CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan Watergat te Monster (22-0006562)

Gemeenteraad 15 februari 2022, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan 'Watergat Monster'28.949 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Motivering van de behoefte aan ontwikkeling

De druk op de woningmarkt is sinds een aantal jaren ongekend hoog, met name in de Randstad en zijn randgemeenten. Begin 2020 heeft de afdeling Research van Bouwfonds gebeidsontwikkeling (hierna BPD) een marktonderzoek voor de hele gemeente Westland opgesteld en in 2021 is de BPD Hittekaart 2021 uitgebracht. Uit het marktonderzoek 2020 blijkt dat in de gemeente Westland de huishoudingsgroei hoger is dan in COROP gebied en hoger dan in de provincie Zuid- Holland. Uit de BPD Hittekaart blijkt dat de huishoudingsgroei in het Westland in de komende 10 jaar met ruim 6000 zal toenemen. Het Westland bevindt zich op plek 70 van de 355 gemeenten. Aan de hand van deze methode hoort Westland bij de 200Zo beste gemeenten van Nederland wat betekend dat de vraag naar woningbouwontwikkelingen groot is. Volgens het Socrates prognosemodel is er in het Westland behoefte aan ca. 500 koopwoningen per jaar waarbij in de kern Monster het aantal gemiddeld hoger zal zijn vanwege ook de aantrekkingskracht vanuit de regio Haaglanden wat blijkt uit de verkopen van de afgelopen jaren en de huidige vraag vanuit de markt. Woonstrategie Westland De Woonstrategie Westland bestaat uit een herijking van de Woonvisie en een Uitvoeringsprogramma. In het Uitvoeringsprogramma zit de actuele woningprogrammering, een afwegingskader voor uit te werken plannen en bijbehorende uitvoeringsagenda voor de komende jaren.

Het actuele

33

woningprogramma geeft inzicht in het 'laadvermogen' van de plannen in de kernen en een aanduiding van de 'hardheid' ervan. Het woonprogramma is verdeeld in harde en zachte projecten. Voor harde projecten geldt dat ze in een grondexploitatie zijn opgenomen of dat er een contract is met een ontwikkelende partij of samenwerkende partij is. Alle andere potentiële woningbouwprojecten zijn benoemd als zachte plannen.

2015-2030

Plannen order contract

7259

Zaclhte plannen

1317

Totale planvoorraad

8576

Per jaar

Gemiddeld is er tot 2030 een planvoorraad van 536 woningen per jaar in de plannen aanwezig. Daarvan zijn 454 woningen onderdeel van harde plannen. Bij de demografische prognose die uitgaat van een groei van het aantal huishoudens naar circa 50.000 (PRIMOS) past een woningbehoefte van circa 465 woningen per jaar. De groei kan dus door uitvoering van de harde en zachte plannen worden opgevangen. Program ma 2015-2039 Zacht

De Lier Naaldwijk Honselersdijk Poeldijk Monster 's-Grawenzande Maasdijk Wateringen Kwintsheul

Overige locaties

school Rozenhof

1169

Witte brug 2254

Sonnevanck. PWA

1513

Trafo gebied Wittebrug 72S2

1255

Programma per kern naar type (hard=projectfase, Zacht = initiatief en Overige locaties = nog niet gedefinieerd) De 130 woningen opgenomen op de planverbeelding maken onderdeel uit van de harde projecten, zoals opgenomen in het uitvoeringsprogramma van de woonstrategie van de gemeente Westland. Uit het uitvoeringsprogramma blijkt dat er voor Monster tot 2030 een harde plancapaciteit is van 2254 woningen is. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben ingestemd met het aangeleverde woningbouwprogramma voor de plannen tot en met 2030 voor de gemeente Westland. 'Watergat' maakt onderdeel uit van het woningbouwprogramma. Hiermee is ingestemd met de behoefte onderbouwing. 3.1.4

Bestaand stedelijk gebied

Voor een wijk van 130 woningen is er gelet op de beschikbaarheid en geschikte locaties geen ruimte binnen de bestaande kernen van het Westland. Het woningbouwplan heeft een zodanige, samenhangende woonstructuur dat deze niet versnipperd binnen de bestaande kernen kan worden gerealiseerd. De samenhangende woonstructuur voldoet juist door die samenhang aan de actuele woningbehoefte, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. De actuele behoefte waarin met het bestemmingsplan wordt voorzien, is groter dan waaraan binnen de bestaande kernen door intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden voldaan. Daarnaast is Watergat zowel in de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland, Structuurvisie Westland 2025 als in het Programma ruimte opgenomen als te ontwikkelen woongebied. Door de opname in het Programma ruimte is er sprake van een regionaal afgestemd woningbouwprogramma. De locatie ligt weliswaar buiten bestaand stads- en dorpsgebied, maar is vermeld in de zogenaamde 3 hectare kaart in de categorie 30 hectare. Er hoeft daarom niet te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

34

I woonwijk in ontwikkeling

(boezem)water ontwikkelmg/zoeklocatie groen kans voor verdichting kans uitbreiding kans vergroening groene parel sportvereniging kassengebied type 1 kassengebied type 2 kassengebied type 3 agrologistiek-regionaal bedrijventerei lokaal bedrijventerrein i___I beoogde uitbreiding regionaal snelweg hoofdontsluiting gebiedsontsluiting Mill Natura 2000 groen en recreatiegebieden

Uitsnede verbeelding Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland

IManirrgbDUHlacalKf, bedrijventerreinen en -andere ttedelijke ontwikkelingen

; in dan 3 hvi «n# da ‘iwf irdUun un út :tŕtn i* vá#i BAD m 4v ftfnņiŗvrņ1ardtŕ+iç 'ŕktn ngbounhlac-aGMi 8 į M tf ^ e i**-*1* 'B'

B klK ii«ì ĪĴ 'HuCa*

*

ö IēI řrt (ME W fŵlārc

É

ÌCļ ļgl fa nvľ tài lwţj||nŗ

Ā

Ŵī tţ t" nwL İÍŴ 'wťMw

-

t

jfV

Bedfţvemurrain narde cāpec&efl 8

3 ld mi ™t 5 hec-.*-*

*

Slflff PW 'OtKUft

a

11taf m h-ļ řl řvctaiü

■* A

Ĩ2 tei *n iHt 45 hactart -it lcí m wí 19 h*t.ļpnļř

ũ*dr vnl:*rrŕ n ţd-cAl# cap*:rt# 1

jHItfļntiļhŭťVį *

11 tl m îtM 24 r+ŗtMB

A

ÍĴWfn met4Ä hectare

A

«tl wii wt 94 hettan*

I *

ATîe'ie SÜIfeJJfcfl ōñtW«kŕ eŕFffed

1

3 m «mi ĩ iwcn»

*

Į ïįi ęn nar 1ú hfçsprņ

1S H tri ñ*4 Ĩ1 t+f.tMP

r-lwi«i **-i ćnfŢmn ’ ftŵlfllSMņMríi.

i

Woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen (3 ha kaart). Op de kaart zijn, indicatief, woningbouwlocaties weergegeven die gelegen zijn buiten het bestaand stads- en dorpsgebied en meer dan 3 hectare groot zijn. Op de kaart staat zowel harde als zachte capaciteit buiten BSD. Met deze toevoeging wordt invulling gegeven aan bestuurlijke continuïteit. Het plangebied - onderdeel van Monster Noord - is zowel op de kaart als bijbehorende tabel opgenomen als woningbouwlocatie in het Programma ruimte.

35

Tabel 1 Woningbouwlocaties gemeente

plaats

neem locatie

Westland

Dg Lier

Molensloot

Westland

KwiriMieul

Holle Watering

Westland

Monster

De Duinen

Westland

Monster

Monster noord

Westmade

Westrand

Westland

Poeldij’í

Pūeldiįk Weslhūf

Westland

s-Gravenzande

[Poelkade i Hel Nieuwe Water

Westland

rs-Gra verzande

Waelpark Waelpolder

Westland

Wateringen

Erasmuszone t Wippolűer

3.1.5

bruio epp in ha

Conclusie

Gelet op het vorenstaande voldoet het plan aan de ladder van duurzame verstedelijking. Er is dan ook sprake van zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving.

3.2

Stiltegebied

3.2.1

Wettelijk kader

Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluiden van flora en fauna overheersen. Het woord ‘stilte' betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten. Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 decibel liggen. Ook kan worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met niet-natuurlijke geluiden. Stiltegebieden zijn geregeld in de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland (PMV). De PMV is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming en bevat regels over: * * * * * *

afvalwater bodemsanering het gebruik van stortplaatsen milieubeschermingsgebieden voor stilte en grondwater het ontgassen van binnenschepen inspraak bij een milieubeleidsplan, milieuprogramma en milieuverordening

36

3.2.2

Onderzoek

Het plangebied is gelegen naast het stiltegebied 'Monster'. Er vinden geen incidentele geluidsverstoringen plaats. De PMV heeft betreffende structurele geluidverstoring echter alleen betrekking op de gebieden die daarin gedefinieerd zijn. Buiten die gebieden gelden de regels uit de PMV niet.

Òckenburgh

Vroond aal

Ter Heijde

Molenwijk-

Stiltegebied Monster m de omgeving van de locatie

3.3

Molenbiotoop

Om voldoende wind op de wieken te kunnen vangen, moet de omgeving van de molen (de molenbiotoop) vrij zijn van obstakels. Voor een gezonde biotoop is niet alleen de windvang van belang, maar ook de zichtbaarheid van de molen speelt een rol. Ooit zijn molens gebouwd in een ideale omgeving, nu komen er in de molenbiotoop steeds meer obstakels. Hoge gebouwen en bomen in de omgeving van de molen hebben een nadelig effect op de windtoevoer. Bomen geven meestal meer problemen dan hoge gebouwen. Bomen houden de wind soms even vast, om die vervolgens weer los te laten. Het gevolg is dat de wind sterk in kracht kan wisselt. Deze wisselvallige wind is zeer nadelig, omdat de molen gelijkmatige wind nodig heeft om goed te kunnen draaien. Ook is het mogelijk dat door de wisselvallige windvlagen, de wieken en daarmee ook het mechanisme van de molen extra slijtage ondervinden. Om voldoende wind op de wieken te kunnen vangen, moet de omgeving van de molen (de molenbiotoop) vrij zijn van obstakels. Dit molenbiotoop wordt beschermd met het zogenoemde windrecht. Dit windrecht bestond al in de 15e eeuw. Het windrecht verzekerde de molenaar van vrije windvang omdat bebouwing en beplanting binnen de molenbiotoop zonder zijn toestemming niet was toegestaan. De molenbiotoop is een cirkel van 400 meter getrokken rond het midden van de molen.

In de eerste 100 meter rond de molen mag er geen beplanting of bebouwing staan die hoger komt dan de onderkant van

37

de verticaal staande wiek. Tussen de 100 en de 400 meter loopt de belemmerende hoogte geleidelijk op (zie afbeelding). Voor een gezond molenbiotoop is niet alleen de windvang van belang, ook de zichtbaarheid van de molen speelt een rol. Een werkende molen die goed in het zicht ligt maakt het totale plaatje van het landschap veel mooier. Veel gemeenten en de provincie Zuid-Holland hebben het zogenoemde windrecht en het daarbij behorende molenbiotoop ook opgenomen in hun bestemmingsplan of verordening.

VY.LS 4^V^rÀ‘.Ŵ\

NV/■fĩÅSfo

/Vnv /J7 l/ñ 'V

t*

Molen De Vier Winden Langs de Haagweg waar nu de molen De Vier Winden staat, stond al in 1311 een andere korenmolen. Mogelijk hebben er verschillende molens op dezelfde locatie gestaan, daar er in 2005 een steen werd opgegraven met het jaartal 1685. De Vier Winden is uiteindelijk in 1882 gebouwd ter vervanging van de in maart 1881 door brand verwoeste molen. De molenaar uit de jaren 30 van de vorige eeuw diende in 1930 en 1931 een schadeclaim in bij de gemeente Monster vanwege de bouw van een nieuwe woonwijk naast de molen en het verloren gaan van de windvang. De claim werd niet gehonoreerd en in 1932 verkocht hij De Vier Winden verkocht aan de gebroeders Langeveld uit Loosduinen. Deze stelde de molen buiten bedrijf en verkochten in 1957 De Vier Winden aan de toenmalige gemeente Monster. Kort na de verkoop volgde een eerste restauratie. Een tweede restauratie in de jaren 80 van de vorige eeuw maakte de molen weer maalvaardig. Uiteindelijk is in 1983 de molen weer in bedrijf gekomen. Er wordt momenteel nog steeds meel en tarwe gemalen. Door een gemeentelijke herindeling is de molen in 2004 in eigendom gekomen van de gemeente Westland. Molen De Vier Winden staat op het maaiveld dat vrijwel gelijk is aan de omgeving. Het maaiveld rond de molen ligt op ongeveer +2.50 NAP. De onderzijde van de verticaal staande wiek heeft een hoogte van ongeveer + 6,5 meter NAP.

Tot de 100 meter grens zouden de obstakels daardoor een hoogte mogen hebben van + 6.5 m NAP, globaal 4 meter boven het maaiveld. Plangebied Watergat Het plangebied van Watergat ligt binnen de Molenbiotoop van de Molen op een afstand van 200 tot en met 400 meter. Het maaiveld van het plangebied ligt lager dan de Rijnweg op + 1 m NAP. Gelet op de

38

hoogte van de verticaal staande wiek van + 6,5 m NAP en onderstaand schema mag de bouwhoogte op een afstand van 200 meter +13,16m NAP bedragen. Naarmate de afstand tot de molen oploopt mag de bouwhoogte ook hoger.

tťįfiům

ĮįjnŢ vęrţįvjle ««l

Mofenbescherming^zone in medelijk gebied

3.4

Bedrijven en milieuzonering

3.4.1

Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 3.4.2

Onderzoek

Het plangebied moet worden aangemerkt als een rustige woonwijk, aangezien het woningbouwplan Watergat een woonwijk betreft dat wordt ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van de bestaande functies (benzinestation, sportschool en sportvelden) zijn er geen andere functies zoals bedrijven. Langs de randen van het gebied is weinig verstoring door verkeer. In en om het plangebied zijn de volgende (bedrijfs)functies te vinden die mogelijk van invloed kunnen zijn op het woongebied. Benzineservicestation zonderIpg; Het in het plangebied gelegen benzinestation is aangegeven als een categorie 2 bedrijf, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter. Binnen de vereiste afstand van 30 meter worden geen woningen opgericht, waardoor de bouw van de woningen voor deze functie voldoet aan de eisen van milieuzonering. ■505 ^Ō5 ţŌ5 ÇŌ5

to to ĨĨ3

Benzineservisestations: ‘1

- met LPG > 1000 m3Zjr

30

0

30

200

R

200

4 1

3 P

1

B

2 ’3

- met LPG í 1000 m3Zjr

30

0

30

50

R

50

3.1

3 P

1

B

-zonder LPG

30

0

30

10

30

2

3 P

1

B

Sportschool De in het plangebied gelegen sportschool/fitnesscentra is aangegeven als een categorie 2 bedrijf, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter.

39

Binnen de vereiste afstand van 30 meter worden geen woningen opgericht, waardoor de bouw van de woningen voor deze functie voldoet aan de eisen van milieuzonering.

uitvaartcentra begraafplaatsen crematoria |9313, 9604 19313,

Fitnesscentra, badhuizen en sauna-bader Dierenasiels en -pensions

Veldsportcomplex (met verlichting) Naast het plangebied is een sportcomplex gelegen, waarvoor is aangegeven dat het geldt als een categorie 3.1 bedrijf, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter. Het complex ligt op voldoende afstand van de geplande woningbouw. 526 526 526

531 5īī

E Maneges

50

30

30

0

50

3.1

2 P

F Tennisbanen (met verlichting)

0

0

50 C

0

50

3.1

2 P

1 2

531 kni

G Veldsportcomplex (met verlichting) M ťînlfhanon

0 n

0 n

50 C m

0 n

50 m

3.1 1

2 P ? p

2 1

v - .ï.

.

^í*} Ä m- ^

i ** .

iMJĩìl Uitsnede Gis met hindercirkels Geconcludeerd wordt dat de hindercirkels (richtafstanden) de geplande locatie voor woningbouw niet overlappen. 3.4.3

Conclusie

Gelet op de afstanden tussen de verschillende (bedrijfs) functies zijn er geen belemmeringen voor wat betreft milieuzoneringen voor de geplande woningbouw.

3.5

Verkeer

Door Goudappel is een rapportage opgesteld die de verkeerseffecten beschrijft van de woningbouw in deelgebied Watergat. In onderstaand figuur zijn de deelgebieden aangegeven tezamen met overige bouwlocaties van Den Haag in de omgeving van het gebied 'Achter de Duinen'.

40

ŨplřBfîi

İİU woningen

bHlnctml

Wtslnwrfe Z*h3

.«I1'

NwH!

Li DU woningen

t3ï 'Atn rjîn

-

V

Mcfci -,Ijh ^■varmccii /:İS^

In de rapportage is gekeken naar de verkeerseffecten van alle beoogde woningbouw-ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied Achter de Duinen. Het gaat hierbij in de gemeente Westland om een totaal van circa 1.600 woningen in Monster- Noord en Westmade en in de gemeente Den Haag circa 2.000 woningen in Vroondaal en 350 woningen op het terrein van Parnassia en de sportvelden langs de Madesteinweg. 3.5.1

Verkeerseffecten van alle woningbouwlocaties tezamen

Voor de belangrijkste wegvakken zijn de verkeersintensiteiten samengevat in onderstaande tabel. In deze tabel zijn de verkeersgegevens weergegeven voor een gemiddelde werkdag.

2018

2030 Autonoom 2030 plan totaal 2030 plan totaal excl Watergat

1 2 3 4

Monsterseweg Monsterseweg Haagweg Haagweg

11.300 9.500 84)00 1.600

14.100 12.800 8.500 8.100

16.300 15.600 9.500 9.100

16.6ŪŪ 15400 9.300 8.600

5 6 7 8 9

Molenweg Madeweg Madeweg Madeweg Madepolderweg

11.100 44)00 6.900 6.200 5400

11,600 5.000 7.900 8.800 10.400

12.000 5.300 9.000 10.200 11.500

11.700 5.300 8.800 104)00 11.300

10 11 12 13 14 15

Madepolderweg Van Elswij kb na n Nīeuweweg Nīeuweweg Casembrootlaan Van Ruyvenlaan

1.500 44)00 16.100 14.700

400 10.500 22.100 17.300 3.600 3.800

500 11.600 22.500 174100 4300 4500

500 11400 22400 17.300 4.300 4.500

16 17 18 19 20

Madepolderweg Madesteinweg Monsterseweg Oorberlaan Oorberlaan

Z300 600 12.900 1.700 1.600

2,700 1.800 16.500 4.900 7.100

2.700 1.700 19.100 7400 8.000

2.700 1.700 18.900 7400 84)00

21 Paul Captījnlaar 22 Arckelweg 23 Molenweg

74JOO 104)00 12.600

11,800 13.400 13.400

12400 13.900 13.900

12.300 13J800 13.600

2.200 1.800

Berekende verkeersintensiteiten(mvtZetm, afgerond op honderdtallen)

41

De betreffende locaties waarvoor de verkeersintensiteiten zijn weergegeven, zijn weergegeven in onderstaand figuur. G05DUINEN

V.H i-ř'.f I

Wesilwd O sr Hriļūn

Wřiš’.í-i

Rciňdijh

wegvaklocaties verkeersintensiteiten 3.5.2

Verkeerseffecten Watergat

Met het verkeersmodel is onderzocht (door middel van een selected zoneanalyse) hoe het autoverkeer dat per gemiddelde werkdag van en naar het deelgebied; Watergat zal gaan rijden. In figuur 2.3 is de verhouding weergegeven van de belangrijkste bestemmingen van het autoverkeer van en naar de locatie Watergat. De belangrijkste relaties gaan via de Haagweg, Molenweg en via de nieuw aan te leggen verbinding door plangebied Madewater en Madeweg.

299ÍX

Selected zone Watergat Wat opvalt is dat het autoverkeer van Watergat vooral georiënteerd is op Den Haag zuidwest en de routes richting de rijkswegen A4 en A20. De relatie met Monster en de gemeente Westland is beperkter.

42

3.5.3

Verkeerseffecten Rijnweg

De Rijnweg is gelegen in een 30 km-zone van de bebouwde kom van Monster. Vanwege de beperkte beschikbare rijbaanbreedte is op de Rijnweg eenrichtingverker ingesteld voor alle verkeer.

Rijnweg In september 2020 is er een verkeerstelling gehouden op de Rijnweg. Op een gemiddelde werkdag zijn er op de Rijnweg 700 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) geteld. Circa 70 0Zo hiervan is doorgaand ten opzichte van het gedeelte Rijnweg tussen de Haagweg en Molenweg. Van het doorgaande verkeer gaat circa 2/3 rechtdoor op de Rijnweg en 1/3 slaat links of rechtsaf (Inschatting op basis van visuele telling in avondspits) op het kruispunt met de Molenweg. De nieuwe woningen Watergat genereren circa 870 mvt/etmaal en worden ontsloten via een uitrit op de Rijnweg tegenover het tankstation. In een bijeenkomst met de klankbordgroep zijn twee mogelijke varianten besproken voor de ontsluiting van bouwlocatie Watergat. De voorkeur van de bewoners en de gemeente gaat uit naar Variant 2. Beide varianten zijn echter onderzocht. » «

Variant 1 gaat uit van de huidige verkeerscirculatie op de Rijnweg; Variant 2 gaat uit van een afsluiting van de Rijnweg voor autoverkeer (knip) tussen het tankstation en de Jan van Polanenstraat.

variant

Variant 2

Ontsluitingsvarianten Watergat Op basis van selcted zone met het verkeersmodel is de relatie van de nieuwe woningen van Watergat

43

met Monster centrum voor autoverkeer circa 80 mvt/etm ofwel een extra toename van het autoverkeer van 40 auto's over Rijnweg (tegenrichting via Haagweg). De overige verplaatsingen van en naar Watergat zullen via de Haagweg verlopen. Door de knip voor autoverkeer in de Rijnweg ter hoogte van het tankstation is het alleen mogelijk om dit gedeelte van de Rijnweg via de Jan van Polanenstraat te bereiken. De Rijnweg wordt daarmee voornamelijk gebruikt door de bewoners van de Rijnweg en enkele bewoners van de Jan van Polanenstraat. De verkeersintensiteit zal daardoor op een gemiddelde werkdag afnemen met circa 500 mvt/etm. Voor de smalle Rijnweg met eenrichting verkeer wordt landelijk een bovengrens aangehouden van 2.000 a 2.500 mvt/etm. Gelet op voorgaande analyse voldoen beide varianten aan de uitgangspunten van een duurzaam veilig gebruik van een woonstraat.

3.6

Geluid

3.6.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 3.6.2

Onderzoek

Door Goudappel is een onderzoek uitgevoerd naar geluid (zie bijlage). Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 130 nieuwe woningen. Deze woningen worden (deels) gerealiseerd binnen de geluidszone van de Haagweg. In beginsel mag de geluidsbelasting van een geluidsbron (een weg) niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien de toekomstige geluidsbelasting op de gevels van de nieuwe woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dient de toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden overwogen. Wanneer geluidsreducerende maatregelen niet inpasbaar zijn, bijvoorbeeld vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële bezwaren, is ontheffing voor een hogere waarde mogelijk. Voor binnenstedelijke situaties geldt in voorliggende situatie een maximale ontheffingswaarde van 63 dB . De nieuwe woningen zijn tevens geprojecteerd binnen het invloedsgebied van enkele 30 km/h-wegen. Dergelijke wegen zijn niet gezoneerd en behoeven daarmee geen formele toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidssituatie ten gevolge van deze wegen echter wel in beeld gebracht. In dit kader zijn de Rijnweg en de Molenweg/Molenslag in het onderzoek betrokken. De nieuwe woningen worden ontsloten door een nieuw aan te leggen 30 km/h-weg, parallel aan de Rijnweg.

De in gezoneerde situaties geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB is voor de 30 km/h-wegen als richtwaarde gehanteerd. Geluidsbelasting t.g.v. Haagweg Uit de resultaten valt op te maken dat bij diverse waarneempunten sprake is van een geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De betreffende locaties met een geluidsbelasting die hoger is dan 48 dB ten gevolge van het verkeer op de Haagweg zijn weergegeven in onderstaand figuur. De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt 52 dB. Deze geluidsbelasting is berekend op de zuidoostzijde van het rechter wooncomplex. Daarmee is de geluidsbelasting niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB die van toepassing is bij gezoneerde wegen.

44

Geluidsbelasting t.g.v. Molenweg-Molenslag Ten gevolge van het verkeer op de Molenweg-Molenslag zijn geen geluidsbelastingen hoger dan 48 dB berekend. Daarmee is sprake van een acceptabele geluidssituatie. De toepassing van geluidsreducerende maatregelen is daarmee niet nodig. Geluidsbelasting t.g.v. Rijnweg Ten gevolge van het verkeer op de Rijnweg zijn geen geluidsbelastingen hoger dan 48 dB berekend. Daarmee is sprake van een acceptabele geluidssituatie. De toepassing van geluidsreducerende maatregelen is daarmee niet nodig. Geluidsbelasting t.g.v. de nieuwe weg Uit de resultaten valt op te maken dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de nieuwe weg in het plangebied ten hoogste 48 dB bedraagt. Daarmee wordt de richtwaarde voor 30 km/h-wegen van 48 dB niet overschreden. Daarmee is sprake van een acceptabele geluidssituatie. De toepassing van geluidsreducerende maatregelen is daarmee niet nodig. Geluidsbelasting t.g.v nieuwe weg op bestaande woningen De nieuwe weg in het plangebied is van invloed op de geluidsbelasting op de woningen langs de Rijnweg. Voor een aantal maatgevende locaties is de geluidsbelasting op de gevel van deze reeds aanwezige woningen berekend. Onderstaande tabel geeft de resultaten weer.

45

Waameemhoogte Cm3

Geluidsbelasting (dB)

1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 1,5 Geluidsbelasting t.g.v. nieuwe weg - incl. correctie art. 110g Wgh.

41 42 42 41 43 43 41 43 43 42 43 43 42 43 43 41 43 43 41 43 43 39 40 40 40 34

Waarneempunt

Adres

901-A 9Ü1B 9Ö1C 902-A 9Ö2B 9Q2C 903-A 903-6 903-C 904-A 904-6 904-C 905-A 905-6 905-C 906-A 906-6 906-C 907-A 907-6 907-C 908-A 908-6 908-C 909-A 910-A

Rijnweg 301 Rijnweg 301 Rijnweg 301 Rijn weg 311 Rijn weg 311 Rijn weg 311 Rijnweg 321 Rijnweg 321 Rijnweg 321 Rijnweg 327 Rijnweg 327 Rijnweg 327 Rijnweg 335 Rijnweg 335 Rijnweg 335 Rijnweg 343 Rijnweg 343 Rijnweg 343 Rijnweg 353 Rijnweg 353 Rijnweg 353 Jan van Polanenstraat 52 Jan van Polanenstraat 52 Jan van Polanenstraat 52 Rijnweg 340 Rijnweg 340

Uit de tabel valt op te maken dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de nieuwe weg in het plangebied ruim onder de richtwaarde van 48 dB ligt. Daarmee is sprake van een acceptabele geluidssituatie. Indirecte planeffecten Ruimtelijke plannen kunnen gevolgen hebben op de geluidssituatie langs wegen in de omgeving. Wanneer als gevolg van een ontwikkeling de geluidsbelasting langs wegen in de omgeving met 2 dB of meer toeneemt, is sprake van zogenoemde 'gevolgen elders'. Van dergelijke indirecte planeffecten is sprake wanneer de verkeersintensiteit met circa 40Zo toeneemt. Een geluidstoename van 1 dB is niet waarneembaar voor het menselijk oor en wordt daarmee als niet significant beschouwd. Toenames van 40Zo of meer van het aantal verkeersbewegingen worden in voorliggende situatie niet verwacht. De verkeersgeneratie van de nieuw woningen bedraagt circa 800 mvt/etm. De nieuwe woningen worden via het noordoostelijk deel van de Rijnweg ontsloten op de Haagweg. Op de Haagweg ligt de verkeersintensiteit in de orde van grootte van circa 8.000 mvt/etm. Daarmee is geen sprake van toenames van 400Zo of meer. Er is dan ook geen sprake van 'gevolgen elders'. De geluidsbelasting neemt niet significant toe als gevolg van het extra verkeer op de Haagweg. De verkeersintensiteit op het noordoostelijk deel van de Rijnweg (30 km/h) neemt toe als gevolg van het extra verkeer.

Nabij dit wegdeel is één woning gesitueerd (met adres Rijnweg 340). Uit een berekening met het geluidsmodel blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Rijnweg (inclusief planontwikkeling) ruim onder de 48 dB ligt. Daarmee is sprake van een acceptabele geluidssituatie voor de betreffende woning. Geluidsreducerende maatregelen Ten gevolge van de Haagweg wordt voor een deel van het plangebied de voorkeursgrenswaarde overschreden. Hierna is inzicht gegeven in de mogelijke geluidsreducerende maatregelen en de toepasbaarheid daarvan.

46

Bronmaatregelen Door het toepassen van geluidsreducerend asfalt kan de geluidsbelasting worden beperkt met circa 3 dB. Dit met uitzondering van kruispunten en rotondes waarvoor geluidsreducerend asfalt veelal onvoldoende slijtvast is. De Haagweg ter hoogte van de aansluiting van het plangebied wordt naar de toekomst toe mogelijk nog opnieuw ingericht waarbij de toepassing van geluidsreducerende maatregelen nader wordt bekeken. In voorliggende situatie wordt daarom nog geen rekening gehouden met het toepassen van geluidsreducerend asfalt. Een andere mogelijkheid is het verlagen van de rijsnelheid door het verplaatsen van de komgrens aan de oostzijde van het plangebied. Een dergelijke aanpassing heeft echter onvoldoende effect om binnen het plangebied aan de grenswaarden te voldoen. Overdrachtsm aatregelen Een andere mogelijkheid om de geluidsbelasting te beperken is het toepassen van geluidsschermen of geluidswallen. Voor een dergelijke stedelijke situatie is het toepassen van geluidsafscherming in beginsel niet wenselijk. Daarnaast zijn afschermende maatregelen lastig inpasbaar in verband met de aansluiting van het plangebied. Ontheffing voor hogere grenswaarden Wanneer geen geluidsreducerende maatregelen worden toegepast, dient ontheffing voor een hogere waarde te worden verleend. In het plangebied wordt de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet overschreden.

Op basis van de resultaten uit de tabel bijlage 2 behorende bij onderzoek geluid en luchtkwaliteit kan voor de uiteindelijke invulling van de bouwblokken worden bepaald welke hogere waarden benodigd zijn. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 52 dB. In geval van ontheffing stelt het Bouwbesluit eisen aan de maximale binnenwaarde. Deze mag in beginsel niet hoger zijn dan 33 dB. Hiervoor dient het benodigde geluidsisolerend vermogen van de gevel te worden bepaald. De te verlenen hogere waarde, zonder correctie volgens artikel 110g Wet geluidhinder, is hiervoor maatgevend. In de praktijk wordt hiervoor vaak de gecumuleerde geluidsbelasting gehanteerd. De gecumuleerde geluidsbelasting (van alle wegen gezamenlijk, inclusief 30 km/h-wegen) is tevens opgenomen in de tabel. De hoogst berekende gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 57 dB. Om voor de betreffende gevel te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB dient het geluidsisolerend vermogen van de gevel dus 24 dB te bedragen. Bij de realisatie van de nieuwe woningen dient in geval van ontheffing rekening gehouden te worden met deze eisen. 3.6.3

Conclusie

Er is een hogere waarde(n) besluit genomen voor 10 nieuw te bouwen woningen vanwege wegverkeerslawaai. Gelet op bovenstaande levert het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

3.7

Luchtkwaliteit

3.7.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

47

stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)1)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m3

jaargemiddelde concentratie

40 ìgAr|3

jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

48 ìgAr|3 40 ìgAr|3

24-uurgemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/im max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/im

2010 t/m 2014 vanaf 2015 vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: * * *

« *

de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: *

een project heeft een effect van minder dan 10 van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; * een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.7.2

Onderzoek

Door Goudappel is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit (zie bijlage). In voorliggende situatie gaat het om de realisatie van circa 130 woningen. Berekend is dat de planbijdrage maximaal (afgerond) 800 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Met behulp van de NIBM-Rekentool is berekend dat een dergelijke bijdrage niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een impressie van de uitkomst is weergegeven in onderstaand figuur.

48

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemddelde)

800

Aandeel vrachtverkeer

ū.0%

Ntį in pg/m?

0,55

PMia in pg/nf

0,13

Mas male bijdrage extra verkeer

Oens voor "Niet In Betekenende Mate" in uq/nr

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Impressie van de uitkomsten van NIBM-Rekentool 3.7.3

Conclusie

Omdat het plan niet in berekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is in voorliggende situatie geen nader onderzoek noodzakelijk naar de luchtkwaliteitssituatie.

3.8

Externe veiligheid

3.8.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. 3.8.2

Onderzoek

Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van

49

gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan.

De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen Bevi inrichtingen aanwezig zijn. Binnen het plangebied wordt geen vestiging van nieuwe bedrijven die onder het Bevi vallen mogelijk gemaakt. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet.

In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling).

Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere

50

verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van transportroutes van gevaarlijke stoffen over wegen. De aanwezigheid van transportroutes van gevaarlijke stoffen over wegen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar.

Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 10Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Z toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

Ongeveer 400 meter ten oosten van het plangebied ligt de hogedruk aardgastransportleiding A-617. Deze leiding heeft een uitwendige diameter van 12,2 inch en een maximale werkdruk van 79,9 bar. De PR 10-6 risicocontour ligt op de buisleiding. Het invloedsgebied van de leiding bedraagt 180 meter. Aangezien het plangebied buiten de PR 10-6 risicocontour en het invloedsgebied ligt, staat deze hogedruk aardgasleiding de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

51

^

stianŭse-ľMont Wouters

í

Molenwijk

' La^o 200m

Uitsnede risicokaart Explosieven In de gehele strook langs de Nederlandse kust is er in de Tweede Wereldoorlog veel gebombardeerd. Ook zijn er vliegtuigen met niet afgeworpen bommen neergestort en waren er munitieopslagen van de bezetter aanwezig. Vooral bij werkzaamheden in sinds 1945 niet geroerde grond spelen deze risico's. Primair gaat het om risico's die behoren tot het domein van arbeidsveiligheid maar, gezien de afstand van het plan tot dichtbij gelegen bebouwing, zijn er ook risico's voor derden. Heien nabij een achtergebleven explosief kan op een afstand van 50 meter nog tot detonatie leiden. Het is naast een arbeidsveiligheidsprobleem dus ook een issue ten aanzien van openbare orde en veiligheid. In de gemeente Westland worden op verschillende plaatsen munitie en explosieven gevonden uit de WOII. Er is een gemeentelijke kaart opgesteld met mogelijk verdachte locaties en vindplaatsen van explosieven. Ter plaatse van eventuele vindplaatsen is in het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone-munitie' opgenomen. Binnen deze gebiedsaanduiding is het niet toegestaan werkzaamheden uit te voeren of werken aan te leggen, tenzij uit nader onderzoek blijkt dat dit verantwoord is. De locatie is getoetst aan de in 2014 opgestelde explosievenkaart (C.E. Bodembelastingkaart) van de gemeente Westland.

Uit de kaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen locaties zijn die verdacht zijn van aanwezigheid van conventionele explosieven.

52

Uitsnede Explosievenkaart Westland 3.8.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

3.9 Water 3.9.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. * Nationaal waterplan Provinciaal: * * *

Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.

Nationaal beleid

53

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: * Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; * Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; » Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; « Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; * Nederlanders leven waterbewust.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: « de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving.

Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; » tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.

De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht.

54

De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt.

De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021.

Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * * * *

de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater.

Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.

2.

In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer

55

3.

4.

vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren.

Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.

In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: * Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; * Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen.

Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * Beleidskader omtrent water; * Veiligheid en waterkeringen; * Waterkwantiteit; * Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; « Onderhoud en bagger; * Watersysteemkwaliteit en ecologie; * Afvalwater en riolering; * Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland, met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd.

Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de

56

wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER

3'februari 2 3.9.2

Onderzoek

Voor het bestemmingsplan is door Waterfeit Adviseurs een waterhuishoudkundig plan opgesteld (zie bijlage). De belangrijkste aspecten zijn hieronder samengevat: Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. In het plangebied komen 'geen' waterkeringen voor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=6c197759-e826-43cc-a23e-3c6f8e083894