CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimteijke onderbouwing Zuideinde nabij 14 te Naaldwijk (21-0035439)

Commissie Ruimte en Wonen 2 februari 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning Zuideinde nabij 14 te Naaldwijk30.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling.

Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 meter van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Het plangebied bevindt zich op ca.

1 km afstand van de dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied langs de N213. De aanwezigheid van de N213 vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe

31

situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van buisleidingen. Het plangebied bevindt zich op ca. 500 meter afstand van de dichtstbijzijnde buisleiding (buisleiding NAM, nummer 2 in figuur 4.1). Buisleiding MN-411041 van de NAM heeft een werkdruk van 44 bar en een diameter van 6 inch). De buisleiding heeft een 1% letaliteitscontour tussen de 70 en 90 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de buisleiding. De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Incidentbestrijding door hulpdiensten Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten evoldoende zijn. De bereikbaarheid van het plangebied voor de hulpdiensten dient goed te zijn. Het plangebied is van 2 kanten bereikbaar, via Zuideinde en ook via de Secretaris Verhoeffweg. Bij calamiteiten kan altijd via beide kanten worden aangereden. De bereikbaarheid is dan ook voldoende. Explosieven Voor de gehele gemeente Westland is een bodembelastingkaart opgesteld (kenmerk 14S023-BB-03). Deze is in 2014 geüpdatet door Saricon bv en voldoet aan de huidige vigerende norm WSCS-OCE.

Op de bodembelastingkaart is duidelijk op te maken dat het plangebied niet in een gebied als zijnde verdacht op conventionele explosieven valt.

32

Uitsnede Explosievenkaart Westland Te zien is dat het plangebied niet in verdacht gebied valt. Tevens hebben er in de directe omgeving van het plangebied geen oorlogshandelingen plaatsgevonden. Een aanvullend bureauonderzoek om eventueel aanwezige verdachte gebieden verder in te kaderen wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Hoewel niet volledig uitgesloten kan worden dat er conventionele explosieven in het plangebied aanwezig kunnen zijn, is op basis van beschikbaar onderzoek het risico op aantreffen van CE als zeer laag te kwalificeren. De geplande werkzaamheden onder reguliere omstandigheden uit te voeren 3.5.3

Conclusie

De ontwikkelingen in het plangebied zijn getoetst aan de normen voor het plaatsgebonden- en groepsrisico, die zijn vastgesteld voor risicovolle inrichtingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over de weg, water en het spoor en voor luchthavens. De aanwezigheid van risicorelevante activiteiten in de omgeving van het plangebied vormen geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. Een berekening en verantwoording van het groepsrisico is niet vereist op grond van het Bevi, Bevb en Bevt.

3.6

Water

3.6.1

Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de

33

waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Het plangebied is gelegen in het boezemgebied en maakt onderdeel uit van het hoofdpeilgebied. Het plangebied ligt in de buurt van binnenwaterkeringen of regionale waterkeringen, maar valt net buiten de beschermingszone.

Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.

Er wordt bij dit nieuwbouwproject extra onverhard oppervlak gerealiseerd ten opzichte van de bestaande situatie. Op basis van de Watersleutel dient er in de nieuwe situatie geen water gegraven te worden. Wel is de zorgplicht van kracht en wordt geadviseerd om klimaatadaptieve maatregelen te treffen, zoals

34

half-verharding op het parkeerterrein (zie Klimaatadaptatie-Toolbox van het Hoogheemraadschap van Delfland). Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen .

Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Het projectgebied heeft vanwege het ontbreken van oppervlaktewater geen directe invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Door de eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet.

35

Er gelden de volgende criteria: als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen. De watergang aan de zuidzijde maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Delfland dient deze te onderhouden, dit kan naar verwachting varend uitgevoerd worden. Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen.

Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. De maaiveld hoogte bedraagt momenteel ca. 0,35 m NAP volgens hoogtekaart.nl (zie figuur 3.4) en het vloerniveau van de Kistenfabriek komt op 0,9 m NAP. Het maatgevend peil zit op -0,43 m voor het hoofdpeilgebied van de boezem waarmee de drooglegging ca. 1,33 m bedraagt daarmee aan de standaard voldoet. Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de grondwaterstroming wordt afgekapt. In de huidige ontwikkeling worden geen ondergrondse werken worden gebouwd. Afvalwater en riolering De bestaande woning is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en de nog te bouwen woning zou aannemelijk aangesloten worden op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Het huishoudelijk afvalwater zal middels een drukrioolstelsel aangesloten worden op het gemeentelijk rioolsysteem.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; water opvangen door toepassen van vegetatiedaken; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar (nabij gelegen) oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Onderstaand figuur geeft de huidige situatie weer waaruit blijkt dat het in een gebied ligt van een gemengd rioolstelsel met vrijvervalleiding. Mogelijk kan het hemelwater van gebouw en verhard oppervlak indirect, na buffering, op het oppervlaktewater worden gebracht.

36

Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer en dergelijke. 3.6.2

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.7

Bodem

3.7.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.

het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake

37

zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2

Onderzoek

Bij de aanvraag zijn de volgende bodemonderzoeken ingediend: 1.

2.

3.

‘Milieukundig bodemonderzoek Zuideinde/ ’s-Gravenzandseweg Naaldwijk Gemeente Westland’ (opgesteld door BMA Milieu B.V. met kenmerk MKB.2018.0112 van 20 juli 2018. Zie Bijlage 9 Bodemonderzoek 1); ‘Eindsituatie bodemonderzoek en nader onderzoek asbest Zuideinde/ ’s-Gravenzandseweg Naaldwijk Gemeente Westland’ (opgesteld door BMA Milieu B.V. met kenmerk NOA.2018.0185 van 16 november 2018. Zie Bijlage 10 Bodemonderzoek 2); Aanvullend bodemonderzoek PFAS Zuideinde / ’s-Gravenzandseweg te Naaldwijk’, (opgesteld door BMA Milieu B.V., met kenmerk BRF.2019.0198.01 van 9 december 2019. ZieBijlage 11 Bodemonderzoek 3) .

Uit de onderzoeken 1 en 2 blijkt dat op een deel van de te bebouwen locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest en minerale olie. Op een ander deel bekend als deellocatie gedempte gracht is mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Het uitgevoerde onderzoek benoemd onder 1 was voor deze deellocaties niet voldoende. Gelet hierop is er sprake van een uitgestelde inwerkingtreding van de omgevingsvergunning. Op de deellocatie ‘gedempte gracht’ is mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Hiervoor is een nader asbestbodemonderzoek conform de NEN5707 noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de omgevingsvergunning wordt daarom in de overwegingen het volgende vermeld: a.

b.

3.7.3

De Omgevingsdienst Haaglanden heeft op 17 april 2020 aangegeven dat ter plaatse van het bouwplan mogelijk sprake is van verontreinigde bodem als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Westland. Op grond van artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht treedt de omgevingsvergunning niet in werking tot het moment waarop het bevoegd gezag Wbb heeft ingestemd met een saneringsplan, een correcte BUS-melding is ontvangen of een beschikking heeft afgegeven waarin is vastgesteld dat het geen geval van ernstige verontreiniging betreft waarvoor een spoedige sanering noodzakelijk is. Conclusie

Onder de voorwaarden als genoemd in deze paragraaf vormt het aspect bodem geen belemmering voor deze ontwikkeling.

3.8

Ecologie

3.8.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de

38

biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten.

Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

39

Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 4. 5. 6.

Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

40

3.8.2

Onderzoek

Op 30 oktober 2019 is door Aqua Terra Nova een eco-effectscan gemaakt (zie Bijlage 6 ecoscan). Het plangebied is bezocht in de middag van 23 oktober 2019. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek waren droog, half bewolkt met een temperatuur van 15°C, windkracht 1 Bft uit het noordwesten. Tijdens de inventarisatie zijn aanwezige natuurwaarden in het plangebied bekeken. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing. Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich op circa 2,3 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. Directe negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura-2000-gebied worden uitgesloten. Een stikstofdepositieberekening (zie Bijlage 7 stikstofberekening is uitgevoerd om de externe effecten van dit project op Natura 2000 gebieden te berekenen. Hieruit komt naar voren dat de AERIUS berekening van het worst case scenario een stikstofdepositie heeft hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Waarbij de hoogste depositie is op het Natura 2000-gebied ´Solleveld & Kapittelduinen', namelijk 0,04 mol/ha/jaar. Het gaat hierbij om een stikstofuitstoot van 560 kg NOx/jaar ten gevolge van de bouw van 20 appartementencomplexen.

De AERIUS berekening van het best case scenario heeft geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar, zie bijlage 4. Het gaat hierbij om een stikstofuitstoot van 39 kg NOx/jaar ten gevolge van de bouw van 20 appartementen. Om ervoor te zorgen dat er geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden plaats vindt, dient voorafgaand aan de bouw een nadere stikstofberekening te worden uitgevoerd waaruit blijkt dat de stikstofuitstoot tijdens de bouwfase lager is dan 80 kg NOx /jaar. De verplichting tot het indienen van een nadere stikstofberekening zal als voorschrift aan de vergunning worden opgenomen. Het plangebied bevindt zich op circa 1,1 km van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk. Soortbescherming Ten behoeve van dit project wordt het huidige groen gerooid en de aanwezige plas en bestrating verwijderd. Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • In de plas kan de aanwezigheid van amfibieën niet uitgesloten worden; • Tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels en algemeen voorkomende dieren; • Er bevinden zich geen strikt beschermde soorten binnen het plangebied.

Nader onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk; • De zorgplicht is te allen tijde van kracht. Vleermuizen Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door (straat)verlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen. Dit is met name van belang voor de watergang ten zuiden van het plangebied. Amfibieën Indien de plas gedempt wordt buiten de winterslaapperiode van amfibieën, grofweg van november t/m

41

maart, moeten, conform de zorgplicht, alle amfibieën en eventueel andere waterdieren voorafgaand aan de werkzaamheden afgevangen en elders in een geschikt biotoop uitgezet worden. Broedvogels Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden.

Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. 3.8.3

Conclusie

Indien rekening wordt gehouden met vorenstaande voorwaarden, die tevens als voorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, vormt het aspect ecologie geen belemmering.

3.9

Cultuurhistorische aspecten

3.9.1

Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden.

Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 3.9.2

Onderzoek

Op 11 oktober 2020 is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch onderzoek verricht (zie Bijlage 8 archeologisch onderzoek)

42

De ondergrond van het plangebied bestaat uit kleiige dekafzettingen (Gantel Laag, Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk). In de boringen, die in het noordoostelijk deel van het plangebied zijn verricht, gaan dekafzettingen scherp over in zandige geulafzettingen (Gantel Laag, Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk).

Alleen als er werkzaamheden in het rode deelgebied plaatsvinden, die dieper reiken dan 35 cm mv of 0,60 m NAP, dan dient daarvoor archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Het plangebied ligt echter buiten het rode deelgebied, waardoor er voor onderhavige aanvraag geen nader archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. In dit geval is alleen de meldplicht van toepassing. Dat betreft een algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Westland of in deze, bij de gemeente Westland.

43

3.9.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

44

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden is geregeld in de met de ontwikkelaar afgesloten anterieure overeenkomst. Daarmee is voldaan aan artikel 6.12, lid 2 onder a van de Wet ruimtelijke ordening en hoeft de gemeente geen exploitatieplan, als bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van het plan is hiermee verzekerd.

4.2

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

4.2.1

Overleg

In de periode van 10 augustus 2020 t/m 6 september 2020 heeft bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Delfland Veiligheidsregio Omgevingsdienst Haaglanden

De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting. 4.2.2

Zienswijzen

Van 16 oktober 2020 tot en met 26 november 2020 heeft het ontwerp van deze omgevingsvergunning ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn 8 zienswijzen ingediend. Hiervan is 1 zienswijze ingetrokken en 1 zienswijze is ingediend als pro forma zienswijze en is niet tijdig aangevuld. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 14 Nota beantwoording zienswijzen van deze toelichting.

45

46

Bijlagen bij de toelichting

47

Bijlage 1 Verkeerskundig onderzoek

48

Memo Aan

: Guido van Arkel, Bruco Huisvesting Adviseurs

C.c.

: -

Van

: Johan Eggink, Mobycon

Betreft

: Verkeerskundige toetsing ontwikkeling Zuideinde, Naaldwijk

Datum

: 23 december 2020

Kenmerk

: M06521-M-E2

Aanleiding en doel Bruco Huisvesting Adviseurs is op dit moment bezig met de ontwikkeling van een inbreidingsplan in het centrum van Naaldwijk. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 12 zorgappartementen, 8 sociale huurappartementen en 27 koopappartementen. Hiervoor moet het bestemmingsplan worden gewijzigd. U heeft ons gevraagd om een verkeerskundige toetsing voor deze bestemmingsplanwijziging uit te voeren, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt hoe het extra verkeer zich gaat afwikkelen na realisatie van de ontwikkeling, maar ook in het jaar 2027. Uw vraag Tijdens het uitvoeren van de verkeerskundige toetsing onderzochten we de volgende aspecten: • extra verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling; • verkeersintensiteiten na realisatie van de ontwikkeling en in 2027; • verkeersafwikkeling op wegvak- en kruispuntniveau na realisatie van de ontwikkeling en in 2027. Een alternatief ontwikkelplan dat momenteel wordt onderzocht, betreft het realiseren van in totaal 48 zorgappartementen in plaats van de 27 koop- en 12 zorgappartementen. Deze verkeerskundige toetsing gaat niet in op dit scenario. Bewoners van zorgappartementen hebben over het algemeen namelijk geen auto, waardoor het ontwikkelplan met 48 zorgappartementen altijd gunstiger zal uitvallen dan het ontwikkelplan met 27 koopappartementen en 12 zorgappartementen.

Anders gezegd: in deze toetsing gaan we uit van het worstcasescenario. Enkele jaren geleden hebben we (in opdracht van de gemeente) ook een verkeerskundige toetsing uitgevoerd voor de nabijgelegen ontwikkeling ‘De Rentmeester’. De toen tot stand gekomen berekening van de verkeersgeneratie nemen we mee binnen deze toetsing. Hiermee maken wij inzichtelijk wat de situatie is in het scenario waarin de Rentmeester is ontwikkeld.

In deze memo is dit als apart scenario verwerkt, zodat goed inzichtelijk is wat de precieze bijdrage van de verschillende ontwikkelingen aan de totale verkeersintensiteit is. Uitgevoerde onderzoek Voor de verkeerskundige toetsing hebben wij de volgende stappen doorlopen: • stap 1: inventarisatie intensiteiten; • stap 2: berekenen verkeersgeneratie; • stap 3: in kaart brengen toekomstige verkeersafwikkeling; • stap 4: toetsen verkeersafwikkeling na realisatie ontwikkeling en in 2027. In figuur 1 is de locatie van de ontwikkeling binnen Naaldwijk weergegeven.

Figuur 1. Locatie ontwikkeling binnen Naaldwijk

Stap 1: Inventarisatie intensiteiten We hebben met onze verkeerstelcamera’s tellingen uitgevoerd op donderdag 21 november 2019. Het betrof twee kruispunten waar de intensiteiten van alle soorten verkeer gemeten zijn. Het gaat om het kruispunt Secretaris Verhoeffweg – ’s-Gravenzandseweg en het kruispunt ’sGravenzandseweg – Zuideinde. Op dit eerstgenoemde kruispunt hebben we gemeten tussen 7.00 en 10.00 uur en tussen 15.30 en 18.30 uur. Op het laatstgenoemde kruispunt betrof het een 24uursmeting. De resultaten van de verkeerstellingen hebben we verwerkt en per wegvak en per richting op een rij gezet en vervolgens opgehoogd met 1% vanwege een autonome groei van het verkeer tussen 2019 en 2020. Voor de wegvakken rondom het kruispunt Secretaris Verhoeffweg – ’s-Gravenzandseweg hebben we de resultaten verwerkt voor het drukste ochtend- en drukste avondspitsuur. Immers, de Secretaris Verhoeffweg is een gebiedsontsluitingsweg, waarbij de verkeersafwikkeling wordt beoordeeld op basis van de intensiteiten in het drukste spitsuur.

Voor de wegvakken rondom het kruispunt ’s-Gravenzandseweg – Zuideinde ging het om de etmaalintensiteiten, aangezien beide wegen erftoegangswegen zijn, waarbij de verkeersafwikkeling wordt beoordeeld op basis van etmaalintensiteiten. We hebben de fietsintensiteiten buiten beschouwing gelaten. De intensiteiten voor het drukste ochtend- en avondspitsuur (voor de wegvakken rondom het kruispunt Secretaris Verhoeffweg – ’s-Gravenzandseweg) hebben we omgerekend van het aantal motorvoertuigen per uur naar het aantal pae per uur. Hiervoor hebben we de intensiteiten in aantal motorvoertuigen vermenigvuldigd met de factor 1,1. Dit is een CROW-kengetal. Voor de ontwikkeling van de Rentmeester zijn verschillende verkeerstellingen uitgevoerd en uitkomsten van een verkeersmodel gebruikt. Deze vallen echter lager uit dan de eigen gemeten verkeersintensiteiten tijdens de verkeerstelling. Om rekening te houden met een worstcasescenario hebben we ervoor gekozen om in het onderzoek enkel uit te gaan van de eigen tellingen en de tellingen van de gemeente buiten beschouwing te laten. In de volgende kaart tonen we de gebruikte intensiteiten. Voor de Secretaris Verhoeffweg geven we de intensiteit in het drukste middaguur in aantal pae aan, en voor de overige wegvakken hanteren we het aantal motorvoertuigen per etmaal.

Figuur 2. Gebruikte intensiteiten per wegvak (2020)

In tabelvorm ziet het er als volgt uit, waarbij we voor de Secretaris Verhoeffweg ook de intensiteiten van het drukste ochtendspitsuur hebben opgenomen. In het vervolg zullen we voor de erftoegangswegen enkel nog spreken over de intensiteiten voor beide richtingen samen, aangezien bij de toetsing enkel het totaal relevant is.

Werkdagetmaal 2020

Drukste Drukste ochtendspitsuur middagspitsuur 841 pae 1.244 pae

Straatnaam

Richting

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Totaal

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Noord

402 pae

665 pae

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Zuid

439 pae

579 pae

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Totaal

844 pae

1.129 pae

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Zuid

448 pae

537 pae

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Noord

397 pae

592 pae

’s-Gravenzandseweg (midden-west)

Totaal

2.128 mvt

’s-Gravenzandseweg (midden-west) West

1.707 mvt

’s-Gravenzandseweg (midden-west) Oost

421 mvt

’s-Gravenzandseweg (midden-oost)

Totaal

1.631 mvt

’s-Gravenzandseweg (midden-oost)

Oost

562 mvt

’s-Gravenzandseweg (midden-oost)

West

1.069 mvt

Prins Hendrikstraat

Totaal

587 mvt

Prins Hendrikstraat

Oost

57 mvt

Prins Hendrikstraat

West

530 mvt

Zuideinde (zuid)

Totaal

626 mvt

Zuideinde (zuid)

Noord

530 mvt

Zuideinde (zuid)

Zuid

96 mvt

’s-Gravenzandseweg (noordoost)

Totaal

1.558 mvt

’s-Gravenzandseweg (noordoost)

West

958 mvt

’s-Gravenzandseweg (noordoost)

Oost

600 mvt

Tabel 1. Gebruikte verkeersintensiteiten per wegvak (2020)

Stap 2: Berekenen verkeersgeneratie In deze stap hebben we de verkeersgeneratie van de ontwikkeling berekend op basis van de “Rekentool Verkeersgeneratie en Parkeren” van het CROW. We zijn daarbij uitgegaan van het aantal te realiseren zorgappartementen (12), sociale huurappartementen (8) en koopappartementen (27). Om de verkeersgeneratie van de 12 zorgappartementen te bepalen, zijn we in de CROW-tool uitgegaan van de hoofdgroep “wonen” met als type “aanleunwoning/serviceflat”. Voor de 8 sociale huurappartementen zijn we uitgegaan van de hoofdgroep “wonen” met als type “huurhuis, sociale huur”. De keuze is op dit type gevallen, omdat dit het enige door het CROW aangeboden type is met sociale huur. Ondanks dat het geen huizen in de zin van eengezinswoningen betreft maar appartementen, benadert het gekozen type beter de werkelijkheid dan wanneer gekozen zou worden voor een ander type. Tot slot hebben we voor de 27 koopappartementen gekozen voor de hoofdgroep “wonen” met als type “koop, etage, midden”. Er is voor ‘midden’ gekozen, aangezien de prijzen van de te realiseren appartementen niet bekend zijn. Voor de ligging in de gemeente is gekozen voor “centrum”. Immers, volgens de ‘Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018’ behoort de locatie van de ontwikkeling tot het centrumgebied.

De rekentool van het CROW geeft de verkeersgeneratie aan voor een gemiddelde weekdag. In deze toetsing rekenen we met gemiddelde werkdagen, aangezien maximaal acceptabele intensiteiten voor een wegvak aan worden gegeven in het aantal motovoertuigen per werkdag. Om de vermelde kencijfers om te rekenen naar gemiddelde verkeersgeneratie per werkdagetmaal, dienen deze met een factor 1,11 vermenigvuldigd te worden (bron: CROW-publicatie 317). Dit levert de volgende verkeersgeneratie op per ontwikkeling. Ontwikkeling

Extra verkeersgeneratie per werkdagetmaal

Zorgappartementen

32 motorvoertuigen

Sociale huurappartementen

38 motorvoertuigen

Koopappartementen

154 motorvoertuigen

Totaal

224 motorvoertuigen

Tabel 2. Verkeersgeneratie per deelgebied in aantal motorvoertuigen

De verkeersintensiteiten als gevolg van de ontwikkeling nemen dus toe met 224 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag. Stap 3: In kaart brengen toekomstige verkeersafwikkeling In deze stap wordt het berekende extra verkeer verdeeld over de verschillende wegen en geven we de verkeersintensiteiten na realisatie van de ontwikkeling weer, net als de verkeersintensiteiten van 2027. De verdeling van het verkeer is gebaseerd op onderbouwde aannames en eerder onderzoek. Verderop in deze stap beschrijven we de gemaakte keuzes. Verdeling verkeer over omliggende wegennet De volgende afbeelding toont de schematische weergave van de toekomstige ontwikkeling met bijbehorende ontsluiting. Hierna wordt deze verder toegelicht.

Figuur 3. Schematische weergave plangebied met ontsluiting

De ontwikkeling is straks enkel bereikbaar vanaf de noordzijde van het Zuideinde. Aan de zuidzijde bevindt zich een brug die enkel voor fietsers en voetgangers toegankelijk is.

Al het verkeer zal dus via het noordelijke deel van het Zuideinde worden afgewikkeld. Hierna wordt de verwachte verdeling in een figuur getoond, waarbij de groene lijnen en percentages behoren tot het ingaande verkeer en de oranje lijnen percentages tot het uitgaande verkeer. Daarnaast zijn alle percentages op hele cijfers afgerond voor de overzichtelijkheid. Na de figuur worden de gemaakte keuzes toegelicht.

Figuur 4. Verdeling verkeersgeneratie over netwerk

Zoals geschreven zal 100% van het verkeer via het noordelijke deel van het Zuideinde worden afgewikkeld. Bij het kruispunt met de ’s-Gravenzandseweg en Prins Hendrikstraat slaat al het verkeer linksaf richting de Secretaris Verhoeffweg. Immers, de Prins Hendrikstraat is een eenrichtingsweg. Dit houdt wel in dat een deel van het inrijdende verkeer via de Prins Hendrikstraat zal rijden. Echter, we verwachten dat dit niet meer dan 1% bedraagt, gezien de straat smal is en niet is gericht op doorstromen. Daardoor zal de reistijd naar verwachting in veel gevallen hoger zijn via de Prins Hendrikstraat dan via de geschiktere Secretaris Verhoeffweg en ’sGravenzandseweg. Bij het kruispunt met de Secretaris Verhoeffweg verwachten we dat 33% van het verkeer afslaat richting het noorden, en in de andere richting 33% van het verkeer hier vandaan komt. Dit is gebaseerd op de eerder uitgevoerde verkeerskundige toetsing van Mobycon uit 2017. In die toetsing is voor project ‘De Rentmeester’ een verdeling van het verkeer vastgesteld. Vanaf de Simon van Slingelandstraat en Patijnenburg slaat volgens die verdeling 33% rechtsaf richting het noorden (van de Secretaris Verhoeffweg) en de overige 66/67% richting het kruispunt met de ‘sGravenzandseweg richting het zuiden. De 33% van het verkeer richting het noorden gebruiken we dus ook voor deze verkeerskundige toetsing.

Echter, hoe het verkeer van ‘De Rentmeester’ zich verdeelt vanaf het kruispunt Secretaris Verhoeffweg – ’s-Gravenzandseweg is onbekend.

Voor deze verkeerskundige toetsing hebben we dus op basis van een aanname de overige 66/67% van het verkeer verdeeld. We nemen aan dat vanaf de ’s-Gravenzandseweg gezien het merendeel van het verkeer linksaf slaat naar het zuidelijke deel van de Secretaris Verhoeffweg. Immers, deze weg leidt indirect naar de provinciale weg N213, vanwaar het verkeer uiteindelijk in alle richtingen kan rijden. We verwachten daarmee dat van het uitgaande verkeer 62% op dit kruispunt linksaf slaat richting de Secretaris Verhoeffweg en van het ingaande verkeer 61%. De overige 5% van het verkeer rijdt vermoedelijk via het westelijke deel van de ’sGravenzandseweg. Deze weg is een kortere route naar de N467 die de verbinding vormt van/naar ’s-Gravenzande en Hoek van Holland. Verkeersintensiteiten na realisatie ontwikkeling De toename van de verkeersgeneratie die wij in stap 2 hebben berekend, hebben we volgens de beschreven uiteindelijke verdeling toegedeeld aan het wegennet en verwerkt in de opgehoogde intensiteiten van 2020. We hebben daarbij twee scenario’s toegepast: een scenario waarbij ook de extra intensiteiten als gevolg van project ‘De Rentmeester’ zijn meegenomen in de toekomstige intensiteiten en een scenario waarbij deze extra intensiteiten niet zijn meegenomen. Immers, dit geeft een realistisch en zo betrouwbaar mogelijk beeld van de situatie na de realisatie van de ontwikkeling.

Gezien de juridische status van project ‘De Rentmeester’ is dit een gewenste toevoeging. De volgende figuur toont de intensiteiten na realisatie van de ontwikkeling, waarbij de cijfers vóór de ‘/’ de intensiteiten betreffen waarin wél met ‘De Rentmeester’ rekening is gehouden, en de cijfers ná de ‘/’ de intensiteiten waarin hier géén rekening mee is gehouden.

Figuur 5. Intensiteiten na realisatie ontwikkeling voor beide scenario’s

In tabelvorm ziet het er als volgt uit, waarbij ook hier de cijfers vóór de ‘/’ de intensiteiten betreffen waarin wél met ‘De Rentmeester’ rekening is gehouden, en de cijfers ná de ‘/’ de intensiteiten waarin hier géén rekening mee is gehouden. Werkdagetmaal

Drukste Drukste ochtendspitsuur middagspitsuur 1.027/856 pae 1.488/1.263 pae

Straatnaam

Richting

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Totaal

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Noord

510/410 pae

806/ 675 pae

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Zuid

518/446 pae

682/ 588 pae

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Totaal

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Zuid

562/462 pae

684/ 553 pae

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Noord

481/410 pae

702/ 609 pae

’s-Gravenzandseweg (midden-west)

Totaal

2.171 mvt

’s-Gravenzandseweg (midden-oost)

Totaal

2.102 mvt

Prins Hendrikstraat

Totaal

590 mvt

Zuideinde (zuid)

Totaal

1.074 mvt

’s-Gravenzandseweg (noordoost)

Totaal

2.004 mvt

1.043/872 pae 1.386/1.161 pae

Tabel 3. – Verkeersintensiteiten per wegvak na realisatie ontwikkeling voor beide scenario’s

Verkeersintensiteiten in 2027 Ook voor het jaar 2027 hebben we de verkeersintensiteiten na realisatie van de ontwikkeling bepaald. We hebben hiervoor als basis de verkeersintensiteiten uit 2020 opgehoogd met een bepaalde groeifactor. We zijn daarbij uitgegaan van een autonome groei van het verkeer van 1% per jaar. Vervolgens hebben we deze groei van 1% per jaar ook toegepast bij de berekende verkeersgeneratie. Beide uitkomsten hebben we bij elkaar opgeteld om te komen tot de verkeersintensiteiten in 2027 na de realisatie van de ontwikkeling. Ook hier hebben we de twee scenario’s toegepast (wél en geen rekening houden met ‘De Rentmeester’). De volgende figuur toont de intensiteiten na realisatie van de ontwikkeling in 2027, waarbij de cijfers vóór de ‘/’ de intensiteiten betreffen waarin wél met ‘De Rentmeester’ rekening is gehouden, en de cijfers ná de ‘/’ de intensiteiten waarin hier géén rekening mee is gehouden.

Figuur 6. Intensiteiten na realisatie ontwikkeling voor beide scenario’s in 2027

In tabelvorm ziet het er als volgt uit, waarbij ook hier de cijfers vóór de ‘/’ de intensiteiten betreffen waarin wél met ‘De Rentmeester’ rekening is gehouden, en de cijfers ná de ‘/’ de intensiteiten waarin hier géén rekening mee is gehouden. Werkdagetmaal

Drukste Drukste ochtendspitsuur middagspitsuur 1.103/994 pae 1.598/1.353 pae

Straatnaam

Richting

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Totaal

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Noord

548/516 pae

866/ 723 pae

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Zuid

556/478 pae

732/ 630 pae

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Totaal

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Zuid

558/449 pae

735/ 592 pae

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Noord

476/398 pae

754/ 651 pae

’s-Gravenzandseweg (midden-west)

Totaal

2.327 mvt

’s-Gravenzandseweg (midden-oost)

Totaal

2.253 mvt

Prins Hendrikstraat

Totaal

632 mvt

Zuideinde (zuid)

Totaal

1.152 mvt

’s-Gravenzandseweg (noordoost)

Totaal

2.149 mvt

1.034/847 pae 1.489/1.243 pae

Tabel 4. – Verkeersintensiteiten per wegvak na realisatie ontwikkeling voor beide scenario’s in 2027

Stap 4: Toetsen verkeersafwikkeling na realisatie ontwikkeling en in 2027 In deze stap hebben we getoetst of de berekende verkeersintensiteiten uit stap 3 voor knelpunten zorgen in het omliggende wegennet na realisatie van de ontwikkeling en in 2027. Om dit te berekenen, hebben we voor elk wegvak de verhouding tussen de intensiteiten en de maximaal acceptabele intensiteiten berekend.

Zoals bij stap 1 beschreven, is de Secretaris Verhoeffweg een gebiedsontsluitingsweg en zijn de overige wegen binnen het onderzoeksgebied erftoegangswegen. In het verkeersmodel van gemeente Westland wordt bij erftoegangswegen uitgegaan van een maximale acceptabele intensiteit van 4.000 motorvoertuigen per etmaal. Gezien de CROW-richtlijnen ook een grens van 4.000 motorvoertuigen per etmaal hanteren en dit voor beide richtingen samen is, stellen we dat in het verkeersmodel van gemeente Westland de 4.000 motorvoertuigen per etmaal ook voor beide richtingen samen is. Bij gebiedsontsluitingswegen wordt uitgegaan van 10.000 motorvoertuigen per etmaal. Echter, tijdens deze toetsing rekenen we voor de gebiedsontsluitingswegen met het aantal pae per uur in het drukste middagspitsuur. Om het aantal per etmaal om te rekenen in aantal per uur, hebben we de 10.000 motorvoertuigen vermenigvuldigd met 17% en 55%. Het CROW geeft namelijk aan dat in de middagspits 17% van het totale verkeer op de weg is, en dat daarvan 55% zich in de eenuursspits bevindt. Vervolgens is de waarde na deze berekening vermenigvuldigd met 1,1. Daarmee hebben we het aantal motorvoertuigen naar aantal pae omgerekend. We komen daarmee voor de gebiedsontsluitingsweg uit op een maximale acceptabele intensiteit van 1.029 pae per uur.

Gezien de CROW-richtlijnen een grens van 1.092 tot 1.248 pae per uur per rijstrook hanteren op gebiedsontsluitingswegen, stellen we dat de maximale acceptabele intensiteit van 1.029 pae per uur ook per richting is. Bij het hanteren van dit toetsingscriterium is voorts het volgende aangehouden: Verhouding intensiteit vs. max. acceptabele intensiteit

Betekenis

< 80%

geen (doorstromings)knelpunt

≧ 80 % – < 90 %

beginnend (doorstromings)knelpunt

≧ 90%

(doorstromings)knelpunt

Tabel 5. – Betekenissen verhoudingen intensiteit vs. maximaal acceptabele intensiteit

Verkeersafwikkeling na realisatie ontwikkeling De volgende figuur geeft de uitkomsten na realisatie ontwikkeling op basis van genoemde toetsingscriteria weer voor de verschillende wegvakken en gebaseerd op de op aannames gebaseerde verdeling. Ook hier hebben we de twee scenario’s toegepast (wél en geen rekening houden met ‘De Rentmeester’).

Figuur 6. – Verhoudingen intensiteit vs. maximaal acceptabele intensiteit na realisatie ontwikkeling

In tabelvorm ziet het er als volgt uit. Werkdagetmaal

Drukste Drukste ochtendspitsuur middagspitsuur 50%/42% 72%/61%

Straatnaam

Richting

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Totaal

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Noord

50%/40%

79%/66%

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Zuid

50%/43%

66%/57%

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Totaal

51%/42%

67%/56%

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Zuid

55%/45%

67%/54%

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Noord

47%/40%

68%/59%

’s-Gravenzandseweg (midden-west)

Totaal

54%

’s-Gravenzandseweg (midden-oost)

Totaal

53%

Prins Hendrikstraat

Totaal

15%

Zuideinde (zuid)

Totaal

27%

’s-Gravenzandseweg (noordoost)

Totaal

50%

Tabel 7. – Verhoudingen intensiteit vs. maximaal acceptabele intensiteit na realisatie ontwikkeling

We kunnen concluderen dat er na realisatie van de ontwikkeling (zowel met als zonder het meenemen van ‘De Rentmeester’) geen doorstromingsprobleem zal optreden. Alle waarden zijn immers lager dan 80%.

Verkeersafwikkeling na realisatie ontwikkeling in 2027 De volgende figuur geeft de uitkomsten na realisatie ontwikkeling in 2027 op basis van genoemde toetsingscriteria weer voor de verschillende wegvakken en gebaseerd op de op aannames gebaseerde verdeling. Ook hier hebben we de twee scenario’s toegepast (wél en geen rekening houden met ‘De Rentmeester’).

Figuur 8. – Verhoudingen intensiteit vs. maximaal acceptabele intensiteit na realisatie ontwikkeling in 2027

In tabelvorm ziet het er als volgt uit. Werkdagetmaal

Drukste Drukste ochtendspitsuur middagspitsuur 54%/48% 78%/66%

Straatnaam

Richting

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Totaal

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Noord

53%/50%

84%/70%

Secretaris Verhoeffweg (noord)

Zuid

54%/46%

71%/61%

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Totaal

54%/45%

72%/60%

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Zuid

59%/48%

71%/58%

Secretaris Verhoeffweg (zuid)

Noord

50%/43%

73%/63%

’s-Gravenzandseweg (midden-west)

Totaal

58%

’s-Gravenzandseweg (midden-oost)

Totaal

56%

Prins Hendrikstraat

Totaal

16%

Zuideinde (zuid)

Totaal

29%

’s-Gravenzandseweg (noordoost)

Totaal

54%

Tabel 9. – Verhoudingen intensiteit vs. maximaal acceptabele intensiteit na realisatie ontwikkeling in 2027

Enkel op de Secretaris Verhoeffweg (noord) richting het noorden zien we een waarde boven de 80% (wanneer ‘De Rentmeester’ wordt meegenomen). Daarmee is dit wegvak een beginnend knelpunt in 2027, maar nog geen daadwerkelijk knelpunt. Dat de waarde in 2027 boven de 80% uitkomt, komt in zijn geheel door de autonome groei (en dus niet door de ontwikkeling) tussen 2020 en 2027 gezien de waarde na oplevering ontwikkeling 79% bedraagt. Aangezien dit wegvak enkel een beginnend knelpunt vertoont, kunnen we concluderen dat er na realisatie van de ontwikkeling in 2027 (zowel met als zonder het meenemen van ‘De Rentmeester’) geen doorstromingsprobleem zal optreden. Afwikkeling kruispunt Secr. Verhoeffweg – ’s-Gravenzandseweg na realisatie ontwikkeling en 2027 Zoals geconcludeerd worden geen (grote) knelpunten op wegvakniveau verwacht. Echter, het is ook nuttig om de kruispuntafwikkeling na realisatie ontwikkeling en voor het jaar 2027 te toetsen. Dit betreft met name het kruispunt Secretaris Verhoeffweg – ’s-Gravenzandseweg, aangezien dit een voorrangskruispunt betreft tussen een gebiedsontsluitingsweg en een erftoegangsweg. Hiervoor hebben we de toekomstige intensiteiten van de Secretaris Verhoeffweg omgerekend naar het aantal pae per seconde.

Dit maakt inzichtelijk of er vanuit de ’s-Gravenzandseweg voldoende tijd is om tussen twee doorgaande voertuigen in te voegen op de Secretaris Verhoeffweg of om de weg over te steken naar het volgende deel van de ’s-Gravenzandseweg. De volgende figuur laat voor de situatie na realisatie ontwikkeling en voor de situatie in 2027 (na realisatie ontwikkeling) de intensiteiten per seconde zien.

Figuur 10. – Intensiteit per seconde na realisatie ontwikkeling (links) en voor 2027 na realisatie ontwikkeling (rechts)

Zoals te zien is, is het aantal pae per seconde variërend van 0,16 tot 0,21. Wanneer er waarden van 1 pae per seconde of hoger zouden voorkomen, zou invoegen bemoeilijkt worden voor verkeer vanuit de ’s-Gravenzandseweg, aangezien er dan geen/onvoldoende hiaten tussen twee auto’s te vinden zijn. Dit is echter niet het geval, dus de toename van de intensiteiten heeft geen gevolgen voor de afwikkeling van het kruispunt Secretaris Verhoeffweg – ’s-Gravenzandseweg. Conclusies Uit dit memo blijkt dat op geen enkel wegvak en op geen enkel kruispunt sprake is van een doorstromingsknelpunt na de realisatie van de ontwikkeling. Daarmee concluderen we dat het aspect verkeer de ontwikkeling bij het Zuideinde in Naaldwijk niet in de weg staat.

Bijlage 2 Onderzoek huisvestingsopgave wonen en zorg

62

Huisvestingsopgave Wonen met Zorg Gemeente Westland

17 juli 2020 Eindrapportage

DATUM

17 juli 2020

TITEL

Huisvestingsopgave Wonen met Zorg

ONDERTITEL

Langer en Weer Thuis

OPDRACHTGEVER

Gemeente Westland

AUTEUR(S)

HJGMSchell

PROJECTNUMMER

1783.108/G

STATUS

Eindrapportage

Inhoud 1

2

3

4

5

6

Inleiding 1.1 Onderzoek Langer en Weer Thuis 1.2 Verantwoording 1.3 Afbakening 1.4 Leeswijzer

4 4 4 4 5

Managementsamenvatting 2.1 De belangrijkste huisvestingsopgaven 2.2 De belangrijkste beleidsopgaven

6 7 8

Ouderen & Lichamelijk beperkten 3.1 Ontwikkeling van de vraag naar wonen met zorg 3.2 De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod 3.3 Lichamelijk beperkten 3.4 Geschiktheidsanalyse 3.5 Beleidsopgaven ouderen

9 10 15 17 19 28

Verstandelijk beperkten (VG) 4.1 Woonvraag van verstandelijk beperkten 4.2 De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod 4.3 Beleidsopgaven VG

29 30 30 31

Beschermd Wonen 5.1 Vraaganalyses BW 5.2 Uitstroom uit BW 5.3 Huisvestingsopgave BW 5.4 Beleidsopgaven

33 34 37 38 38

Kwetsbare jongeren 6.1 Ontwikkelingen Jeugd

41 41

6.2 6.3

Vraag naar woonruimte voor kwetsbare jongeren Beleidsopgaven kwetsbare jongeren

41 43

7

Kwalitatieve woonbehoefte 7.1 Ouderen en mensen met Lichamelijke Beperking 7.2 (Licht) verstandelijk beperkten 7.3 Beschermd wonen 7.4 Kwetsbare jongeren tot 27 jaar

45 45 46 47 48

8

Uitstroommogelijkheden 8.1 Een volledig beeld van de uitstromers 8.2 De beschikbare goedkope woningvoorraad 8.3 Druk op de sociale huur 8.4 Beleidsopgave uitstroommogelijkheden

49 49 49 50 50

Bijlage 1: De Doorzonscan

52

Bijlage 2: Afkortingen en begrippen

53

Bijlage 3: Zorggebruik

54

Bijlage 4: Prognose woonvraag ouderen per kern

56

Bijlage 5: Vraag-aanbodanalyse ouderen per kern Bijlage 5.1 Geclusterd wonen 24-uurszorg ouderen Bijlage 5.2 Geclusterd wonen met zorg nabij ouderen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=6f97074f-a053-4ab5-a6be-78a01eac56f3