CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

publicatie advies RvS 22e tranche Crisis- en Herstelwet inzake afvalwaterzuivering glastuinbouw (21-0351430)

Gemeenteraad 15 februari 2022, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de verordening op de collectieve verwijdering gewasbeschermingsmiddelen afvalwater glastuinbouw17.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

STAATSCOURANT

Nr. 47798 9 december 2021

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche)) Nader Rapport 26 november 2021 2021-0000607886 Aan de Koning Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche)) Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 13 juli 2021, nr. 2021001401, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maategel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 22 september 2021, nr. W04.21.0204/I, bied ik U hierbij aan. De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie. Het nader rapport volgt de structuur van het advies van de Afdeling (dat in cursief is aangegeven).

Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2021, no.2021001401, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis-en herstelwet (tweeëntwintigste tranche)), met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit voorziet in een aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de in het ontwerpbesluit aan de raad van de gemeente Westland verleende bevoegdheid om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde verplichting om gewasbeschermingsmiddelen uit afvalwater te zuiveren. In verband daarmee is aanpassing van het besluit en de toelichting wenselijk.

1. Experiment collectieve zuivering gewasbeschermingsmiddelen Westland Sinds 1 januari 2018 zijn glastuinbouwbedrijven verplicht uit afvalwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, door middel van een zuiveringsvoorziening tenminste 95% van de organische werkzame stoffen daarvan te verwijderen. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorziening een vrijstelling van die verplichting verlenen indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat uiterlijk op 1 januari 2021 het afvalwater wordt geleid door een collectieve zuiveringsvoorziening die ten minste 95% van de organische werkzame stoffen daaruit verwijdert. In de gemeente Westland is het initiatief genomen tot een experiment waarbij het Hoogheemraadschap van Delfland als dienst voor glastuinbouwers de zuivering zal gaan uitvoeren. Het afvalwater zal in de afvalwaterzuiveringsinstallatie Nieuwe Waterweg in Hoek van Holland gezuiverd worden. Glastuinbouwers kunnen deelnemen aan het initiatief van collectieve zuivering, maar zijn daartoe niet verplicht. Zij kunnen er ook voor kiezen hun afvalwater zelf te (blijven) zuiveren. Het ontwerpbesluit regelt dat de gemeenteraad bij verordening regels kan stellen voor een voorziening van inzameling en transport voor afvalwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat. In die verordening kan een vrijstelling worden verleend van de verplichting om afvalwater te zuiveren.

Gelet op de maximale werkingsduur van de voorgestelde bepalingen kan die vrijstelling tot uiterlijk 1 januari 2024 worden verleend.

1

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

De Afdeling maakt hierover de volgende opmerkingen.

a. Reikwijdte vrijstelling In het Activiteitenbesluit milieubeheer is reeds voorzien in de mogelijkheid van oprichting en gebruik van een collectieve zuiveringsvoorziening. De in het Activiteitenbesluit geregelde bevoegdheid om bij maatwerkvoorschrift tijdelijk ontheffing te verlenen van de zuiveringsplicht, was onder meer opgenomen ten behoeve van de collectieve zuivering in het Westland. Voor de verwezenlijking daarvan is de voorgestelde regeling derhalve niet nodig. Uit de toelichting volgt dat de collectieve waterzuiveringsinstallatie in het Westland eerst eind 2023 gereed zal zijn en om die reden (verder) uitstel van de zuiveringsverplichting noodzakelijk is. Voorts blijkt daaruit dat de aan de raad toe te kennen bevoegdheid om vrijstelling van de zuiveringsverplichting te verlenen uitsluitend bedoeld is voor glastuinbouwbedrijven die deelnemen aan het initiatief van collectieve zuivering. De Afdeling merkt op dat de in het ontwerpbesluit geregelde bevoegdheid van de gemeenteraad om vrijstelling van de zuiveringsverplichting te verlenen, zich niet beperkt tot het verlenen van ontheffing aan glastuinbouwers die deelnemen aan het initiatief van collectieve zuivering. Die bevoegdheid maakt het namelijk ook mogelijk om (generiek) vrijstelling te verlenen aan alle glastuinbouwers in het Westland.

Dit betekent een aanzienlijke verruiming ten opzichte van de voorheen bestaande bevoegdheid om bij maatwerkvoorschrift een ontheffing te verlenen aan glastuinbouwers waarvan aannemelijk is dat zij gebruik gaan maken van collectieve zuivering. Nu het ontwerpbesluit in zoverre afwijkt van hetgeen daarmee volgens de toelichting is beoogd, adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen en daarin te regelen dat vrijstelling uitsluitend betrekking kan hebben op glastuinbouwbedrijven waarvan aannemelijk is dat zij hun afvalwater via de nog te realiseren collectieve zuiveringsvoorziening zullen laten zuiveren.

Reactie ten aanzien van punt 1.a van het advies De Afdeling merkt terecht op dat uit de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit blijkt dat wordt beoogd om de gemeenteraad uitsluitend een bevoegdheid te verlenen om vrijstelling te kunnen verlenen van de zuiveringsverplichting waar het glastuinbouwbedrijven betreft die hun afvalwater via de nog te realiseren collectieve zuiveringsvoorziening zullen laten zuiveren. De Afdeling wijst er tevens terecht op dat de in het ontwerpbesluit geregelde bevoegdheid niet specifiek is beperkt tot glastuinbouwbedrijven die deelnemen aan het initiatief van collectieve zuivering. Om het ontwerpbesluit overeen te laten komen met de nota van toelichting, zal in het ontwerpbesluit worden verhelderd dat het experiment uitsluitend van toepassing is op glastuinbouwbedrijven in de gemeente Westland, die kunnen aantonen dat zij hun afvalwater via de nog te realiseren collectieve zuiveringsvoorziening bij de Nieuwe Waterweg zullen laten zuiveren.

b. Gevolgen voor de doelstelling voor de waterkwaliteit In de toelichting wordt onderkend dat ten gevolge van de vrijstellingsregeling gedurende ten hoogste drie jaren emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater blijven optreden die er zonder die vrijstellingsregeling niet zouden zijn. In de toelichting wordt echter niet ingegaan op de gevolgen van die emissies voor het kunnen behalen van de voor waterkwaliteit gestelde doelstellingen. Die doelstellingen strekken tot een afname in 2023 van het aantal overschrijdingen van de milieukwaliteitsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater met 90% en een afname van het aantal overschrijdingen van drinkwaternormen met 95%, ten opzichte van 2013. Nu volgens de toelichting ongeveer 25% van de Westlandse glastuinbouw, zijnde 12% van de Nederlandse glastuinbouw, deelneemt aan het initiatief van collectieve zuivering en mogelijk wordt vrijgesteld van de zuiveringsplicht, gaat het om het ongezuiverd lozen van afvalwater van een niet te verwaarlozen deel van alle glastuinbouwers. Negatieve gevolgen voor het behalen van de doelstellingen voor de waterkwaliteit zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

Reactie ten aanzien van punt 1.b van het advies Vooropgesteld is het uitgangspunt bij dit experiment dat het afvalwater niet ongezuiverd wordt geloosd op het lokale oppervlaktewater. Huidige regelgeving die hergebruik van water stimuleert, zoals emissienormen voor substraatteelten en recirculatieplichten voor zowel substraatteelt als grondgebonden teelt, blijft onverminderd van toepassing en houdt emissies van gewasbeschermingsmiddelen binnen de perken. Voorts is het experiment alleen mogelijk onder de voorwaarde dat voor

2

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

de korte termijn al zoveel mogelijk compenserende en mitigerende maatregelen worden genomen. Het gaat om: – Inspanning van het waterschap om de overbruggingstermijn te verkorten. – Extra zuiveringsstap voor nutriënten op de AWZI bovenop de geldende eisen. De start van de extra zuivering van nutriënten hoeft niet te wachten op gereedkoming van de zuiveringsinstallatie voor gewasbeschermingsmiddelen. – Bestaande zuiveringsinstallaties bij individuele glastuinbouwbedrijven blijven in gebruik tot de collectieve zuiveringsinstallatie gereed is. – In beginsel zoveel mogelijk afvalwater mobiel zuiveren bij bedrijven met het grootste verbruik. – Geen lozing op het lokale oppervlaktewater om het regionale watersysteem te ontzien. – Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk beperken, dit gebeurt onder andere conform een plantgezondheidsprotocol. Daarnaast wordt tijdig natrium gemeten om zicht te houden op de mogelijkheden voor recirculatie. Indien een gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast, wordt een zo lang mogelijke wachttijd aangehouden tussen het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel en het moment van lozen. – Extra inzet regionale monitoring en handhaving van de waterkwaliteit. Een deel van de gewasbeschermingsmiddelen wordt al op natuurlijke wijze afgebroken doordat het water zolang mogelijk circuleert in de kas (recirculatieplicht).

Een deel van de gewasbeschermingsmiddelen breekt af tijdens de route via het riool en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De lozing van het afvalwater vindt niet plaats op lokaal oppervlaktewater, maar alleen via het vuilwaterriool – en dus via de bestaande rioolwaterzuiveringsinstallatie – op het oppervlaktewater van de Nieuwe Waterweg. Dit is geregeld in het rioollozingsprotocol. De rioolwaterzuiveringsinstallatie verwijdert een deel, maar is er nog niet op toegerust om 95% van de gewasbeschermingsmiddelen weg te zuiveren. Het restant komt voor de duur van het experiment vanuit de rioolwaterzuiveringsinstallatie in de Nieuwe Waterweg terecht. Dit is echter een groter watersysteem dat deze lozing beter op kan vangen dan het lokale polderwater. Vanuit de waterkwaliteitsdoelstelling wegen de voordelen op de lange termijn, te weten het door middel van een innovatieve techniek collectief zuiveren van afvalwater afkomstig van glastuinbouwbedrijven en (huishoudelijk) afvalwater uit de dorpskernen, waardoor ook medicijnresten en andere chemische microverontreinigingen worden gezuiverd, op tegen het restant aan gewasbeschermingsmiddelen dat tijdelijk uit de bestaande rioolwaterzuiveringsinstallatie op de Nieuwe Waterweg geloosd wordt.

In de nota van toelichting is verhelderd dat gedurende het experiment emissies van gewasbeschermingsmiddelen via de rioolwaterzuivering naar de Nieuwe Waterweg zullen optreden en dat het experiment dus geen gevolgen heeft voor het lokale oppervlaktewater.

2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

Reactie ten aanzien van de redactionele bijlage De door de Afdeling gemaakte opmerking in de redactionele bijlage is overgenomen. De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf

Ambtshalve wijzigingen Tot slot heb ik van de gelegenheid gebruikgemaakt om enkele ambtshalve wijzigingen door te voeren in het experiment Architect aan Zet, zoals opgenomen in artikel 6j van het Bu Chw. Met deze technische wijziging wordt geborgd dat het experiment tot 1 september 2025 kan worden voortgezet, waarbij rekening wordt gehouden met de scheiding tussen de technische en ruimtelijke bouwactiviteit, ook wel de knip genoemd. Onder de Omgevingswet zal de technische toets voor een aanzienlijk deel van de bouwwerken niet langer worden uitgevoerd door de gemeente, maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger. Dit nieuwe systeem van kwaliteitsborging wordt gefaseerd ingevoerd met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, waarvan de inwerkingtreding gekoppeld is aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Gelet op dit nieuwe systeem is het onwenselijk, zo vindt ook de gemeente Rotterdam, dat met het experiment Architect aan Zet daarvan wordt afgeweken door een eigen systeem van kwaliteitsborging met een architect in stand te houden. Het experiment wordt daarom zodanig aangepast dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de technische toets de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen blijft gelden.

3

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W04.21.0204/I −

In artikel I, onderdeel B, voorgesteld artikel 6p, vierde lid, de zinsnede ‘van 1 januari 2021’ schrappen.

Ik bied U hierbij in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren.

4

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

Advies Raad van State No. W04.21.0204/I ’s-Gravenhage, 22 september 2021 Aan de Koning Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2021, no.2021001401, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis-en herstelwet (tweeëntwintigste tranche)), met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit voorziet in een aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de in het ontwerpbesluit aan de raad van de gemeente Westland verleende bevoegdheid om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde verplichting om gewasbeschermingsmiddelen uit afvalwater te zuiveren. In verband daarmee is aanpassing van het besluit en de toelichting wenselijk.

1. Experiment collectieve zuivering gewasbeschermingsmiddelen Westland Sinds 1 januari 2018 zijn glastuinbouwbedrijven verplicht uit afvalwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, door middel van een zuiveringsvoorziening tenminste 95% van de organische werkzame stoffen daarvan te verwijderen.1 Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorziening een vrijstelling van die verplichting verlenen indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat uiterlijk op 1 januari 2021 het afvalwater wordt geleid door een collectieve zuiveringsvoorziening die ten minste 95% van de organische werkzame stoffen daaruit verwijdert.2 In de gemeente Westland is het initiatief genomen tot een experiment waarbij het Hoogheemraadschap van Delfland als dienst voor glastuinbouwers de zuivering zal gaan uitvoeren. Het afvalwater zal in de afvalwaterzuiveringsinstallatie Nieuwe Waterweg in Hoek van Holland gezuiverd worden. Glastuinbouwers kunnen deelnemen aan het initiatief van collectieve zuivering, maar zijn daartoe niet verplicht. Zij kunnen er ook voor kiezen hun afvalwater zelf te (blijven) zuiveren.

Het ontwerpbesluit regelt dat de gemeenteraad bij verordening regels kan stellen voor een voorziening van inzameling en transport voor afvalwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat.3 In die verordening kan een vrijstelling worden verleend van de verplichting om afvalwater te zuiveren.4 Gelet op de maximale werkingsduur van de voorgestelde bepalingen kan die vrijstelling tot uiterlijk 1 januari 2024 worden verleend.5 De Afdeling maakt hierover de volgende opmerkingen.

a. Reikwijdte vrijstelling In het Activiteitenbesluit milieubeheer is reeds voorzien in de mogelijkheid van oprichting en gebruik van een collectieve zuiveringsvoorziening. De in het Activiteitenbesluit geregelde bevoegdheid om bij maatwerkvoorschrift tijdelijk ontheffing te verlenen van de zuiveringsplicht, was onder meer opgenomen ten behoeve van de collectieve zuivering in het Westland.6 Voor de verwezenlijking daarvan is de voorgestelde regeling derhalve niet nodig. Uit de toelichting volgt dat de collectieve waterzuiveringsinstallatie in het Westland eerst eind 2023 gereed zal zijn en om die reden (verder) uitstel van de zuiveringsverplichting noodzakelijk is.7 Voorts

1 2 3 4 5 6

7

5

Artikel 3.64a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.64b, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel I, onderdeel E, voorgesteld artikel 7ak, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel I, onderdeel E, voorgesteld artikel 7ak, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel I, onderdeel E, voorgesteld artikel 7ak, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zie in dit verband ook paragraaf 5 van de Nota van toelichting bij het Besluit van 23 juni tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer in verband met de vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw en open teelten. Daarin staat dat dat besluit het initiatief van de collectieve zuiveringsvoorziening in het Westland faciliteert. Nota van toelichting, hoofdstuk II, Artikelsgewijze toelichting.

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

blijkt daaruit dat de aan de raad toe te kennen bevoegdheid om vrijstelling van de zuiveringsverplichting te verlenen uitsluitend bedoeld is voor glastuinbouwbedrijven die deelnemen aan het initiatief van collectieve zuivering. De Afdeling merkt op dat de in het ontwerpbesluit geregelde bevoegdheid van de gemeenteraad om vrijstelling van de zuiveringsverplichting te verlenen, zich niet beperkt tot het verlenen van ontheffing aan glastuinbouwers die deelnemen aan het initiatief van collectieve zuivering. Die bevoegdheid maakt het namelijk ook mogelijk om (generiek) vrijstelling te verlenen aan alle glastuinbouwers in het Westland. Dit betekent een aanzienlijke verruiming ten opzichte van de voorheen bestaande bevoegdheid om bij maatwerkvoorschrift een ontheffing te verlenen aan glastuinbouwers waarvan aannemelijk is dat zij gebruik gaan maken van collectieve zuivering.8 Nu het ontwerpbesluit in zoverre afwijkt van hetgeen daarmee volgens de toelichting is beoogd, adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen en daarin te regelen dat vrijstelling uitsluitend betrekking kan hebben op glastuinbouwbedrijven waarvan aannemelijk is dat zij hun afvalwater via de nog te realiseren collectieve zuiveringsvoorziening zullen laten zuiveren.

b. Gevolgen voor de doelstelling voor de waterkwaliteit In de toelichting wordt onderkend dat ten gevolge van de vrijstellingsregeling gedurende ten hoogste drie jaren emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater blijven optreden die er zonder die vrijstellingsregeling niet zouden zijn. In de toelichting wordt echter niet ingegaan op de gevolgen van die emissies voor het kunnen behalen van de voor waterkwaliteit gestelde doelstellingen. Die doelstellingen strekken tot een afname in 2023 van het aantal overschrijdingen van de milieukwaliteitsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater met 90% en een afname van het aantal overschrijdingen van drinkwaternormen met 95%, ten opzichte van 2013.9 Nu volgens de toelichting ongeveer 25% van de Westlandse glastuinbouw, zijnde 12% van de Nederlandse glastuinbouw, deelneemt aan het initiatief van collectieve zuivering en mogelijk wordt vrijgesteld van de zuiveringsplicht, gaat het om het ongezuiverd lozen van afvalwater van een niet te verwaarlozen deel van alle glastuinbouwers. Negatieve gevolgen voor het behalen van de doelstellingen voor de waterkwaliteit zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen. De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

8 9

6

Zie voetnoot 2. Gezonde Groei, Duurzame Oogst, Tweede nota duurzame gewasbescherming periode 2013 tot 2023, Paragraaf 5.1. Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 146, Bijlage 225179.

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W04.21.0204/I −

7

In artikel I, onderdeel B, voorgesteld artikel 6p, vierde lid, de zinsnede ‘van 1 januari 2021’ schrappen.

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ... tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche)) Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juli 2021, nr. 2021-0000350283, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van..., nr. ); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van..., nr. ..., uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: bestemmingsplan met verbrede reikwijdte: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7c of 7g;. B Artikel 6p wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid vervalt onderdeel a, onder verlettering van de onderdelen b tot en met i tot a tot en met h. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. In aanvulling op artikel 8 van de Woningwet kunnen in de periode van 1 januari 2021 tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor te bouwen gebruiksfuncties waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, in de bouwverordening voorschriften worden opgenomen die voorzien in lagere maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en een hogere minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie dan bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. C Na artikel 6t wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 6u 1. Dit artikel is tot 1 januari 2035 van toepassing op de gebieden Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk in de gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 187. 2.

In aanvulling op artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in dat lid ook verlenen voor de verhuur van een woning welke ten tijde van het aanvragen van de vergunning bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woningen. 3. In afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet stellen burgemeester en wethouders een formulier beschikbaar via welke de eigenaar een vergunning als bedoeld in het tweede lid kan aanvragen. 4. In afwijking van artikel 15, derde lid, van de Leegstandwet wordt de vergunning, bedoeld in het tweede lid, slechts verleend indien:

8

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

a. de woning, voor de verhuring waarvan de vergunning wordt aangevraagd, leegstaat; b. de eigenaar aantoont dat de te verhuren woonruimte, gelet op de omstandigheden en mogelijkheden, in voldoende mate zal worden bewoond; en c. de eigenaar, bedoeld onder b, de gemeente Rotterdam of een op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet toegelaten woningcorporatie is. 5. Onverminderd artikel 15, zesde lid, tweede volzin, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders de vergunning, bedoeld in het tweede lid, op verzoek van de eigenaar telkens met ten hoogste drie jaren verlengen, met dien verstande dat de vergunning tot uiterlijk 1 januari 2035 kan worden verlengd. 6. Artikel 15, vijfde lid en zesde lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is niet van toepassing. 7. In afwijking van artikel 15, negende lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing. 8. Artikel 16 van de Leegstandwet is van overeenkomstige toepassing, behoudens het tweede lid, met dien verstande dat in het vierde en zesde lid van dat artikel een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Leegstandwet wordt gelezen als een vergunning als bedoeld in het tweede lid. D Na artikel 7af wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 7ag 1.

In dit artikel wordt verstaan onder kookgasaansluiting: aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet waarbij de onroerende zaak ook een aansluiting heeft op een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte. 2. In afwijking van artikel 62 van de Gaswet en in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebieden worden aangewezen waarbinnen het verboden is te beschikken over een kookgasaansluiting vanaf een in dat bestemmingsplan gestelde datum. 3. Op de dag volgend op de in het bestemmingsplan gestelde datum, bedoeld in het tweede lid, wordt degene die over een kookgasaansluiting beschikt geacht de netbeheerder te hebben verzocht om beëindiging van die aansluiting. 4. Het tweede lid kan uitsluitend worden toegepast, indien: a. de bestaande gastransportleidingen om veiligheidsredenen aan vervanging toe zijn; b. de onroerende zaken zijn aangesloten op een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte; en c. het college van burgemeester en wethouders het gebied, bedoeld in het tweede lid, heeft aangewezen als een gebied in de zin van artikel 10, zevende lid, onder b, van de Gaswet. 5.

Artikel 7c, negende lid, onder a, onder 2°, is niet van toepassing. 6. Indien gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening niet van toepassing. 7. Dit artikel is van toepassing op het plangebied Overvecht-Noord in de gemeente Utrecht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 185. E Na artikel 7ah worden drie artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 7ai 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. geconcentreerd afvalwater: afvalwater, dat afvalstoffen bevat bestaande uit uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten of voedselresten als bedoeld onder b;

9

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

b. voedselresten: afvalstoffen afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. 2. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij het brengen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels. In de verordening kan worden afgeweken van artikel 6 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens en artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor een afvoervoorziening voor afvalwater afkomstig van een opstelplaats voor een watercloset en van een opstelplaats voor een keukengootsteenbak voorzien van apparatuur voor het vermalen van voedselresten, in afwijking van de artikelen 6.15, tweede lid, en 6.16, tweede lid, onder a en b, van het Bouwbesluit 2012, het volgende: a. de afvoervoorziening is aangesloten op een vacuümleiding; b. gebouwgebonden vacuümleidingen hebben een diameter van ten minste 50 mm, waarbij niet wordt voorzien in een ontluchtingsleiding; c. vacuümleidingen voeren uitsluitend geconcentreerd afvalwater af; en d. vacuümleidingen worden aangesloten op het vacuümriool. 4.

Dit artikel is tot 1 januari 2040 van toepassing op de volgende gebieden: a. Buiksloterham in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 188; b. Strandeiland en Buiteneiland in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 189. Artikel 7aj 1. Dit artikel geldt tot 1 januari 2036 voor de Sluisbuurt in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 190. 2. In de titels 10.4 en 10.6 van de Wet milieubeheer wordt, in aanvulling op artikel 1.1 van die wet, onder huishoudelijke afvalstoffen ook begrepen bedrijfsafvalstoffen voor zover deze de volgende fracties bevatten: a. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; b. bioafval; c. drankenkartons; d. glas; e. kunststof; f. metaal; g. papier; h. restafval; of i. textiel. 3. Indien de fracties, bedoeld in het tweede lid, door de oorspronkelijke leverancier als retourvracht kunnen worden meegenomen, is het tweede lid niet van toepassing. Artikel 7ak 1. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij in die verordening aangegeven gevallen van het telen of het kweken van gewassen in een kas wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels bij het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater brengen van: a. drainwater; b.

drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond; c. spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie; of d. ander afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat. 2. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van artikel 3.64a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, is, in afwijking van artikel 3.63, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het in een oppervlaktelichaam lozen van spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, drainwater en drainagewater afkomstig van een

10

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond verboden. 4. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval regels opgenomen die ertoe strekken dat de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, die met het bedrijfsafvalwater in het openbaar vuilwaterriool wordt gebracht, zoveel mogelijk wordt beperkt. 5. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert, waarin het afvalwater, bedoeld in het eerste lid, wordt gebracht, in ieder geval het volgende: a. een aanvullende zuiveringsstap voor het verwijderen van nutriënten uit het afvalwater wordt ingevoerd; b. iedere zes maanden wordt aan burgemeester en wethouders gerapporteerd over de voortgang van het hergebruiken van het gezuiverde water; en c. ieder kwartaal wordt aan burgemeester en wethouders bericht over de planning voor de oplevering van de ozontechnologie en over de inspanningen die worden gepleegd om de opleveringsdatum te verkorten. 6. Dit artikel is tot 1 januari 2024 van toepassing op de gemeente Westland. F Er worden vijf bijlagen toegevoegd zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit: a. bijlage 185 (Utrecht, Overvecht-Noord); b. bijlage 187 (Rotterdam, Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk); c. bijlage 188 (Amsterdam, Buiksloterham); d. bijlage 189 (Amsterdam, Strandeiland en Buiteneiland); e.

bijlage 190 (Amsterdam, Sluisbuurt). ARTIKEL II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. ARTIKEL III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche). Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

11

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

NOTA VAN TOELICHTING I. Algemeen Dit besluit bevat de zogenoemde tweeëntwintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Bu Chw). Met artikel I wordt het Bu Chw gewijzigd en aangevuld. In onderdeel A is ten behoeve van het experiment aardgasvrije wijken, dat in onderdeel E wordt toegevoegd, een definitie opgenomen van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Omdat dit begrip in meerdere artikelen van het Bu Chw wordt gebruikt, is ervoor gekozen om een definitie van dit begrip op te nemen in de algemene definitiebepaling van het Bu Chw. In onderdeel B wordt een nieuw lid toegevoegd aan het experiment met de strengere EPC (artikel 6p), waarmee de experimenteermogelijkheid voor gemeenten wordt aangepast aan de systematiek van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (hierna: BENG). In onderdeel C wordt een nieuw experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment met de Leegstandwet in de gemeente Rotterdam waarmee het in een aantal gebieden mogelijk wordt om een woonruimte tijdelijk te verhuren voor een periode van ten hoogste veertien jaar in plaats van zeven jaar, als die woonruimte bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woonruimten (artikel 6u).

In onderdeel D wordt een nieuw experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee de gemeente Utrecht de mogelijkheid krijgt om in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebieden aan te wijzen waarbinnen het beschikken van bestaande kookgasaansluitingen niet langer is toegestaan (artikel 7ag). Dit experiment was aanvankelijk onderdeel van de eenentwintigste tranche van het Bu Chw. Het experiment is echter geschrapt uit die tranche van het Bu Chw vanwege de aangenomen motie van de leden Koerhuis en Krol.1 Naar aanleiding van de motie Koerhuis en Krol is het experiment in beraad gehouden en zijn aan de gemeente Utrecht aanvullende vragen gesteld. De gemeente heeft die vragen beantwoord en daarbij aangegeven dat de voorgenomen uitvoering van het experiment op onderdelen is aangepast in de geest van de motie. Tevens heeft de gemeente Utrecht een flink aantal toezeggingen gedaan. De toelichting op het experiment is naar aanleiding van de aangenomen motie aangescherpt met gebruikmaking van de nieuwe inzichten en toezeggingen van de gemeente Utrecht. In onderdeel E worden drie experimenten als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee een nieuwe vorm van sanitatie mogelijk wordt gemaakt in drie gebieden in de gemeente Amsterdam (artikel 7ai).

Op basis van dit experiment kunnen voedselresten worden geloosd en kan een scheiding tussen het grijs- en zwartwatercircuit en een aansluiting op het vacuümriool worden voorgeschreven. Verder bevat dit onderdeel een experiment met een ondergronds afvaltransportsysteem in de gemeente Amsterdam (artikel 7aj). In het experiment wordt een aantal fracties van bedrijfsafvalstoffen gelijkgeschakeld aan huishoudelijke afvalstoffen, hetgeen betekent dat de gemeente voortaan verantwoordelijk is voor de inzameling daarvan. Tot slot bevat dit onderdeel een experiment met betrekking tot collectieve zuivering van afvalwater dat afkomstig is van glastuinbouwbedrijven (artikel 7ak). Dit experiment is van toepassing op de gemeente Westland. In de artikelen II en III worden de inwerkingtreding respectievelijk de citeertitel geregeld. Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit op 22 juni 2020 in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 2020, nr. 31393). Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpbesluit is een zienswijze ontvangen van Waterson (hierna: indiener). Waterson is een bedrijf dat mobiele zuiveringsinstallaties exploiteert. De zienswijze heeft betrekking op het experiment collectieve zuivering dat is opgenomen in artikel 7ak.

Indiener verzoekt in zijn zienswijze om artikel 7ak te heroverwegen en in het artikel concrete voorwaarden op te nemen om de waterkwaliteit in de overbruggingsperiode te verbeteren. In de zienswijze stelt indiener onder meer dat het experiment leidt tot het twee jaar langer lozen van ongezuiverd afvalwater op het oppervlaktewater. Dit is echter niet geheel juist. Op grond van het derde lid is het verboden om het afvalwater direct te lozen in een oppervlaktelichaam. De bedrijven die aan de collectieve zuivering zullen meedoen, zullen het afvalwater vanaf de start van het experiment volledig op het vuilwaterriool moeten lozen, of, mocht

1

12

Kamerstukken II 2020/21, 32 813, nr. 467.

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

dat vanwege de capaciteit van het vulwaterriool nog niet (volledig) kunnen, voorafgaand aan eventuele lozing op het oppervlaktewater zuiveren. Hiermee wordt het regionale oppervlaktewater ontzien. Bij lozing op het vuilwaterriool zal het water in het zuiveringtechnisch werk worden gezuiverd, waarbij ook een deel van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd. Wel is het zo dat die zuivering tot uiterlijk 1 januari 2024 nog niet zal voldoen aan het vereiste dat ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water wordt verwijderd. Dit nadeel, dat speelt tot de periode dat de collectieve zuiveringsinstallatie operationeel zal zijn, is bij het mogelijk maken van het experiment afgewogen tegen de in de toelichting beschreven gunstige milieugevolgen op langere termijn. Daarbij is wel de voorwaarde gesteld dat voor de korte termijn al zoveel mogelijk compenserende en mitigerende maatregelen worden genomen. Van die maatregelen kan ook mobiele zuivering onderdeel uitmaken, bijvoorbeeld voor de grote lozers. Er is voor gekozen deze maatregelen door de bevoegde instanties in het gebied vorm te laten geven, om zo optimaal de kennis van de specifieke problematiek te benutten. Verder stelt indiener dat het experiment tuinders niet stimuleert tot verantwoord hergebruik van water. Dit is niet correct.

De huidige wetgeving die hergebruik van water stimuleert (emissienormen voor substraatteelten en recirculatieplichten voor zowel substraatteelt als grondgebonden teelt2), is en blijft onverkort van toepassing. De collectieve zuivering is dus geen vrijbrief om ongelimiteerd te lozen. Daarnaast is een verplichting opgenomen voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert om iedere zes maanden te rapporteren over de voortgang van het hergebruiken van het gezuiverde water, wat uit milieuoogpunt een aanvullende opbrengst is. Het experiment is dus wel degelijk gericht op het stimuleren van het hergebruik van water. Daarnaast wijst indiener op normoverschrijdingen van het gewasbeschermingsmiddel imidacloprid in het oppervlaktewater. Indiener vreest dat tuinders dit middel de komende jaren blijven gebruiken en dit middel door voorliggend experiment ongezuiverd kan worden geloosd. Ook stelt indiener dat de afvalwaterzuiveringsinstallatie niet in staat is om dit middel uit het afvalwater te zuiveren. Dit is onjuist. De beoogde zuiveringsinstallatie is getoetst door de Beoordelingscommissie Zuiveringsinstallaties Glastuinbouw (BZG). Om goedkeuring te verkrijgen van de BZG dient minimaal 95% van dit middel te worden verwijderd en dat is het geval.

De zuivering haalt niet het in het wettelijk gebruiksvoorschrift van imidacloprid voorgeschreven zuiveringsrendement van 99,5% om imidacloprid te mogen toepassen.3 Dit betekent dat bedrijven die meedoen met de collectieve zuivering geen imidacloprid mogen toepassen, omdat de zuivering wel 95%, maar geen 99,5% zuiveringsrendement haalt. Wat betreft de normoverschrijdingen van overige gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater levert de collectieve zuivering een extra bijdrage, omdat de leden van de coöperatie verplicht zijn een rioollozingsprotocol te volgen. Door dit protocol moeten zij hun watersysteem in kaart brengen, waardoor onbedoelde lozingen naar lokaal oppervlaktewater in beeld komen en gesaneerd moeten worden. Het rioollozingsprotocol draagt derhalve bij aan het waterbewustzijn van de deelnemende bedrijven en zal leiden tot een verbetering van de lokale waterkwaliteit. Tot slot wijst indiener op het risico van oneerlijke concurrentie. Dit risico is in dit project ondervangen doordat de deelnemers tot nu toe de ontwikkelkosten van de collectieve zuivering hebben betaald en vanaf 1 januari 2021 de volledige bijdrage aan de coöperatie betalen. Door deze marktconforme bijdrage te betalen is er geen sprake van oneerlijke concurrentie.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brieven van 22 juni 2020 (2020-0000351659 respectievelijk 2020-0000351745) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 32 127, nr. 240). De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft op 10 juli 2020 een aantal schriftelijke vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze vragen zijn bij brief van 25 januari 2021 beantwoord (Kamerstukken II 2020/21, 32 127, nr. 243), waarna de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken het ontwerpbesluit heeft aangemeld voor een VSO. Tijdens het VSO over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

2

3

13

Zie voor de emissienormen voor substraatteelten: artikel 3.66, vierde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer en onder het nieuwe regime artikel 4.791e van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zie voor de recirculatieplichten: artikel 3.66, derde lid, respectievelijk 3.71, zesde lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer en onder het nieuwe regime artikel 4.791c, tweede lid, respectievelijk 4.791l, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zie ook: https://www.ctgb.nl/onderwerpen/neonicotinoiden/zuiveringseisen-imidacloprid

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

op 20 mei 2021 is een motie ingediend. De motie Koerhuis (Kamerstukken II 2020/21, 32 127, nr. 245) gericht op het maken van een impactanalyse op de bouwkosten voor iedere gemeente die een lokaal strengere energie-eis wil stellen, is niet aangenomen. Daarmee is de voorhang van de tweeëntwintigste tranche van het Bu Chw afgerond. Verder is de tijdsduur van het experiment collectieve zuivering, zoals opgenomen in het zesde lid van artikel 7ak, verlengd tot 1 januari 2024. De gemeente Westland heeft verzocht om het experiment met een jaar te verlengen, aangezien de realisatie van de innovatieve, collectieve zuiveringsinstallatie meer tijd vergt. Dit komt mede omdat bij de beoogde zuiveringstechniek bromaat ontstaat, hetgeen de nodige aandacht vergt in het kader van normstelling en vergunningverlening. Het experiment stelt de gemeente Westland in staat om bij verordening regels te stellen aan het lozen. Dit biedt in de periode tot het operationeel zijn van de collectieve zuiveringsinstallatie de mogelijkheid om, in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland, indien nodig aanvullende maatregelen voor te schrijven ter beperking van emissies van gewasbeschermingsmiddelen. Voorts is de verlenging van het experiment Architect aan Zet, zoals opgenomen in artikel 6j van het Bu Chw, uit deze tranche van het Bu Chw gehaald.

Een verlenging van dit experiment was aanvankelijk in deze tranche van het Bu Chw opgenomen, omdat dit de eerstvolgende tranche was waarin de verlenging kon worden meegenomen. Aangezien deze tranche niet meer op tijd in werking kan treden om het experiment zonder onderbreking voort te zetten, is de verlenging meegenomen met de drieëntwintigste tranche van het Bu Chw. Inzake het experiment aardgasvrije wijken in de gemeente Utrecht, dat is opgenomen in onderdeel D, geldt dat dit experiment eerder was opgenomen in de eenentwintigste tranche van het Bu Chw. Het experiment is dan ook als onderdeel van de eenentwintigste tranche van het Bu Chw op grond van artikel 5.2a van de Chw op 7 februari 2020 gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2020, 7147). Naar aanleiding van de voorpublicatie zijn over dit onderdeel van het ontwerpbesluit geen zienswijzen ingediend. Voorgenoemd experiment is als onderdeel van de eenentwintigste tranche van het Bu Chw op grond van artikel 5.2a van de Chw door de Minister voor Milieu en Wonen bij brieven van 7 februari 2020 (2020-0000057787 respectievelijk 2020-0000057789) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 32 127, nr. 237).

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft op 21 februari 2020 een aantal schriftelijke vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De vragen betreffende het experiment aardgasvrije wijken zijn naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Koerhuis en Krol aangehouden. Deze vragen zijn op basis van de antwoorden en toezeggingen van de gemeente Utrecht separaat beantwoord met de Kamerbrief van 21 december 2020 (Kamerstukken II, 2020/21, 32 127, nr. 242). De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft deze antwoorden voor kennisgeving aangenomen.

II. Artikelsgewijs Onderdeel B Met onderdeel B wordt een lid toegevoegd aan het experiment met een strengere EPC, zoals opgenomen in artikel 6p van het Bu Chw. De experimenteermogelijkheid van gemeenten om een strengere EPC voor te schrijven wordt aangepast aan de BENG-systematiek. Dit nieuwe vierde lid maakt het mogelijk dat gemeenten besluiten bij nieuwbouw waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, in de bouwverordening voorschriften op te nemen die voorzien in lagere maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en een hogere minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie dan bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (hierna: Bouwbesluit). Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt in de periode tussen 1 januari 2021, de inwerkingtredingsdatum van BENG, en de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501) is een soortgelijke wijziging opgenomen die ervan uitging dat BENG in werking zou treden per 1 juli 2020.

Omdat de inwerkingtreding van BENG is uitgesteld tot 1 januari 2021, wordt het Bu Chw gewijzigd via deze tranche waarbij de nieuwe inwerkingtredingsdatum in het nieuwe vierde lid is opgenomen. Om de nieuwe inwerkingtredingsdatum aan te houden, zullen de onderdelen A en B, derde lid, van artikel II van het Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw niet in werking treden.

14

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

Onderdeel C Onderdeel C bevat een nieuw experiment, dat hieronder wordt toegelicht.

Artikel 6u (tijdelijke verhuur, Rotterdam) In 2018 hebben verschillende partijen, waaronder de gemeente Rotterdam en woningbouwcorporatie Woonbron, afspraken gemaakt om te investeren in de wijken Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk. Deze wijken zijn in het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (hierna: NPRZ) aangewezen als zogenoemde focuswijken. In het NPRZ werken het Rijk, de gemeente Rotterdam, woningcorporaties, zorginstellingen, schoolbesturen, bedrijfsleven, politie en Openbaar Ministerie samen aan een goede, gezonde en veilige toekomst voor Rotterdam-Zuid. Doel van het programma is om de bevolkingssamenstelling, het opleidingsniveau, de arbeidsparticipatie en de woon- en leefkwaliteit in die wijken in 20 jaar naar het gemiddelde niveau van woonwijken in de vier grote steden in Nederland te brengen. De woningvoorraad in de drie genoemde focuswijken bestaat vooral uit naoorlogse portiek- en flatwoningen van geringe omvang (vaak minder dan 50 m2). Veel woningen worden bewoond door één- of tweepersoonshuishoudens, waaronder veel starters op de woningmarkt. Het kwaliteitsniveau van de woningen en wooncomplexen voldoet vaak niet aan de hedendaagse woonwensen.

Vanwege de geringe omvang van de woningen en de afwezigheid van een goed aanbod aan ruimere woningen in de wijken, is de doorstroming groot en zijn de mogelijkheden beperkt om in de wijken zelf een wooncarrière te maken, wat de beoogde opwaardering van en de sociale cohesie in de wijk niet ten goede komt. Ter verbetering van de woonkwaliteit en om een groter aanbod van meer geschikte woonruimte voor diverse doelgroepen zoals gezinnen en sociale stijgers te creëren, willen de gemeente Rotterdam en een aantal woningcorporaties een groot aantal woningen (gedacht wordt aan ongeveer 700) in die wijken verwerven. Twee of drie naast elkaar gelegen woningen worden dan samengevoegd tot één woning, die vervolgens verkocht of verhuurd zal worden. De samengevoegde woningen worden verbeterd en zoveel mogelijk verduurzaamd waardoor ze zullen voldoen aan hedendaagse woonwensen van verschillende groepen woonconsumenten. De samengevoegde woningen zijn vooral bedoeld voor sociale stijgers of mensen met middeninkomens omdat differentiatie in woningtype en prijssegment in de wijken gewenst is. Destijds zijn veel sociale huurwoningen verkocht met de constructie van het maatschappelijk gebonden eigendom (MGE, later Koopgarant).

Het aankopen en samenvoegen van woningen in wooncomplexen zal een lange doorlooptijd vergen, omdat de woningen op vrijwillige basis aan de gemeente en woningcorporaties aangeboden moeten worden en geen te hoge prijzen voor de woningen betaald kunnen worden, omdat het project dan financieel onhaalbaar wordt. Het zal dus de nodige tijd kosten alvorens voldoende woningen zijn verworven die daadwerkelijk samengevoegd kunnen worden. Ook vergt het tijd om een akkoord te krijgen van de VvE van het wooncomplex waarin de woningen zijn gesitueerd en voor het wijzigen van de splitsingsakte. Dit betekent dat het jaren kan duren voordat er clusters van woningen beschikbaar zijn voor samenvoeging. Het is niet uitgesloten dat de periode tussen het verwerven van de eerste woningen en het samenvoegen met een aangrenzende woning meer dan tien jaar duurt. Het is uiteraard zeer wenselijk dat de woningen bewoond blijven in de periode tussen de aankoop en de start van de werkzaamheden tot samenvoeging. Het is ook belangrijk dat de samenvoeging niet gehinderd wordt doordat de huurcontracten van de zittende bewoners niet binnen een redelijke termijn opgezegd kunnen worden.

Een tijdelijke huurovereenkomst op basis van artikel 15 van de Leegstandwet biedt een goede mogelijkheid om de verworven woningen niet leeg te laten staan en toch op korte termijn over de woningen te kunnen beschikken als samenvoeging met een naburige woning mogelijk wordt. De termijn waarop op grond van de Leegstandwet een woonruimte in een woning tijdelijk kan worden verhuurd is echter maximaal zeven jaar. Een periode van zeven jaar zal in veel gevallen te kort zijn om een samenvoeging te realiseren. Als de woning na die zeven jaar nog niet samengevoegd kan worden, is tijdelijke verhuur niet meer toegestaan en is alleen antikraakbewoning mogelijk. Dergelijke bewoning is om uiteenlopende redenen minder gewenst en levert aanzienlijk minder huuropbrengsten op waardoor de financiële haalbaarheid van het project onder druk komt te staan. Om voldoende woningen te verwerven en samen te voegen kan in de periode tot 2035 tijdelijke verhuur noodzakelijk zijn. Op grond van artikel 15, zesde lid, eerste volzin, van de Leegstandwet wordt de vergunning voor tijdelijke verhuur in beginsel verleend voor ten hoogste twee jaren en kan deze op verzoek van de eigenaar telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd. Gelet op de duur van het experiment zou

15

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

een verleende vergunning een groot aantal keren verlengd kunnen of moeten worden. In het experiment is de verlengingsduur van een vergunning daarom verlengd naar drie jaar. Daardoor neemt de administratieve belasting van het college van burgemeester en wethouders en de eigenaar niet toe. Relatief gezien neemt deze zelfs af, omdat met de vijf verlengingen die op grond van de Leegstandwet nodig zijn om zeven jaar tijdelijke verhuur mogelijk te maken nu veertien jaar tijdelijke verhuur kan plaatsvinden. Verder is in artikel 16, tiende lid, van de Leegstandwet bepaald dat burgemeester en wethouders in de vergunning vermelden tegen welke huurprijs de woning ten hoogste mag worden verhuurd. Het vaststellen van een maximale huurprijs voor de volledige tijdsduur van het experiment is onwenselijk, omdat deze dan niet kan worden aangepast aan de inflatie. Het buiten toepassing verklaren van de huurprijsbescherming door geen maximale huurprijs in de vergunning te vermelden is echter ook niet gewenst. Het gaat immers om woningen die tijdelijk verhuurd worden aan de doelgroepen. Daarom is het gewenst dat een maximale huurprijs wordt geborgd die voldoet aan de daaromtrent gestelde weten regelgeving. Door het verlengen van de termijn van tijdelijke verhuur neemt de huurbescherming van de huurders af.

Het maatschappelijk belang van het structureel op orde krijgen van de focuswijken door het realiseren van meer woningdifferentiatie in de momenteel eenzijdige woonwijken, weegt daar echter tegenop. Bovendien wordt zoveel mogelijk gezocht naar huurders die uiteindelijk een samengevoegde woning willen bewonen. Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 6u onderstaand per lid besproken. In het eerste lid is de tijdsduur van het experiment bepaald, evenals het toepassingsgebied van het experiment. Tot 1 januari 2035 kunnen burgemeester en wethouders gebruikmaken van dit experiment in de gebieden Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk in de gemeente Rotterdam. Het tweede lid regelt dat burgemeester en wethouders, in aanvulling op artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet, een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet kunnen verlenen als het gaat om een woning welke ten tijde van de aanvraag van de vergunning bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woningen. Hiermee wordt voor dit experiment een nieuwe categorie woningen aan het eerste lid van artikel 15 van de Leegstandwet toegevoegd. Het derde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders een formulier beschikbaar moeten stellen voor het aanvragen van een vergunning als bedoeld in het tweede lid.

Dit is een afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet, waarin onder meer is bepaald dat dit formulier overeenkomstig een door de minister vastgesteld model beschikbaar wordt gesteld. In het vierde lid is vervolgens geregeld aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een vergunning als bedoeld in het tweede lid te verlenen. Zo moet de woning, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, leegstaan (onder a) en moet de eigenaar aantonen dat de woning in voldoende mate zal worden bewoond (onder b). Verder moet de gemeente Rotterdam of een woningcorporatie die op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet is toegelaten eigenaar zijn van de woning (onder c). Particuliere verhuurders kunnen dus geen gebruikmaken van het experiment. In het vijfde lid is bepaald dat een vergunning als bedoeld in het tweede lid telkens met ten hoogste drie jaren kan worden verlengd, met dien verstande dat de vergunning tot uiterlijk 1 januari 2035 kan worden verlengd. Hiermee is geregeld dat na afloop van het experiment geen vergunningen meer op grond van dit experiment kunnen gelden. Dit is een aanvulling op artikel 15, zesde lid, tweede volzin, van de Leegstandwet waarin voor de verschillende categorieën woningen een kortere verlengingstermijn en een kortere maximale duur van de vergunning is bepaald.

De eerste volzin van het zesde lid van artikel 15 van de Leegstandwet blijft onverkort van toepassing. Dit betekent dat een vergunning als bedoeld in het tweede lid wordt verleend voor een periode van ten hoogste twee jaar, waarna deze kan worden verlengd. Verder wordt, om te voorkomen dat verworven woningen niet onder dit experiment vallen als zij in de voorafgaande vijf jaren zijn verhuurd met een vergunning op grond van de Leegstandwet, artikel 15, vijfde lid en zesde lid, laatste volzin, van die wet voor dit experiment in het zesde lid buiten toepassing verklaard. Het zevende lid verklaart, in afwijking van artikel 15, negende lid, laatste volzin, van de Leegstandwet, het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. Hiermee wordt voorkomen dat bij verlenging van de vergunning weer moet worden getoetst aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Leegstandwet, in plaats van aan de voorwaarden van dit experiment, zoals opgenomen in het derde lid.

16

Staatscourant 2021 nr. 47798

9 december 2021

Tot slot wordt in het achtste lid artikel 16 van de Leegstandwet, met uitzondering van het tweede lid van dat artikel, van overeenkomstige toepassing verklaard op dit experiment. Hiermee worden de bepalingen met betrekking tot de huur- en huurprijsbescherming bij tijdelijke huurovereenkomsten van overeenkomstige toepassing verklaard op een vergunning als bedoeld in het tweede lid. Om aan te geven welke termijnen voor de vergunning, bedoeld in het tweede lid, moeten worden aangehouden, is tevens bepaald dat een verwijzing naar artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Leegstandwet in het vierde en zesde lid van artikel 16 van die wet moet worden gelezen als een verwijzing naar de vergunning, bedoeld in het tweede lid.

Onderdeel D Met onderdeel D wordt een nieuw experiment toegevoegd aan het Bu Chw. Het experiment wordt hieronder toegelicht.

Artikel 7ag (aardgasvrije wijken, Utrecht) In het plangebied Overvecht-Noord in Utrecht zijn gasleidingen aanwezig die sterk verouderd zijn, waardoor veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan. Daardoor moet de netbeheerder de gasleidingen versneld vernieuwen, indien er gebruikers op zijn aangesloten. Haaks daarop staat de ambitie van de gemeente Utrecht om uiterlijk in 2030 in Overvecht-Noord geen gebruik meer te maken van aardgas voor onder meer verwarming, koken, verwarming van tapwater en haarden. In het plangebied maken circa 4.400 woningen doorgaans uitsluitend gebruik van gas om te koken. De verwarming van de woningen en, in de meeste gevallen, de verwarming van warmtapwater, vindt plaats via stadswarmte. Uitfasering van de gasinfrastructuur is daardoor relatief eenvoudig te realiseren, omdat geen ingrijpende maatregelen aan de woning of aan de energie-infrastructuur hoeven te worden genomen. De woningen in het plangebied zijn vrijwel uitsluitend corporatiewoningen. De gemeente, de netbeheerder en woningcorporaties werken al geruime tijd samen aan de uitfasering van de gasinfrastructuur in Overvecht-Noord.

Zij zijn voor dit experiment samen onder meer in overleg om de totale kosten (bijvoorbeeld kooktoestel, eventuele geiser, verzwaring van de elektriciteitsaansluiting) en besparingen (bijvoorbeeld vervallen vastrecht) in beeld te brengen en te bepalen welk aandeel elk van hen hierin heeft. De uitkomsten van dit overleg kunnen worden meegenomen in de bredere discussie over de betaalbaarheid van de uitfasering van de gasinfrastructuur. In dit experiment kan bij de verdeling van de kosten niet worden afgeweken van de wettelijke kaders die gelden voor de gemeente, netbeheerder en woningcorporaties. De gemeente Utrecht heeft aangegeven alleen van dit experiment gebruik te zullen maken als: • het beëindigen van kookgasaansluitingen daadwerkelijk leidt tot het voorkomen van vervanging van gasleidingen die uitsluitend worden gebruikt voor kookgas; • een ruime meerderheid van de huishoudens aan de betreffende afsluitbare leiding vrijwillig op het aanbod ingaat; • de bewoner geen kosten als gevolg van deze overstap heeft; • de onafhankelijke partijen die de belangen van huurders en woningeigenaren vertegenwoordigen positief adviseren over het aanbod en de gestelde randvoorwaarden; en • de bewoner (indien gewenst) volledig ontzorgd wordt bij de overstap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=d63c9c26-4434-447d-a506-da6d8fad32ab