CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

publicatie besluit Chw inzake afvalwaterzuivering glastuinbouw (21-0351447)

Gemeenteraad 15 februari 2022, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de verordening op de collectieve verwijdering gewasbeschermingsmiddelen afvalwater glastuinbouw16.083 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2021

0

600 Besluit van 1 december 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche)) Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juli 2021, nr. 2021-0000350283, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 september 2021, nr. W04.21.0204/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 november 2021, nr. 2021-0000607886, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: bestemmingsplan met verbrede reikwijdte: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7c of 7g;. B Artikel 6j wordt als volgt gewijzigd: 1. Onder vernummering van het eerste tot en met vijfde lid tot tweede tot en met zesde lid wordt een nieuw eerste lid ingevoegd, luidende: 1. Het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, voor zover het gaat om de gronden, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder b, c of d, van die wet, tot 1 september 2025 niet voor een bouwactiviteit als bedoeld in het derde lid

Staatsblad 2021

600

1

die wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel. 2. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden: 2. In afwijking van het eerste lid geldt het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voor een bouwactiviteit als bedoeld in het derde lid die wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel die voldoet aan de in het vierde lid genoemde eisen. 3. In het vierde lid (nieuw) wordt «eerste lid» vervangen door «tweede lid». 4. Het vijfde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd: a. In de aanhef wordt «eerste lid» vervangen door «eerste en tweede lid». b. In onderdeel a wordt «de architect heeft» vervangen door «indien het tweede lid van toepassing is, heeft de architect». 4. In het zesde lid (nieuw) vervalt «tot zes maanden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet». C Artikel 6p wordt als volgt gewijzigd : 1. In het eerste lid vervalt onderdeel a, onder verlettering van de onderdelen b tot en met i tot a tot en met h. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 4.

In aanvulling op artikel 8 van de Woningwet kunnen in de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor te bouwen gebruiksfuncties waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, in de bouwverordening voorschriften worden opgenomen die voorzien in lagere maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en een hogere minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie dan bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. D Na artikel 6t wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 6u 1. Dit artikel is tot 1 januari 2035 van toepassing op de gebieden Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk in de gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 187. 2. In aanvulling op artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in dat lid ook verlenen voor de verhuur van een woning welke ten tijde van het aanvragen van de vergunning bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woningen.

Staatsblad 2021

600

2

3. In afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet stellen burgemeester en wethouders een formulier beschikbaar via welke de eigenaar een vergunning als bedoeld in het tweede lid kan aanvragen. 4. In afwijking van artikel 15, derde lid, van de Leegstandwet wordt de vergunning, bedoeld in het tweede lid, slechts verleend indien: a. de woning, voor de verhuring waarvan de vergunning wordt aangevraagd, leegstaat; b. de eigenaar aantoont dat de te verhuren woonruimte, gelet op de omstandigheden en mogelijkheden, in voldoende mate zal worden bewoond; en c. de eigenaar, bedoeld onder b, de gemeente Rotterdam of een op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet toegelaten woningcorporatie is. 5. Onverminderd artikel 15, zesde lid, tweede volzin, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders de vergunning, bedoeld in het tweede lid, op verzoek van de eigenaar telkens met ten hoogste drie jaren verlengen, met dien verstande dat de vergunning tot uiterlijk 1 januari 2035 kan worden verlengd. 6. Artikel 15, vijfde lid en zesde lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is niet van toepassing. 7. In afwijking van artikel 15, negende lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing. 8.

Artikel 16 van de Leegstandwet is van overeenkomstige toepassing, behoudens het tweede lid, met dien verstande dat in het vierde en zesde lid van dat artikel een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Leegstandwet wordt gelezen als een vergunning als bedoeld in het tweede lid. E Na artikel 7af wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 7ag 1. In dit artikel wordt verstaan onder kookgasaansluiting: aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet waarbij de onroerende zaak ook een aansluiting heeft op een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte. 2. In afwijking van artikel 62 van de Gaswet en in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebieden worden aangewezen waarbinnen het verboden is te beschikken over een kookgasaansluiting vanaf een in dat bestemmingsplan gestelde datum. 3. Op de dag volgend op de in het bestemmingsplan gestelde datum, bedoeld in het tweede lid, wordt degene die over een kookgasaansluiting beschikt geacht de netbeheerder te hebben verzocht om beëindiging van die aansluiting. 4. Het tweede lid kan uitsluitend worden toegepast, indien: a. de bestaande gastransportleidingen om veiligheidsredenen aan vervanging toe zijn; b.

de onroerende zaken zijn aangesloten op een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte; en c. het college van burgemeester en wethouders het gebied, bedoeld in het tweede lid, heeft aangewezen als een gebied in de zin van artikel 10, zevende lid, onder b, van de Gaswet. 5. Artikel 7c, negende lid, onder a, onder 2°, is niet van toepassing.

Staatsblad 2021

600

3

6. Indien gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening niet van toepassing. 7. Dit artikel is van toepassing op het plangebied Overvecht-Noord in de gemeente Utrecht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 185. F Na artikel 7ah worden drie artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 7ai 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. geconcentreerd afvalwater: afvalwater, dat afvalstoffen bevat bestaande uit uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten of voedselresten als bedoeld onder b; b. voedselresten: afvalstoffen afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. 2. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij het brengen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels. In de verordening kan worden afgeweken van artikel 6 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens en artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 3.

Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor een afvoervoorziening voor afvalwater afkomstig van een opstelplaats voor een watercloset en van een opstelplaats voor een keukengootsteenbak voorzien van apparatuur voor het vermalen van voedselresten, in afwijking van de artikelen 6.15, tweede lid, en 6.16, tweede lid, onder a en b, van het Bouwbesluit 2012, het volgende: a. de afvoervoorziening is aangesloten op een vacuümleiding; b. gebouwgebonden vacuümleidingen hebben een diameter van ten minste 50 mm, waarbij niet wordt voorzien in een ontluchtingsleiding; c. vacuümleidingen voeren uitsluitend geconcentreerd afvalwater af; en d. vacuümleidingen worden aangesloten op het vacuümriool. 4. Dit artikel is tot 1 januari 2040 van toepassing op de volgende gebieden: a. Buiksloterham in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 188; b. Strandeiland en Buiteneiland in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 189. Artikel 7aj 1. Dit artikel geldt tot 1 januari 2036 voor de Sluisbuurt in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 190. 2. In de titels 10.4 en 10.6 van de Wet milieubeheer wordt, in aanvulling op artikel 1.1 van die wet, onder huishoudelijke afvalstoffen ook begrepen bedrijfsafvalstoffen voor zover deze de volgende fracties bevatten: a. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; b.

bioafval; c. drankenkartons; d. glas; e. kunststof; f. metaal; g. papier; h. restafval; of i. textiel.

Staatsblad 2021

600

4

3. Indien de fracties, bedoeld in het tweede lid, door de oorspronkelijke leverancier als retourvracht kunnen worden meegenomen, is het tweede lid niet van toepassing. Artikel 7ak 1. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij in die verordening aangegeven gevallen van het telen of het kweken van gewassen in een kas wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels bij het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater brengen van: a. drainwater; b. drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond; c. spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie; of d. ander afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat. 2. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van artikel 3.64a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, is, in afwijking van artikel 3.63, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het in een oppervlaktelichaam lozen van spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, drainwater en drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond verboden. 4.

In de verordening, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval regels opgenomen die ertoe strekken dat de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, die met het bedrijfsafvalwater in het openbaar vuilwaterriool wordt gebracht, zoveel mogelijk wordt beperkt. 5. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert, waarin het afvalwater, bedoeld in het eerste lid, wordt gebracht, in ieder geval het volgende: a. een aanvullende zuiveringsstap voor het verwijderen van nutriënten uit het afvalwater wordt ingevoerd; b. iedere zes maanden wordt aan burgemeester en wethouders gerapporteerd over de voortgang van het hergebruiken van het gezuiverde water; en c. ieder kwartaal wordt aan burgemeester en wethouders bericht over de planning voor de oplevering van de zuiveringstechnologie en over de inspanningen die worden gepleegd om de opleveringsdatum te verkorten. 6. Dit artikel is tot 1 januari 2024 van toepassing op glastuinbouwbedrijven in de gemeente Westland, die kunnen aantonen dat zij hun afvalwater via de nog te realiseren collectieve zuiveringsvoorziening bij de Nieuwe Waterweg zullen laten zuiveren. G Er worden vijf bijlagen toegevoegd zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit: a. bijlage 185 (Utrecht, Overvecht-Noord); b. bijlage 187 (Rotterdam, Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk); c.

bijlage 188 (Amsterdam, Buiksloterham); d. bijlage 189 (Amsterdam, Strandeiland en Buiteneiland); e. bijlage 190 (Amsterdam, Sluisbuurt).

Staatsblad 2021

600

5

ARTIKEL II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

ARTIKEL III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche). Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 1 december 2021 Willem-Alexander De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren Uitgegeven de negende december 2021 De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

stb-2021-600 ISSN 0920 - 2064 ’s-Gravenhage 2021

Staatsblad 2021

600

6

Bijlage 185 bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Kaart Utrecht, Overvecht-Noord

Staatsblad 2021

600

7

Bijlage 187 bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Kaart Rotterdam, Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk

Staatsblad 2021

600

8

Bijlage 188 bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Kaart Amsterdam, Buiksloterham

Staatsblad 2021

600

9

Bijlage 189 bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Kaart Amsterdam, Strandeiland en Buiteneiland

Staatsblad 2021

600

10

Bijlage 190 bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Kaart Amsterdam, Sluisbuurt

Staatsblad 2021

600

11

NOTA VAN TOELICHTING I. Algemeen Dit besluit bevat de zogenoemde tweeëntwintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Bu Chw). Met artikel I wordt het Bu Chw gewijzigd en aangevuld. In onderdeel A is ten behoeve van het experiment aardgasvrije wijken, dat in onderdeel E wordt toegevoegd, een definitie opgenomen van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Omdat dit begrip in meerdere artikelen van het Bu Chw wordt gebruikt, is ervoor gekozen om een definitie van dit begrip op te nemen in de algemene definitiebepaling van het Bu Chw. In onderdeel B wordt het experiment Architect aan Zet, bedoeld in artikel 6j van het Bu Chw, aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de scheiding tussen de technische en ruimtelijke bouwactiviteit, ook wel de knip genoemd, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt geïntroduceerd. Door deze aanpassing kan het experiment na inwerkingtreding van de Omgevingswet uitsluitend nog worden gebruikt ten behoeve van de ruimtelijke bouwactiviteit. Daarnaast is de tijdsduur van het experiment aangepast naar 1 september 2025. In onderdeel C wordt een nieuw lid toegevoegd aan het experiment met de strengere EPC (artikel 6p), waarmee de experimenteermogelijkheid voor gemeenten wordt aangepast aan de systematiek van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (hierna: BENG).

In onderdeel D wordt een nieuw experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment met de Leegstandwet in de gemeente Rotterdam waarmee het in een aantal gebieden mogelijk wordt om een woonruimte tijdelijk te verhuren voor een periode van ten hoogste veertien jaar in plaats van zeven jaar, als die woonruimte bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woonruimten (artikel 6u). In onderdeel E wordt een nieuw experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee de gemeente Utrecht de mogelijkheid krijgt om in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebieden aan te wijzen waarbinnen het beschikken van bestaande kookgasaansluitingen niet langer is toegestaan (artikel 7ag). Dit experiment was aanvankelijk onderdeel van de eenentwintigste tranche van het Bu Chw. Het experiment is echter geschrapt uit die tranche van het Bu Chw vanwege de aangenomen motie van de leden Koerhuis en Krol.1 Naar aanleiding van de motie Koerhuis en Krol is het experiment in beraad gehouden en zijn aan de gemeente Utrecht aanvullende vragen gesteld. De gemeente heeft die vragen beantwoord en daarbij aangegeven dat de voorgenomen uitvoering van het experiment op onderdelen is aangepast in de geest van de motie.

Tevens heeft de gemeente Utrecht een flink aantal toezeggingen gedaan. De toelichting op het experiment is naar aanleiding van de aangenomen motie aangescherpt met gebruikmaking van de nieuwe inzichten en toezeggingen van de gemeente Utrecht.

1

Kamerstukken II 2020/21, 32 813, nr. 467.

Staatsblad 2021

600

12

In onderdeel F worden drie experimenten als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee een nieuwe vorm van sanitatie mogelijk wordt gemaakt in drie gebieden in de gemeente Amsterdam (artikel 7ai). Op basis van dit experiment kunnen voedselresten worden geloosd en kan een scheiding tussen het grijs- en zwartwatercircuit en een aansluiting op het vacuümriool worden voorgeschreven. Verder bevat dit onderdeel een experiment met een ondergronds afvaltransportsysteem in de gemeente Amsterdam (artikel 7aj). In het experiment wordt een aantal fracties van bedrijfsafvalstoffen gelijkgeschakeld aan huishoudelijke afvalstoffen, hetgeen betekent dat de gemeente voortaan verantwoordelijk is voor de inzameling daarvan. Tot slot bevat dit onderdeel een experiment met betrekking tot collectieve zuivering van afvalwater dat afkomstig is van glastuinbouwbedrijven (artikel 7ak). Dit experiment is van toepassing op de gemeente Westland. In de artikelen II en III worden de inwerkingtreding respectievelijk de citeertitel geregeld. Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit op 22 juni 2020 in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 2020, nr. 31393). Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpbesluit is een zienswijze ontvangen van Waterson (hierna: indiener).

Waterson is een bedrijf dat mobiele zuiveringsinstallaties exploiteert. De zienswijze heeft betrekking op het experiment collectieve zuivering dat is opgenomen in artikel 7ak. Indiener verzoekt in zijn zienswijze om artikel 7ak te heroverwegen en in het artikel concrete voorwaarden op te nemen om de waterkwaliteit in de overbruggingsperiode te verbeteren. In de zienswijze stelt indiener onder meer dat het experiment leidt tot het twee jaar langer lozen van ongezuiverd afvalwater op het oppervlaktewater. Dit is echter niet geheel juist. Op grond van het derde lid is het verboden om het afvalwater direct te lozen in een oppervlaktelichaam. De bedrijven die aan de collectieve zuivering zullen meedoen, zullen het afvalwater vanaf de start van het experiment volledig op het vuilwaterriool moeten lozen, of, mocht dat vanwege de capaciteit van het vuilwaterriool nog niet (volledig) kunnen, voorafgaand aan eventuele lozing op het oppervlaktewater zuiveren. Hiermee wordt het regionale oppervlaktewater ontzien. Bij lozing op het vuilwaterriool zal het water in het zuiveringtechnisch werk worden gezuiverd, waarbij ook een deel van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd.

Wel is het zo dat die zuivering tot uiterlijk 1 januari 2024 nog niet zal voldoen aan het vereiste dat ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water wordt verwijderd. Dit nadeel, dat speelt tot de periode dat de collectieve zuiveringsinstallatie operationeel zal zijn, is bij het mogelijk maken van het experiment afgewogen tegen de in de toelichting beschreven gunstige milieugevolgen op langere termijn. Daarbij is wel de voorwaarde gesteld dat voor de korte termijn al zoveel mogelijk compenserende en mitigerende maatregelen worden genomen. Van die maatregelen kan ook mobiele zuivering onderdeel uitmaken, bijvoorbeeld voor de grote lozers. Er is voor gekozen deze maatregelen door de bevoegde instanties in het gebied vorm te laten geven, om zo optimaal de kennis van de specifieke problematiek te benutten. Verder stelt indiener dat het experiment tuinders niet stimuleert tot verantwoord hergebruik van water. Dit is niet correct. De huidige wetgeving die hergebruik van water stimuleert (emissienormen voor substraatteelten en recirculatieplichten voor zowel substraatteelt als

Staatsblad 2021

600

13

grondgebonden teelt2), is en blijft onverkort van toepassing. De collectieve zuivering is dus geen vrijbrief om ongelimiteerd te lozen. Daarnaast is een verplichting opgenomen voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert om iedere zes maanden te rapporteren over de voortgang van het hergebruiken van het gezuiverde water, wat uit milieuoogpunt een aanvullende opbrengst is. Het experiment is dus wel degelijk gericht op het stimuleren van het hergebruik van water. Daarnaast wijst indiener op normoverschrijdingen van het gewasbeschermingsmiddel imidacloprid in het oppervlaktewater. Imidacloprid mag echter sinds 1 juni 2021 niet meer verkocht worden en mag vanaf 1 januari 2022 niet meer toegepast worden.3 Overigens was ook al voor deze data duidelijk dat deelname aan de collectieve zuivering niet samen zou gaan met toepassing van imidacloprid. Wat betreft de normoverschrijdingen van overige gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater levert de collectieve zuivering een extra bijdrage, omdat de leden van de coöperatie niet direct mogen lozen op oppervlaktewater maar verplicht zijn een rioollozingsprotocol te volgen. Door dit protocol moeten zij hun watersysteem in kaart brengen, waardoor onbedoelde lozingen naar lokaal oppervlaktewater in beeld komen en gesaneerd moeten worden.

Verder is tussen de betrokken partijen overeengekomen4 dat de leden de kwaliteit van hun waterstromen zullen meten volgens een gezamenlijk protocol. Het rioollozingsprotocol en het meetprotocol dragen derhalve bij aan het waterbewustzijn van de deelnemende bedrijven en zullen leiden tot een verbetering van de lokale waterkwaliteit. Tot slot wijst indiener op het risico van oneerlijke concurrentie. Dit risico is in dit project ondervangen doordat de deelnemers tot nu toe de ontwikkelkosten van de collectieve zuivering hebben betaald en vanaf 1 januari 2021 de volledige bijdrage aan de coöperatie betalen. Door deze marktconforme bijdrage te betalen is er geen sprake van oneerlijke concurrentie. Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brieven van 22 juni 2020 (2020-0000351659 respectievelijk 2020-0000351745) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 32 127, nr. 240). De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft op 10 juli 2020 een aantal schriftelijke vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze vragen zijn bij brief van 25 januari 2021 beantwoord (Kamerstukken II 2020/21, 32 127, nr.

243), waarna de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken het ontwerpbesluit heeft aangemeld voor een VSO. Tijdens het VSO over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet op 20 mei 2021 is een motie ingediend. De motie Koerhuis (Kamerstukken II 2020/21, 32 127, nr. 245) gericht op het 2

Zie voor de emissienormen voor substraatteelten: artikel 3.66, vierde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer en onder het nieuwe regime artikel 4.791e van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zie voor de recirculatieplichten: artikel 3.66, derde lid, respectievelijk 3.71, zesde lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer en onder het nieuwe regime artikel 4.791c, tweede lid, respectievelijk 4.791l, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3 Zie Stcrt. 2020, 63637 en het besluit intrekking toelating op verzoek toelatinghouder met kenmerkt «11483 N» van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb): https://ctgb-prd.s3.eu-central-1.amazonaws.com/ 0afe9bf4ef93220b1bd5ae7b1778fd6e_20201634_201127+11483+BESL.pdf 4 Bestuurlijk convenant Collectieve zuivering AWZI Nieuwe Waterweg, 12 oktober 2020.

Staatsblad 2021

600

14

maken van een impactanalyse op de bouwkosten voor iedere gemeente die een lokaal strengere energie-eis wil stellen, is niet aangenomen. Daarmee is de voorhang van de tweeëntwintigste tranche van het Bu Chw afgerond. Verder is de tijdsduur van het experiment collectieve zuivering, zoals opgenomen in het zesde lid van artikel 7ak, verlengd tot 1 januari 2024. De gemeente Westland heeft verzocht om het experiment met een jaar te verlengen, aangezien de realisatie van de innovatieve, collectieve zuiveringsinstallatie meer tijd vergt. Dit komt mede omdat bij de beoogde zuiveringstechniek bromaat ontstaat, hetgeen de nodige aandacht vergt in het kader van normstelling en vergunningverlening. Het experiment stelt de gemeente Westland in staat om bij verordening regels te stellen aan het lozen. Dit biedt in de periode tot het operationeel zijn van de collectieve zuiveringsinstallatie de mogelijkheid om, in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland, indien nodig aanvullende maatregelen voor te schrijven ter beperking van emissies van gewasbeschermingsmiddelen. Voorts is de verlenging van het experiment Architect aan Zet, zoals opgenomen in artikel 6j van het Bu Chw, uit deze tranche van het Bu Chw gehaald. Een verlenging van dit experiment was aanvankelijk in deze tranche van het Bu Chw opgenomen, omdat dit de eerstvolgende tranche was waarin de verlenging kon worden meegenomen.

Aangezien deze tranche niet meer op tijd in werking kan treden om het experiment zonder onderbreking voort te zetten, is de verlenging meegenomen met het nader rapport over de drieëntwintigste tranche van het Bu Chw. Intussen is gebleken dat voornoemd experiment nog aanpassing behoeft met het oog op de scheiding tussen de technische en ruimtelijke bouwactiviteit, ook wel de knip genoemd, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt geïntroduceerd. Ook wordt de tijdsduur van het experiment nogmaals aangepast, omdat na overleg met de gemeente Rotterdam is gebleken dat het de voorkeur geniet om uit te gaan van een vaste datum: 1 september 2025. Daarom is een aanpassing van dit experiment weer opgenomen in deze tranche van het Bu Chw. Inzake het experiment aardgasvrije wijken in de gemeente Utrecht, dat is opgenomen in onderdeel E, geldt dat dit experiment eerder was opgenomen in de eenentwintigste tranche van het Bu Chw. Het experiment is dan ook als onderdeel van de eenentwintigste tranche van het Bu Chw op grond van artikel 5.2a van de Chw op 7 februari 2020 gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2020, 7147). Naar aanleiding van de voorpublicatie zijn over dit onderdeel van het ontwerpbesluit geen zienswijzen ingediend.

Voorgenoemd experiment is als onderdeel van de eenentwintigste tranche van het Bu Chw op grond van artikel 5.2a van de Chw door de Minister voor Milieu en Wonen bij brieven van 7 februari 2020 (20200000057787 respectievelijk 2020-0000057789) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 32 127, nr. 237). De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft op 21 februari 2020 een aantal schriftelijke vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De vragen betreffende het experiment aardgasvrije wijken zijn naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Koerhuis en Krol aangehouden. Deze vragen zijn op basis van de antwoorden en toezeggingen van de gemeente Utrecht separaat beantwoord met de Kamerbrief van 21 december 2020 (Kamerstukken II, 2020/21, 32 127, nr. 242). De

Staatsblad 2021

600

15

vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft deze antwoorden voor kennisgeving aangenomen. II. Artikelsgewijs Onderdeel B Met onderdeel B wordt het experiment Architect aan Zet, zoals opgenomen in artikel 6j van het Bu Chw, op een aantal onderdelen technisch aangepast. De tijdsduur van het experiment is met de drieëntwintigste tranche van het Bu Chw5 verlengd tot zes maanden na inwerkingtreding van de Omgevingswet. De verlenging van het experiment heeft tot gevolg dat het experiment na inwerkingtreding van de Omgevingswet via artikel 4.30 van de Invoeringswet Omgevingswet, ook voor onder de Omgevingswet ingediende aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten voor bouwwerken, kan worden voortgezet op grond van het experimenteerartikel van de Omgevingswet: artikel 23.3. Onder de Omgevingswet zal de omgevingsvergunningplicht voor een bouwactiviteit, zoals thans opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), worden gesplitst in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit met het oog op een technische toets (de zo wel genoemde technische bouwactiviteit) en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken met het oog op een ruimtelijke toets (de zo wel genoemde ruimtelijke bouwactiviteit).

Deze scheiding tussen de technische en ruimtelijke bouwactiviteit wordt ook wel de knip genoemd. De technische bouwactiviteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels over de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij de ruimtelijke bouwactiviteit wordt een bouwwerk getoetst aan de regels in het omgevingsplan, bijvoorbeeld regels over de bouwhoogte, het bebouwingspercentage, de functietoedeling en welstand. Dit betreft een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Onder de Omgevingswet zal de technische toets voor een aanzienlijk deel van de bouwwerken niet langer worden uitgevoerd door de gemeente, maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger. Dit nieuwe systeem van kwaliteitsborging wordt gefaseerd ingevoerd met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, waarvan de inwerkingtreding gekoppeld is aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Gelet op dit nieuwe systeem is het onwenselijk dat met het experiment Architect aan Zet daarvan wordt afgeweken door een eigen systeem van kwaliteitsborging met een architect in stand te houden. Bovendien wenst ook de gemeente Rotterdam na inwerkingtreding van de Omgevingswet het experiment Architect aan Zet uitsluitend voort te zetten voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.

Aan het experiment is daarom een nieuw eerste lid toegevoegd waarmee vooruit wordt gelopen op de knip tussen het technische en het ruimtelijke deel van de vergunning. Het eerste lid bepaalt dat tot 1 september 2025 het verbod op het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning niet geldt voor zover dat betrekking heeft op het ruimtelijke deel, waaraan thans via artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de Wabo wordt getoetst. Tevens is onderdeel b van het eerste lid van artikel 2.10 van de Wabo hieraan toegevoegd, omdat de nu nog in de bouwverordening opgenomen regels over bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties onder de Omgevingswet zijn opgenomen in de 5

Stb. 2021, 345.

Staatsblad 2021

600

16

bruidsschat en onderdeel worden van de beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk (zie in dit verband artikel 22.29, eerste lid, onderdeel c, van de bruidsschat). Voorwaarde voor het buiten toepassing blijven van de vergunningplicht op genoemde onderdelen van het toetsingskader is wel dat de bouwactiviteit wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel. De architect is er daarmee verantwoordelijk voor dat het bouwen plaatsvindt in overeenstemming met het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand en de bouwverordening. Voor het technische deel van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit – de toets aan artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo – blijft de vergunningplicht onverkort gelden. Overigens zullen de bouwwerken, bedoeld in het derde lid (nieuw), onder de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen vergunningvrij zijn, ofwel vallen onder gevolgklasse 1.6 Voor bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 moet een onafhankelijke kwaliteitsborger worden ingeschakeld die beoordeelt of het bouwwerk aan de technische regels voldoet.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het experiment via artikel 4.30 Invoeringswet Omgevingswet alleen kunnen worden voortgezet voor zover het betreft de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Het tweede lid, waarin is bepaald dat in het geheel geen omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk nodig is, loopt niet door na de inwerkingtreding van de Omgevingswet en behoudt dus evenmin zijn werking via het overgangsrecht. Dit betekent dat, wanneer het bouwwerk niet vergunningvrij of meldingplichtig is, een omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit nodig is. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk loopt het experiment door tot 1 september 2025. In die periode is er geen vergunning nodig voor een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk, mits (zoals al eerder beschreven) de bouwactiviteit wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel. Ook gaat het buiten toepassing blijven van de vergunningplicht uitsluitend op voor zover er sprake is van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Wanneer de bouwactiviteit een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betreft, is dit experiment niet van toepassing en zal dus een vergunning moeten worden aangevraagd.

Na 1 september 2025 loopt het experiment af en herleeft de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk weer. Zoals reeds aangegeven, is met de drieëntwintigste tranche van het Bu Chw de tijdsduur van het experiment Architect aan Zet verlengd tot zes maanden na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Na overleg met de gemeente Rotterdam is echter gebleken dat het de voorkeur geniet om uit te gaan van een vaste datum. Daarom wordt de tijdsduur voor het ruimtelijke deel van de vergunning, zoals opgenomen in het eerste lid, aangepast tot 1 september 2025. Om te regelen dat tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog gebruik kan worden gemaakt van het experiment zonder knip, is in het tweede lid (nieuw) geregeld dat tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het verbod op het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, niet geldt als de bouwactiviteit wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de 6

Zie artikel 2.15d van het Bbl voor de bouwwerken die vergunningvrij zijn voor wat betreft de bouwactiviteit en zie artikel 2.17 van het Bbl voor bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1.

Staatsblad 2021

600

17

architectentitel die voldoet aan de in het vierde lid (nieuw) gestelde eisen. Dit betekent ook dat pas na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruik kan worden gemaakt van het eerste lid. Verder zijn de verwijzingen in de overige leden aangepast op het nieuw ingevoegde eerste lid. De aanvullende eisen die aan een architect worden gesteld in het kader van zijn taak als kwaliteitsborger zijn niet van toepassing op het eerste lid, aangezien met de knip de taak van kwaliteitsborger voor de architect komt te vervallen. Onderdeel C Met onderdeel C wordt een lid toegevoegd aan het experiment met een strengere EPC, zoals opgenomen in artikel 6p van het Bu Chw. De experimenteermogelijkheid van gemeenten om een strengere EPC voor te schrijven wordt aangepast aan de BENG-systematiek. Dit nieuwe vierde lid maakt het mogelijk dat gemeenten besluiten bij nieuwbouw waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, in de bouwverordening voorschriften op te nemen die voorzien in lagere maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en een hogere minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie dan bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (hierna: Bouwbesluit).

Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt in de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501) is een soortgelijke wijziging opgenomen die ervan uitging dat BENG in werking zou treden per 1 juli 2020. Omdat de inwerkingtreding van BENG is uitgesteld tot 1 januari 2021, wordt het Bu Chw gewijzigd via deze tranche. Om de nieuwe inwerkingtredingsdatum aan te houden, zullen de onderdelen A en B, derde lid, van artikel II van het Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw niet in werking treden. Onderdeel D Onderdeel D bevat een nieuw experiment, dat hieronder wordt toegelicht. Artikel 6u (tijdelijke verhuur, Rotterdam) In 2018 hebben verschillende partijen, waaronder de gemeente Rotterdam en woningbouwcorporatie Woonbron, afspraken gemaakt om te investeren in de wijken Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk. Deze wijken zijn in het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (hierna: NPRZ) aangewezen als zogenoemde focuswijken. In het NPRZ werken het Rijk, de gemeente Rotterdam, woningcorporaties, zorginstellingen, schoolbesturen, bedrijfsleven, politie en Openbaar Ministerie samen aan een goede, gezonde en veilige toekomst voor Rotterdam-Zuid.

Doel van het programma is om de bevolkingssamenstelling, het opleidingsniveau, de arbeidsparticipatie en de woon- en leefkwaliteit in die wijken in 20 jaar naar het gemiddelde niveau van woonwijken in de vier grote steden in Nederland te brengen.

Staatsblad 2021

600

18

De woningvoorraad in de drie genoemde focuswijken bestaat vooral uit naoorlogse portiek- en flatwoningen van geringe omvang (vaak minder dan 50 m2). Veel woningen worden bewoond door één- of tweepersoonshuishoudens, waaronder veel starters op de woningmarkt. Het kwaliteitsniveau van de woningen en wooncomplexen voldoet vaak niet aan de hedendaagse woonwensen. Vanwege de geringe omvang van de woningen en de afwezigheid van een goed aanbod aan ruimere woningen in de wijken, is de doorstroming groot en zijn de mogelijkheden beperkt om in de wijken zelf een wooncarrière te maken, wat de beoogde opwaardering van en de sociale cohesie in de wijk niet ten goede komt. Ter verbetering van de woonkwaliteit en om een groter aanbod van meer geschikte woonruimte voor diverse doelgroepen zoals gezinnen en sociale stijgers te creëren, willen de gemeente Rotterdam en een aantal woningcorporaties een groot aantal woningen (gedacht wordt aan ongeveer 700) in die wijken verwerven. Twee of drie naast elkaar gelegen woningen worden dan samengevoegd tot één woning, die vervolgens verkocht of verhuurd zal worden. De samengevoegde woningen worden verbeterd en zoveel mogelijk verduurzaamd waardoor ze zullen voldoen aan hedendaagse woonwensen van verschillende groepen woonconsumenten.

De samengevoegde woningen zijn vooral bedoeld voor sociale stijgers of mensen met middeninkomens omdat differentiatie in woningtype en prijssegment in de wijken gewenst is. Destijds zijn veel sociale huurwoningen verkocht met de constructie van het maatschappelijk gebonden eigendom (MGE, later Koopgarant). Het aankopen en samenvoegen van woningen in wooncomplexen zal een lange doorlooptijd vergen, omdat de woningen op vrijwillige basis aan de gemeente en woningcorporaties aangeboden moeten worden en geen te hoge prijzen voor de woningen betaald kunnen worden, omdat het project dan financieel onhaalbaar wordt. Het zal dus de nodige tijd kosten alvorens voldoende woningen zijn verworven die daadwerkelijk samengevoegd kunnen worden. Ook vergt het tijd om een akkoord te krijgen van de VvE van het wooncomplex waarin de woningen zijn gesitueerd en voor het wijzigen van de splitsingsakte. Dit betekent dat het jaren kan duren voordat er clusters van woningen beschikbaar zijn voor samenvoeging. Het is niet uitgesloten dat de periode tussen het verwerven van de eerste woningen en het samenvoegen met een aangrenzende woning meer dan tien jaar duurt. Het is uiteraard zeer wenselijk dat de woningen bewoond blijven in de periode tussen de aankoop en de start van de werkzaamheden tot samenvoeging.

Het is ook belangrijk dat de samenvoeging niet gehinderd wordt doordat de huurcontracten van de zittende bewoners niet binnen een redelijke termijn opgezegd kunnen worden. Een tijdelijke huurovereenkomst op basis van artikel 15 van de Leegstandwet biedt een goede mogelijkheid om de verworven woningen niet leeg te laten staan en toch op korte termijn over de woningen te kunnen beschikken als samenvoeging met een naburige woning mogelijk wordt. De termijn waarop op grond van de Leegstandwet een woonruimte in een woning tijdelijk kan worden verhuurd is echter maximaal zeven jaar. Een periode van zeven jaar zal in veel gevallen te kort zijn om een samenvoeging te realiseren. Als de woning na die zeven jaar nog niet samengevoegd kan worden, is tijdelijke verhuur niet meer toegestaan en is alleen antikraakbewoning mogelijk. Dergelijke bewoning is om uiteenlopende redenen minder gewenst en levert aanzienlijk minder huuropbrengsten op waardoor de financiële haalbaarheid van het project

Staatsblad 2021

600

19

onder druk komt te staan. Om voldoende woningen te verwerven en samen te voegen kan in de periode tot 2035 tijdelijke verhuur noodzakelijk zijn. Op grond van artikel 15, zesde lid, eerste volzin, van de Leegstandwet wordt de vergunning voor tijdelijke verhuur in beginsel verleend voor ten hoogste twee jaren en kan deze op verzoek van de eigenaar telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd. Gelet op de duur van het experiment zou een verleende vergunning een groot aantal keren verlengd kunnen of moeten worden. In het experiment is de verlengingsduur van een vergunning daarom verlengd naar drie jaar. Daardoor neemt de administratieve belasting van het college van burgemeester en wethouders en de eigenaar niet toe. Relatief gezien neemt deze zelfs af, omdat met de vijf verlengingen die op grond van de Leegstandwet nodig zijn om zeven jaar tijdelijke verhuur mogelijk te maken nu veertien jaar tijdelijke verhuur kan plaatsvinden. Verder is in artikel 16, tiende lid, van de Leegstandwet bepaald dat burgemeester en wethouders in de vergunning vermelden tegen welke huurprijs de woning ten hoogste mag worden verhuurd. Het vaststellen van een maximale huurprijs voor de volledige tijdsduur van het experiment is onwenselijk, omdat deze dan niet kan worden aangepast aan de inflatie.

Het buiten toepassing verklaren van de huurprijsbescherming door geen maximale huurprijs in de vergunning te vermelden is echter ook niet gewenst. Het gaat immers om woningen die tijdelijk verhuurd worden aan de doelgroepen. Daarom is het gewenst dat een maximale huurprijs wordt geborgd die voldoet aan de daaromtrent gestelde wet- en regelgeving. Door het verlengen van de termijn van tijdelijke verhuur neemt de huurbescherming van de huurders af. Het maatschappelijk belang van het structureel op orde krijgen van de focuswijken door het realiseren van meer woningdifferentiatie in de momenteel eenzijdige woonwijken, weegt daar echter tegenop. Bovendien wordt zoveel mogelijk gezocht naar huurders die uiteindelijk een samengevoegde woning willen bewonen. Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 6u onderstaand per lid besproken. In het eerste lid is de tijdsduur van het experiment bepaald, evenals het toepassingsgebied van het experiment. Tot 1 januari 2035 kunnen burgemeester en wethouders gebruikmaken van dit experiment in de gebieden Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk in de gemeente Rotterdam.

Het tweede lid regelt dat burgemeester en wethouders, in aanvulling op artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet, een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet kunnen verlenen als het gaat om een woning welke ten tijde van de aanvraag van de vergunning bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woningen. Hiermee wordt voor dit experiment een nieuwe categorie woningen aan het eerste lid van artikel 15 van de Leegstandwet toegevoegd. Het derde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders een formulier beschikbaar moeten stellen voor het aanvragen van een vergunning als bedoeld in het tweede lid. Dit is een afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet, waarin onder meer is bepaald dat dit formulier overeenkomstig een door de minister vastgesteld model beschikbaar wordt gesteld.

Staatsblad 2021

600

20

In het vierde lid is vervolgens geregeld aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een vergunning als bedoeld in het tweede lid te verlenen. Zo moet de woning, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, leegstaan (onder a) en moet de eigenaar aantonen dat de woning in voldoende mate zal worden bewoond (onder b). Verder moet de gemeente Rotterdam of een woningcorporatie die op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet is toegelaten eigenaar zijn van de woning (onder c). Particuliere verhuurders kunnen dus geen gebruikmaken van het experiment. In het vijfde lid is bepaald dat een vergunning als bedoeld in het tweede lid telkens met ten hoogste drie jaren kan worden verlengd, met dien verstande dat de vergunning tot uiterlijk 1 januari 2035 kan worden verlengd. Hiermee is geregeld dat na afloop van het experiment geen vergunningen meer op grond van dit experiment kunnen gelden. Dit is een aanvulling op artikel 15, zesde lid, tweede volzin, van de Leegstandwet waarin voor de verschillende categorieën woningen een kortere verlengingstermijn en een kortere maximale duur van de vergunning is bepaald. De eerste volzin van het zesde lid van artikel 15 van de Leegstandwet blijft onverkort van toepassing. Dit betekent dat een vergunning als bedoeld in het tweede lid wordt verleend voor een periode van ten hoogste twee jaar, waarna deze kan worden verlengd.

Verder wordt, om te voorkomen dat verworven woningen niet onder dit experiment vallen als zij in de voorafgaande vijf jaren zijn verhuurd met een vergunning op grond van de Leegstandwet, artikel 15, vijfde lid en zesde lid, laatste volzin, van die wet voor dit experiment in het zesde lid buiten toepassing verklaard. Het zevende lid verklaart, in afwijking van artikel 15, negende lid, laatste volzin, van de Leegstandwet, het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. Hiermee wordt voorkomen dat bij verlenging van de vergunning weer moet worden getoetst aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Leegstandwet, in plaats van aan de voorwaarden van dit experiment, zoals opgenomen in het derde lid. Tot slot wordt in het achtste lid artikel 16 van de Leegstandwet, met uitzondering van het tweede lid van dat artikel, van overeenkomstige toepassing verklaard op dit experiment. Hiermee worden de bepalingen met betrekking tot de huur- en huurprijsbescherming bij tijdelijke huurovereenkomsten van overeenkomstige toepassing verklaard op een vergunning als bedoeld in het tweede lid.

Om aan te geven welke termijnen voor de vergunning, bedoeld in het tweede lid, moeten worden aangehouden, is tevens bepaald dat een verwijzing naar artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Leegstandwet in het vierde en zesde lid van artikel 16 van die wet moet worden gelezen als een verwijzing naar de vergunning, bedoeld in het tweede lid. Onderdeel E Met onderdeel E wordt een nieuw experiment toegevoegd aan het Bu Chw. Het experiment wordt hieronder toegelicht. Artikel 7ag (aardgasvrije wijken, Utrecht) In het plangebied Overvecht-Noord in Utrecht zijn gasleidingen aanwezig die sterk verouderd zijn, waardoor veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan. Daardoor moet de netbeheerder de gasleidingen versneld vernieuwen, indien er gebruikers op zijn aangesloten. Haaks daarop staat de ambitie van de gemeente Utrecht om uiterlijk in 2030 in Overvecht-

Staatsblad 2021

600

21

Noord geen gebruik meer te maken van aardgas voor onder meer verwarming, koken, verwarming van tapwater en haarden. In het plangebied maken circa 4.400 woningen doorgaans uitsluitend gebruik van gas om te koken. De verwarming van de woningen en, in de meeste gevallen, de verwarming van warmtapwater, vindt plaats via stadswarmte. Uitfasering van de gasinfrastructuur is daardoor relatief eenvoudig te realiseren, omdat geen ingrijpende maatregelen aan de woning of aan de energie-infrastructuur hoeven te worden genomen. De woningen in het plangebied zijn vrijwel uitsluitend corporatiewoningen. De gemeente, de netbeheerder en woningcorporaties werken al geruime tijd samen aan de uitfasering van de gasinfrastructuur in Overvecht-Noord. Zij zijn voor dit experiment samen onder meer in overleg om de totale kosten (bijvoorbeeld kooktoestel, eventuele geiser, verzwaring van de elektriciteitsaansluiting) en besparingen (bijvoorbeeld vervallen vastrecht) in beeld te brengen en te bepalen welk aandeel elk van hen hierin heeft. De uitkomsten van dit overleg kunnen worden meegenomen in de bredere discussie over de betaalbaarheid van de uitfasering van de gasinfrastructuur. In dit experiment kan bij de verdeling van de kosten niet worden afgeweken van de wettelijke kaders die gelden voor de gemeente, netbeheerder en woningcorporaties.

De gemeente Utrecht heeft aangegeven alleen van dit experiment gebruik te zullen maken als: • het beëindigen van kookgasaansluitingen daadwerkelijk leidt tot het voorkomen van vervanging van gasleidingen die uitsluitend worden gebruikt voor kookgas; • een ruime meerderheid van de huishoudens aan de betreffende afsluitbare leiding vrijwillig op het aanbod ingaat; • de bewoner geen kosten als gevolg van deze overstap heeft; • de onafhankelijke partijen die de belangen van huurders en woningeigenaren vertegenwoordigen positief adviseren over het aanbod en de gestelde randvoorwaarden; en • de bewoner (indien gewenst) volledig ontzorgd wordt bij de overstap. Door de gemeente Utrecht wordt ook al geruime tijd in algemene zin met bewoners gesproken over het aardgasvrij maken van het plangebied en wordt een pilot gedaan met een beperkt aantal woningen. Met de pilot toetsen de gemeente Utrecht, netbeheerder en woningbouwcorporaties of zij tot een haalbaar en opschaalbaar kostenplaatje kunnen komen met de garantie van kostenneutraliteit voor bewoners. Een traject van volledig vrijwillige uitfasering van kookgasaansluitingen brengt het risico met zich mee dat enkele bewoners niet mee willen gaan of zonder duidelijke reden in het geheel niet reageren op voorstellen tot uitfasering van de kookgasafsluitingen.

Dit leidt tot het risico dat de gasinfrastructuur toch in stand gehouden en vernieuwd zal moeten worden voor slechts een beperkt aantal gebruikers. Het is niet wenselijk om hoge kosten te maken voor het (vervangen en) in stand houden van een gasnet voor een relatief kleine groep bewoners die om hen moverende redenen, die ook gelegen kunnen zijn buiten een voorkeur voor gas, niet hebben gekozen voor een tijdig aangekondigd, redelijk en betaalbaar (duurzaam) alternatief. Daarom heeft Utrecht aanvullende instrumenten nodig zodat het plan succesvol kan worden uitgevoerd. Op grond van huidig recht is het niet mogelijk om te besluiten dat het beschikken over kookgasaansluitingen niet langer is toegestaan, terwijl dit wel noodzakelijk is om te voorkomen dat de gasinfrastructuur in het gebied alsnog moet worden vernieuwd. Met dit experiment krijgt de gemeenteraad van Utrecht de mogelijkheid om in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebieden aan te wijzen waarbinnen gebouweige-

Staatsblad 2021

600

22

naren en bewoners niet meer over een kookgasaansluiting mogen beschikken vanaf een in dat bestemmingsplan opgenomen datum. Deze datum moet worden bepaald met inachtneming van een redelijke termijn na vaststelling van het bestemmingsplan. In de periode voor vaststelling van dat bestemmingsplan zal de gemeente al beginnen met een traject van ontzorging. Tijdens dat traject worden bewoners begeleid en ondersteund bij het vrijwillig beëindigen van kookgasaansluitingen en de overgang naar een andere, elektrische kookvoorziening. Indien bewoners niet willen meegaan in dit traject en hun kookgasaansluiting weigeren te beëindigen, zal de netbeheerder na de in het bestemmingsplan opgenomen datum de levering van gas beëindigen. Daarmee is vanaf dat moment invulling gegeven aan het verbod genoemd in het bestemmingsplan. Handhavend optreden door de gemeente is dan niet meer nodig. Het opleggen van een dwangsom aan bewoners zal niet aan de orde zijn. Dit innovatieve experiment maakt het voor de gemeente Utrecht mogelijk om invulling te geven aan het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid door een natuurlijk vervangingsmoment van bestaande gasleidingen te benutten. Het grootste potentieel voor verduurzaming in Overvecht-Noord bestaat bij woningen en bedrijven waar aardgas wordt gebruikt voor verwarming van de gebouwen.

Het beëindigen van de kookgasaansluitingen in het plangebied levert een relatief kleine bijdrage aan de CO2-reductie in het gebied, maar is een belangrijke stap in de energietransitie in het gebied. Met dit experiment kan onder meer ervaring worden opgedaan met het ontzorgen van bewoners. Deze ervaringen kunnen vervolgens worden benut bij de verdere energietransitie in het gebied, overige gebieden in Utrecht en de rest van Nederland. Zoals reeds benadrukt, leidt dit experiment ertoe dat kookgasafsluitingen moeten worden beëindigd op grond van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Daaruit voortvloeiende werkzaamheden bij huurwoningen zijn daarom dringende werkzaamheden in de zin van artikel 7:220, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit houdt in dat de huurder die werkzaamheden moet gedogen. Tegelijkertijd leiden de werkzaamheden als gevolg van dit experiment niet tot een hogere huurprijs op grond van 7:255 BW. Verder leidt het verbod op het hebben van een kookgasaansluiting tot een verbouwing van de opstelplaats voor een kooktoestel. De kookgasaansluiting moet immers worden beëindigd. Voorts volgt uit de artikelen 4.38, 4.40 en 4.42 van het Bouwbesluit 2012 de verplichting tot het aanwezig zijn van een opstelplaats voor een kooktoestel, zowel bij nieuwbouw, verbouw als bestaande bouw.

Eventuele noodzakelijke werkzaamheden, bijvoorbeeld aanpassingen in de meterkast, om aan die verplichting te kunnen voldoen, zijn daarom ook te kwalificeren als dringende werkzaamheden in de zin van artikel 7:220 van het BW. Indien de woning is verhuurd met een kooktoestel geldt ook voor eventuele noodzakelijke werkzaamheden om het kooktoestel veilig en goed te laten functioneren dat die te kwalificeren zijn als dringende werkzaamheden in de zin van artikel 7:220 BW. De verhuurder moet de huurder het ongestoorde genot van het gehuurde verschaffen. Indien het kooktoestel tot het gehuurde behoort, geldt die verplichting ook daarvoor. Voor de tijdsduur van dit experiment is geen bepaling opgenomen, omdat dit experiment is gekoppeld aan het experiment met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Daarom geldt de tijdsduur van dat experiment, zoals opgenomen in artikel 7c, achttiende lid, respectievelijk artikel 7g, vijfde lid, van het Bu Chw. Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7ag onderstaand per lid besproken.

Staatsblad 2021

600

23

In het eerste lid wordt bepaald wat voor de toepassing van artikel 7ag moet worden verstaan onder een kookgasaansluiting. Een kookgasaansluiting is een gasaansluiting, waarbij de aangesloten onroerende zaak ook een aansluiting heeft op een warmtenet. Er zijn gebieden waar gebouwen zijn aangesloten op zowel een warmtenet, het gasnet als het elektriciteitsnet. De aansluiting op het warmtenet wordt dan doorgaans gebruikt om gebouwen te verwarmen en voor warmwater. De aanwezige gasaansluiting wordt dan doorgaans uitsluitend gebruikt voor koken, waar een goed alternatief voor is. Ook wanneer de gasaansluiting feitelijk wordt gebruikt voor andere functies of apparaten, zoals een geiser voor verwarming van tapwater of een gashaard, is er ingevolge het eerste lid sprake van een kookgasaansluiting, omdat er immers tevens een aansluiting is op het warmtenet die kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om in afwijking van artikel 62 van de Gaswet en in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebieden aan te wijzen waarbinnen het verboden is over een kookgasaansluiting te beschikken vanaf een in dat bestemmingsplan gestelde datum.

Op grond van het bepaalde in artikel 7c, dertiende lid, van het Bu Chw kan de gemeenteraad deze bevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Het tweede lid biedt de gemeente samen met het bepaalde in artikel 7c en 7g van het Bu Chw de flankerende maatregel die nodig is voor een succesvol experiment. De afwijking van artikel 62 van de Gaswet is noodzakelijk om de gemeenteraad de bevoegdheid te geven om beperkingen te stellen aan de aanwezigheid van aansluitingen voor het transport en de levering van gas. Zonder deze afwijkingsmogelijkheid van artikel 62 van de Gaswet is de gemeente niet bevoegd deze regels te stellen. In het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte staat de gehele fysieke leefomgeving centraal, waardoor in het plan ook regels gesteld mogen worden met oog op onder andere veiligheid en duurzaamheid. Om in het belang van veiligheid en duurzaamheid regels te kunnen stellen over het beschikken over kookgasaansluitingen, is afwijking van artikel 62 van de Gaswet dus noodzakelijk. Op grond van artikel 10, zevende lid, onder b, van de Gaswet heeft het college van burgemeester en wethouders al de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar de aansluitplicht voor de netbeheerder niet geldt, indien zich daar een warmtenet of andere energie-infrastructuur bevindt of gaat bevinden die in de verwachte warmtebehoefte kan voorzien.

Met die aanwijzing kunnen echter bestaande gasaansluitingen niet worden verboden. Het tweede lid maakt dit wel mogelijk. Op grond daarvan kan tevens het beschikken over kookgasaansluitingen worden verboden. In het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte moet gemotiveerd worden dat sprake is van een redelijke termijn tussen het moment van vaststellen van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte en het moment dat het beschikken over kookgasaansluitingen niet meer is toegestaan, gelet op de omstandigheden in het betreffende gebied. Betrokkenen dienen voldoende tijd te hebben om een andere, elektrische kookvoorziening te realiseren. Het derde lid regelt dat op de dag volgend op de datum, bedoeld in het tweede lid, degene die over de kookgasaansluiting beschikt, geacht wordt de netbeheerder te hebben verzocht om beëindiging van die aansluiting. Deze bepaling maakt het mogelijk voor de netbeheerder om ook bij bewoners die weigeren of nalaten zelf te verzoeken om beëindiging van de aansluiting, de benodigde handelingen te verrichten om de aansluiting vanaf de vastgestelde datum te beëindigen. De aansluiting is beëindigd op het moment dat er geen verbinding meer is tussen het gasnet en de

Staatsblad 2021

600

24

onroerende zaak. In verband met de beëindiging van de aansluiting kan de netbeheerder op grond van deze bepaling – vanaf de in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte vastgestelde datum – tevens het gasnet in het gebied buiten gebruik nemen. In het vierde lid wordt bepaald dat dit experiment is beperkt tot gebieden waar de bestaande gastransportleidingen om veiligheidsredenen moeten worden vervangen en daarnaast reeds in de warmtebehoefte van de woningen is voorzien door middel van een aansluiting op een warmtenet. Dit laat onverlet dat de netbeheerder de toestand van de leidingen continu monitort en waar nodig maatregelen treft om de veiligheid te garanderen. Verder is in dit lid opgenomen dat het, om herleving van de aansluitplicht als bedoeld in artikel 10, zesde lid, onder a, van de Gaswet te voorkomen, noodzakelijk is dat de gemeente met gebruikmaking van artikel 10, zevende lid, onder b, van de Gaswet het gebied ook aanwijst als gebied waar zich, in dit geval, een warmtenet bevindt dat in de warmtebehoefte kan voorzien. In het vijfde lid is bepaald dat artikel 7c, negende lid, onder a, onder 2°, van het Bu Chw voor dit experiment niet van toepassing is. Daarmee is geregeld dat bij vaststelling van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte duidelijk moet zijn dat en op welke wijze het bestemmingsplan financieel, technisch en maatschappelijk uitvoerbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=174c22a4-6fe3-41a0-a252-87f1d2bfa7df