CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting

Gemeenteraad 19 april 2022, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Galgeweg 3 te Naaldwijk19.718 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar.

Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor

25

zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. De risicovolle inrichtingen betreffen De Carlton (tuincentrum) aan de Naaldwijkseweg 257 te 's-Gravenzande en het LPG tankstatuin Texaco aan de Naaldwijkseweg 255a te 's-Gravenzande. De Carlton Tuincentrum (opslag vuurwerk) is gelegen op 125 meter van de toekomstige bestemming "Wonen". De veiligheidsafstanden die bij deze inrichting gelden liggen alleen binnen het terrein van de inrichting. Er is daarom geen invloed op het plangebied. Het LPG-tankstation Texaco is gelegen op circa 225 meter van de toekomstige bestemming "Wonen". Voor een LPG-tankstation wordt het extern veiligheidsrisico bepaald door ongevallenscenario's van de tank en de tankauto tijdens de bevoorrading. Andere ongevalsscenario's, zoals het falen van de vloeistofleiding, leveren een te verwaarlozen bijdrage aan het risico. Het invloedsgebied van het tankstation bedraagt conform de Regeling externe veiligheid inrichtingen circa 150 meter. Het plangebied is gelegen buiten dit invloedsgebied. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden.

De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012.

Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht

26

of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Het plangebied is gelegen aan de provinciale weg N467. Deze provinciale weg kent geen vervoer van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van de aanlevering van LPG aan het LPG vulpunt ter plaatse van het LPG-tankstation aan de Naaldwijkseweg 255a. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 1Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

Op circa 300 meter (toekomstige bestemming "Wonen") afstand loopt ten oosten van het plangebied een buisleiding. Gezien de afstand vormt dit geen belemmering voor de planontwikkeling. Mogelijkheden bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Het plangebied is gelegen aan de provinciale weg N467. Deze provinciale weg kent geen vervoer van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van de aanlevering van LPG aan het LPG vulpunt ter plaatse van het LPG-tankstation aan de Naaldwijkseweg 255a. Voor de provinciale wegen binnen de gemeente Westland is het plaatsgebonden risicocontour (PR) 10-6 niet gelegen buiten de wegen. Op basis van de vuistregels in de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is af te leiden dat het groepsrisico van de weg ruim onder de 10Z van de oriëntatiewaarde blijft. Voor het groepsrisico kan worden volstaan met een beperkte verantwoording waarin aandacht wordt besteed aan zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid en bereikbaarheid hulpdiensten.

Voor gelegenheden met een maatschappelijke bestemming geldt in het kader van het groepsrisico dat de volgende maatregelen ter boring van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid en bereikbaarheid huldiensten genomen dienen te worden: - Mechanische ventilatie die bij calamiteiten uitgeschakeld kan worden - Voldoende vluchtwegen - Bij evenementen waarbij groepen mensen die beperkt en niet zelfredzaam zijn, moet voldoende personeel aanwezig en voorbereid zijn om deze bezoekers in veiligheid te kunnen brengen De toekomstige bestemming wonen is eveneens gelegen binnen het effectgebied van de provinciale weg. Indien een calamiteit optreedt ter plaatse kan de woning worden ontvlucht door gebruik te maken van de ter plaatse aanwezige boot. Indien deze boot niet gebruikt kan worden, kan in noordelijke richting via de

27

aanwezige bruggen over de watergangen in noordelijke richting achter de kas langs richting de Opstalweg of in zuidelijke richting via het aanwezige groen richting de Galgeweg gevlucht worden. Naast de ontsluiting via de N467 kan indien noodzakelijk bij calamiteiten gebruik gemaakt worden van de private weg in de richting van de Opstalweg. Voor hulpdiensten is de locatie op deze manier eveneens bereikbaar. Explosieven Het mogelijk voorkomen van explosieven in de ondergrond houdt over het algemeen in Nederland verband met oorlogshandelingen gedurende de Tweede Wereldoorlog (WOII). Voorbeelden hiervan zijn bombardementen (zowel van de bezetter als geallieerde zijde), gevechten (meidagen 1940, bevrijding 1944-1945), verdedigingswerken (mijnenvelden) en dumpingen (zoals achtergelaten munitie bij overgave of terugtrekking). Aangezien eventueel aanwezige niet gesprongen explosieven een risico vormen voor de uit te voeren werkzaamheden, is het van beland dat de kans op het aantreffen van explosieven in het onderzoeksgebied onderzocht wordt. In de gemeente Westland worden op verschillende plaatsen munitie en explosieven gevonden uit de WOII. In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe moet worden omgegaan met dieptewerkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten.

De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. Voor de eventuele aanwezigheid van ondergrondse conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog is op basis van de gemeentelijke explosievenkaart bureau onderzoek gedaan.

Legenda İ Onderzoeksgebied

ţļf Vercacht op vernielingsladingen

Vrij van alle CE, tot bekende diepte —rj Vrij van alle CE, tot onbekende diepte şvĵnĴ Vrij van onbekende CE, tot onbekende diepte

įįįįįįļ Verdacht op afwerpmunitie

Vercacht op KKM en hand- en geweergranaten ļXXXļ Vercacht op alle hoofdsoorten CE behalve afwerpmunitie en onderwatermunitie Vercacht op geschutmunitie, KKM en hand-en geweergranaten Vercacht op geschutmunitie, KKM, hand- en geweergranaten en afwerpmunitie

Verdacht op V-wapens

Vercacht op munitie voor granaatwerpers

Verdacht op landmijnen

Aanvullend onderzoek noodzakelijk Bron ondergrond: Bro non: Esn Nedeľand, Esrì, Kadaster, CBS, Min VROM, Rqkswatersţaat en gemeenten: Rotterdam, Breda, Tilburg

Figuur 10: uitsnede CE boderbelastingkaart(plangebiedrood omkaderd)

Uit de Notitie vooronderzoek explosieven blijkt dat de tankgracht (in bovenstaande figuur rood gearceerd aangegeven, verdacht op alle hoofdsoorten CE behalve afwerpmunitie en onderwatermunitie) grenst aan het plangebied en is gelegen ter plaatse van de naastgelegen watergang. Door T&A Survey is in 2010 detectieonderzoek verricht ter plaatse van de voormalige tankgracht in het kader van het project "Het Nieuwe Water". Uit dit onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de voormalige tankgracht aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van concentraties van metalen die kunnen duiden op gedumpte munitie. De geplande grondroerende dieptewerkzaamheden vinden niet ter plaatse van de watergang. Wel zullen er werkzaamheden aan de oevers plaatsvinden ten behoeve van de aanleg van natte ecologische zones en natuurvriendelijke oevers. Voor de aanleg van de natte ecologische zones danwel de natuurvriendelijke oevers zal een nader onderzoek vereist zijn. Ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden,

28

als bedoeld in artikel 4.4, is een nader onderzoek nodig, waaruit blijkt dat zich ter plaatse van de oevers geen explosieven bevinden danwel dat deze uit de betreffende gronden zijn verwijderd. 3.5.3 Conclusie

Uit het vorenstaande volgt dat externe veiligheid en explosieven geen belemmeringen vormen voor deze ontwikkeling.

3.6 Water 3.6.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. * Nationaal waterplan Provinciaal: * Provinciaal Waterplan; * Visie Ruimte en Mobiliteit; * Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Regionaal: *

Deelstroomgebiedsvisie Zuid-Holland Zuid.

Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: * * * » «

Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het

29

verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: « de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; » tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.

De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen.

Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.

Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.

30

Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor 'droge voeten', 'stevige dijken' en 'schoon water' zijn meerjarenprogramma's opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. In het boezemgebied van de gemeente Westland stijgen de waterpeilen bij hevige neerslag door de combinatie van een sterk verhard gebied en veel smalle watergangen relatief snel. Met de verwachte effecten van klimaatverandering neemt de kwetsbaarheid van het kapitaalintensief bebouwd glastuingebied voor wateroverlast naar de lange termijn nog verder toe.

De gemeente en het Hoogheemraadschap Delfland willen daarom in het kader van het waterplan Westland Waterproof gezamenlijk de klimaatbestendigheid en de robuustheid van het boezemgebied binnen de gemeente, gebruikmakend van de ruimtelijke kansen die zich voordoen, vergroten. De gemeente en het Hoogheemraadschap Delfland hebben samen een gebiedsproces voor mogelijke waterbergingen in het Westland doorlopen. In het onderhavige plangebied biedt zich de mogelijkheid aan om een waterberging te realiseren. Door de ligging aan de Poelwatering is het plangebied uitermate geschikt als waterberging. Bovendien is er sprake van dubbelruimtegebruik doordat deze gronden als park worden ingericht en voor het publiek toegankelijk zijn. In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. De handreiking is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming.

Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem.

WESTLAND

IzÊĚÊÊr* L*

T

. lik I

ļT{ r ; '

Uit: Boezemvísie

Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: "Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente

31

haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER

WATE 3'februari 2

3.6.2

Onderzoek

Locatieb eschrijving Het plangebied ligt ten oosten van de Poelwatering en ten noorden van de Galgeweg; dit gebied is onderdeel van het zogenaamde boezemland en heeft een heersend waterpeil van NAP -0,43 m. In de huidige situatie is het gebied bestemd als glastuinbouw. Het huidig gebruik is als weiland, met twee kleinere kassen voor de stalling van vee en opslag. Langs de noordrand van het perceel is het terrein 2,5 meter opgehoogd ten opzichte van de rest van het weiland. Ook zijn er in het weiland twee hoogtes aangelegd van 1,50 meter. In het weiland is ook een omheinde eendenvijver aanwezig. Het gebied heeft enkele watergangen die direct verbonden zijn met de boezem, zonder waterstaatskundige werken. Aan de overzijde van de boezem ligt een natuurvriendelijke oever (natte ecologische zone). De ruimtelijke ontwikkeling is het realiseren van een waterberging, ten behoeve van het verhogen van de capaciteit van het boezemsysteem bij piekbuien en ruimte voor KRW-ontwikkeling (Kaderrichtlijn Water) door middel van natuurvriendelijke inrichting van de oevers langs de Poelwatering. Ook vindt er een legalisering plaats van het huidig gebruik buiten de waterberging.

32

Den Haaj

Poel «ii | k

Momlri

Wal ei

llon»*l

(ilIV n/ and' Naald

dlork van 'll oil and

AWWW

Tu\\\\V

Mil ..

1 /.

T\\\

-1

_____ Inrichtingsplan van hetbergingsgebied Het gebied wordt omgevormd tot bergingsgebied. Een bergingsgebied is krachtens de Wet ruimtelijke ordening een voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied. Het is geen oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, maar dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen. Het bergingsgebied wordt opgenomen in de Legger van Delfland.

33

Figuur 11: Locatie waterberging. Het lichtblauwe vlak is de ruimte waar de waterberging wordt ingericht

Inrichting waterberging met ecologie (KRW) Er komt een waterberging op boezempeil met ecologie in het gebied. De locatie wordt dan op boezempeil gehouden en ecologisch ingericht met natuurvriendelijke oevers en/of vispaaiplaatsen (natte ecologische zones). Daarmee levert het gebied als stepping-stone langs de Poelwatering een bijdrage aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). Tevens kan er op boezempeil ca. 8.000 m3 water worden geborgen doordat het gebied meeloopt met de natuurlijke peilstijging bij hevige neerslag. Voorkomen wateroverlast De ruimtelijke ontwikkeling is het realiseren van een waterberging van ca. 8.000m3, ten behoeve van het verhogen van de capaciteit van het boezemsysteem bij piekbuien. Buiten de incidentele hoogwatersituatie is de waterberging te gebruiken als recreatiegebied. De exacte inrichting staat nog niet vast. Door middel van een omgevingstraject wordt een schetsontwerp gemaakt die past binnen de gewenste bergingscapaciteit. Gezien de nieuwe functie van het gebied is deze ruimtelijke ontwikkeling een positieve ontwikkeling voor het voorkomen van wateroverlast in het Westland. Het kleine gedeelte van het perceel dat mogelijk wordt verhard ten behoeve van parkeergelegenheid wordt ruimschoots gecompenseerd. Doorgaande watergangen naast het plangebied blijven behouden.

In het bergingsgebied zal een nieuwe waterstructuur worden ontworpen en ingericht, die past bij de toekomstige functies, waarbij rekening wordt gehouden met doorstroming en circulatie van het water ten behoeve van de aan- en afvoer en waterkwaliteit. Waterkwaliteit en ecologie In de huidige situatie heeft het gebied een lage ecologische kwaliteit. Er zijn wel nestpalen voor ooievaars aanwezig. De waterkwaliteit is matig. De Poelwatering is onderdeel van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Aan de overzijde van de Poelwatering zijn al natuurvriendelijke oevers aangelegd. In 2018 is een eco-effectscan uitgevoerd. Uit deze scan blijkt de locatie in huidige staat een potentiele broedlocatie voor ooievaar, gierzwaluw en huismuis. Voor andere beschermde dier- en plantensoorten is de locatie ongeschikt. De gronden binnen de te ontwikkelen waterberging krijgen de bestemming Recreatie. In de ontwerpfase wordt gekeken naar ruimte voor water en ecologie in combinatie met recreatie. In het oorspronkelijke bergingsontwerp ligt de nadruk op waterberging en recreatie, waarbij het alternatieve KRW-ontwerp het accent verschuift naar waterrijke ecologie en recreatie. De gronden binnen de te ontwikkelen waterberging krijgen de bestemming Groen. In de ontwerpfase van het gebied zal worden gekeken naar ruimte voor waterkwaliteit en ecologie, maar de recreatieve functie heeft hier de boventoon.

De gronden die als "Natuur" worden bestemd, worden ontwikkeld als een natte

34

ecologische zone en/of natuurvriendelijke oevers voor de Kaderrichtlijn Water. Deze gronden hebben een oppervlakte van ca. 4.700 m2 en sluiten aan op de natuurvriendelijke oever aan de overzijde. Voor de voeding en circulatie in het gebied wordt een inlaatvoorziening gemaakt. Het gebied wordt verder ook natuurlijk gevoed door regenwater dat op het gebied valt. De verwachting is dat de natuurvriendelijke oevers en natte ecologische zone een positieve meerwaarde geeft aan de KRW-doelstellingen van de Poelwatering.

'h.: '♦ļw

'Wwfjŗ

Grondwater en zoet water De onderbemaling zorgt voor een kleine polder binnen het hoger gelegen boezemland. De invloed van het plan op het grondwater is onderzocht door het Hoogheemraadschap. In de huidige situatie is er op de locatie een lichte kwel tot gemiddeld maximaal 0,1 mm/dag. Bij het verlagen van het peil met ca. 1 meter kan de kwel flink toenemen. De onderbemaling van de waterberging tot NAP -1,50 m kan alleen worden ingesteld als er maatregelen worden genomen om de bodem af te dichten, bijvoorbeeld door toepassen van een folie of kleilaag. Om de waterberging is een ringsloot gepland op boezempeil (-0,43m NAP) om het effect op de grondwaterspiegel voor de omliggende bebouwing te minimaliseren. Onderhoud en baggeren Het watersysteem in de waterberging valt onder het secundair watersysteem. Vooralsnog wordt ervan uit gegaan dat het dagelijks beheer en onderhoud van het bergingsgebied zal worden verzorgd door de gemeente Westland als eigenaar van het recreatiegebied. Bij de inrichting van het gebied wordt rekening gehouden met voldoende ruimte voor de onderhoudsstrook. De onderhoudsstrook voor rijdend onderhoud langs een watergang heeft een minimale breedte van 4 meter. Indien varend onderhoud wordt toegepast, dient de watergang minimaal 3,5 meter breed en een minimale diepte 1 meter te zijn.

Obstakels zijn niet gewenst en dienen een minimale doorvaarbare hoogte te hebben van 1 meter. De onderhoudsstrook naast de watergang kan dan versmald worden naar 1 meter. De inlaatconstructie wordt ontworpen op basis van de ontwerprichtlijn van Delfland en wordt door middel van een toegangsweg bereikbaar voor onderhoudswerkzaamheden vanaf de openbare weg. De toevoersloot vanaf de Poelwatering naar de inlaatconstructie wordt een primaire watergang, daarmee krijgt Delfland de onderhoudsplicht voor deze sloot. Het beheer en onderhoud van de natuurvriendelijke oevers in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) wordt verantwoordelijkheid van Delfland. Waterkeringen In het gebied zijn in de huidige situatie geen waterkeringen aanwezig. Door de aanleg van de waterberging ontstaat er in het oorspronkelijke plan een onderbemaling. Gezien het peil in de berging niet boven het boezempeil van -0,43m komt, wordt de kering geclassificeerd als peilscheiding. De hoogte van de peilscheiding dient 10 cm boven de maximale peilstijging te zijn. Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat de gemeente het dagelijks en bijzonder onderhoud verzorgt als eigenaar van het gebied. In geval van de alternatieve KRW-inrichting zal er een open verbinding gemaakt worden met de boezem en zijn er geen keringen van toepassing.

Afvalwater en riolering In de huidige situatie komt de regenwaterafvoer van de bestaande kassen in het watersysteem terecht. Ook is er een rioolaansluiting in een van de kassen aanwezig.

35

Door de ruimtelijke ontwikkeling worden de kassen verwijderd, waarmee ook de regenwaterafvoer en riolering aansluiting zal verdwijnen. 3.6.3

Conclusie

Deze ruimtelijke ontwikkeling levert een positieve bijdrage aan het watersysteem.

3.7

Bodem

3.7.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2

Onderzoek

De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd: *

Verkennend bodemonderzoek Galgeweg 3 Naaldwijk' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol, met kenmerk A4297 van 11 juli 2019);

*

Nader bodemonderzoek Galgeweg 3 Naaldwijk* f (opgesteld door Ingenieursbureau Mol, met kenmerk A5346 van 18 november 2019).

De ondergrond is plaatselijk matig verontreinigd met minerale olie. Op de locatie zijn geen verontreinigingen met minerale olie verhoogd ten opzichte van de interventiewaarden aangetroffen, er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aangezien er geen sterke verontreinigingen zijn aangetroffen, zijn er geen vervolgstappen noodzakelijk. 3.7.3

Conclusie

Door de bodemonderzoeken voldoende inzicht is verkregen in de bodemkwaliteit. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik.

36

3.8

Ecologie

3.8.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.

De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: « * *

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.

37

A Verbodsbepaling

Vogels Vrl

B

C

Dieren HrV Planten Hrl/ Bonn/Bern

BonrVBem

O

E

Dieren

Planten

(nationaal) ('nationaal')

Dieren of planten: Doden of vangen

[\

Sloren/verstoren

31.1

351

3.1.4 (tenzij

3.5.2

310 1 a

31.5) Plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen

3.5.5

3.10.1.c

of vermelen Onder zich hebben of vervoeren Plaatsen: Vermelen, beschadigen of wegnemen nesten

3.1.2

Beschadigen of vernielen

3.10.1 b

voortpiantingspl33tsen

(vaste vp)

Beschadigen of vernielen rustplaatsen

315

3.10.1.b (vaste rp)

Eieren: Vermelen (of -Vrt- beschadigen)

3.1.2

35 3

-'' I 353

Rapen Onder zich hebben Toehchbnç *

Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming

»

Oranje

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet

Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de WjjJļ

Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.

Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2

Onderzoek

Op 20 november 2018 heeft Aqua-Terra Noa BV een eco-effectscan (zie Bijlage 10) uitgebracht met als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland in de Wet ruimtelijke ordening. Aan de hand van een veldbezoek, verspreidingsatlassen, overige naslagwerken en lokale waarnemingen wordt een lijst samengesteld van artikel 3.1,3.5 en 3.10 soorten welke in en in de nabije omgeving van het plangebied zijn waargenomen of potentieel aanwezig zijn. Het plangebied is bezocht in de middag van 6 november 2018. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek zijn droog, 1/8 bewolkt met een temperatuur van 18X, windkracht 4 Bft uit het westen. Tijdens de inventarisatie worden aanwezige natuurwaarden in het plangebied beschreven. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing.

38

3.8.2.1 Resultaten Vaatplanten Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als het intensieve gebruik van de weides door koeien en paarden en het onderhoud worden beschermde vaatplanten niet verwacht. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Vogels Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd. In het plangebied worden broedende vogels verwacht, zowel algemene als jaarrond beschermde broedende vogels en soorten uit categorie 5. Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Op basis van verspreidingsgegevens(11) is gebleken dat in de omgeving van Naaldwijk de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen. De kas waar houten gevels en daken met dakpannen tegen de glazen kasgevel zijn geplaatst zitten open ruimtes in de nok en tussen de dakpannen waar huismussen en gierzwaluwen kunnen verblijven. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gierzwaluwen en huismussen kan niet worden uitgesloten.

Het plangebied is ongeschikt voor rust- en/of verblijfplaatsen van roofvogels/uilen (categorie 1-4) omdat de ligging van het gebied te stedelijk is. In de bomen op het plangebied zijn geen nesten aangetroffen. Geschikte verblijfplaatsen van roofvogels/uilen (categorie 1-4) zijn niet in het plangebied aangetroffen. In het plangebied kan de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van roofvogels/uilen worden uitgesloten. In het plangebied staan paalnesten voor ooievaars. De ooievaar behoort tot categorie 2: een zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing. Tijdens het veldbezoek zat er één ooievaar op een paalnest. Deze staat tussen de kassen. Op één van de paalnesten in het weiland is nestmateriaal aanwezig. Vogels uit categorie 5 Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten: ekster, blauwe reiger, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dit geval wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied en als nestgelegenheid. In het groen binnen het plangebied nestelen naar verwachting kleine zangvogels als koolmees en pimpelmees. Echter is er in de omgeving voldoende alternatief en zijn er geen redenen om de nesten jaarrond te beschermen.

Wel zijn de vogels en hun nesten beschermd tijdens het broeden. Algemene (broed)vogels In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals winterkoning, houtduif, heggenmus, merel, kauw, meerkoet, knobbelzwaan en ganzensoorten. Het groen en de watergangen in het plangebied zijn geschikt als broedlocatie voor algemene vogels. Alle vogels zijn tijdens het broeden beschermd en mogen dan niet verstoord worden. Er wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen (grofweg van maart t/m juli) te werken. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole plaats te vinden. Grondgebonden zoogdieren Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen (strikt)

39

beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen. Het voorkomen van (strikt) beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor algemene zoogdiersoorten. Naar verwachting komen in het plangebied algemene zoogdiersoorten voor als de egel, bruine rat en muizensoorten. Voor algemene zoogdiersoorten is de zorgplicht van kracht. Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen vallen binnen de Wet natuurbescherming (behorende bij artikel 3.5, Habitatrichtlijn, bijlage IV). Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. De te slopen kassen zijn ongeschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De materialen van de kassen hebben geen isolerende waarde en zijn te glad voor vleermuizen om naar binnen te kruipen. De dubbelwandige kas bevat wel kieren en spleten, maar is tevens ongeschikt vanwege het gladde plaatmateriaal. De overige houten structuren en daken met dakpannen zijn ongeschikt omdat het boven de kas is geplaatst. De ruimte onder de pannen is niet geïsoleerd en biedt geen geschikte ruimte voor vaste verblijfplaatsen van vleermuizen.

Dit maakt de te slopen kassen en bijbehorende structuren ongeschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen kan worden uitgesloten. In het plangebied staat een tiental bomen. Deze bomen staan in de buurt van het woonhuis. In de bomen zijn geen geschikte holtes of spleten aanwezig die kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De aanwezigheid van vast rust- en/of verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen kan worden uitgesloten. Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren als vliegroute zoals watergangen en bomenrijen. Het plangebied bevat geschikte lijnvormige structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen, echter betreft het geen essentiële vliegroutes. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende structuren aanwezig waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De sloopwerkzaamheden van de kassen hebben geen negatief effect op eventuele aanwezige vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen. Voor de uitvoering van het plan kunnen de 2 percelen aan de overzijde van de Poelwatering van invloed zijn.

In beide percelen zijn een aantal bunkers aanwezig waar vleermuizen hun vaste verblijfplaats hebben. Lichtbronnen en geluid kunnen van invloed zijn, het mijden daarvan is erg belangrijk om verstoring te voorkomen. Veel van de werkzaamheden bevinden zich op grote afstand van deze bunkers. Voor wat betreft de aanleg van de natuurvriendelijke oevers zal rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de vleermuizen in de bunkers om verstoring te voorkomen. Amfibieën Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen (strikt) beschermde amfibieën voorkomen. Vanwege het feit dat alle sloten beschoeid zijn en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. In het plangebied is een ondiepe poel (onbeschoeid) gelegen ten westen van de schuur die in de toekomst als maatschappelijk gebouw zal dienen. Deze poel is geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad. Hiervoor is de zorgplicht van kracht. Reptielen Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen (strikt) beschermde reptielen voorkomen. Vanwege het feit dat alle sloten beschoeid zijn en de ligging in

40

stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten. Vissen Het water in het plangebied staat in verbinding met het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit landelijke verspreidingsgegevens(8) blijkt dat in de omgeving van Naaldwijk geen strikt beschermde vissoorten voorkomen. De aanwezigheid van strikt beschermde vissoorten kan worden uitgesloten. Voor algemene vissoorten is de zorgplicht van kracht (bijlage 1). Overige beschermde soorten Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied en directe omgeving voorzien voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Beschermde natuurgebieden Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bevindt zich op circa 1,5 km afstand ten zuidoosten/noorden van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen.

Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevinden zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora. De werkzaamheden in het plangebied hebben door de afstand en de omvang van de werkzaamheden geen effect op de Natura 2000-gebieden. Uit de Bijlage 11 blijkt dat het gebruik van de parkeerplaatsen t.b.v. het recreatiegebied geen depositieresultaten oplevert boven 0,00mo^ha^r. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Nader onderzoek voor de realisatie en het gebruik van het recreatiegebied wordt nog uitgevoerd. Dit onderzoek wordt als een voorwaardelijke verplichting aan de aanleg en het gebruik van het recreatiegebied gekoppeld. 3.8.3

Conclusie

Soortenb escherming Op grond van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: *

Het plangebied bevat bebouwing welke mogelijk geschikt is als vaste rust- en/ of verblijfplaatsen voor vogels met jaarrond beschermde nesten zoals de huismus, gierzwaluw en ooievaar. Negatieve effecten van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk en moet zijn uitgevoerd voordat sloopwerkzaamheden plaatsvinden; * Uitstraling van licht dient voorkomen te worden wanneer gewerkt wordt tussen zonsondergang en zonsopkomst om foeragerende en/of overvliegende vleermuizen niet te verstoren; * Tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels en algemeen voorkomende dieren; * De zorgplicht is te allen tijde van kracht; * Het optreden van negatieve effecten op de overige (strikt) beschermde soorten in het plangebied is uitges loten. Voordat de kas met houten gevels en daken met dakpannen tegen de glazen kasgevel wordt gesloopt, moet nader onderzoek zijn verricht naar vaste rust- en/of verblijfplaatsen en functie van het plangebied van huismussen, gierzwaluwen en ooievaars. Alle in Nederland broedende vogels zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, zal de aanwezigheid van vogelnesten voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd worden.

Indien vogelnesten aangetroffen worden, zullen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of zal een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden.

41

Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, Artikel 2 van de Floraen faunawet (Artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Gebiedsbescherming Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk.

3.9

Cultuurhistorische aspecten

3.9.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.

Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

42

3.9.2

Onderzoek

Op 23 januari 2019 heeft Archeologie Delft een archeologisch bureauonderzoek uitgebracht voor het bestemmingsplangebied, zie Bijlage 12. Voor de beoogde ontwikkeling worden onder andere twee bestaande opstallen gesloopt, waarbij de grond tot 1 m -mv verstoord zal worden. Deze opstallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 11.000 m2. Om de omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden goed, maar ook zinvol te laten verlopen, wordt in de gemeente Westland alleen archeologisch (voor)onderzoek vereist wanneer de aard van de bodemingrepen dusdanig is dat er daadwerkelijk schade aan het bodemarchief kan optreden. Het doel van dit bureauonderzoek is het verzamelen van alle bekende gegevens met betrekking tot de verstoringen, geologie, historische-geografie en archeologie in de omgeving van het plangebied. Aan de hand van deze gegevens kan een archeologische verwachting worden opgesteld. De wipmolen en de boerderij/schuur bevinden zich binnen de contouren van de opstallen die gesloopt gaan worden. Eventuele resten van deze bouwwerken kunnen dan ook bij de geplande werkzaamheden verstoord worden.

Op basis van de archeologische verwachting en de locatie van de geplande werkzaamheden wordt geadviseerd om de verwachting van de wipmolen en de boerderij/ schuur te toetsen en aan te vullen door middel van een karterend booronderzoek met als doel om het terrein systematisch te onderzoeken op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen en om de vindplaatsen globaal in kaart te brengen. Daarnaast doelt het karterend booronderzoek op het verkrijgen van meer informatie over de verwachte archeologische waarden in het plangebied. Deze informatie omvat de aanof afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.

Meters

Geplande sloop

Boorlocatie boerderij/schuur

Plangebieden

Boorlocatie wipmolen

Vrijgeven

figuur 12: afbeelding selectieadvies vervolgonderzoek

Er wordt geadviseerd om per locatie 3 boringen te zetten tot ten minste 1 meter in de natuurlijke bodem van het Laagpakket van Walcheren. Tevens wordt geadviseerd om per locatie één van der boringen tot ten minste 4 meter in de bodem te zetten, dit ter controle van de diepere ondergrond. In de rest van het plangebied, buiten de locaties van de wipmolen en de boerderij/schuur, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren. De uiteindelijke beslissing over eventueel vervolgonderzoek ligt bij het bevoegd gezag, in deze de gemeente Westland. 3.9.3

Conclusie

In het rapport en het selctiebesluit is opgenomen dat ter plaatse van de wipmolen en de boerderij/schuur nader archeologisch onderzoek dient plaats te vinden voorafgaande aan alle bodemverstorende werkzaamheden. De rest van het plangebied behoeft geen vervolgonderzoek.

43

Hoofdstuk 4

Juridische planbeschrijving

4.1

Planvorm

4.1.1

Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=b073fe40-dd99-4a1f-a841-75866deb1ee2