Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
HAAGWEG 39 TE MONSTER bestemmingsplan NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA01 vastgesteld
T oelichting
3
4
Inhoudsopgave
T oelichting Hoofdstuk 1
3 Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Geldend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Gebiedsvisie
9
2.1
Beleidskader
9
2.2
Ruimtelijk-functionele structuur
17
2.3
Gebiedsvisie
20
Hoofdstuk 3
Onderzoek
24
3.1
Stiltegebied
24
3.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
25
3.3
Bedrijven en milieuzonering
25
3.4
Geluid
30
3.5
Luchtkwaliteit
31
3.6
Externe veiligheid
32
3.7
Water
38
3.8
Bodem
46
3.9
Ecologie
48
3.10
Cultuurhistorische aspecten
59
3.11
Vorm vrije mer-beoordeling
60
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
62
4.1
Planvorm
62
4.2
Bestemmingsregeling
64
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
66
5.1
Economische uitvoerbaarheid
66
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
66
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Er is een verzoek ingediend om de bouw van 9 woningen mogelijk te maken op de percelen gelegen bij de bestaande woning Haagweg 39 te Monster gelegen op een perceel kadastraal bekend sectie I, nummer(s) 3004 en 3007 met een oppervlakte van circa 5.700m². De bestaande woning Haagweg 39 te Monster wordt gesloopt, zodat er depositieruimte vrij komt die ervoor zorgt dat er geen negatief effect is op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Uit de vergelijkberekening van het huidige gebruik met het toekomstige gebruik volgt dat de stikstofdepositie in de toekomst permanent daalt met 0,28 mol/ha/jaar tot een substantieel lager niveau. De woningen zijn gasloos en zullen ontsluiten op de Haagweg (het verlengde Schelpenpad). Voor het perceel sectie I nummer 3004 is er in het verleden reeds een uitwerkingsplan en een bestemmingsplan vastgesteld welke beide zijn vernietigd door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie geschiedenis).
Uitsnede Gis Geschiedenis Uitwerkingsplan 'Haagweg nab ij 39 te Monster' Voor het perceel sectie I, nummer 3004 is door het college van burgemeester en wethouders op 23 juni 2015 een uitwerkingsplan vastgesteld voor de bouw van maximaal 8 woningen. Naar aanleiding van twee beroepschriften is het uitwerkingsplan bij uitspraak van 8 juni 2016 door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: afdeling) vernietigd onder andere wegens stikstof. Bestemmingsplan 'Haagweg achter 39 te Monster' Voor dit zelfde perceel is door de raad van de gemeentewestland op 12 december 2017 het bestemmingsplan 'Haagweg achter 39 te Monster' vastgesteld voor de bouw van 6 woningen. Tegen dit besluit zijn 4 beroepen ingediend bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. De afdeling heeft destijds de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de prejudiciële vragen over het Programma Aanpak Stikstof (hierna; PAS) die de Afdeling had gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Na beantwoording van de prejudiciële vragen heeft de Afdeling op 17 juli 2019 - zonder zitting - het bestemmingsplan vernietigd vanwege het feit dat het bestemmingsplan voor het aspect stikstof heeft
6
verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag was gelegd aan het PAS. "Voor de onderhavige zaak is van b elang dat zowel het standpunt van de raad dat de woningbouw niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde van 1 mo;/ha/per jaar als het standpunt dat de woningbouw onderdeel is van een prioritair project berust op de passende beoordeling voor het PAS is gemaakt. Gelet op vorenstaande overwegingen is de Afdeling daarom van oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming."
1.2
Ligging plangebied
Het buiten de bestaande kern van Monster gelegen plangebied grenst aan de zuidzijde aan de woningbouwlocatie Westlandse Zoom, aan de zuidwest zijde aan de Haagweg en aan de noordzijde aan de tuinen van woningen gelegen aan de Haagweg. Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Monster, sectie I nummer(s) 3004 en 3007.
Uitsnede Gis
7
1.3
Geldend bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan vervangt (gedeeltelijk) het volgende bestemmingsplan op de dag dat het bestemmingsplan van kracht wordt als bedoeld in artikle 3.8 lid 5 van de Wet ruimtelijke ordening: Het bestemmingsplan 'Westmade', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 30 augustus 2005 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland 18 april 2006.
Uitsnede bestemmingsplan Westmade In dit bestemmingsplan hadden de gronden reeds de bestemming 'Uit te werken woondoeleinden' en de bestaande woning Haagweg 39 had een in te passen woonfunctie.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan "Haagweg 39 te Monster" bestaat uit een toelichting, planregels en een planverbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van het plangebied beschreven met aandacht voor cultuurhistorisch waardevolle elementen, overige ruimtelijke kwaliteiten, aanwezige knelpunten en te verwachte ontwikkelingen. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt onderzoek op het gebied van milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en water behandeld. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de planvorm en de achtergrond bij de regels die zijn opgenomen voor de verschillende bestemmingen. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
8
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Beleidskader
De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit. 2.1.1
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De Omgevingsvisie is breder dan alleen de fysieke leefomgeving; ook onderwerpen als gezondheid, veiligheid en duurzaamheid moeten onderdeel uitmaken van de visie. De Omgevingsvisie geeft weer waar we met Westland naartoe willen en bindt de gemeente aan haar eigen voornemens en ambities. De Omgevingsvisie werkt door in het (later nog op te stellen) omgevingsprogramma, waarin beleidsvoornemens en maatregelen staan die dienen om de doelen in de leefomgeving te bereiken. De Omgevingsvisie geeft ook richting aan het ontwikkelen van het omgevingsplan. Hierin worden de algemene regels en vergunningsplichten vastgelegd die bindend zijn voor burgers en bedrijven (bestemmingsplannen en verordeningen worden hiermee vervangen). De belangrijkste opgave is het verhogen van de leefkwaliteit in Westland, waarbij het sociaal-maatschappelijke en economische belang van het tuinbouwcluster niet uit het oog wordt verloren. De oorspronkelijke structuren in het landschap moeten behouden blijven, net als de gemeenschapszin in de dorpen. Westland wil een groenere, gezonde en aantrekkelijke gemeente zijn.
Met een people - planet - profit benadering, vindt vergroening plaats langs de belangrijke groene verbindingen en in de wijken, terwijl initiatiefnemers en ontwikkelaars worden gevraagd groeninclusief te ontwerpen en in te richten. Een klimaatbestendig beleid wordt doorgevoerd in ruimtelijke inrichting, nieuwbouw en verkeersmaatregelen. Bodemwarmte moet worden benut en er wordt aangesloten op warmtenetten in de regio. Betere bereikbaarheid en een toonaangevende rol op het gebied van kennis, innovatie en duurzaamheid in de Greenport blijven een belangrijke rol spelen. De autonome groei van inwoners wordt geaccommodeerd door het invullen van de zachte plannen voor woningbouw in combinatie met inbreiding door bv. hoger te bouwen. De kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd met een groen/blauwe inrichting (groene daken, beleefbaar groen en waterberging) om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. Voor 2040 wordt één vierkante meter groen per huishouden extra gerealiseerd, voor nieuwbouwprojecten geldt een norm van 50 m2 verblijfsgroen per woning. Bij projectontwikkeling worden zoveel mogelijk de minimale eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gehanteerd en is het uitgangspunt dat niet langer gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het woningaanbod moet aansluiten uit bij de Westlandse behoeften en economisch verbondenen.
Westland wil meer dan 8000 woningen realiseren, waarvan een grote opgave betaalbaar wonen. Er ligt ook een opgave voor de huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten. Het duurzaam glastuinbouwgebied behoudt voldoende kritische massa om een innovatieve glastuinbouwgemeente te blijven, maar het toevoegen van beleefbaar groen mag ten koste gaan van glastuinbouw. De glastuinbouw produceert in de toekomst circulair, wordt energieneutraal en klimaatadaptief. Om de modernisering en herstructurering op gang te brengen moet er letterlijk ruimte worden gemaakt, bv. door het uitplaatsen van (bedrijfs)woningen naar de dorpen. Integrale
9
gebiedsplannen moeten betaalbaar en met voldoende draagvlak gerealiseerd kunnen worden. Langs de kust is een strand dat uitblinkt in rust en ruimte met een goede balans tussen natuur en recreatie. Daarnaast wil Westland sluitende recreatieve netwerken creëren voor verschillende gebruiksgroepen d.m.v. robuuste groen-blauwe aders. Er wordt ingezet op een hoogwaardige OV verbinding tussen Den Haag en de Hoekse Lijn richting Delft. Bepaalde bedrijventerreinen kunnen uitbreiden, in de kernen worden (compacte) kernwinkelgebieden aangewezen. Rond 2030 zijn grote ingrepen nodig om de infrastructuur op orde te houden (vrijliggend logistiek netwerk, ongelijkvloerse kruispunten), er komt een verkenning naar de mogelijkheden voor lightrail. Het fietsnetwerk binnen en van/naar Westland wordt verbeterd met o.a. metropolitane fietspaden. Vrachtverkeer krijgt wellicht hubs en goede doorstroming naar de A4/A20 blijft een belangrijk aandachtspunt. Natuurgebieden (Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland) moeten robuust, veerkrachtig, aaneengesloten en beleefbaar worden gemaakt. Voor 2030 zijn ontbrekende zones en schakels in ecologische verbindingen ingevuld, zodat de biodiversiteit bevorderd wordt. De waterkwaliteit moet worden verbeterd en er komt meer ruimte voor het vasthouden van water.
Dit vraagt ook inspanningen van de glastuinbouw om meer circulair te worden, minder grondwater te onttrekken en water te bergen. De toekomstkaart van Westland:
Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen. Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maken we plannen en nemen we maatregelen.
10
De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040: Logistieke bereikbaarheid; De auto minder dominant; Volwaardige alternatieven voor de auto; Westland verkeersveilig; Duurzaam Bereikbaar Westland. Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018 In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen). Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig. Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2022-2025 Op 7 februari 2022 hebben burgemeester en wethouders van Westland de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2022-2025 bekend gemaakt.
Deze strategie bevat de weergave van hoe de gemeente Westland haar uitvoerings- (vergunningen) en handhavingstaken (toezicht en handhaving) uitvoert en hoe de interpretatieruimte die de wetgeving wordt ingevuld. Er is alvast aangesloten bij de terminologie en begrippen uit de komende Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Naast de preventieve toets van het bouwplan aan de bouwregelgeving vooraf wordt ook het toezicht tijdens en na realisatie van de bouw vervangen door toezicht door private kwaliteitsborgers. Hierdoor verschuift het toezicht van de voorkant van het proces naar handhaving achteraf. In navolging van maatschappelijke ontwikkelingen is de bedoeling van de Omgevingswet dat initiatiefnemers meer ruimte krijgen voor initiatieven maar ook zelf meer verantwoordelijkheid hebben voor deze initiatieven. Gemeente Westland zal risicogestuurd aanvragen om een omgevingsvergunning vergunnen. Na vergunningverlening wordt toezicht gehouden op de naleving van de vergunnings- of ontheffingsvoorwaarden, terwijl continue toezicht wordt gehouden op de naleving van wet- en regelgeving als het omgevingsplan. Ook voor bouwtoezicht en handhaving geldt dat er risicogestuurd wordt gewerkt. Strijdig gebruik van bedrijfsterreinen geldt als een bestuurlijk speerpunt, zodat een overtreding met hoge prioriteit zal worden aangepakt.
De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten.
Woonvisie 2020-2030 De Woonvisie 2020-2030 is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2030 die is opgesteld in 2016 en vastgesteld door de raad in 2020. Met de actualisatie krijgt de gemeente de gelegenheid om integraal
11
de afweging te maken voor welke doelgroep er gebouwd moet worden in Westland op basis van actuele gegevens. De visie vormt de basis voor nieuwe woningmarktafspraken met de regio Haaglanden, afspraken voor de huisvesting van arbeidsmigranten, zorginstellingen en de prestatieafspraken met de woningcorporaties. Conclusies Woonvisie De conclusies die uit de "Woonvisie 2020-2030" getrokken kunnen worden zijn: de behoefte aan sociale huurwoningen blijft onverminderd groot en krijgt een belangrijke plaats in het (ambitieuze) bouwprogramma; blijvende aandacht voor de groep middeninkomens is gerechtvaardigd; het aantal 70-plussers verdubbelt, zodat wonen met zorg verder moet worden ontwikkeld; de huisvestingsopgave voor arbeidsmigranten is substantieel; flexwonen krijgt een plaats in het bouwprogramma. Voor nieuwe bouwplannen geldt in beginsel de volgende verdeling in prijssegmenten: 45% dure/extra dure koop, 20% middeldure koop/huur, 5% goedkope koop, 30% sociale huur. Daarbij geldt een ambitie voor zorg- en ouderenwoningen en de huisvesting van arbeidsmigranten. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland (2018) Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het convenant (overeenkomst) klimaatadaptief Bouwen.
Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten -waaronder Westland-, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat voor een grote bouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. Deze ontwikkelingen maken het van belang dat klimaatadaptief bouwen zo snel mogelijk de nieuwe norm wordt. Dit is concreet vertaald in het convenant klimaatadapatief bouwen in Zuid-Holland. Hierin zijn procesafspraken gemaakt gericht op het verminderen van de wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Het convenant is op 4 oktober 2018 van start gegaan.
In de eerste fase van dit convenant is toegewerkt naar een minimaal programma van eisen voor nieuwbouw in relatie tot: Hevige neerslag: Hevige neerslag leidt niet tot grote schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in of buiten het plangebied; Droogte: Langdurige droogte leidt niet tot verdroging of schade aan de gebouwde omgeving; Hitte: Tijdens hitte biedt de bebouwd omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; Bodemdaling: Bodemdaling in bebouwd gebied blijft beperkt en betaalbaar; Overstromingen: Bebouwde omgeving is bestand tegen overstromingen; Biodiversiteit: Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving. De gemeente Westland zal minimaal aan deze eisen voldoen en gebruikt daarmee het programma van minimale eisen uit het Convenant als uitgangspunt voor het realiseren van klimaatadaptieve woningen. 2.1.2
Regionaal beleid
Metropoolregio Den Haag-Rotterdam In de metropoolregio Rotterdam Den Haag werken 23 gemeenten samen aan het verbeteren van de bereikbaarheid en het vernieuwen van de economie. Daarmee versterken ze onder meer de (internationale) concurrentiepositie van de regio. Met elkaar vormen deze 23 gemeenten het bestuur van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Voor het overleg tussen de 23 gemeenten en het nemen van besluiten kent de MRDH de volgende besturen en commissies: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de bestuurscommissie Vervoersautoriteit (Va), de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat (EV) en de voorzitter. Met 23 gemeenten, 2,3 miljoen mensen, 1,2 miljoen banen met werk voor 13,5% van de Nederlanders en
12
een bijdrage van 15% aan het BNP is de metropoolregio een regio die er toe doet. Voor een grootstedelijke regio waar het goed wonen, werken en recreëren is, heeft de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) zichzelf twee belangrijke ambities gesteld: het vernieuwen van economie en het verbeteren van de bereikbaarheid. Het Rijk gaf de Metropoolregio Rotterdam Den Haag de status van vervoerregio. En daarmee ook wettelijke taken rond verkeer en vervoer. Aan het begin van elke nieuwe bestuursperiode (elke vier jaar) stelt het bestuur een regionale strategische agenda vast, van waaruit de regionale vraagstukken worden opgepakt. De huidige strategische agenda loopt tot en met 2022. 2.1.3
Provinciaal beleid
Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan wordt richting gegeven door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit provinciale opgaven en belangen. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de provinciale verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Introductie op het omgevingsbeleid: de ruimtelijke hoofdstructuur Zuid-Holland wil slim en schoon zijn. Klimaatverandering heeft in het laaggelegen deltagebied grote ruimtelijke, economische en sociale gevolgen. Als open economie is Zuid-Holland gevoelig voor gevolgen van globalisering. De segregatie neemt toe. De energie-intensieve economie heeft, zoals ook benoemd in het klimaatakkoord van Parijs, alleen toekomst als wordt overgegaan tot verduurzaming.
De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta, naar een nieuwe economie (the next level), naar een levendige meerkernige metropool, energievernieuwing, best bereikbare provincie en gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Belangrijk om de ambities waar te kunnen maken zijn innovatieve oplossingen voor waterberging en het voorkomen van hittestress, de overstap van een fossiele naar een circulaire economie, het uitbreiden van warmtenetten, een forse woningopgave en de verduurzaming van woningen, vitale kernen, het aanpakken van verkeersknelpunten, het versterken van openbaar vervoer en gebruik van de fiets en de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.
figuur 3: de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur (uitsnede Westland)
13
Gemeente Westland laat zich kenmerken door de glastuinbouw (Greenport Westland) omringd door kust, natuur en stedelijk groen met daarbinnen woonkernen en logistieke overslagpunten. Naaldwijk is als regiokern aangewezen. Wateringen behoort tot de stedelijke agglomeratie. Nabij de vestiging van Flora Holland is een kenniscentrum aangegeven. Wat betreft mobiliteit is een (boven) regionale HOV-net busroute voorzien van Den Haag, via Naaldwijk naar Maassluis, alwaar op het HOV-net kan worden aangesloten richting Rotterdam. De greenport wordt benoemd als volwassen cluster dat tot de wereldtop behoort. Deze positie moet behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Er wordt gestreefd naar synergie van mainport Rotterdam en de greenports. De groene ruimte heeft intrinsieke waarde en het kustlandschap vormt mede de grondslag voor de identiteit van de bebouwde en groene ruimte. De provincie zet in op de groenblauwe structuur om groene kwaliteiten binnen en buiten stedelijk gebied te versterken en de samenhang tussen parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. Omgevingsverordening Regels aangaande bestemmingsplannen bv.
met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, de ladder voor duurzame verstedelijking en voor ruimtelijke ontwikkelingen als stedelijke ontwikkelingen, kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouwgebied, infrastructuur, veiligheid, natuur en cultureel erfgoed zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De regels zijn van overeenkomstige toepassing op ruimtelijke initiatieven waarvoor een zogenaamde 'grote buitenplanse afwijking' wordt doorlopen. Op grond van de regels die zijn gesteld voor natuur, is voor Westland het volgende gebied aangewezen als ecologische verbindingen binnen het Natuurnetwerk Nederland:
figuur 4: uitsnede provinciale kaart NatuurnetwerkNederland
Programma Ruimte Een intensiever gebruik van steden en dorpen vergroot het draagvlak voor openbaar vervoer. Andersom kan de capaciteit op het infrastructuurnetwerk helpen om keuzes te maken waar en wanneer er verdicht en geconcentreerd kan worden. De provincie streeft er naar de agglomeratiekracht te vergroten. Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Op de kaart 'woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen' (ook wel genoemd: '3ha kaart') zijn nog te ontwikkelen locaties voor deze doeleinden groter dan 3 ha buiten BSD opgenomen. Als een locatie hier is opgenomen, betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling.
14
figuur 5: de '3ha kaart'
Op de kaart zijn, indicatief, woningbouwlocaties weergegeven die gelegen zijn buiten het bestaand stads- en dorpsgebied en meer dan 3 hectare groot zijn. Op de kaart staat zowel harde als zachte capaciteit buiten BSD. Met deze toevoeging wordt invulling gegeven aan bestuurlijke continuïteit. Woningbouwlocaties die voor Westland zijn opgenomen:
2.1.3.1 Afwijken middels 6.15 Omgevingsverordening Volgens kaart 11 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de gronden aangewezen als 'Greenport'. Concentratiegebieden voor glastuinbouw kunnen qua belevingswaarde worden beschouwd als bedrijventerrein. Ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij voorkeur bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Gericht op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en collectieve voorzieningen, met aandacht voor aansluiting op bestaande landschappelijke structuren. Een dooradering van het gebied met water en recreatieve routes is gewenst. Volgens artikel 6.15 lid 1 is het volgende toegestaan: Een bestemmingsplan voor gronden b innen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in b ijlage II, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking. Om de ontwikkeling van de 9 woningen mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van de afwijking uit artikel 6.15 lid 4 uit de Omgevingsverordening.
15
In het b estemmingsplan kan de b egrenzing van het glastuinbouwgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden en bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinb ouwgeb ied. In deze gaat het om de bouw van 9 woningen op gronden die reeds de bestemming 'Uit te werken woondoeleinden' hebben in het vigerende bestemmingsplan 'Westmade' vastgesteld door de gemeenteraad op 30 augustus 2005 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland 18 april 2006. Gelet op deze bestemming 'uit te werken woondoeleinden' gaat er geen glastuinbouwareaal verloren en is er geen onevenredige aantasting van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied van Westland. Daarnaast zijn het plangebied en de omliggende gronden van Westmade opgenomen op de 3ha kaart. 2.1.4
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
Doelen In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.
16
Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur Nationale b elangen De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de komst van de Omgevingswet die vanaf 2022 in werking zal treden, is het van belang dat de ruimtelijke opgave in lijn is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De eerste NOVI is vastgesteld in 2021. De NOVI bestaat uit één Rijksvisie op de leefomgeving. Het uitgangspunt van dit beleidsdocument is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in een samenhangend geheel. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050.
Om dit te realiseren is collectieve verantwoordelijkheid van alle overheden van belang. Het Rijk benoemt in de NOVI 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid en vermeldt hierbij de opgaven en de rol van het Rijk bij het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven worden samengebracht in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: Naar een duurzame en concurrerende economie; Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving; Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; Naar een waardevolle leefomgeving. Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen. De omvang van de vraag is afhankelijk van de het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen.
Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. 2.1.5
Conclusie
De ontwikkeling voor 9 gasloze woningen op de percelen behorende bij Haagweg 39 zijn in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.
2.2
Ruimtelijk-functionele structuur
2.2.1
Inventarisatie van functies
Het plangebied omvat de twee kadastrale percelen Kadastraal bekend gemeente Monster sectie I, nummers 3004 en 3007 met een totale oppervlakte van 5.629 m².
17
Uitsnede Gis Woning Haagweg 39 Op het kadastrale perceel sectie I, nummer 3007 staat de bestaande woning Haagweg 39 met bijgebouwen. De aanvrager zal de bestaande woning Haagweg 39 slopen ten behoeve van deze ontwikkeling.
Uitsnede Gis
18
Naast gelegen kavel Op het kadastrale perceel sectie I, nummer 3004 met een oppervlakte van 4.102 m² zijn momenteel geen andere functies aanwezig. Het perceel ligt braak en wordt in het oosten en zuiden omringd door water. In het noorden sluit het perceel aan bij bestaande erven van de woningen gelegen aan de Haagweg. Voor dit perceel heeft de gemeente in het verleden een uitwerkingsplan en een bestemmingsplan opgesteld voor de bouw van 6 tot 8 woningen. Beide ruimtelijke procedures zijn, door beroep van omwonenden, vernietigd door de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State met name op het aspect stikstof.
Uitsnede Gis 2.2.2
Hobbymatig houden van paarden
In de nabij omgeving van het plangebied zijn twee locaties aanwezig waar hobbymatig paarden worden gehouden. Het gaat om de percelen behorende bij de bestaande woningen Haagweg 41A en Haagweg 43A te Monster. In de paragraaf 3.3 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt daar verder op ingegaan.
19
2.2.3
Inventarisatie van waarden
Waterkering en waterberging Op de leggerkaart van het Hoogheemraadschap van Delfland staat waar de waterkeringen liggen en hoe breed de beschermingszones zijn. Werkzaamheden in de zones die de veiligheid in gevaar kunnen brengen of het beheer van de waterkering bemoeilijken zijn niet toegestaan. Volgens de leggerkaarten is er geen zeewering en geen waterkering gelegen in het plangebied.
Cultuurhistorische waardevolle bebouwing Er wordt een onderscheid gemaakt tussen cultuurhistorische waardevolle bebouwing die vanuit de Monumentenwet wordt beschermd, de rijks- en gemeentelijke monumenten, en cultuurhistorische bebouwing en objecten die beeldbepalend, waardevol en gebiedseigen zijn. De laatstgenoemde objecten staan in het rapport inventarisatie historisch waardevolle objecten gemeente Westland maar zijn nog niet aangewezen als gemeentelijk monument. In het plangebied zijn geen rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig.
2.3
Gebiedsvisie
2.3.1
Stedenbouwkundige randvoorwaarden
Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Westmade' en maakt in die zin onderdeel uit van de Westlandse Zoom. De gronden van het plangebied liggen echter buiten het exploitatie gebied van het 'Ontwikkeling Bedrijf de Westlandse Zoom' en worden ontwikkeld onder de term 'Zelfrealisatie'. In de voornoemde situatie dient er aan dezelfde Stedenbouwkundige Randvoorwaarden voldaan te worden als ontwikkelingen die zijn gelegen binnen het exploitatie gebied van het 'Ontwikkeling Bedrijf de Westlandse Zoom' en dient met de ontwikkeling voor wat betreft de aspecten verkeer en landschap aangesloten te worden op het binnen het exploitaitiegebied geldend beleid ten aanzien van voormelde
20
aspecten. Ten aanzien van het plangebied gelden de navolgende Stedenbouwkundige Randvoorwaarden: Maximaal 9 woningen; Binnen de woningbouw ontwikkeling van de Westlandse Zoom wordt voor projectmatige kavels, met vrijstaande woningen een gemiddelde aangehouden van 250m2 en 550 m2. De kavels in het plangebied zullen ongeveer hetzelfde gemiddelde aangehouden als in de Westlandse Zoom. Het totale te ontwikkelen kavel meet 5.629m². Met maximaal 9 woningen wordt er een dichtheid gehaald van circa 16 woningen per hectare. Een dichtheid van 20 woningen of minder is te typeren als landelijk of dorps (afhankelijk van de verdere inrichting) en is passend bij de directe omgeving en het beoogde woonmilieu Westmade. Zo is de dichtheid van het naastgelegen uitwerkingsplan “Westmade fase 1b” circa 20 woningen per hectare (er worden namelijk 39 woningen op circa 2 hectare opgericht). Hoofdgebouw mag maximaal 30 % van de totale oppervlakte van de uitgeefbare kavel beslaan; Door maximaal 30% van de uitgeefbare kavel te bebouwen met een hoofdgebouw zijn de maximale footprints van de beoogde woningen overeenkomstig met de woningen aan de Haagweg. Minimum afstanden tussen uitgiftegrens en bebouwingszone: Door het opnemen van bouwvlakken waarbinnen de vrijstaande woningen of twee-onder-één kappers gebouwd mogen worden, wordt er een afstand gecreëerd tot de belendende percelen.
Daarnaast kunnen er op deze manier geen grote blokken ontstaan en wordt er toch een open structuur nagestreefd. Minimum afstand tussen de hoofdgeb ouwen van woningen Door het opnemen van een minimale afstand tussen woningen (behoudens de aaneengebouwde zijde van een twee-onder-één kapper) van 6 meter zijn de woningen goed van elkaar te onderscheiden. Aangezien doorsnee grondgebonden woningen veelal uit 2 lagen met kap bestaan komt een onderlinge afstand van 6 meter tussen (eind)woningen ongeveer overeen met de gebruikelijke goothoogte. Met een verhouding van circa 1 op 1 ontstaat zo de nodige geleding tussen de hoofdmassa's, die minder duidelijk wordt als de tussenruimte kleiner wordt. Daarnaast is 3 meter in veel gevallen ook een bruikbare maat om naast de woning nog een garage te kunnen plaatsen of voor een uitbouw waar nog een keuken of andere gebruiksruimte in past. Hoogte maximaal 2 lagen met een kap: goothoogte 7 meter, nokhoogte 11 meter. Volgens het bestemmingsplan 'Westmade' konden binnen deelgebied A eengezinswoningen opgericht worden van ten hoogste drie bouwlagen al dan niet met kap of een substitutielaag.
Door de woningen te laten aansluiten bij de woningen die in het lint van de Haagweg staan (die zijn overwegend 1 en 2 lagen met een kap) en de nieuw op te richten woningen in het achtergelegen plangebied van de Westlandse Zoom, is er voor gekozen om in dit bestemmingsplan uit te gaan van een goot- en bouwhoogte van 7 meter respectievelijk 11 meter (twee lagen met een kap) Deze hoogtes worden gerelateerd aan het afgewerkte maaiveld. Deze maatvoering is om een woning van twee bouwlagen met een kap maximaal mogelijk te maken. Deze is binnen de gebieden van OWBZ als standaard voor dit woningtype opgenomen. Lager bouwen is natuurlijk altijd ook mogelijk binnen het bestemmingsplan.
21
Overzicht omringende b eb ouwing plangeb ied
Parkeerplaatsen De parkeerbehoefte van de beoogde woningbouw kan worden berekend aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen. De Beleidsregel Parkeernormering Gemeente Westland (2018) onderscheidt parkeernormen voor verschillende woningtypen. Op grond van deze beleidsregel wordt uitgegaan van een parkeernorm van 2,3 parkeerplaats per woning waarvan 0,5 uitwisselbaar moet zijn
22
voor bezoekersparkeren. Voor een ontwikkeling van maximaal 9 woningen zijn er 9 x 2,3 = 20,7 = 21 parkeerplaatsen noodzakelijk, waarvan minimaal 5 parkeerplaatsen uitwisselbaar te gebruiken moeten zijn. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting voor het parkeren opgenomen (artikel 12.4) inhoudende dat: Bij nieuwe ontwikkelingen (oprichting van een bouwwerk, verandering van functie of uitbreiding van bestaand geb ruik) is het geb ruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk 1 van deze regels. Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning moet de aanvrager aantonen dat voldaan wordt aan de voorwaardelijke verplichting. Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten op de Haagweg via de Haagweg (het verlengde Schelpenpad). Op de planverbeelding is hiervoor een 10 meter brede zone opgenomen. Tevens is op de planverbeelding de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen waarbinnen een ontsluitingsweg aangelegd wordt. De Haagweg (het verlengde Schelpenpad) is een doodlopende weg met een 30 km/uur regime. Volgens de kencijfers van de CROW genereert een woning van deze klasse maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal (hoogste waarde van de bandbreedte).
Uitgaande van 8,6 vervoersbewegingen per woning is dat een toename van 69 vervoersbewegingen (8,6 x 8 = 68,8) per etmaal. Rekening houdend met de bestaande woningen en de woningen van andere plannen (Schelpenduin) zijn er 147 vervoersbewegingen (19 x 8,6 = 163,4) per etmaal. Een verkeerskundige stelregel is dat in het drukste spitsuur 10% van de etmaalintensiteit rijdt. Dat betekent 16 verkeersbewegingen per uur in de spits. Dat is ongeveer 1 verkeersbeweging per 4 minuten in de spits. Bij elkaar zijn dit verkeerskundig gezien zeer lage aantallen, die met de beschikbare infrastructuur moeiteloos opgevangen kan worden. Het CROW stelt globaal dat een erftoegangsweg ongeveer 5.000 motorvoertuigen per etmaal kan verwerken. Gebruikelijker is zo'n 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Bovenstaande geeft een indicatie van de (bescheiden) omvang van deze verkeersstromen op een doodlopende weg met een 30 km/uur regime. Ten opzichte van de huidige situatie zal er meer verkeer zijn, maar in absolute aantallen is dit nog steeds zeer beperkt. Daarnaast wordt opgemerkt dat er in het verleden gebruik werd gemaakt van de Haagweg (het Verlengde Schelpenpad) door de voormalige glastuinbouwbedrijven en die hadden een aanzienlijke hoeveelheid vrachtwagens rijden die er nu niet meer rijden.
Daarnaast is er een verkeersveilige ontsluiting op de Haagweg, waar staat aangegeven dat verkeer van de Haagweg (het Verlengde Schelpenpad) voorrang moet verlenen aan het verkeer op de Haagweg. Groen In de gemeente is het streven om meer groen aan te leggen. Hoewel dit flinke kosten met zich meebrengt gaat Westland voor de haalbare ambitie om voor 2040 één extra vierkante meter verblijfsgroen per huishouden te realiseren (groen binnen een bebouwde kom en/of binnen 500 meter van een bebouwde kom. In nieuwbouwwijken wordt een norm mee gegeven van 50 m2 groen per woning. In het plangebied wordt circa 50m2 aan groen aangelegd per woning. Dit is vastgelegd op de planverbeelding met de bestemming 'Groen'.
23
Hoofdstuk 3
Onderzoek
3.1
Stiltegebied
3.1.1
Wettelijk kader
Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluiden van flora en fauna overheersen. Het woord ‘stilte’ betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten. Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 decibel liggen. Ook kan worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met niet-natuurlijke geluiden. Stiltegebieden zijn geregeld in de Provinciale Omgevinsverordening.
3.1.2
Onderzoek
Het plangebied is niet gelegen in het stiltegebied 'Monster': Solleveld ligt tussen Kijkduin en Monster / Ter Heijde. Dit stiltegebied is tevens een belangrijk drinkwaterbeschermingsgeb ied. Het b estaat uit duinen, duinbossen, graslanden, duinheiden, struwelen, ruigten en plassen. Bijzondere elementen herinneren de bezoeker aan het vroegere agrarische gebruik. Er vinden geen incidentele geluidsverstoringen plaats. De Omgevingsverordening heeft betreffende structurele geluidverstoring echter alleen betrekking op de gebieden die daarin gedefinieerd zijn. Buiten die gebieden gelden de regels uit de Omgevingsverordening niet.
Stiltegebied Monster in de omgeving van de locatie
24
3.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.2.1
Wettelijk kader
In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en als verder aangevuld in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland. De ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 juli 2017 vereenvoudigd. Op grond van het nieuwe artikel 3.1.6, tweede lid, moet in de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd. De provincies mogen deze wettelijke regel aanvullen. Deze aanvulling mag echter niet in strijd zijn met het doel van de regel, namelijk vereenvoudiging van de ladder zoals die vóór 1 juli 2017 luidde en daarmee het loslaten van de norm "actuele regionale" behoefte en de drie treden van de ladder. De provinciale regeling in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 bevat nog wel de drie treden van de ladder. Gelet op bovenstaande uitleg van de aanvullingsbevoegdheid van provincies, hoeft aan artikel 2.1.1 niet te worden getoetst voor zover deze regels in strijd zijn met - het doel van - de wijziging van de wettelijke regeling. 3.2.2
Preliminaire toets
Bij de beoordeling of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, moet eerst nagegaan worden of er met het woningbouwplan voor 9 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of dit plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro is niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling voorziet een plan met maximaal elf woningen niet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing.
3.3
Bedrijven en milieuzonering
3.3.1
Wettelijk kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 3.3.2
Onderzoek
Door Aqua Terra Nova is een onderzoek bedrijven en milieuzonering (zie bijlage) uitgevoerd. Bedrijven in plangebied Binnen het plangebied zelf worden in de te bestemmen situatie alleen woningen bestemd. Er worden geen functies gerealiseerd waarop de richtafstanden van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van toepassing zijn.
25
Bedrijven buiten plangebied Binnen een straal van 200 meter van het plangebied zijn alleen woonfuncties, uit te werken woongebieden en maatschappelijke bestemmingen met een woonfunctie aanwezig. Binnen een straal van 200 meter zijn geen bedrijfsactiviteiten bestemd. Hobbymatig houden van paarden In de nabij omgeving van het plangebied zijn twee locaties aanwezig waar enkele paarden worden gehouden: Haagweg 43a : 2 paarden Haagweg 41a : max. 4 paarden Voor deze twee locaties is in het verleden geen Hinderwetvergunning, Wet milieubeheervergunning verleend of een melding ingediend op grond van het Activiteitenbesluit of het Besluit landbouw milieubeheer. Er is hierdoor geen sprake van vergunde rechten voor het bedrijfsmatig houden van paarden. Verder is het ook niet mogelijk om op deze locaties nu bedrijfsmatig paarden te gaan houden vanwege de korte afstand tot bestaande woningen. De beide locaties zijn beschouwd als het hobbymatig houden van paarden. Het hobbymatig houden van paarden valt niet eenduidig in te delen op grond van de VNG publicatie aangezien deze bedoeld is voor bedrijven met een bedrijfsmatige omvang. Onderstaand staan de mogelijke activiteiten weergegeven waarbij aansluiting kan worden gezocht.
Richtafstanden VNG voor houden van graasdieren, kinderboerderijen en maneges De categorieën Fokken en houden van overige graasdieren en Maneges zijn bedoeld voor het bedrijfsmatig houden van dieren waarbij veel meer dieren (in de ordegrootte 50-100 dieren) worden gehouden dan hier het geval is. Het hobbymatig houden van dieren komt qua activiteiten en aantal te houden dieren meer overeen met de categorie kinderboerderijen. Op basis hiervan wordt het hobbymatig houden van enkele paarden ingedeeld in categorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter voor geur. Voor geluid geldt een afstand van 30 meter en voor stof een afstand van 10 meter en voor gevaar 0 meter. De grootste richtafstand van 30 meter is in onderstaande weergeven als rode lijn en is getrokken rondom de stal, de mestopslag en de paardenbak. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit die wordt nagestreefd in een 'rustige woonwijk'.
26
Richtafstanden VNG pub licatie Geconcludeerd wordt dat de milieuzones (richtafstanden) de geplande locatie voor woningbouw overlappen. Indien milieuzones een gewenste woningbouwlocatie overlappen kan volgens het stappenplan in paragraaf 4.2 van de VNG publicatie als volgt worden gehandeld in stap 3 en 4 (stap 1 t/m 2 zijn bovenstaand al uitgewerkt): 3. indien de milieuzones de gewenste woningbouwlocatie overlappen: a. b.
pas de woningbouwplannen aan, of; ga na wat de werkelijke bedrijfsactiviteiten zijn. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten kleinere richtafstanden opleveren, beoordeel dan of het benedenwaarts aanpassen van richtafstanden in het – vigerende – bestemmingsplan wenselijk is. Overweeg dit ook los van de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten, vanuit een langere termijn visie op de gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein. Bestaande bedrijven kunnen immers vertrekken en nieuwe bedrijven kunnen zich aandienen.
4. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten van de vestigde bedrijven strijdig zijn met de gewenste woningbouw: c. d.
pas de woningbouwplannen aan, of; doe gewenst vervolgonderzoek naar de daadwerkelijke milieubelasting van de bedrijven.
Uitwerking stap 3 Er is getracht om het hobbymatig houden van enkele paarden zo goed mogelijk in te delen in een bedrijfsactiviteit met een vergelijkbare milieucategorie. Om na te gaan of het benedenwaarts bijstellen van de richtafstand van 30 meter mogelijk is, is nader onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke milieubelasting (zie verder uitwerking stap 4). Uitwerking stap 4 (Hobbymatig houden van paarden) De hinderaspecten van het hobbymatig houden van paarden zijn onderstaand verder beschouwd.
27
Stof (10 meter): Stofhinder kan ontstaan bij gebruik van een paardenbak en paardencarrousel met zand en bij het verladen van hooi naar de stal. De paardenbak wordt op beide locaties (eigen gebruik, er worden geen lessen gegeven) niet intensief gebruikt waardoor hiervan geen significante stofhinder valt te verwachten. Gezien het niet intensieve gebruik, is een afstand van 10 meter meer dan afdoende om stofhinder te voorkomen voor de paardenbak op de locatie Haagweg 43a. Voor dit onderzoek is echter verder uitgegaan van een contour van 10 meter rondom de paardenbak en paardencarrousel. Licht (geen afstand in VNG pub licatie) De paardenbak locatie Haagweg 41a is voorzien van verlichting (lantaarnpaal) bij de zuidzijde van de paardenbak. Er is geen afschermende kap aangebracht bij de verlichtingsarmatuur maar het licht schijnt in noordelijke richting waardoor geen directe instraling van licht bij de woningen zal optreden. De afstand van de verlichting tot het bouwvlak van de woningen bedraagt 18 meter. Hierdoor zal bij de woningen in het plangebied geen lichthinder worden ondervonden. Geluid (30 meter): Bij het bedrijfsmatig houden van dieren is deze afstand vereist vanwege het gebruik van tractoren en ander gemechaniseerd agrarisch materieel.
Bij maneges en kinderboerderijen speelt ook het geluid van bezoekers met bijbehorende aan- en afrijdende voertuigen en geluid tijdens rijlessen een rol. Al deze geluidbronnen spelen geen rol van betekenis voor de beide locaties. Er bestaat geen aanleiding om hiervoor een richtafstand aan te houden. Geur (30 meter): Geurhinder kan ontstaan vanuit de stal waar de dieren worden gehouden en vanaf de opslaglocatie van vaste mest. Voor geurhinderaspecten is getoetst aan de eisen in het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit wordt een onderscheidt gemaakt tussen het houden van landbouwhuisdieren en het fokken houden of trainen van vogels of zoogdieren. Paarden, schapen, koeien en kippen zijn landbouwhuisdieren als deze worden gehouden voor de productie van b.v. melk, vlees, wol, veren of eieren of het berijden van dieren (zoals een manege of veehouderijbedrijf). Als dezelfde dieren bij een kinderboerderij of dierentuin worden gehouden worden deze niet gezien als landbouwhuisdieren omdat deze niet voor de productie worden gehouden. Voor het houden van landbouwhuisdieren gelden om geurhinder te voorkomen: vaste afstanden voor dieren zonder geuremissiefactor (paarden, koeien) een geurnorm voor dieren met een geuremissiefactor (kippen, schapen) een minimale afstand tussen de gevel van de stal en de gevels van woningen.
Deze normen gelden niet als er minder dan 10 schapen (inclusief bijbehorende lammeren), 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Voor het fokken houden of trainen van vogels of zoogdieren gelden geen vaste afstanden maar is opgenomen dat geurhinder moet worden voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder. Het bevoegd gezag kan hierbij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de frequentie waarbij stallen worden schoongemaakt en dierlijke meststoffen van de locatie moeten worden verwijderd. Verder gelden voor de opslag van vaste mest (vanaf 600 m3) vaste afstanden. Bij de locaties Haagweg 41a en Haagweg 43a worden de aanwezige paarden niet bedrijfsmatig voor de productie van vlees of het berijden gehouden. De mate van geurhinder is verder getoetst aan de eisen voor het fokken houden of trainen van vogels of zoogdieren: geurhinder moet worden voorkomen of indien niet mogelijk tot een aanvaardbaar niveau beperkt. Het aantal paarden op beide locaties is dermate beperkt (resp. max 5 en max. 4) dat bij een normale schoonmaakfrequentie van de stallen in het plangebied geen geurhinder valt te verwachten. De afstand voor geur kan hierdoor voor beide locaties met een afstandstap worden teruggebracht tot 10 meter rondom de stal.
Door middel van een indicatief geuronderzoek is deze afstandsreductie onderbouwd. deze onderbouwing is opgenomen in bijlage 1 van het onderzoek bedrijven en milieuzonering.
28
De aanwezige vast mestopslag heeft op beide locaties een omvang van ca. 10 m3 en daarmee veel minder dan 600 m3 waardoor voor deze opslag geen vaste afstand geldt. Verder zit in paardenmest relatief veel stro waardoor van de opslag van paardenmest weinig geur valt te verwachten. De afstand voor geur kan hierdoor voor beide locaties met een afstandstap worden teruggebracht tot 10 meter rondom de mestopslag. Gezien het bovenstaande kan om geurhinder te voorkomen de richtafstand voor geur worden teruggebracht tot 10 meter rondom de vaste mestopslag en de stal. 3.3.3
Conclusie
De aan te houden afstand tussen de woonbestemmingen en de stallen, mestopslagen en paardenbakken kan worden teruggebracht tot 10 meter zonder dat dit leidt tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de geprojecteerde woningen in het plangebied . Deze afstanden zijn in onderstaand figuur weergeven als een rode lijn.
Gereduceerde afstanden voor geur, geluid en stof De richtafstand van 2 stallen is gelegen over het plangebied. De richtafstand van 1 paardenbak is gelegen over het plangebied. Bij de opmaak van de planverbeelding is rekening gehouden met deze afstanden. Eveneens is rekening gehouden met vergunningsvrij bouwen door de bouwvlakken erop aan te passen. Kopers van de gronden worden door de verkoper tijdens de bezichtiging van de gronden en door een clausule in het koop contract erop gewezen dat er naast de gronden twee buurpercelen zijn gelegen die hobbymatig paarden houden. De nieuwe bewoners kunnen dit dan ook mee laten wegen in hun aankoopbeslissing. De aanwezigheid van het hobbymatig houden van paarden in de omgeving van het plangebied zal niet leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de geprojecteerde woningen in het plangebied.
29
3.4
Geluid
3.4.1
Wettelijk kader
Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 3.4.2
Onderzoek
Door Aqua-Terra Nova B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de realisatie van woningen Haagweg 39 te Monster. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden door het 60 km/uur-gedeelte van de Haagweg (na aftrek van 5 dB op grond van artikel 110 van de Wet geluidhinder). De voorkeursgrenswaarde wordt alleen overschreden ter plaatse van het meest westelijke deel van het bouwvlak (zie onderstaande figuur).
Geluidscontouren Haagweg De hoogst toelaatbare waarde van 63 dB voor stedelijk gebied (binnen de bebouwde kom) wordt niet overschreden. Voor het gedeelte van het bouwvlak waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden zijn Hogere Waarden aangevraagd bij het bevoegd gezag.
30
3.4.3
Conclusie
Het akoestische onderzoek is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Haaglanden en akkoord bevonden. Voor het gele gedeelte (2 woningen) is een Hogere Waarden aangevraagd. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 59 dB (excl. aftrek art. 110g Wgh). 13 januari 2023 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden de hogere grenswaarden voor geluid vastgesteld (zie bijlage).
3.5
Luchtkwaliteit
3.5.1
Wettelijk kader
Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof