CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting (21-0118478)

Commissie Ruimte en Wonen 22 juni 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 12-05-21 inzake Gebiedsvisie en voorontwerp bestemmingsplan Wateringen Noord26.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Afbeelding 2.13: Impressie toekomstige situatie deelgebied ’Tymens Hof (bron: Gebiedsvisie Wateringen-Noord). Vesting Wateringen

De noordelijke rand wordt ingericht als groenzone. Samen met een (mogelijk) toekomstige Erasmusverbinding op Haags grondgebied, vormt de rand een ecologische zone richting Uithofpark. De bebouwing bepaalt het beeld van Wateringen en adresseert het Westlandse dorp aan de zijde van Den Haag. Hier worden robuuste bouwmassa’s ingezet: kloeke woongebouwen die oprijzen uit het water als ware het een vesting. Over de hele lengte is het beeld eenduidig met een stedelijke bebouwingswand van minimaal 4 en maximaal 5 bouwlagen die de brede aanliggende openbare ruimte kan ondersteunen. Enkele bestaande woningen blijven hier als Westlandse relicten tussen aanwezig. In het westelijk deel vormen woongebouwen twee hoven van waaruit appartementen ontsloten worden. Gezien het hier mogelijke grote aantal woningen en de beperkte ruimte zal een deel van het parkeren in de hof onder een groen dek of ondergronds plaats vinden. Een hoogteaccent van een 12 bouwlagen

25

hoog gebouw bekrachtigt de belangrijkste hoek in de interne infrastructuur van de wijk en markeert de hoekverdraaiing in de historische slotenstructuur. Tussen de twee hoven is ruimte voor een laagteberging waarin hemelwater vanaf gebouwen de gelegenheid krijgt te infiltreren, alvorens het afstroomt naar het oppervlaktewater. In het oostelijk deel zijn gebouwen opgezet als strokenbouw en georiënteerd op de Erasmusweg. Parkeren vindt plaats op maaiveld of ondergronds. Ook hier is een ritmische uitzondering op de bebouwingswand: een accent van 9 bouwlagen ter plaatse van de toegang van dit deel van de wijk. Dit hoge gebouw wordt ontsloten met een interne hal en heeft hierdoor rondom bewoonde gevels. In afbeelding 2.14 is een impressie van de toekomstige situatie in het deelgebied 'Vesting Wateringen' weergeven. Vesting Wateringen A

*

\ F

^

C

'

Afbeelding 2.14: Impressie toekomstige situatie deelgebied 'Vesting Wateringen’ (bron: Gebiedsvisie Wateringen-Noord). Een Eigen Huis

De woongebieden ten oosten en ten westen van Tymens Hof ademen een dorpse sfeer. Hier wordt ruimte geboden aan het klassieke woonprogramma van grondgebonden woningen in de huur en de koopsector, hoofdzakelijk rijwoningen maar ook twee-onder-een-kap en vrijstaande woningen. Op een aantal locaties in deze buurten worden woningen specifiek levensloopbestendig uitgevoerd (met Woonkeur). De woningen zijn traditioneel opgezet: overwegend twee bouwlagen hoog en voorzien van een ruime kap, een voortuintje en een achtertuin met berging. Erkers, schoorstenen, veranda’s en dakkapellen verlevendigen het straatbeeld. De woningen zijn op de hoofdinfrastructuur en groenzones georiënteerd. Bij de groenzones betekent dit dat de voordeur enkel via een voetpad bereikbaar zal zijn. Het parkeren vindt in de nabijheid van de woning plaats; bij de vrijstaande woningen en tweekappers op eigen terrein en bij de rijwoningen aan de achtertuin, langs de straat of in parkeerkoffers achter de woningen. Vanuit klimaatadaptief oogpunt worden de bestrating van de parkeerkoffers en waar mogelijk de straten waterdoorlatend uitgevoerd en worden voldoende bomen geplant. De bestratingen worden ca 10 cm lager aangelegd dan tuinen waardoor op de straten en parkeerterreinen bij hevige regenval hemelwater geborgen kan worden.

Het hemelwater wordt bovengronds, via het maaiveld in westelijke richting geleid naar de groenstrook parallel aan de sloot. In deze groenzone wordt het water deels geborgen in een laagteberging, een lager gelegen deel van het maaiveld, waardoor het kan infiltreren in de bodem. Het overtollige water stroomt af via een natuurvriendelijke oever naar de sloot en wordt afgevoerd. In de groenzone worden volwassen bomen geplant die de opwarming van de voorgevels van de woningen zoveel mogelijk beperken. In afbeelding 2.15 is een impressie van de toekomstige situatie in het deelgebied 'Een eigen huis' weergeven.

26

Vi'V' ŗyĄ

Afbeelding 2.15: Impressie toekomstige situatie deelgebied 'Een eigen huis' (bron: Gebiedsvisie Wateringen-Noord). Maatschappelijke bestemming

Aan de noordkant van het plangebied is een maatschappelijk cluster voorzien dat bestaat uit een Integraal Kind Centrum (IKC) van ca. 2500 m2 (brede school met kinderdagverblijf) en wooneenheden voor begeleid wonen voor gehandicapten en verpleeghuisplaatsen van ca. 5000 m2. Het Integraal Kind Centrum komt centraal in het maatschappelijk veld, direct aan de hoofdfietsroutes in de wijk, de overige maatschappelijke functies komen ook aan de hoofdontsluiting en hoofdgroenstructuur in het plangebied. Qua massa wordt aangesloten op de woongebouwen in de zone Vesting Wateringen.

Afbeelding 2.16: impressie maatschappelijk cluster 2.3.2

Stedenbouwkundige randvoorwaarden

Zoals hierboven is aangegeven, is het stedenbouwkundige plan nog niet definitief en kunnen er, binnen de hoofdstructuur van de watergangen, nog wijzigingen plaats vinden. In dit bestemmingsplan is de hoofdstructuur, de watergangen en groenstructuren vastgelegd. Daarnaast zijn de bruggen, die bedoeld zijn om de beleefbaarheid van het water te vergoten, aangeduid op de verbeelding. De groen- en waterstructuren vormen het raamwerk voor de verschillende woonvelden. Binnen deze woonvelden zijn, waar nodig, bouwvlakken opgenomen om de hoofdgebouwen te positioneren. Per woonveld is aangegeven wat de maximale goot- en/of bouwhoogte is. Op sommige locaties in het plangebied is het ook wenselijk gebleken om een minimale en maximale goot- en/of bouwhoogte voor te schrijven. Op verschillende plaatsen in het plangebied moet het mogelijk zijn om gestapeld woonbebouwing te realiseren. Op deze plaatsen is deze mogelijkheid door middel van de bouwaanduiding 'gestapeld' geboden. Ten slotte is in een aantal bouwvelden de beoogde voorgevelrooilijn opgenomen. Hiervoor is gebruikt gemaakt van het figuur 'gevellijn'.

27

Hoofdstuk 3

Onderzoek

3.1

Milieueffectrapportage

3.1.1

Wettelijk kader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. 3.1.2

Onderzoek en conclusie

De voorgenomen ontwikkeling van maximaal 700 woningen en verschillende maatschappelijke functies valt aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Hoewel de ontwikkeling qua omvang ruim onder de drempelwaarden blijft, en dus niet plan-m.e.r.-plichtig is, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is zodoende een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is in de vorm van een aanmeldnotitie toegevoegd in bijlage 3. Hieruit blijkt dat er sprake is of kan zijn van nadelige milieueffecten. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld en waar compensatie en/of mitigatie benodigd is, zal dit zo veel mogelijk gebeuren. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om deze effecten te beperken. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.

3.2

Bedrijven en milieuzonering

3.2.1

Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: * ter plaatse een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; « rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit bestemmingsplan gebruikgemaakt van de VNG-richtlijn 'bedrijven en milieuzonering' (2009). Daarin zijn richtinggevende afstanden opgenomen tot hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur stof). Op basis van deze richtlijn en aanvullend onderzoek worden de aan te houden afstanden of extra te nemen maatregelen bepaald. 3.2.2

Onderzoek

Langs de Ambachtsweg en de Poeldijkseweg is een aantal bedrijven gevestigd. De bedrijvigheid aan de Ambachtsweg is aangemerkt als zijnde onderdeel van een gebied waarin sprake is van functiemenging. De Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij 'functiemenging' kan volgens de VNG-richtlijn bestaan uit drie categorieën: A, B en C.

28

«

Categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen -in gebieden met functiemenging- kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. * Categorie B: Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. * Categorie C: De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Binnen de betreffende bestemmingsplannen Kern Wateringen zijn maximaal bedrijven tot en met categorie B toegestaan. Bedrijven boven deze categorie zijn uit de bedrijvenlijst gehaald. Destijds bestaande bedrijven van categorie C zijn door middel van maatwerk op de verbeelding aangegeven. Het betreft hier auto reparatie- en service bedrijven op het perceel Ambachtsweg 64a en 88c t/m h en de Poeldijkseweg 1d. Langs de Poeldijkseweg vallen een aantal bedrijven onder het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland met een bedrijfsbestemming tot en met bedrijfscategorie 3.1. Volgens de VNG-richtlijn wordt in gebieden met functiemenging niet gewerkt met richtafstanden.

De toelaatbaarheid van milieubelastende functies wordt beoordeeld aan de hand van de ruimtelijk relevante milieucategorieën A B en C zoals hierboven beschreven. De bedrijven langs de Ambachtsweg zijn allen bouwkundig afgescheiden van bestaande en de te bouwen woningen binnen het plangebied Wateringen Noord. De bedrijven met een specifieke aanduiding (categorie C bedrijven) ontsluiten op de Ambachtsweg en daarmee op de hoofdinfrastructuur. Met de ontwikkeling van de woonwijk Wateringen Noord in plaats van de huidige glastuinbouwbedrijven, is hier geen sprake meer van een 'gebied met functiemenging'. Om na te gaan of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen in het plangebied, rekening houdende met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de aanwezige bedrijven, is (ook) gekeken naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerreinen'. Voor de beoordeling van bedrijfsactiviteiten naast een woongebied zijn in de VNG-brochure de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming, waarbij zonder nader onderzoek kan worden aangenomen dat hinder van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft.

Indien de omgeving is aan te merken als "gemengd gebied", kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. De richtafstanden zijn “stap 1” volgens de systematiek van de VNG-brochure, als daar niet aan kan worden voldaan, kunnen de normen van de stappen “2 en 3” worden gebruikt. Voor de te ontwikkelen woonwijk wordt de eerstelijnsbebouwing gekenmerkt als “gemengd gebied” (direct naast woningen liggen immers (kleine) bedrijven). Voor de rest van de woonwijk (de “tweedelijns bebouwing” en verder) geldt dat de “eerstelijnsbebouwing” een afschermende werking heeft, waarbij deze woningen worden beschouwd als “rustige woonwijk” als opgenomen in de VNG-brochure (zie hierover ABRvS 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1814).

29

Afbeelding 3.1: Afstand tussen bedrijfsbebouwing langs de Ambachtsweg en nieuwe bebouwing. In afbeelding 3.1 (links) is te zien dat tussen de bedrijfsbebouwing langs de Ambachtsweg en de mogelijke nieuwe bebouwing een afstand van tenminste 21 meter wordt aangehouden. Rechts in afbeelding 3.1 is te zien dat tot de bebouwing zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan tenminste 25 meter afstand geldt tussen de gevels van de voorziene woningen en de bestaande bedrijvigheid. Voor het overgrote deel van de bedrijvigheid -aan te merken als categorie 2 bedrijven- wordt voldaan aan de richtlijnafstand uit de VNG-brochure (10 meter). Op enkele plaatsen is echter sprake van bedrijvigheid in de bedrijfscategorie 3.1 waarbij niet wordt voldaan aan de richtafstand (30 meter). Daarbij loopt de systematiek van SvB functiemenging niet (helemaal) gelijk op met de SvB bedrijventerrein en hebben zich bedrijven binnen de categorie B bedrijfsbestemming gevestigd waarvan het de vraag is of dat gerechtvaardigd is. Op grond hiervan is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de milieusituatie van de aanwezige bedrijven en de betekenis hiervan voor de voorziene woonwijk. Aanvullend onderzoek Door DGMR is een aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4).

Onderzocht is in hoeverre de aanwezige bedrijven achter de Ambachtsweg en op de percelen Poeldijkseweg 29b en Poeldijkseweg 17a milieuhinder zouden kunnen veroorzaken voor de voorziene woningbouw en in hoeverre deze aanvaardbaar zou zijn. De aspecten geur, stof en veiligheid zijn per bedrijf geanalyseerd. Gebleken is dat deze niet leiden tot relevante impact in het plangebied. Behalve deze aspecten is uiteraard de geluidssituatie van ieder bedrijf in beeld gebracht. De bedrijven rondom het plangebied vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In artikel 2.17 van dit besluit zijn grenswaarden opgenomen voor geluid. Deze gelden ter plaatse van de gevels van gevoelige bestemmingen. Aangezien nabij de bedrijven bestaande woningen liggen vormen deze grenswaarden een bestaande beperking van de activiteiten van de bedrijven. Uit het onderzoek is gebleken dat bedrijven (volgens eigen opgave) meer geluid produceren dan volgens het Activiteitenbesluit bij reeds bestaande woningen is toegestaan. Mede gelet op geldende jurisprudentie is het niet opportuun om een met het Activiteitenbesluit strijdige geluidproductie mogelijk te maken.

Uit het onderzoek is gebleken dat wanneer de bedrijven wel voldoen aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit op de gevels van de bestaande woningen, alsnog voor de nieuwe woningen niet kan worden voldaan aan de toetswaarden van stap 2 uit de VNG-brochure. Derhalve zijn een aantal maatregelen uitgewerkt waardoor alsnog kan worden voldaan aan de toetswaarden van stap 2. Het betreft een te plaatsen geluidsscherm tussen de bedrijven en de voorziene woningbouw. Het scherm is 3,5 meter hoog en heeft en massa van tenminste 10 kgAri2. Hiermee worden de bedrijfsactiviteiten ook fysiek en visueel van de nieuwe woonomgeving gescheiden.

30

Voor één bedrijf is aanvullend een beperkte wijziging van de huidige bedrijfsvoering benodigd. Het betreft hierbij het gebruik van een elektrische heftruck in plaats van een heftruck op diesel dan wel gas. Ook is bij één bedrijf een beperkte extra demping van een koeling/afzuiging vereist van tenminste 2dB(A). 3.2.3

Conclusie

In beginsel wordt in een groot gedeelte van het plangebied voldaan aan de richtafstanden van de VNG-brochure. Uit aanvullend onderzoek waarbij alle bedrijven bezocht zijn en geluidmetingen hebben plaats gevonden is echter gebleken dat een geluidsscherm noodzakelijk is om een aanvaardbaar woonen leefklimaat zeker te stellen. Voor één bedrijf (Molenaar bedrijfsloodsen Ambachtsweg 88c t/m h) is aanvullend een beperkte wijziging van de huidige bedrijfsvoering benodigd. Het betreft hierbij het gebruik van een elektrische heftruck in plaats van een heftruck op diesel dan wel gas. Ook is bij één bedrijf (Lades food, Poeldijkseweg 1b, unit 9) een beperkte extra demping van een koeling/afzuiging vereist van tenminste 2dB(A).

3.3

Geluid

3.3.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 3.3.2

Onderzoek

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling voor een nieuw te ontwikkelen woongebied. Omdat de nieuwe woningen zijn gelegen binnen de route Wippolderlaan/Lozerlaan, Erasmusweg, Poeldijkseweg en de Ambachtsweg is akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk. Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 5. De belangrijkste bevindingen worden in deze paragraaf samengevat. In het onderzoek is de geluidsbelasting door verkeer op de bovengenoemde wegen beschouwd. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook het verkeer op de nabij gelegen relevante 30 km-wegen in dit onderzoek betrokken. Het voornemen is de kruising Wippolderlaan/Erasmusweg ongelijkvloers uit te voeren. Omdat deze wijziging nog niet juridisch is verankerd, is de gewijzigde ligging van deze wegen niet als uitgangspunt in het onderzoek aangehouden. Uit het onderzoek blijkt dat vrijwel alleen het verkeer op de route Wippolderlaan/Lozerlaan en de Erasmusweg een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting bedraagt maximaal respectievelijk 61 dB en 54 dB. De maximale hogere waarde voor wegverkeerslawaai van 63 dB wordt niet overschreden, zodat dove gevels niet noodzakelijk zijn.

Langs de Poeldijkseweg is op één woning een geluidsbelasting berekend van 49 dB, 1 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt maximaal 65 dB in de uiterste noordwesthoek van het bestemmingsplan op het appartementengebouw aan de zijde van de Wippolderlaan. Uit het onderzoek op basis van een actuele verkaveling blijkt dat bij enkele grondgebonden woningen niet kan worden voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk beleid. Op de tweede verdieping (zolder) kan niet worden voldaan aan de voorwaarde van een geluidsluwe gevel. Bij een aanzienlijk deel

31

van de appartementen is de geluidsbelasting hoger dan 53 dB. Minimaal 500Zo van de appartementen moeten zijn gesitueerd aan een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 53 dB. Omdat op het gebouw op de hoek van de Wippolderlaan met de Erasmusweg op drie van de vier gevels van het gebouw sprake is van een geluidsbelasting hoger dan 53 dB lijkt niet aan deze voorwaarde te kunnen worden voldaan. Als de eis van 500Zo op het totaal van de appartementen binnen het bestemmingsplan geldt kan wel aan deze voorwaarden worden voldaan. Op basis van de resultaten dient ook (en als eerste) aandacht te worden besteed aan de mogelijkheid van geluidsreducerende maatregelen. Hierbij kan worden gedacht aan de toepassing van een stiller wegdek op de Wippolderlaan en of de Erasmusweg en/of een scherm. Het voornemen is de kruising Wippolderlaan/Erasmusweg te wijzigen naar een ongelijkvloerse kruising. Gelijk met deze wijziging kunnen ook maatregelen worden overwogen om de geluidsbelasting op de nieuwe woningen in dit plan te reduceren. Uit het onderzoek blijkt dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde aan de orde is bij de nieuwe woningen door het verkeer op de route Wippolderlaan/Lozerlaan, de Erasmusweg en zeer beperkt de Poeldijkseweg. Dit betekent dat een hogere waarde procedure moet worden doorlopen.

Bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan moet ook een ontwerpbesluit hogere waarden terinzage worden gelegd. Op dat moment moet ook bekend zijn welke maatregelen er kunnen worden getroffen en of het noodzakelijk is (gemotiveerd) af te wijken van het beleid. 3.3.3

Conclusie

Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de maximale hogere waarde voor wegverkeerslawaai niet wordt overschreden. Wel is sprake van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde, waardoor een hogere waarde procedure moet worden doorlopen. Een ontwerpbesluit hogere waarden zal tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Onderzocht wordt of en welke geluidsreducerende nodig en mogelijk zijn, en of gemotiveerde afwijking van gemeentelijk beleid noodzakelijk is. Daarbij zal worden afgestemd met de ODH.

3.4

Luchtkwaliteit

3.4.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

stikstofdioxide (NO)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m3

jaargemiddelde concentratie

40 ìgAr|3

2010 t/m 2014 vanaf 2015

jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

48 ìgAr|3 40 ìgAr|3

24-uurgemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m^ max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m^

fijn stof (PM10)1)

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

11 Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing

32

(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Tabel 3.1: Grenswaarden luchtverontreinigende stoffen. Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: « de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); * de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); * bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); » de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); * het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Besluit niet in betekenende mate (NIBM)

In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: « een project heeft een effect van minder dan 10 van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; * een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën zijn opgenomen in de Regeling NIBM, en betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg (of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.4.2

Onderzoek

In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het transformatiegebied Wateringen-Noord worden 700 woningen gerealiseerd, die worden ontsloten door twee ontsluitingswegen. De voorgenomen ontwikkeling valt zodoende ruim binnen de in de Regeling NIBM genoemde categorie. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, en de Wlk geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. In een nader onderzoek is deze conclusie middels een rekenmodel gestaafd. Gebleken is dat op 10 meter uit de rand van de beschouwde wegen en ter plaatse van de nieuwe woningen in het plan geen concentraties optreden die hoger zijn dan de grenswaarden (bijlage 6). 3.4.3

Conclusie

Op grond van de Regeling NIBM kan de voorgenomen ontwikkeling worden gecategoriseerd als een woningbouwlocatie die niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze conclusie is met een onderzoek gestaafd.

33

3.5

Externe veiligheid

3.5.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving als gevolg van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Voor het bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist.

Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. Risicovolle inrichtingen

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt.

Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van

34

toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. Vervoer gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Delft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.

Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan.

Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording:

35

1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100/ letaliteitszone en de 1/ letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10/ toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

3.5.2 Onderzoek

Door KuiperCompagnons is voor dit bestemmingsplan een onderzoek aspect externe veiligheid uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 7. De belangrijkste resultaten worden in deze paragraaf samengevat. Risicobronnen

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig, zoals weergegeven op afbeelding 3.2. Het betreft de risicobronnen: * * * « « *

Hogedruk aardgastransportleiding A-617 Hogedruk aardgastransportleiding W-509-02 Vervoer gevaarlijke stoffen over de N211 Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A4 Vervoer gevaarlijke stoffen over de N222 LPG Tankstation Shell Lozerlaan -

mmm TV v

mm

war

r' M

1

^

Afbeelding 3.2: Uitsnede risicokaart en ligging plangebied (globaal blauw omcirkeld). Het plangebied bevindt zich binnen de invloedsgebieden van de hogedruk aardgastransportleidingen A-617 en W-509-02, en het verantwoordingsgebied van de provinciale weg N211. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de rijksweg A4, de provinciale weg N222 en het LPG tankstation Shell Lozerlaan. Explosieven De gemeente Westland heeft hiernaast in 2014 een CE-bodembelastingkaart op laten stellen. Op deze kaart zijn de risicogebieden aangeduid. In afbeelding 3.3 is een uitsnede van deze kaart ter hoogte van het plangebied weergeven. Hieruit blijkt dat het plangebied als 'niet verdacht' valt aan te merken.

36

a Onderzoeksgebied Vrij van alle CE, tot bekende diepte j Vrij van alle CE, tot onbekende diepte

Hf Verdacht op vernielingsladingen Verdacht op KKM en hand- en geweergranaten |XXX| Verdacht op alle hoofdsoorten CE behalve afwerpmunitie en onderwatermunitie

Vrij van onbekende CE, tot onbekende diepte

Verdacht op geschutmunitie, KKM en hand- en geweergranaten

Verdacht op afwerpmunitie

Verdacht op geschutmunitie, KKM, hand- en geweergranaten en afwerpmunitie

Verdacht op V-wapens

Verdacht op munitie voor granaatwerpers

Verdacht op landmijnen

Aanvullend onderzoek noodzakelijk

Afbeelding 3.3: Uitsnede Explosievenkaart gemeente Westland. Hogedruk aardgastransportleiding

Het plangebied bevindt zich binnen de invloedsgebieden van de hogedruk aardgastransportleidingen A-617 en W-509-02, waardoor een verantwoording gegeven dient te worden van het groepsrisico. Het groepsrisico is berekend met het computerprogramma CAROLA. Hieruit blijkt dat in zowel de huidige als de plansituatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico voor dit leidingtraject niet overschreden wordt. Er treedt geen verandering van het GR op als gevolg van het bouwplan. Vervoer gevaarlijke stoffen weg

De locatie ligt binnen het verantwoordingsgebied van de N211, waardoor een verantwoording gegeven dient te worden van het groepsrisico. Over de N211 wordt o.a. LPG vervoerd naar het LPG station Shell Lozerlaan. Door middel van de vuistregels uit de Handleiding Risico-analyse Transport (HART) is inzichtelijk gemaakt of een berekening van het groepsrisico achterwege kan blijven. Aan de hand van de HART methode is bepaald dat de N211 geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Nieuwe risicobronnen

Aan de energietransitie zijn veiligheidsrisico's verbonden, zoals risico's rond elektrisch rijden/parkeren, waterstof en grootschalig gebruik van zonnepanelen in combinatie met energie opslag systemen (EOS). Indien in het plangebied nieuwe energiebronnen worden ontwikkeld dient de VRH hierover geïnformeerd te worden. Beschrijving zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid

In het plangebied worden functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid. Het maatschappelijk cluster met ruimte voor verpleeghuis- en gehandicaptenzorg en de brede school met kinderdagverblijf zijn daar voorbeelden van. Deze functies worden echter op grote afstand van de risicobronnen gepositioneerd, zodat ze buiten het invloedsgebied (10Zo letaliteitsafstand) van de gasleidingen en tevens buiten de 200 meter zone van de N211 gelegen zijn. Ook is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen in het westelijke deel van het plangebied zullen gaan wonen of aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig 'verspreiden' tussen de reguliere doelgroepen. Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende maatgevende ongeval scenario's. In het geval van een plasbrand, BLEVE of fakkelbrandincident kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 1000Zo letaliteitscontour bevindt. Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen tot de

37

voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied: *

in het stedenbouwkundig ontwerp rekening houden met de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten; * effectieve bluswatervoorziening; * E-Alert; « risicocommunicatie naar de bewoners/werknemers; * risicoscenario's externe veiligheid in calamiteitenplan maatschappelijke voorziening. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Haaglanden. 3.5.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.6 Water 3.6.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. * Nationaal waterplan Provinciaal: * * *

Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.

Nationaal beleid

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: * Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; * Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; » Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; « Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; * Nederlanders leven waterbewust.

38

Provinciaal beleid

Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: * de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; * tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen.

De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen.

De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.

Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid

Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop:

39

« de waterveiligheid; * het waterbeheer; * de waterkwaliteit; * het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; 2.

Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen.

Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: « Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; * Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.

Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: « Beleidskader omtrent water; * Veiligheid en waterkeringen;

40

« * * * * *

Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie.

Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland, met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd. 3.6.2

Onderzoek

Door Aqua-Terra Nova is voor transformatiegebied Wateringen-Noord een waterstudie Z waterhuishoudkundig plan opgesteld. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 8. Per aspect worden in deze paragraaf de belangrijkste uitkomsten besproken. Huidige en toekomstige situatie plangebied

Het plangebied valt onder het beheer van het Hoogheemraadschap van Delfland, en ligt in peilgebied I en peilgebied III van de Wippolder. Het grenst aan de noordkant aan een watergang en waterkering. Peilgebied I heeft een oppervlakte van 341,7 ha en beslaat ruim 950Zo van de Wippolder. Het gebied watert af in zuidelijke richting via een drietal duikers onder de Poeldijkseweg. De Wippolder als geheel watert af op gemalen aan het Oosteinde en de Markuslaan. Ter plaatse van de Markuslaan bevindt zich een sifon tussen peilgebieden WPP I en WPP II die kan worden afgesloten zodat het gebied in twee onafhankelijk functionerende delen kan worden verdeeld. In de huidige situatie kent het plangebied een grotendeels agrarische bestemming. Er is sprake van 94.450 m2 verharding (agrarisch, glastuinbouw), 106.411 m2 is onverhard terrein, en er is 7.772 m2 oppervlaktewater aanwezig. Met de voorgenomen ontwikkeling van een woongebied zal het verhard oppervlak in het plangebied toenemen. In de waterstudie bij het plangebied is uitgegaan van 115.606 m2 verharding (bebouwing/infrastructuur), en 85.285 m2 onverhard (stedelijk) terrein. Het bestaande oppervlaktewater van 7.772 m2 blijft behouden. Hieraan wordt een extra wateroppervlak van 10.163 m2 toegevoegd ter compensatie van de toegenomen verharding, waarmee het totale oppervlaktewater in het gebied 17.935 m2 zal beslaan.

De compensatieopgave komt voort uit de uitgevoerde watersleutelberekening. Hierop wordt onder 'Waterkwantiteit' nader ingegaan. Daarbij is er in de toekomstige situatie een prominente plaats voor water in het plangebied. De hoofdopzet van het gebied zoals uitgewerkt in de Gebiedsvisie is gebaseerd op de watergangen, die ook zijn verankerd in dit bestemmingsplan. De historische slotenstructuur fungeert hiervoor als drager. Zo wordt de zwakke groenblauwe structuur van het dorp Wateringen versterkt. Ter versterking van het regionale boezemwatersysteem verkennen samenwerkende overheden sinds 2018 de realisatie van de Erasmusvaart; een boezemkade parallel aan de Erasmusweg en Wippolderlaan die Den Haag met het Westland verbindt. Hoewel de realisatie van deze vaart nog zeer onzeker is en geen onderdeel uitmaakt van de planvorming in Wateringen-Noord, is wel een ruimtereservering opgenomen in de Gebiedsvisie. Verder zullen enkele watergangen en oevers in het plangebied voorzien worden van natuurvriendelijke oevers (NVO's). Deze oevers zijn ook als zodanig bestemd in het bestemmingsplan. Tussen de bestaande bebouwing en het plangebied wordt een grenssloot gerealiseerd als overgang naar de

41

omringende percelen. Met deze sloot kunnen hoogteverschillen in het maaiveld opgevangen worden en tevens wordt zo een rondgaand watersysteem gerealiseerd dat de doorstroming en waterkwaliteit ten goede komt. Veiligheid en waterkeringen

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Aan de noordzijde van het plangebied, parallel aan de Erasmusweg ligt de polderkade met beschermingszone die de Wippolder begrenst (zie afbeelding 3.4). Deze kade is 60 cm hoog en ligt grotendeels in de gemeente Den Haag. De kade maakt een knik waardoor een deel binnen het plangebied is gelegen. De waterkering wordt opgenomen in het maaiveld ten noordwesten van de ontsluitingsweg. In deze zone worden geen woningen gebouwd of private tuinen aangelegd.

Ä";

Afbeelding 3.4: Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap van Delfland.

İ áK W* V

XV;'; „

Afbeelding 3.5: overlap leggerkaart met verbeelding bestemmingsplan

42

Wa terkwantiteit

Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme) regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Watercompensatie In de door Aqua-Terra Nova uitgevoerde waterstudie is in het kader van de watertoets ook een watersleutelberekening uitgevoerd. Vanwege de toename van verharding en beschermingsniveau in de toekomstige situatie komt uit deze berekening een extra wateropgave van 10.163 m2. Met een peilstijging van 0,25 m komt dit overeen met in totaal 17.935 m2 aan wateroppervlak voor het plangebied.

In het plangebied dient daarnaast nog 324 m2 extra oppervlaktewater te worden gerealiseerd als compensatie voor een project van Weboma BV aan de Prins Clauslaan te Wateringen. Zorgplicht De initiatiefnemer dient maatregelen of voorzieningen te treffen om te voldoen aan de zorgplicht. In de 'Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces' van het Hoogheemraadschap van Delfland worden naast de besproken compensatieopgave ook vasthoudmaatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie genoemd. Hierop wordt onder 'Klimaatadaptatie' nader ingegaan. Watersysteemkwaliteit en ecologie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=d9988158-50ee-4308-9931-02d1c1c3135c