Om die reden is door Adviesbureau Landschap en Onderzoek” een nadere voortoets uitgevoerd om te beoordelen of het plan significante gevolgen heeft voor (de instandhoudingsdoelstellingen) van het Natura 2000 gebied. Uit dit nadere onderzoek (zie bijlage notitie effecten plan Watergat) blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor het Natura 2000-gebied. De hoge dijk tussen de plangebieden en het Natura 2000-gebied alsmede enkel maatregelen zorgen hiervoor. Zo worden heiwerkzaamheden enkel uitgevoerd buiten de broedperiode. Hiermee wordt voldaan aan de gedragscode. De nieuwe bebouwing houdt verder rekening met het beperken van de lichtuitstraling door zo min mogelijk licht naar buiten uit te stralen en zoveel mogelijk gebruik te maken van natuurlijk soortenvriendelijk licht. Op grond van deze bevindingen is in de genoemde Wnb-vergunning geconstateerd dat er als gevolg van de storingsfactoren (anders dan stikstofdepositie) geen significante gevolgen zijn.
Ecologische verbindingszones Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied bevindt zich echter direct naast een natuurgebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier het gebied ten noorden van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Dit houdt in dat aantasting van het NNN alleen kan plaatsvinden wanneer werkzaamheden daadwerkelijk in het NNN worden uitgevoerd. Zodoende kunnen negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten, omdat de werkzaamheden buiten het NNN worden uitgevoerd. Nadere toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.
70
De Duinen en Molenslag te Monster ĥOUATiriA 44 ù.v. Fm eet 2üiiř Li
hl,
Siliriůėüléü I
Nnluui r.H^t-ik N«ŭât und
Legenda LJ MtifeíUlH
O L* ftj*wn n'.il
bestaande en nieuw natuv Ktìüqistlìe 'ueinintfu rļTrtr Wíihņrņn
ŗn
Mottuik
Plangebied ten opzichte van NNN Soortbescherming
Uit de uitgevoerde Eco-effectscan, welke is uitgevoerd door Aqua-Terra Nova BV (kenmerk: 20112/AQT301FF/LT d.d. 23 oktober 2020), is gebleken dat de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen of (functionele) leefomgeving van huismussen, vleermuizen, rugstreeppadden en waterspitsmuizen niet uitgesloten kon worden en aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In onderstaande tabel is per soortgroep de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming aangegeven. In de daarop volgende tabel wordt de betekenis van de kleurencode weergegeven.
71
Soortgroep
Wet
Geadvise
Igstappen
l/'-aaŕpf a n fen Wnb 3,5 af
Glac biggenkruid Algemene soorten
Wnb 1.11
Nader onderzoek noodzakelijk naar groeiplaatsen Werken conform zor
Vogels Soorten met iaarrond beschermde verblijfplaats
Wnb 3,1
Categorie 5 soorten
Wnb 3,1
Algemene soorten
Wnb 3.1
Nader onderzoek naar vaste rust- en/of verblijfplaatsen van huismussen Rijnwi Rijnweg 330 is noodzakelijk. Verstoring broedende vogels voorkomen. Extra zorg voor broedlocaties ijsvogel. Verstoring bloedende vogels voorkomen
Grondgebonde i zoogdieren Wnb. 3.5 en
Waters pits muis 'ij gesteld- soorten
Wnb 1.11
eDNA-ondeizoek naar waterspitsmuis naodzakelijk Werken conform zi:org plicht
Vleermuizen Verblijfplaatsen
Wnb 3.5
Foerageerg eb ied vliegroutes
Wnb 3.5
Nader onderzoek naar verblijfplaatsen beide woningen Negatieve effecten op fberageergebied en vliegroutes uitgesloten. Houd rekening met bouw verlichting.
Amfibieën Wnb 3,5 af
Rugstreeppad ijgestelde soorten
Wnb 1,11
Nader onderzoek naar rugstreeppad noodzakelijk. Werken conform zloigplicnt
fĩeptřefen Wnb 3.5 of
Zand ha-
Aanwezigheid op voorhand redelijkerwijs uit te sluiter
Vissen Beschermde soorten sooiten
Wnb 3.5 of Wnb 1.11
Aŕvangen sloten bij dempen watergangen i.h.k.v. zorgplicht
N.v.t.
Bij dempen watergangen doden op locatie af afgesloten afvoeren voor consum [plaagsoi
Overige soorten Uitheemse rivierkreeften
Overzicht beschermde soorten Betekenis Groen
Weikzaamheden kunnen uitqevoerd worden met īnachtnemīnq Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk,
emene zorg plicht.
Weikzaamheden kunnen worden uitqevoerd mits maatreqelen qenomen worden of conform een qoedgekeurde gedraqscode gewerkt wordt. Indien neqatìeve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelrfk.
Rood
Daderonderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk, Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffìnc aanqevraagd te woiden.
Betekenis kelurcodes Onderzoeken naar de aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten van artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming dienen conform goedgekeurde protocollen uitgevoerd te worden. Deze onderzoeksperiodes zijn afhankelijk van de soort, potentiële functie van het plangebied en soms ook weersomstandigheden. Indien bij onderzoek afgeweken wordt van de betreffende protocollen kan dit tot gevolg hebben dat een eventuele latere ontheffingaanvraag om deze reden afgewezen wordt. In de onderstaande tabel worden de betreffende onderzoeksperiode per soort weergegeven. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat een onderzoek bestaat uit meerdere bezoeken, verspreid over de voorgeschreven onderzoeksperiode.
72
o
E QJ > O z
December
1 1 O
ļ
n
Ě Ē Qŕ Cgíl UI
ļ
'gj z
Ľ ;d n
Augustus
April
-tr rņ na Z
ļ
ļ
ís
Februari
'l. 3 c; Glad biggenkruid Vleermuizen Rugstieeppadden Huismussen eDNA waterspitsmuis
|
Donkergroen: optimale onderzoeksperiode; Lichtgroen: weersomstandigheden; Wit: geen onderzoek mogeiijk.
minder
geschikte
periode
en
afhankelijk
van
Soortgericht onderzoek Als vervolg is er een soortgericht onderzoek (20112/AQT303FF/LVS d.d. 15 december 2021) uitgevoerd naar de aanwezigheid van en de functie van het plangebied voor huismussen, vleermuizen, rugstreeppadden en waterspitsmuizen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage. Uit het soortgericht onderzoek kan geconcludeerd worden; * * * « * * *
In het plangebied aan de Rijnvaart 330 en 340 zijn geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen aanwezig; De wintergroene struiken aan de Rijnweg 330 wordt gebruikt door huismussen om te rusten en te foerageren. Dit is echter geen essentieel groen; Het groen in het plangebied wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis als foerageergebied, dit is echter geen essentieel foerageergebied; In het plangebied zijn geen waterspitsmuizen aangetroffen; Het plangebied kan incidenteel door rugstreeppadden gebruikt worden om te migreren. Er dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden; Het plangebied wordt mogelijk gebruikt door zoogdiersoorten als egel en amfibieënsoorten als gewone pad. Het plangebied is niet geschikt bevonden als geschikt habitat voor glad biggenkruid. Daarnaast is de soort niet aangetroffen tijdens de onderzoeken naar waterspitsmuis en de rugstreeppad die overdag plaats vonden.
De ontwikkelaar is voornemens de woning Rijnvaart 330 te slopen, de watergangen te vergraven en het gebied bouwrijp te maken voor een nieuwe woonwijk. Door de ontwikkelingen worden er geen essentiële onderdelen van het functioneel leefgebied van huismussen, vleermuizen en de waterspitsmuis verstoord of vernietigd. Voor de rugstreeppad is echter wel noodzakelijk om een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Momenteel betreft het plangebied een braakliggend perceel bestaande uit monotoon gemaaid grasland wat van beperkte betekenis is voor lokale diersoorten. Na omvorming zal het plangebied voor circa 500Zo uit hersteld duinlandschap gaan bestaan. Hiermee ontstaat er een meer gevarieerd gebied die voor de meeste lokale diersoorten een positief effecten zal hebben. Aanbevelingen Voor de rugstreeppad geldt dat het plangebied in de winterperiode geen geschikt overwinteringsgebied vormt voor de soort. Rugstreeppadden overwinteren op hoogwatervrije terreinen. Tijdens de wintermaanden dient het plangebied volledig afgeschermd te worden met paddenwerende schermen en roosters zodat tijdens de werkzaamheden in het voorjaar, de rugstreeppad het plangebied niet kan bereiken. Indien er werkzaamheden tijdens het voorjaar worden uitgevoerd tussen 15 maart en 15 juli, dienen maatregelen getroffen te worden om broedvogels te weren.
Dit om te voorkomen dat broedvogels tijdens de werkzaamheden verstoord worden. Aanvullend dient er tijdens het gehele broedseizoen wekelijks een broedvogelcontrole plaats te vinden door een ecoloog. Wanneer in de actieve periode van vleermuizen wordt gewerkt, welke grofweg duurt van maart t/m oktober, dient rekening gehouden te worden met activiteit van vleermuizen in en in de omgeving van het
73
gebied. Het wordt aanbevolen om alle werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en kunstmatige verlichting tussen deze tijden te voorkomen. Wanneer toch tussen zonsondergang en zonsopkomst gewerkt wordt, dient uitstraling naar omliggende watergangen of groen te allen tijde voorkomen te worden, om zo overvliegende en foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Aquatische fauna De werkzaamheden aan de watergangen moeten buiten de kwetsbare periode voor aquatische fauna uitgevoerd worden. De voorkeursperiode voor de uitvoering is begin september t/m eind oktober. Dit is ná de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen om de werkzaamheden in de minder kwetsbare periode van november- februari uit te voeren. In deze periode is aquatische fauna in winterrust en zijn ze minder mobiel.
September
Oktober ļ
i-3i
Uļ t?í Zř çn <
ļ
ÍU Z
ļ Juni
j—p 1— ćO ćd Z
April
'Ľ IS ZJ 1— -D V LiL
ļ
ļ
Januari
Bij het dempen van watergangen moet het water één richting uitgedreven worden naar de naastliggende watergangen, zodat aanwezige vissen, amfibieën en andere aquatische fauna zich daarnaartoe kunnen verplaatsen. Bij leegpompen van de watergang wordt de aquatische fauna en amfibieën tijdig weggevangen en elders uitgezet.
ķE
1
qp
> O 2
|
o
Dempen watergang * Groen: voorkeursperiode; oranje: minder kwetsbare periode; rood: meest kwetsbare periode. Indien er tijdens de werkzaamheden uitheemse rivierkreeften aangetroffen worden, dienen deze op locatie gedood te worden of afgesloten te worden afgevoerd voor consumptie. Let hierbij op dat kreefteieren niet verspreid worden. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.
3.12 Cultuurhistorische aspecten 3.12.1
Wettelijk kader
Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen een archeologische (mede)bestemming. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Vanuit de landelijke wetgeving geldt in principe een vrijstelling voor ingrepen tot een oppervlakte van 100m2. Het is echter mogelijk om hier naar boven en naar beneden vanaf te wijken, mits dit goed onderbouwd is. De gemeente Westland maakt van deze mogelijkheid tot afwijken gebruik. Daartoe heeft zij in 2012 een
74
archeologische beleidskaart vastgesteld voor het gemeentelijk grondgebied. Voor het onderhavig bestemmingsplan is gekeken in hoeverre het beeld van de gemeentelijke beleidskaart nog actueel is. 3.12.1.1 Gemeentelijk beleid Op 26 juni 2012 heeft de gemeente Westland haar archeologische beleidskaart vastgesteld. Op deze kaart is weergegeven waar in de gemeente (en in welke mate) kans is op het aantreffen van archeologische resten, uitgedrukt in een verwachtingszone. Aan deze verwachtingszones zijn ondergrenzen gekoppeld, die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vanwege een voorgenomen ontwikkeling nodig is. De beleidskaart geeft een globaal inzicht in de te verwachten archeologie, in het bestemmingsplan wordt het beeld aangescherpt. Het archeologiebeleid legt vast hoe de gemeente Westland met haar bodemarchief omgaat. De gemeente Westland stelt met dit beleidsplan: 1. ondergrenzen vast (uitgedrukt in oppervlakte en diepte) die duidelijk aangeven of een initiatiefnemer dan wel vergunningaanvrager verplicht is archeologisch vooronderzoek te laten verrichten; 2. de in dit beleidsplan opgestelde normen vast teneinde deze normen op te nemen in alle bestemmingsplannen; 3. de beleidskaart vast.
Zones met archeologische waarden of verwachtingen Op de gemeentelijke beleidskaart zijn voor het plangebied verschillende soorten zones met archeologische waarden en archeologische verwachtingen aangegeven. De plankaart is voor dit bestemmingsplan aangevuld met specifieke informatie afkomstig uit de opgraving. Voor alle zones gelden van elkaar verschillende vrijstellingsgrenzen. Functieaanduiding Swr-1
Beleidszone Verwachtingszone IV (afgegraven)
Swr-2
Verwachtingszone II
Vrijs tellingsgrens Geen voorschriten
Plangebied > 250m2 Ã bodemingreep > 30 cm-mv Swr-3 Bekende archeologische Plangebied > 0m2 Ã vindplaats bodemingreep > 30 cm-mv Overzicht van de vrijstellingsgrenzen
Bes temmingsplan geen waarde Waarde - Archeologie - 3
Bekende archeologische vindplaats
Verwachtingszone IV (swr-1) Verwachtingszone IV bestaat uit gebieden waarvoor geen archeologische verwachting geldt. Het betreft de zone waar geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Om deze reden worden er in deze zone dan ook geen voorwaarden verbonden aan het verlenen van een omgevingsvergunning. Wel is het zo dat ook in deze zone de algemene meldingsplicht van toevalsvondsten van toepassing blijft en dat een eventuele archeologische inspectie tijdens bodemverstorende werkzaamheden moet worden toegestaan. Verwachtingszone II (swr-2) Verwachtingszone II bestaat uit zones waar duinafzettingen van de Laag van Ypenburg en de Laag van Voorburg voorkomen. Deze duinen boden gunstige bewoningsmogelijkheden vanaf het Neolithicum. Ze werden bewoond tijdens de vroege en late prehistorie en in de Romeinse tijd. Tijdens de Vroege Middeleeuwen vormden ze een belangrijke basis voor de ontginning van het Westland. Ook tijdens de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd werd er op deze afzettingen gewoond. Bekende archeologische vindplaats of zeer hoge verwachting (swr-3) Voor de bekende archeologische vindplaats geldt dat te allen tijde getracht moet worden om bodemingrepen te voorkomen die tot aantasting van de aanwezige archeologische waarden leiden. Indien dit niet mogelijk is en er bodemingrepen worden gepland die de vrijstellingsgrens van 0 m2 en 30
75
cm beneden maaiveld overschrijden dient archeologisch onderzoek als voorwaarde te worden gesteld bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Voor deze vrijstellingsgrens wordt afgeweken van de 100 m2 uit de Monumentenwet (artikel 41a), omdat voor de onderhavige gebieden al bekend is dat er zich waardevolle archeologische resten bevinden. Bij bodemverstorende werkzaamheden tot 100 m2 kan dan ook al grote schade aan het bodemarchief ontstaan. Bovendien kunnen op deze terreinen archeologische onderzoeken van kleine schaal al waardevolle informatie opleveren over de aanwezige resten. Derhalve wordt voor deze terreinen geen vrijstellingsgrens gehanteerd qua oppervlakte 3.12.2
Onderzoek Archeologie
Het plangebied is gelegen in een strandwallenlandschap. Dit landschap is ontstaan rond circa 4000 v. Chr. toen de zee haar grootste uitbreiding bereikte na het stijgen van de zeespiegel sinds de laatste ijstijd. De oudste strandwal markeerde de toenmalige kustlijn en ligt ter hoogte van de lijn Rijswijk-Voorburg-Leidschendam-Voorschoten. Ter plaatse van deze strandwal is de kustlijn enige tijd stabiel geweest en kon duinvorming optreden. Na 4000 v .Chr. steeg de zeespiegel niet zo snel en breidden de strandwallen zich naar het westen uit richting de zee. Het kustlandschap bestond uit een complex van langgerekte ruggen - de strandwallen - waarop zich lage duinen ontwikkelden en uit depressies - de strandvlakten. De strandwallen waren zeer geschikte bewoningslocaties vanaf het Late Neolithicum tot heden. Achter de strandwallen ontstond een moerasgebied met sterke veengroei. Dit achterland werd in verschillende perioden overspoeld door de zee na doorbraken vanuit de Maasmonding. Hierdoor werd in het gebied tussen en achter de strandwallen klei afgezet. Het plangebied is gelegen op de grens van een oude strandwal naar een strandvlakte. In het noordoostelijk deel van het plangebied bevindt zich een langwerpig terrein dat op de Archeologische Monumentenkaart van de RCE is geregistreerd als terrein van hoge archeologische waarde (zie afbeelding).
Het betreft AMK-terrein 4028 (tegenwoordig PAB-terrein genoemd en afgebeeld als bekende vindplaats/ terrein met zeer hoge verwachting: Swr-3). Hier worden resten vanaf de Ijzertijd verwacht. De exacte begrenzing van dit archeologisch monument is niet duidelijk.
76
\ Z
Z
\
7* BW
1
1
1
72WC
1
--------'-------- --------i---------------- -------- -------- -------O
50
100
z
Esri Nederland. Ľflmmunity Maps Contributors5
Meiers
200
Medebestemming CTZi Grens plangebied
I
Bekende archeologische vindplaats (Swr-3) vrijstelling tot 0m2 en 30cm Verwachtingszone II (Swr-2) vrijstelling tot 250m2 en 30cm Geen archeologische verwachting (Swr-1) geen voorschriften
Ten zuidwesten van het archeologisch monument ligt de voormalige camping Molenslag, waar diverse vondstmeldingen zijn gedaan (zie afbeelding). Het betreft middeleeuwse munten en aardewerk daterend vanaf de IJzertijd. De context hiervan is niet duidelijk. Een booronderzoek heeft geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden aan het licht gebracht. Na verstuiving van het terrein zijn meer vondsten aan het licht gekomen. Uiteindelijk heeft er op het voormalige campingterrein in 2016 archeologisch onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een opgraving. Er is toen een vindplaats uit de Vroege Middeleeuwen (de Merovingische periode) en een vindplaats uit de Midden-IJzertijd onderzocht. In 2018 vond later nogmaals een booronderzoek in combinatie met proefsleuven plaats op een aangrenzend terrein. Ook daar liggen vindplaatsen met name de IJzertijd. De Merovingische vindplaats loopt zeer waarschijnlijk door in het huidige bestemmingsplangebied en zal gekarteerd worden als een locatie met een zeer hoge archeologische verwachting (Swr-3). Net als voor het PAB-terrein gelden ook hier de ondergrenzen van 0m2 en 30cm. Zo zal archeologie meegenomen worden in het ruimtelijke proces, maar per ingreep kan een afweging gemaakt worden of archeologisch onderzoek nodig is.
77
ï Ą
- İ.S
Cií^ŕļxftļ MĀiţīītí&Į*
rf [Mď n'aw riB
Gićľļ t
ļ^^ĵŕųųpţ-aļi
De locatie van het plangebied en de in de tekst genoemde toponiemen De Slaperdijk, die dateert uit ca. 1800 (Van der Valk & Beekman 2014), vormt globaal de begrenzing met het Monsterse Geestje (zie afbeelding). Het Monsterse Geestje werd ten behoeve van de tuinbouw in de jaren zestig van de 20e eeuw het duinzand afgezand, tot 0,1-0,2 m +NAP. Uit onderzoeken in de omgeving blijkt dat -voor zover nu bekend- archeologische niveaus tot zeker 1 m -NAP diep kunnen voorkomen. Bronnen in de jaren 60 beschrijven het archeologische (nood)onderzoek dat tijdens de afgravingen heeft plaatsgevonden. Ook staat erin beschreven dat het terrein na afgraven gereed is gemaakt voor de tuinbouw. Er bestaat echter twijfel over of dit werkelijk gebeurd is, en zo ja, of dit tot metersdiep is gedaan. Toch is in 2005 in een bureauonderzoek beschreven dat archeologisch onderzoek op dit terrein niet meer zinvol is. Op basis van recent booronderzoek is gebleken dat het terrein niet nog tot metersdiep is omgezet. Er is een intact bodemprofiel aangetroffen, onder een verstoorde bovenlaag van 20 tot 90cm. Op basis van de bodemopbouw en het gebrek aan verdere aanwijzingen voor bewoonbare niveaus en archeologische vindplaatsen kan de archeologische verwachting voor dit deel bijgesteld worden naar laag. Voor deze zone, mede vastgesteld op basis van het AHN, geldt dan ook geen medebestemming archeologie.
Wel kan de conclusie van dit onderzoek gevolgen hebben voor de archeologische verwachting van de rest van het Monsterse Geestje. In het zuidoostelijke deel van het plangebied en in de overige delen langs de Slaperdijk heeft nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Hier wordt het regime van de beleidskaart aangehouden: verwachtingszone 2 (250 m2 en 30 cm -mv). 3.12.3
Conclusie
Voor een groot deel van het plangebied geldt op basis van recent uitgevoerd booronderzoek (zie bijlage) geen archeologische verwachting meer. Daarnaast zijn er twee zones waar een hoge archeologische verwachting geldt en nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden (Waarde - Archeologie 3). In het noordoostelijk deel ligt een PAB-terrein (voormalig AMK-terrein). Ten zuiden van de vindplaats Molenslag ligt een terrein met een zeer hoge verwachting. Beide terreinen hebben een zeer hoge archeologische verwachting en krijgen de bestemming Bekende Archeologische Vindplaats. Om de (mogelijk) aanwezige waarden te beschermen, zijn nieuwe ontwikkelingen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan gebonden aan een omgevingsvergunning voor het bouwen alsmede het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voor grondroerende activiteiten. De meldingsplicht blijft altijd van kracht: Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch
78
archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht. Tevens vragen wij u contact op te nemen met de gemeentelijke archeoloog, cluster Ruimte, team Omgeving en Toezicht.
3.13 Vormvrije merbeoordeling Doordat artikel 2 lid 5 aanhef en onder b Besluit m.e.r. sinds 7 juli 2017 het bevoegd gezag verplicht om de artikelen 7.17, 7.17 leden 1 - 4, 7.18, 7.19 leden 1 en 2 en 7.20a Wet milieubeheer toe te passen, is het bevoegd gezag verplicht om een beslissing te nemen over de vraag of bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Bepalend voor het antwoord op die vraag is of de betrokken activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Door het bevoegd gezag is op 13 juli 2021 een besluit genomen om geen milieueffectrapportage op te stellen voor het bestemmingsplan 'Watergat Monster'. Uit de opgestelde vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie bijlage) blijkt namelijk het volgende: Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse.
79
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
4.1
Planvorm
4.1.1
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.
4.1.2
Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012
De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.
4.1.3
Systematiek van de planregels
Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * Inleidende regels; » Bestemmingsregels; « Algemene regels; * Overgangs- en slotregels. Inleidende regels Begrippen (Begrippen) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Wijze van meten) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bes temmingsregels De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: » doeleindenomschrijving (gebruiksregels); « bouwregels; * nadere eisen;
80
afwij kingsregels. Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: * * *
het aanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.
Algemene gebruiksregels In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen: * het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; * en het onderdeel "Citeertitel".
4.1.4
Systematiek van de planverbeelding
Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.OWZWATERGATobp-VA01
81
De dataset bestaat uit: * het GML-bestand van de planverbeelding; * het XML-geleideformulier; * de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; « de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimteliikeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond.
Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen.
Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.
4.2
Bestemmingsregeling
De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).
82
4.2.1
Bedrijf
In deze bestemming wordt de mogelijkheid geboden voor een benzine- annex servicestation zonder Ipg. Verder is in beperkte mate detailhandel toegestaan. 4.2.2
Groen
De groenvoorzieningen met een structurerend karakter zijn ondergebracht in de bestemming Groen. Daarnaast wordt er tussen de nieuwe woonclusters nieuw groen ingericht en opgeleverd. Naast beplanting zijn hier onder andere ook voetpaden, water en bijbehorende waterstaatwerken toegestaan. Omdat de bestemming 'Groen' groen moet zijn, zijn de volgende aanduidingen opgenomen om aan te geven dat daar naast groen ook andere voorzieningen zijn toegestaan. Het gaat dan om de volgende aanduidingen: * * *
4.2.3
ter plaatse van de aanduiding "speelvoorziening" (sz) een speelvoorziening voor kinderen van 0 - 6 jaar. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - servicepunt" (sg-sp) een servicepunt voor een afvalverzamelpunt en een gezamenlijk dienstenpunt. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ontwateringsmiddel" (swa-owm) een voorziening ter regulatie van het grondwater en hemelwater door middel van infiltratie en/of drainage. Langs de Rijnweg is een ontwateringsmiddel noodzakelijk om het grondwater te reguleren en het hemelwater af te vangen. Voor wat betreft de ontwatering wordt gedacht aan een infiltratie/drainage riolering die middels nader uit te werken voorzieningen wordt aangesloten op de watergangen. Natuur
Het betreft de Slaperdijk die is bestemd is als "Natuur". Binnen de bestemming wordt recreatief medegebruik fietsen, wandelen en paardrijden toegestaan. 4.2.4
Verkeer - Verblijfsgebied
Daar waar het openbaar gebied een verblijfs- en verplaatsingsfunctie heeft hebben de gronden de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied". Binnen deze bestemming is ontsluiting toegestaan met daarbij behorende voorzieningen zoals parkeren, groen- en waterpartijen, nutsvoorzieningen, speeltoestellen en reclame-uitingen. 4.2.5
Verkeer
Daar waar een weg een stroomfunctie heeft, zijn de gronden bestemd als "Verkeer". Binnen deze bestemming zijn een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren, groen- en waterpartijen en nutsvoorzieningen. 4.2.6
Maatschappelijk
In deze bestemming wordt de mogelijkheid geboden voor een fitness- c.q. sportschool. Verder wordt er ruimte geboden voor ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel. 4.2.7
Water
Een deel van de gronden is bestemd als 'Water'. Deze gronden zijn bedoeld voor waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging, sierwater en het verkeer te water en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, bruggen, duikers, aanlegsteigers en waterstaatkundige voorzieningen. 4.2.8
Tuin
De voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor de voortuinen of de zijtuinen bij de op de gronden aanwezige bebouwing. Het betreft hier in de meeste gevallen bestaande woningen. Op gronden met de bestemming "Tuin" zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Met een uitzondering voor erkers aan de voorgevel van de woningen.