CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke Onderbouwing Nieuweweg nabij 56 te Poeldijk

Gemeenteraad 18 september 2024, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de verklaring van geen bedenkingen Nieuweweg te Poeldijk11.381 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Nadere toetsing in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

35

3.7.2.3 Houtopstanden In de Omgevingswet geldt een bescherming van houtopstanden die groter zijn dan 10 are, (1000m2) en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Deze regel is enkel van toepassing op een bos of bomenrij buiten de bebouwde kom. Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom en er worden minder dan 20 bomen verwijderd. Een meldingsplicht bij de provincie Zuid-Holland is niet noodzakelijk. In Nederland geldt een herplantplicht buiten de bebouwde kom . Indien er bomen worden gekapt, dient minimaal hetzelfde aantal bomen te worden aangeplant. Dit dient binnen 3 jaar na kap te gebeuren. De gemeente Westland heeft het voornemen om meer ruim te voor bomen te creëren en de variatie in de kwaliteit van het bestaande groen te verbeteren. Ook wil ze bestaande natuurgebieden uitbreiden. Er wordt naar gestreefd voor elke boom die wordt verwijderd twee bomen terug te plaatsen. 3.7.2.4 Soortenb escherming In onderstaande tabel zijn de benodigde vervolgstappen conform de Omgevingswet per soortgroep aangegeven.

36

Advies en vervolgstappen Broedvogels Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Het is tevens mogelijk om broedgevallen van onder andere kleine plevier, kieviet en scholekster, waarvoor het plangebied geschikt is als broedlocatie, te voorkomen. Dit kan onder andere door het

37

plangebied regelmatig te betreden (minimaal 1 keer per week en evt. met hond) of door het terrein af te bakenen met afschriklinten en/of roofvogelvlieger. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen kunnen vliegen of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden. Tijdens de bouwfase kan het voorkomen dat er steile wanden ontstaan in gronddepots. Dit zijn geschikte nestlocaties voor de oeverzwaluw om in te broeden. Oeverzwaluwen broeden in kolonieverband in zelf gegraven gangen in steilwanden. Bij het plaatsen van gronddepots in het broedseizoen zijn maatregelen nodig om nestvorming te voorkomen. Vanaf maart tot en met augustus, wanneer oeverzwaluwen in Nederland aanwezig zijn, wordt geadviseerd om gronddepots af te zwakken, of het zanddepot af te dekken met een zeil. Vleermuizen Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt.

De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en de toepassing van een scherpe afsnede van de lichtinval. Grondgebonden zoogdieren Er is geen nader soortgericht onderzoek naar grondgebonden zoogdieren noodzakelijk. Om aan de zorgplicht te voldoen is het advies om negatieve effecten op konijnen en hazen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen. Alvorens de werkzaamheden beginnen is, tussen februari en september, aan te bevelen om een éénmalige controle naar jonge hazen en konijnen met speurhond uit te voeren. Ook is tussen februari en september de aanbeveling om te voorkomen dat hazen en konijnen hun jongen werpen binnen het plangebied. Dit kan onder andere door het plangebied regelmatig te betreden (minimaal 1 keer per week en evt. met hond) of door het terrein af te bakenen met afschriklinten. Natuurinclusief bouwen Om de natuur voldoende ruim te te geven is het advies om de nieuwbouw natuurinclusief te bouwen. Aqua-Terra Nova raadt VISIE B.V. aan de website bouwnatuurinclusief.nl te raadplegen. Ook vindt men hier een checklist met betrekking tot welke maatregelen t.a.v. een groene leefomgeving en natuurinclusief bouwen van toepassing zijn in specifieke situaties, zoals bij de ontwikkeling aan de Zwedenlaan. 3.7.3

Conclusie

Gelet op bovenstaande en de bijhorende rapportage staan alle ecologische aspecten niet in de weg. Uiteraard geldt ten alle tijde de zorgplicht. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruim te krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. Indien er tijdens de werkzaamheden onverhoopt dieren worden aangetroffen die niet uit zichzelf (kunnen) vluchten, moet contact opgenomen worden met Aqua-Terra Nova.

38

3.8

Stikstof

3.8.1

Wettelijk kader

Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn doorvertaald in de Omgevingswet. Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings-/verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om projecten te beoordelen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voor projecten geldt een vergunningsplicht als het project een significant gevolg kan hebben op een Nederlands Natura 2000-gebied. Als de ontwikkeling op zichzelf zelf niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (> 0,00 mol/ha/jaar), dan is op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat het plan of project qua stikstofdepositie significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied heeft. Er is dan geen omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten benodigd. 3.8.2

Onderzoek

Door Anteagroup is een stikstofonderzoek (6 februari 2024) uitgevoerd. Om de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden te berekenen wordt gebruik gemaakt van het verplicht gestelde rekenprogramma AERIUS calculator (versie 2023.1). De realisatiefase beslaat een periode van drie jaar, van 2024 tot en met 2026. In het eerste jaar wordt het terrein bouwrijp gemaakt en wordt er gefundeerd. Gedurende zowel 2025 als 2026 wordt het gebouw opgericht. Deze taken zijn gelijkmatig verdeeld over deze twee jaren (2025 en 2026). Er zijn daarom berekeningen uitgevoerd voor de rekenjaren 2024 en 2025, waarmee de emissies van de gehele realisatie in beeld wordt gebracht. In het jaar 2027 worden de woningen in gebruik genomen. Er is daarom een ook een berekening uitgevoerd van het rekenjaar 2027, waarmee de emissies van de gebruiksfase in beeld worden gebracht. Referentiesituatie Op de beoogde locatie is een kas (glastuinbouw) gesloopt om plaats te maken voor de beoogde ontwikkeling. Door de komst van de huurappartementen zijn de emissies uit gasverbruik en verkeersaantrekking van de kas verdwenen. Hierdoor is er sprake van een afname van stikstofemissies. In de berekening beschreven in dit rapport is de afname door het verdwijnen van deze emissies (referentiesituatie) vooralsnog niet meegenomen.

Indien er reeds zonder referentiesituatie geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Natura 2000-gebieden, dan zal dat bij een verrekening met de referentiesituatie zeker het geval zijn. 3.8.3

Conclusie

De AERIUS Calculator (versie 2023.1) geeft voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase een maximale bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. Er is geen omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten benodigd.

39

3.9

Bezonningstudie

Voor de ontwikkeling is een bezonningstudie uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 12 bij de onderbouwing. Uit de bezonningstudie volgt dat de norm van twee uur bezonning in de voor de lichte TNO-norm relevante periode van 19 februari tot en met 2 oktober ruimschoots wordt gehaald. In feite is er zelfs helemaal geen sprake van negatieve schaduwwerking door de grote afstand tot de bestaande bebouwing in relatie tot de bouwhoogte.

3.10 Cultuurhistorische aspecten 3.10.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.

Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 3.10.2

Onderzoek

In het huidige bestemmingsplan De Kreken fase 2, ligt het plangebied in een zone met een dubbelbestemming archeologie, waarde – archeologie 2. Dit houdt in dat de grenswaarden voor (graaf)werkzaamheden 100m2 en 50 cm zijn. Met de voorgenomen plannen worden deze grenswaarden overschreden. De locatie betreft het perceel MSR00 K4157 en gedeeltelijk het perceel MSR00 K6467. Het eerste perceel is in 2019 onderzocht door middel van proefsleuven (ADC-rapport 5376). Op basis van die proefsleuven is het perceel vrij te geven. Men zit hier ten oosten van een Romeinse nederzetting. De kans

40

dat er relevante archeologische resten verstoord worden op perceel MSR00 K4157, is klein. Het perceel ten oosten hiervan hoort ook deels bij het huidige plangebied. Op deze locatie heeft nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Wel zijn er in de omgeving archeologische onderzoeken uitgevoerd en zijn er boorgegevens bekend. Op basis hiervan kan aangenomen worden dat er ter hoogte van de huidige parkeerplaatsen ten westen van de Paul Captijnlaan ook geen archeologische resten aanwezig zullen zijn. De kans dat er relevante archeologische resten verstoord zullen worden met de voorgenomen werkzaamheden, is dan ook klein. Er hoeft voor deze ontwikkeling geen archeologisch onderzoek meer uitgevoerd te worden. 3.10.3

Meldingsplicht

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht. Tevens vragen wij u contact op te nemen met de gemeentelijke archeoloog, cluster Ruimte, team Omgeving en Toezicht.

41

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht bij vaststelling van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1 Bro, een exploitatieplan vast te stellen. Er behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld, als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden, of doordat de gemeente zelf eigenaar is van bedoelde gronden. Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied zijn de exploitatiekosten beoordeeld en is een exploitatieplan niet nodig, omdat op andere wijze (gronduitgifte) reeds in kosten verhaal is voorzien.

4.2

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

4.2.1

Overleg

In de periode van 14 maart 2024 t/m 18 april 2024 heeft over het voorontwerp van de omgevingsvergunning bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Delfland Gasunie Tennet De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage 13 van deze toelichting. 4.2.2

Zienswijzen

Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 31-5-24 t/m 12-7-24.voor het indienen van zienswijzen. Gedurende de periode van tervisielegging is één zienswijze ingediend. De ontvangen zienswijze is beoordeeld. Voor een beantwoording van de zienswijze wordt verwezen naar Bijlage 14 van deze toelichting.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=9fee7beb-caee-4c50-bbe2-60a3996b4e90