Nota bodembeheer gemeente Westland 2021-2030 (21-0067063)
Tekst van het document
ŵ Tauw
Bodembeheernota Gemeente Westland 4 februari 2021
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Verantwoording Titel
Bodembeheernota Gemeente Westland
Opdrachtgever
Gemeente Westland
Projectleider
Joost Pierik
Auteur(s)
Sanne Kruize - Smouter
Tweede lezer
Odile Rutten
Projectnummer
1271310
Aantal pagina’s
31
Datum
4 februari 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Inhoud Samenvatting.....................................................................................................................................5 1
2
Inleiding.......................................................................................................................................7 1.1
Algemeen.............................................................................................................................7
1.2
Aanleiding en doelstelling................................................................................................... 7
1.3
Reikwijdte van de bodembeheernota..................................................................................7
1.4
Vaststellingprocedure.......................................................................................................... 7
1.5
Aansprakelijkheidsclausule................................................................................................. 8
Wettelijk kader.............................................................................................................................8 2.1
Algemeen .............................................................................................................................8
2.2
Bevoegd gezag................................................................................................................... 8
2.3
Generiek en gebiedsspecifiek beleid..................................................................................9
2.4
Bodemfunctieklassenkaart................................................................................................ 10
2.4.1
Algemeen....................................................................................................................10
2.4.2
Doel bodemfunctieklassenkaart................................................................................. 11
2.5
3
4
Bodemkwaliteitskaart........................................................................................................ 11
2.5.1
Algemeen....................................................................................................................11
2.5.2
Bodemkwaliteit ............................................................................................................11
2.5.3
De bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring....................................... 12
Gebiedsspecifiek beleid............................................................................................................ 13 3.1
Aanleiding voor gebiedsspecifiek beleid........................................................................... 13
3.2
Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid....................................................................... 13
3.3
Keuze lokale maximale waarden (LMW)........................................................................... 14
3.4
Gebiedsspecifiek beleid voor wegbermen/ondersteunende wegdelen............................ 16
3.5
Percentage bodemvreemd materiaal................................................................................ 17
3.6
Japanse duizendknoop..................................................................................................... 17
3.7
Erkenning bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten.............................................18
Regels voor het toepassen van grond en bagger..................................................................... 18 4.1
Toepassen van grond en bagger.......................................................................................18
4.1.1
Stap 1 Bepalen of er sprake is vanuitzonderingen....................................................20
4.1.2
Stap 2. Uitvoeren vooronderzoek...............................................................................23
3/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
4.1.3
Stap 3. Bepaal de bodemkwaliteitsklasse van de toe te passen grond.................... 24
4.1.4
Stap 4. Bepaal de toepassingseis op de plaats van toepassing............................... 25
4.1.5
Stap 5. Toetsen van de grond Z bagger aan de toepassingseis................................ 25
4.1.6
Stap 6. Toetsen PFAS-kwaliteit.................................................................................26
4.1.7
Stap 7. Toepassen van de grond...............................................................................26
4.2 Overzicht bewijsmiddelen bodemkwaliteit.............................................................................26
5
4.2.1
Partijkeuring............................................................................................................... 26
4.2.2
Erkende kwaliteitsverklaring.......................................................................................27
4.2.3
Waterbodemonderzoek.............................................................................................. 27
4.2.4
Verkennend bodemonderzoek...................................................................................28
Meldingsprocedure voor het toepassen van grond en bagger................................................28 5.1
Meldingsplicht voor de toepasser......................................................................................28
5.2
Behandeling van de melding door de gemeente..............................................................29
6
Gebruik bodemkwaliteitskaart voor vaststellen veiligheidsklasse........................................... 30
7
Omgevingswet...........................................................................................................................31
Bijlage 1
Verklarende woordenlijst
Bijlage 2
Achtergrondinformatie ophooglagen
Bijlage 3
Homogene deelgebieden
Bijlage 4
Bodemfunctiekaart
Bijlage 5
Ontgravingskaart
Bijlage 6
Toepassingskaart
Bijlage 7
Statistische kentallen (gebiedsspecifiek)
Bijlage 8
Risicobeoordelingen
Bijlage 9
Grondverzetsmatrix
4/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Samenvatting De bodembeheernota van de gemeente Westland beschrijft de voorwaarden voor hergebruik van grond als 'bodem' in de gemeente. Het is een omvangrijk en technisch document. Daarom vindt u onderstaand de belangrijkste onderwerpen uit de nota voor u samengevat. Bij elk onderwerp staat tevens aangegeven welke hoofdstukken en paragrafen van de nota nadere informatie bieden bij dat onderwerp. Het toepassen van grond en baggerspecie is in heel Nederland gebonden aan het Besluit bodemkwaliteit. Daarbinnen heeft elke gemeente de ruimte om eigen beleidsregels vast te stellen. Dit heet het 'gebiedsspecifiek beleid' (zie paragraaf 2.3 en hoofdstuk 3). Voor gebiedsspecifiek beleid geldt het 'Stand Still principe'. Dat wil zeggen: binnen de grenzen van het beheergebied gemeentegrenzen moet de bodemkwaliteit minimaal gelijk blijven: verslechtering op de ene locatie gaat hand in hand met verbetering op een andere locatie. In deze bodembeheernota zijn aanvullende regels gegeven voor het toepassen van grond en baggerspecie. Gebiedsspecifiek beleid Bij het opstellen van het beleid heeft de gemeente, binnen de eisen die het Besluit bodemkwaliteit daaraan stelt, gekozen voor het vastleggen van eigen Lokale Maximale Waarden (zie hoofdstuk 3) en gebiedsspecifieke regels om op een verantwoorde wijze het grondverzet binnen de gemeentegrenzen vorm te geven.
Functieklassen en kwaliteitsklassen Het beleid gaat uit van verschillende 'bodemfunctieklassen' (zie paragraaf 2.4). De volgende 3 functies worden onderscheiden: wonen, industrie en landbouw/natuur. De rijksoverheid heeft voor elk van die bodemfuncties eigen normen voor de kwaliteit van de toe te passen grond vastgesteld. Dat zijn de zogenaamde kwaliteitsklassen (zie paragraaf 2.3). De ondergrens is de zogenaamde 'Achtergrondwaarde': de grond die daaraan voldoet, mag overal toegepast worden. De bovengrens is het 'Saneringscriterium': dat is de grens waarboven onaanvaardbare risico's optreden. Grond waarvoor dat het geval is, mag nergens toegepast worden. Tussen die uitersten kan de gemeente Lokale Maximale Waarden (LMW) vaststellen voor de kwaliteit van de grond die bij een bepaalde functie toegepast mag worden. Zorgplichtbeginsel Naast alle regels voor grondverzet (in het Besluit bodemkwaliteit en in het gemeentelijke gebiedsspecifieke beleid) geldt bij het toepassen van grond altijd de wettelijke zorgplicht. Dat betekent dat iedereen verplicht is maatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen of te beperken zodra je vermoedt dat een toepassing van grond nadelige gevolgen kan hebben.
5/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart (zie paragraaf 2.5) is een belangrijke bijlage bij de nota. Ze bestaat uit 2 onderdelen: ^ Een ontgravingskaart (bijlage 5), die inzicht geeft in de feitelijke kwaliteit van de aanwezige bodem ^ Een toepassingskaart (bijlage 6), die per deelgebied aangeeft aan welke kwaliteitseisen de grond moet voldoen om daar te mogen worden toegepast Vrij grondverzet is alleen toegestaan, na vooronderzoek, binnen gelijke zones van de bodemkwaliteitskaart of van zones met een betere kwaliteit naar zones met een mindere kwaliteit. In de gemeente Westland is de kwaliteit van de bovengrond niet overal gelijk. Het vooronderzoek dient te geschieden conform de NEN5725 en is nodig om te bepalen of de kaart gebruikt kan worden als geldig bewijsmiddel voor grondverzet of ter bepaling van de veiligheidsklasse (zie paragraaf 4.1.2). In sommige gevallen, als er bijvoorbeeld uit een vooronderzoek blijkt dat een locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreinigingen, moet er een partijkeuring worden uitgevoerd. Een partijkeuring is een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond. Wil men afwijken van de bodemkwaliteitskaart, dan mag dat dus alleen na het overleggen van aanvullende bodeminformatie.
Borging verantwoorde toepassing In de Bodembeheernota wordt een werkwijze beschreven om het verantwoord toepassen van hergebruiksgrond te waarborgen. Daarnaast dienen alle toepassingen van grond gemeld te worden bij de rijksoverheid. Deze meldingen worden door de gemeente getoetst.
6/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
1 Inleiding 1.1
Algemeen
Voor u ligt de bodembeheernota van de gemeente Westland. De bodembeheernota beschrijft de beleidsvoorwaarden voor hergebruik van grond in de gemeente. De bodemkwaliteitskaart1 vormt de basis voor de bodembeheernota.
1.2
Aanleiding en doelstelling
Op 1 januari 2008 zijn het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit in werking getreden. Deze vormen het beleidskader voor hergebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Hierin zijn generieke regels opgenomen, waarbij de normen voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk zijn van zowel de kwaliteit als de functie van de ontvangende bodem. Op grond van de lokale omstandigheden kan (binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden) worden afgeweken van het generieke kader. In dat geval is sprake van gebiedsspecifiek beleid. Met deze nota hanteert de gemeente Westland gebiedsspecifiek beleid teneinde de hergebruiksmogelijkheden van grond zo efficiënt mogelijk te benutten en nadere invulling te geven aan de regels met betrekking tot grondverzet. Het beleid is zodanig dat milieuhygiënisch verantwoord met grondstromen wordt omgegaan.
1.3
Reikwijdte van de bodembeheernota
De bodembeheernota is van toepassing op het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem binnen het gehele grondgebied van de gemeente. De bodembeheernota is niet van toepassing op waterbodems, deze vallen onder het bevoegd gezag van het Hoogheemraadschap van Delfland.
1.4
Vaststellingprocedure
De Bodembeheernota wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Hiervoor dient een ‘uniforme openbare voorbereidingsprocedure' te worden gevolgd. Dit betekent dat iedere belanghebbende bij de besluitvorming betrokken wordt via een inspraakprocedure. In artikel 53 van het Bbk is vastgelegd dat het bestuursorgaan, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46, ten minste eenmaal in de tien jaar moet overwegen in hoeverre een aldaar bedoeld besluit herziening behoeft. Dit betekent dat het bevoegd gezag moet bezien of er aanleiding is het gebiedsspecifieke beleid te wijzigen of dat het bestaande beleid nog volstaat.
1 Technische rapportage bodemkwaliteitskaart gemeente Westland, TAUW, R002-1271310ESM-V03-sal-NL, 4 februari 2021
7/31
ŵ Tauw Kenmerk
1.5
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Aansprakelijkheidsclausule
De bodemkwaliteitsdata en afgeleide kaarten in deze nota geven een indicatie van de kwaliteit van de bodem. Echter een garantie voor de kwaliteit van de bodem of de kwaliteit van een bepaalde partij vrijkomende grond kan niet worden geboden. Door bijvoorbeeld de aanwezigheid van (on)bekende verontreinigingen in de grond en het grondwater kunnen lokaal verschillen optreden met de op de kaarten aangegeven milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast zijn de kaarten gebaseerd op een beperkt aantal waarnemingen, waardoor een bepaalde mate van onzekerheid ontstaat. Dit in tegenstelling tot een verkennend bodemonderzoek of een partijkeuring waarbij sprake is van een daadwerkelijke kwaliteitsbepaling. Een bodemonderzoek of een partijkeuring geeft dan ook meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem en een partij toe te passen grond dan de bodemkwaliteitskaart. De eindverantwoordelijkheid voor het toepassen van een partij grond (of baggerspecie) ligt bij de eigenaar van de locatie waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. De gemeente Westland kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortkomt uit fouten en onvolkomenheden in de bodemkwaliteitsdata.
2 Wettelijk kader 2.1
Algemeen
Het Besluit bodemkwaliteit heeft als doel zoveel mogelijk grond en baggerspecie her te gebruiken, zodat minder primaire grondstoffen nodig zijn. Hergebruik is verantwoord als grond of baggerspecie niet sterk verontreinigd is en op basis van een vooronderzoek ook niet verdacht is op het voorkomen van dit soort verontreinigingen. Het Besluit bodemkwaliteit omvat een landelijk geldend generiek kader dat direct door gemeenten kan worden toegepast. Indien het generieke kader niet volstaat, kunnen gemeenten voor (een deel van) hun beheergebied binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit gebiedsspecifiek beleid ontwikkelen. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten daarmee de mogelijkheid verantwoord hergebruik van grond en baggerspecie maximaal af te stemmen op de heersende omstandigheden binnen het beheergebied. Hierbij vormen bodemgebruik, bodemambities en ruimtelijke ontwikkelingen de randvoorwaarden.
2.2
Bevoegd gezag
De verdeling van de taken van het lokale bevoegd gezag voor grond en baggerspecie is als volgt: ^
Gemeente: het toepassen van grond en baggerspecie (op landbodem) binnen het eigen
^ ^
beheergebied Waterschap: het toepassen en verspreiden van grond en baggerspecie in niet-rijkswateren Rijkswaterstaat: het toepassen en verspreiden van grond en baggerspecie in rijkswateren en bermen van rijkswegen
8/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Het lokale bevoegd gezag houdt toezicht op toepassingen binnen het eigen beheergebied en kan bestuurlijk handhaven op: ^ ^ ^
De wijze van toepassing (overeenkomstig het generieke of gebiedsspecifieke beleid) De tijdige en correcte melding van de toepassing De kwaliteitsverklaringen
2.3
Generiek en gebiedsspecifiek beleid
In het generieke kader wordt gebruik gemaakt van een dubbele toetsing voor het vaststellen van de toepassingseisen voor het hergebruik van grond. De aanwezige bodem binnen een deelgebied heeft een bepaalde kwaliteit die valt in één van de drie bodemkwaliteitsklassen ‘landbouw/natuur (AW2000), ‘wonen' of ‘industrie'. De bodemfunctie binnen een deelgebied stelt eisen aan de toe te passen grond, vertaald naar de bodemfunctieklassen ‘wonen', ‘industrie' en ‘landbouw/natuur'. Uiteindelijk bepaalt de strengste van deze twee de toepassingseis in een deelgebied. In figuur 2.1 is weergegeven hoe via de dubbele toetsing wordt gekomen tot de toepassingseisen. bodemkwaliteitsklasse
Landbouw/natuur (AW2000)
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
AW1
AW
AW
Wonen
AW
MW wonen2
MW wonen
Industrie
AW
MW wonen
MW industrie3
bodemfunctieklasse
1 AW= achtergrondwaarde
2 MW woner^Maximale Waarde wonen
3 MW industrie= Maximale Waarde industrie
Figuur 2.1 Afleiden toepassingseisen in het generieke kader
Indien het generieke beleidskader onvoldoende mogelijkheden biedt voor hergebruik van grond, kunnen gemeenten (binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit) gebiedsspecifiek beleid ontwikkelen. Gebiedsspecifiek beleid gaat uit van stand-still op niveau van het beheergebied en is toegespitst op het gewenste hergebruik van grond binnen het eigen beheergebied. Voor de verschillende onderscheiden bodemfuncties kunnen Lokale Maximale Waarden (LMW) worden vastgesteld. Deze waarden bevinden zich tussen het niveau van de Achtergrondwaarden en het Saneringscriterium. Ter verduidelijking is in figuur 2.2 de normstelling voor het generieke en het gebiedsspecifieke kader samengevat.
9/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Achtergrond' waarde
Generiek Gebieds specifiek
Maximale waarde
Maximale waarde
klasse Wonen
klasse industrie
Klasse Wonen
Klasse Industrie
Niet Toepasbaar
Altijd toepasba.
Gebieds specifiek
Ruimte voor lokale maximale waarden
Achtergrondwaarde
Generiek
Interventiewaarde
Sanerings criterium
Figuur 2.2 Normstelling voor toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem
Het verschil tussen het generieke toepassingskader en het gebiedsspecifieke toepassingskader is dat bij generiek getoetst wordt aan de vereiste kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (zie figuur 2.1), terwijl in bij gebiedsspecifiek getoetst wordt aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarde (LMW) van de ontvangende bodem. Deze LMW kunnen gelijk zijn aan de maximale waarden van de functieklasse van de ontvangende bodem, maar dat hoeft niet. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen de volgende zaken worden geregeld: ^ ^ ^
Het vaststellen van lokale maximale waarden Het vaststellen van een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage dat in het Besluit is opgenomen (20 /) Vastleggen welke bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten als bewijsmiddel gelden voor het toepassen van grond
De gemeente heeft besloten om gebruik te maken van de mogelijkheden die het gebiedsspecifiek beleid biedt, om het grondverzet beter te faciliteren. In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan.
2.4
Bodemfunctieklassenkaart
2.4.1 Algemeen De bodemfunctieklassenkaart beschrijft niet de feitelijke kwaliteit van de bodem maar is een kaart die aangeeft welke functie een bepaald gebied heeft. Bij de functie hoort een bepaalde bodemkwaliteit waarbij de bodem duurzaam geschikt is voor die functie. De volgende gebieden zijn te onderscheiden: ^ ^ ^
Gebieden met de bodemfunctieklasse wonen Gebieden met de bodemfunctieklasse industrie Overige gebieden, met de functieklasse landbouw/natuur
Uitgangspunt bij de indeling in bodemfunctieklassen, is dat de klasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie binnen het betreffende gebied. Bovendien moet er rekening worden gehouden met de mate van blootstelling van de mens en de mate van bescherming van het ecosysteem. Voor de gebieden, die niet in een bodemfunctieklasse wonen of industrie zijn ingedeeld, moet de kwaliteit van toe te passen grond en baggerspecie altijd voldoen aan de achtergrondwaarden. Deze gebieden hebben de functie landbouw/natuur.
10/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
2.4.2 Doel bodemfunctieklassenkaart De bodemfunctieklassenkaart heeft de volgende twee generieke doelstellingen: ^ ^
Het aangeven van de bodemfunctie ten behoeve van het toetsen van de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie aan de functie-eis (zie paragraaf 2.3) Het bepalen van de terugsaneerwaarden bij een sanering en de kwaliteitseis voor leeflagen en aanvulgrond. De bodemfunctieklassenkaart is leidend voor het bepalen van de terugsaneerwaarden voor de grond bij saneringen in het kader van de Wbb. De terugsaneerwaarden zijn gelijk aan de maximale waarde van de betreffende functieklasse
2.5
Bodemkwaliteitskaart
2.5.1 Algemeen Grondverzet vindt plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Om grondverzet efficiënt te kunnen laten plaatsvinden is een bodemkwaliteitskaart nodig. Een bodemkwaliteitskaart bestaat uit 2 onderdelen: ^ Een ontgravingskaart (bijlage 5), die inzicht geeft in de feitelijk bestaande kwaliteit van de aanwezige bodem ^ Een toepassingskaart (bijlage 6), die aan geeft aan welke kwaliteitseisen een toe te passen partij grond in de verschillende deelgebieden dient te voldoen 2.5.2 Bodemkwaliteit Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld voor de gemeente Westland op basis van de parameters uit het standaardpakket grond, aangevuld met een aantal bestrijdingsmiddelen. PFAS is nog geen onderdeel van deze bodemkwaliteitskaart. Wel is men voornemens voor de regio Haaglanden een PFAS-kaart op te stellen. Dat betekent dat tot die tijd de PFAS-kwaliteit van de grond aanvullend bepaald moet worden met een milieuhygiënische verklaring (zie paragraaf 4.1.6 en 4.2). Een volledig overzicht van de opgenomen parameters is te vinden in de technische rapportage van de bodemkwaliteitskaart2. In tabel 2.1 is een samenvatting gegeven van de resultaten van de bodemkwaliteitskaart. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van met name de bovengrond niet overal gelijk is. Op basis van de bodemkwaliteitskaart is vrij grondverzet in de gemeente Westland alleen binnen gelijke zones mogelijk.
Vrij grondverzet is ook mogelijk als het gaat om grond uit schonere zones naar minder schone zones. Wel dient er altijd een dubbele toets te worden uitgevoerd. In de toepassingskaart (bijlage 6) is aangegeven aan welke kwaliteit de grond moet voldoende die ergens toegepast mag worden. Tevens is in bijlage 9 een grondstromenmatrix opgenomen waarin te zien is van waar naar waar gebieden grond wel en niet verplaatst mag worden. De onderstaande kwaliteit en de kwaliteit in de genoemde bijlagen is gebaseerd op het gebiedsspecifieke beleid dat nader toegelicht wordt in hoofdstuk 3.
2 Technische rapportage bodemkwaliteitskaart gemeente Westland, TAUW, R002-1271310ESM-V03-sal-NL, 4 februari 2021
11/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Tabel 2.1 Resultaten ontgravingskaart-gebiedsspecifiek
Homogeen deelgebied
Bodemkwaliteitsklasse bovengrond
Bodemkwaliteitsklasse ondergrond
0-0,5 m-mv
0,5-2,0 m-mv
Wonen ^945 (oude kern)
Klasse industrie
Klasse industrie
Wonen 1945-1990
Klasse wonen
Klasse landbouw/natuur (AW2000)
Industrie/bedrijven
Klasse industrie
Klasse landbouw/natuur (AW2000)
(Voormalige) kassen
Klasse wonen
Klasse landbouw/natuur (AW2000)
Het natura 2000-gebied Solleveld ã Kapittelduinen (enige natura 2000-gebied binnen de gemeente Westland) is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Indien grond vanuit dit gebied elders in de gemeente toegepast wordt, is een partijkeuring noodzakelijk als erkend bewijsmiddel in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (zie ook paragraaf 4.2). Voordat de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als bewijsmiddel, dient op zowel de herkomstlocatie als de toepassingslocatie een vooronderzoek volgens NEN 5725 aanleiding F uitgevoerd te worden. Hieruit kan blijken dat de bodemkwaliteitskaart op de desbetreffende locatie niet van toepassing is. Dit is het geval bij: ^ Locaties die worden gesaneerd of gesaneerd zijn (Wbb-locaties). Aan de hand van de eindsituatie (eventuele restverontreinigingen) wordt door de gemeente bepaald in hoeverre de bodemkwaliteitskaart een representatief beeld geeft van de bodemkwaliteit op de locatie ^
^ ^
Onderzochte locaties waar een geval van ernstig bodemverontreiniging is geconstateerd, maar waarvoor nog geen beschikking is afgegeven op ernst en spoedeisendheid dan wel op het saneringsplan Locaties waar sprake is van een niet-ernstige bodemverontreiniging als gevolg van lokale puntbronnen Locaties waar mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (niet
onderzochte locaties uit het historisch bodembestand) Meer informatie over het uitvoeren van vooronderzoek is opgenomen in paragraaf 4.1.2. In bovengenoemde situaties is een partijkeuring noodzakelijk als erkend bewijsmiddel in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (zie ook hoofdstuk 4) als er grond wordt afgevoerd en hergebruikt binnen de gemeente Westland. 2.5.3 De bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring De ontgravingskaart en de toepassingskaart van de gemeente Westland kunnen als milieuhygiënische verklaring dienen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit voor respectievelijk de kwaliteit van de toe te passen grond en de kwaliteit van de ontvangende bodem. Dit betekent dat, behalve in een aantal uitzonderingen (zie paragraaf 4.1), geen partijkeuringen noodzakelijk zijn.
12/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Als partijkeuringen beschikbaar zijn, kan er geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. In dat geval dienen de uitkomsten van de partijkeuring als bewijsmiddel te worden gebruikt omdat deze een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond of bagger.
3 Gebiedsspecifiek beleid 3.1
Aanleiding voor gebiedsspecifiek beleid
Op basis van de bodemkwaliteitskaart3 is gebleken dat drins en zink heterogeen in het gebied voorkomen als gevolg van de tuinbouw die al lang binnen de gemeente plaatsvindt. Volgens de generieke normen wordt de grond daardoor in een aantal zones als niet toepasbaar beoordeeld, wat zou betekenen dat de grond afgevoerd moet worden naar een verwerker en niet binnen de grenzen van de gemeente Westland zou kunnen worden toegepast. Tevens zouden een aantal zones ingedeeld worden in de klasse industrie wat de toepassingsmogelijkheden ook sterk zou beperken. Om de hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond te verruimen zonder dat daarbij onaanvaardbare risico's optreden zijn daarom lokale maximale waarden opgesteld. Volgens het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit mag bij het toepassen van grond en baggerspecie ten hoogste 20 gewichtsprocent bodemvreemd steenachtig materiaal en hout bevatten. Daarnaast mogen in de grond of baggerspecie andere bodemvreemde materialen (bijvoorbeeld plastic of piepschuim) slechts sporadisch voorkomen. Binnen het gebiedsspecifieke beleid kunnen hier afwijkende percentages voor worden vastgesteld. Ook de eventuele erkenning van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten dient via de bodembeheernota geregeld te worden.
In de volgende paragrafen worden de voorwaarden en keuzemogelijkheden in het kader van gebiedsspecifiek beleid nader toegelicht.
3.2
Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid
Aan het opstellen van gebiedsspecifiek beleid stelt het Besluit de volgende eisen: ^
De gekozen Lokale Maximale Waarden (LMW) mogen niet leiden tot onaanvaardbare risico's. Daarom moet een risicobeoordeling worden uitgevoerd met de Risicotoolbox
^
Ruimte Lokale Maximale Waarden (LMW): Tussen achtergrondwaarden (AW 2000) en saneringscriterium -
^
^
Op basis van gebiedskwaliteit, maatschappelijke opgave grond- en baggerverzet, ontwikkeling en ambities Wanneer wordt toegestaan dat plaatselijk de bodemkwaliteit verslechtert, dan mag daar alleen gebiedseigen grond of baggerspecie worden toegepast, zodat elders in hetzelfde gebied de kwaliteit verbetert. Op deze manier is sprake van stand-still op gebiedsniveau De actuele bodemkwaliteit en de gekozen Lokale Maximale Waarden (LMW) worden vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart en in de bodembeheernota
3 Technische rapportage bodemkwaliteitskaart gemeente Westland, TAUW, R002-1271310ESM-V03-sal-NL, 4 februari 2021
13/31
ŵ Tauw Kenmerk
^
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Het gebiedsspecifiek beleid wordt met onderbouwing vastgelegd in een bodembeheernota. Het besluit tot vaststelling van het gebiedsspecifiek beleid door de gemeenteraad staat open voor bezwaar en beroep
3.3
Keuze lokale maximale waarden (LMW)
Om de knelpunten in het grondverzet op te lossen is gekozen om voor zink en drins lokale maximale waarden op te stellen. De gekozen waarden zijn afgeleid van de statistische kentallen die in de bodemkwaliteitskaart bepaald zijn. Er is niet gekozen voor een specifieke percentielwaarde als lokale maximale waarde, maar om een waarde te kiezen die voor de gewenste verruiming in het grondverzet zorgt. Zowel voor zink als voor drins liggen de gekozen lokale maximale waarden ver onder de interventiewaarde (en dus ook onder het saneringscriterium). Voor drins is zowel een lokale maximale waarde ter vervanging van de landelijke achtergrondwaarde vastgesteld, als één ter vervanging van de maximale waarde wonen. Voor zink is enkel een lokale maximale waarde ter vervanging van de maximale waarde wonen vastgesteld. De lokale maximale waarden zijn weergegeven in tabel 3.1. Tabel 3.1 Lokale maximale waarden (LMW) in standaardbodem (lutum 25 0Zo, organisch stof 10 To)
Parameter
LMW - achtergrondwaarde
LMW - maximale waarde wonen
Zink (mg/kg d.s.)
n.v.t.
300
Som Drins (ļjg/kg d.s.)
100
500
Binnen het gebiedsspecifieke kader moet worden getoetst of de berekende lokale maximale waarden humane en ecologische risico's opleveren en of de waarden daarop moeten worden aangepast. Bij humane risico's wordt de bescherming bepaald door: • •
Veel of weinig bodemcontact (bij veel bodemcontact moet de concentratie lager zijn dan bij weinig bodemcontact om voldoende bescherming te bieden) Veel, gemiddeld, beperkt of geen gewasconsumptie (bij veel gewasconsumptie moet de concentratie lager zijn dan bij geen gewasconsumptie om voldoende bescherming te bieden)
Bij ecologische risico's wordt de bescherming bepaald door de invloed van de bodemverontreinigingen op het ecosysteem: hoe lager het beschermingsniveau des te hoger mag de concentratie zijn. Er bestaan drie niveaus: ^ Hoog ecologisch beschermingsniveau ^ Gemiddeld ecologisch beschermingsniveau ^ Matig ecologisch beschermingsniveau
14/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
De lokale maximale waarden zijn getoetst met de risicotoolbox voor diverse functies. Er is geen risicobeoordeling uitgevoerd voor de functies ‘Landbouw (zonder boerderij en erf)', ‘Moestuinen/volkstuinen' en ‘groen met natuurwaarden'. Het ecologische beschermingsniveau voor deze functies is gelijk aan dat van de functie ‘Wonen met tuin'. Humane risico's worden niet verwacht aangezien in de kassen voornamelijk substraatteelt wordt toegepast (niet in volle grond), zodat er via deze blootstellingroute geen humane risico's ontstaan. In die gevallen dat er sprake is van teelt in de volle grond zijn de humane risico's te verwaarlozen. De rekenmodellen voor risico analyse geven aan dat er pas humane risico's ontstaan bij een substantiële consumptie van gewassen van het verontreinigde perceel. Voor percelen van professionele kwekers kan deze blootstellingroute dus verwaarloosd worden. Er wordt op deze percelen slecht één product geteeld. Dit ene product zal nooit een dusdanig deel van de totale consumptie van één mens vormen dat er humane risico's ontstaan. Voor moestuinen wordt ook niet verwacht dat de totale consumptie van één mens voldoende is dat er humane risico's ontstaan bij de gekozen lokale maximale waarden. De resultaten van de toetsing in de risicotoolbox zijn opgenomen in tabel 3.2. De rapportages van de risicotoolbox zijn opgenomen in bijlage 8.
Omdat de lokale maximale waarden de interventiewaarden niet overschrijven is toetsing aan het saneringscriterium niet nodig. Tabel 3.2 Overzicht risico's bij verschillende functies, inclusief risico-index indien risico's zijn aangetoond
Functie
Natuur
Plaatsen waar kinderen
Som Drins, LMW
Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie
Zink, LMW
achtergrondwaarde
Maximale waarde
Maximale waarde
100 gg/kg d.s
wonen 500 gg/kg d.s
wonen 300 mg/kg d.s
Ecologische risico’s
Ecologische risico’s
Ecologische risico’s
(6,67)
(33,33)
(2,14)
Ecologische risico’s
Geen
Geen
(3,57)
spelen Wonen met tuin
Som Drins, LMW
Ecologische risico’s
Ecologische risico’s
Ecologische risico’s
(2,50)
(12,50)
(1,50)
Geen
Ecologische risico’s
Geen
J357J
Omdat met name voor de functie natuur grote ecologische risico's zijn vastgesteld is besloten om de lokale maximale waarden niet van toepassing te verklaren voor de gebieden die op de functiekaart de functie ‘landbouw/natuur' toegekend hebben gekregen. Aangezien de gemeente in deze gebieden ecologische waarden nastreeft, zijn de lokale maximale waarden in deze gebieden niet verantwoord. Omdat in de overige zones geen ecologisch beschermingsniveau wordt nagestreefd, zijn de ecologische risico's in de overige zones niet relevant.
15/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Wel geldt voor het toepassen van de grond met waarden die de lokale maximale waarden overschrijden, dat deze binnen de gemeente Westland moeten zijn vrijgekomen. Op die manier is er binnen de gemeente sprake van stand-still. Het, binnen de gemeente Westland, toepassen van grond met verhoogde gehalten aan som drins en/of zink, afkomstig uit andere gemeenten, is dus niet toegestaan. Daarnaast wordt voor grond uit andere gemeenten vastgesteld dat de grond minimaal aan de klasse wonen moet voldoen.
3.4
Gebiedsspecifiek beleid voor wegbermen/ondersteunende wegdelen
Een berm of ondersteunend wegdeel (hierna: berm) is gedefinieerd als de strook grond vanaf de weg tot aan een fysieke afscheiding (bijvoorbeeld een bermsloot) met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het ballastbed. Zie ook figuur 3.1.
Mìv 10 nelŕr
Max 10 meter
Begrenzing
infrastructuur
IN OPHOGING
Weľand/akker
MAAIVELDLIGGING MET EN ZONDER SLOOT VERDIEPTE LIGGING
Figuur 3.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009). De begrenzing van maximaal 10 meter geldt voor alle vier de dwarsdoorsneden.
Voor bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen zijn in artikel 63, lid 6 van het Besluit bodemkwaliteit uitzonderingen opgenomen voor de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie als grootschalige bodemtoepassing. Hiervoor geldt dat de kwaliteit dient te voldoen aan de Maximale Waarden voor de klasse industrie. Omdat het om een grootschalige bodemtoepassing gaat, dient een laagdikte van minimaal 0,5 m te worden aangebracht (let op: hier gelden meer eisen; zie paragraaf 4.1.1). Het is echter wenselijk om binnen alle wegbermen van wegen met een hoge verkeersintensiteit in de gemeente Westland grond uit te kunnen wisselen en in de bermen grond met klasse industrie toe te kunnen passen. Deze bermen hebben daarom de functie industrie toegekend gekregen. Dit is niet weergegeven op de functiekaart in bijlage 4, omdat deze niet voldoende detail biedt om de bermen weer te geven. Voor de definitie van de wegbermen dient figuur 3.1 gehanteerd te worden.
16/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Tevens is ervoor gekozen om in de wegbermen enkel te toetsen aan de bodemfunctie (functie industrie) en niet aan de ontvangende bodemkwaliteit indien de grond binnen de gemeente Westland is vrijgekomen. Daardoor kan binnen de wegbermen grond met de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast, ook als de kwaliteit van de ontvangende berm op dat moment beter is. Deze keuze heeft als consequentie dat in voornoemde situatie verslechtering van de bodemkwaliteit optreedt maar er is dan nog steeds sprake van stand-still binnen het beheergebied. De bodemkwaliteitskaart kan dan niet meer gebruikt worden voor toepassing van bermengrond buiten de wegbermen maar nog wel voor toepassing daarbinnen. Er worden geen humane of ecologische risico's verwacht van deze maatregel aangezien de kwaliteit van de toe te passen grond aansluit bij de functie van de wegbermen.
3.5
Percentage bodemvreemd materiaal
Conform het Besluit bodemkwaliteit mag herbruikbare grond en baggerspecie maximaal 20 gewicht-% bodemvreemd materiaal bevatten in de vorm van steenachtig materiaal en hout. Dit percentage (generiek beleid) wordt gehanteerd voor de gebieden met de functie industrie en in de wegbermen. Voor de functie landbouw/natuur en wonen wordt een maximaal percentage van 50/ gehanteerd (gebiedsspecifiek beleid). Overige bodemvreemde materialen (zoals piepschuim en (micro)plastics) mogen conform het generieke beleid slechts sporadisch voorkomen. De gemeente Westland interpreteert dat als: hergebruik van grond met visueel waarneembare bodemvreemde materialen (m.u.v. steenachtig materiaal en hout) is niet toegestaan. Samengevat betekent dat: ^ ^
Gebieden met functie landbouw en wonen: maximaal 5 /o steenachtig materiaal en hout Gebieden met functie industrie en wegbermen: maximaal 20 /o steenachtig materiaal en hout
^
Overige bijmengingen mogen visueel niet waarneembaar zijn (geldt voor alle gebieden).
Het toepassen van grond en baggerspecie met hogere percentages steenachtig materiaal en hout is niet toegestaan. Indien plaatselijk lagere percentages wenselijk zijn, dan kan dit privaatrechtelijk geregeld worden (bijvoorbeeld in een bestek). Asbest Voor asbestverdachte grond geldt dat er altijd een bodemonderzoek conform de NEN5707 moet zijn uitgevoerd. Voor asbest geldt een hergebruiksnorm van 100 mg/kg ds. De gemeente Westland vindt het toepassen van asbesthoudende grond echter niet wenselijk in de gebieden met de functie Wonen en staat daarom het toepassen van grond met visueel waarneembaar asbest niet toe. Hier geldt een gehalte van 0 mg/kg d.s. als streefnorm.
3.6
Japanse duizendknoop
De Japanse duizendknoop is een invasieve exoot die in meerdere gemeenten in Nederland voorkomen. De Japanse duizendknoop veroorzaakt schade aan natuur, infrastructuur, openbaar groen en bouwwerken en is moeilijk te bestrijden. De plant verspreidt zich via stengeldelen en wortelstokken.
17/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Op dit moment komt de Japanse duizendknoop weinig voor in de gemeente Westland (www.waarneming.nl). Grondverzet, met name vanuit andere gemeenten, is een potentieel risico voor verspreiding en introductie van de Japanse duizendknoop binnen de gemeente Westland. Daarom dient bij de aanvoer van grond van buiten de gemeente Westland voor ontgraving te worden vastgesteld of de Japanse duizendknoop aanwezig is op de ontgravingslocatie. Indien de Japanse duizendknoop op de ontgravingslocatie aanwezig is, kan de grond niet binnen de gemeente Westland worden toegepast. Van grond die afkomstig is uit zandwinputten mag worden aangenomen dat deze grond geen sporen van de Japanse duizendknoop bevat. Vanzelfsprekend mag grond uit de gemeente zelf, waarvan bekend is dat op de herkomstlocatie Japanse Duizendknoop voorkomt, niet worden toegepast. Voor meer informatie over het herkennen van de Japanse duizendknoop wordt verwezen naar infoblad A uit het landelijk protocol Aziatische duizendknopen4.
3.7
Erkenning bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten
De gemeente heeft ervoor gekozen om geen bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten te erkennen. Grond uit andere gemeenten kan alleen dan worden hergebruikt, wanneer de kwaliteit is bepaald door middel van een partijkeuring en voldoet aan de achtergrondwaarden.
4 Regels voor het toepassen van grond en bagger De voorwaarden voor toepassen van grond en bagger zijn in dit hoofdstuk samengevat. Voor de gevallen dat er een conflict bestaat tussen de bodembeheernota en de bodemfunctiekaart/bodemkwaliteitskaart, prevaleren de regels uit de bodembeheernota. Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Deze zorgplicht betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
4.1
Toepassen van grond en bagger
Voor het toepassen van grond en bagger is het stroomschema uit figuur 4.1 van toepassing. De zeven stappen in deze figuur zijn nader uitgewerkt in paragraaf 4.1.1 tot en met 4.1.7. De mogelijkheid van grondverzet binnen en tussen deelgebieden is gevisualiseerd in bijlage 9.
4 Landelijk protocol Aziatische duizendknopen, Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos, Geofoxx milieu expertise, 2019, www.bestrijdingduizendknoop.nl/protocol
18/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Er gelden afwijkende regels, zie paragraaf 4.1.1 van de bodembeheernota
Vooronderzoek conform NEN 5725/WEN 5717 op ontgravingslocatie en toepassingsiocatie
Stap 2
Uitzonderingen Toepassing in een grootschalige toepassing Toepassing van/op een wegberm Toepassing van/op een verontreinigde deeflocabe verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen Toepassing op een waterbodem Toepassing van/op een diepte > 2.0 m-mv Toepassen binnen een provinciaal beschermingsgebied Tijdelijke uitname Tijdelijke opslag Verkennend bodem onderzoek uitvoeren
verdachte ocatieľ
Oorsprong binnen
verdachte activiteit van invloed op kwaliteit?
gemeente?
Bodem kwal [terts* aart met geldig Andere milieuhygiënische verklaring nodig
Bodem kwaliteitsklasse van de toe te passen grond bepalen met ontgravingskaart
Grond kan niet toegepast worden
Stap 4
Bodem kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem bepalen volgens generiek beleid. Let op: maximaal klasse wonen
Bodem kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem bepaler met toepassingen kaart voldoet de toe te passen grond aan de toepassingseis van de toepassinglocatie?
Stap 7 Grond kan niet toegepast worden
Grond kan wel toegepast worden
Figuur 4.1 Toepassingsschema van grond en bagger binnen de gemeente Westland
19/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
4.1.1 Stap 1 Bepalen of er sprake is van uitzonderingen Er gelden afwijkende regels voor de toepassing van de grond in de volgende situaties: ^
Grootschalige bodemtoepassing: Er is sprake van een grootschalige toepassing als het volume minimaal 5.000 m3 bedraagt en de minimale toepassingshoogte 2 meter (bij wegen en sporen minimaal 0,5 meter). De grootschalige toepassing wordt afgedekt met een leeflaag van ten minste 0,5 meter -
^
^
Grootschalige toepassingen moeten nuttig maar zijn niet bestemd voor het ophogen van een perceel (zie par. 4.4.4 Nota van Toelichting op het Besluit bodemkwaliteit). Dit kader is dus niet van toepassing voor de ophoging van bijvoorbeeld een industrieterrein De toepassing moet blijvend worden beheerd De partij toe te passen grond mag de maximale waarden voor de klasse industrie niet overschrijden De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de emissietoetswaarden uit het besluit bodemkwaliteit Als de kwaliteit niet voldoet aan de emissietoetswaarden, dan moet een uitloogonderzoek worden uitgevoerd om te toetsen of voldaan wordt aan de maximale emissiewaarden De leeflaag van een grootschalige toepassing moet voldoen aan de bodemfunctieklasse ter plaatse
Wegberm: Voor wegbermen geldt binnen de gemeente Westland gebiedsspecifiek beleid. Meer informatie staat in paragraaf 3.4 Verontreinigde deellocatie: Indien uit het vooronderzoek conform NEN 5725 (of NEN 5717 indien het toepassen van baggerspecie betreft) blijkt dat sprake is van een geval van ernstige of niet-ernstige bodemverontreiniging, dient grondverzet gemeld te worden bij de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) als vertegenwoordiger van de provincie Zuid-Holland als bevoegd
^
^
gezag Wet bodembescherming Verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen: Voor het verspreiden van baggerspecie vanuit watergangen over aangrenzende percelen (“het op de kant zetten van baggerspecie”) gelden speciale regels. De baggerspecie mag worden verspreid op het aangrenzend perceel en de gehalten moeten voldoen aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen Voor het elders toepassen van (gerijpte) baggerspecie gelden dezelfde regels als voor het toepassen van grond Toepassing op een waterbodem: Hiervoor gelden de generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit. Het Hoogheemraadschap van Delfland is hiervoor bevoegd gezag en kan gebiedsspecifiek beleid maken voor niet-Rijkswateren, maar volgt momenteel het generieke beleid. Dit valt buiten de reikwijdte van deze nota
20/31
ŵ Tauw Kenmerk
^
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Ontgraving/toepassing op een diepte groter dan 2,0 m - mv: Bij het ontgraven van grond dieper dan 2,0 m -mv hoeft de kwaliteit niet middels -
bodemonderzoek of een milieuhygiënische verklaring vastgesteld te worden Er wordt dan van uitgegaan dat de laag dieper dan 2 meter minstens zo schoon is als de laag 0,5 tot 2 m -mv. Dit betekent dat voor vrijkomende grond van dieper dan 2 meter de kwaliteit van de bodemlaag 0,5-2 m -mv gebruikt kan worden om de afzetmogelijkheden te bepalen
-
^
Dieper dan 2,0 m -mv mag alleen grond worden toegepast met een kwaliteit die voldoet aan de klasse landbouw/natuur (AW2000), behalve als door middel van een bodemonderzoek of een partijkeuring een andere kwaliteit is vastgesteld en deze voldoet aan de functie van het gebied Toepassing binnen een provinciaal beschermingsgebied: In de gemeente Westland liggen de volgende beschermingsgebieden (zie ook figuur 4.2
-
-
en bijlage 4): Natuurgebieden en zones uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Grondwaterbeschermingsgebied In de bovengenoemde gebieden mag uitsluitend schone grond worden toegepast, ook als blijkt dat grond die in deze gebieden aanwezig is of vrijkomt, niet geheel schoon is. De lokale maximale waarden gelden in deze zones niet. Aangezien deze gebieden ook de functie landbouw/natuur hebben, is dit ook in overeenstemming met het gebiedsspecifieke beleid in de gemeente Westland zoals toegelicht in paragraaf 3.3 In de ecologische verbindingen uit het NNN geldt bovenstaande regel niet. In deze gebieden wordt de toepassingseis bepaald op de reguliere manier, zoals uitgewerkt in figuur 4.1
21/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Den Haa
Rijswij
M on* ter
Poeldijk
[«heul
Honselersdijk
Den Ho o
G ravenz an Naaldwijk
Hoek van Holland
11223
11220
De Lier
Legenda
NUudijk
Gemeentegrens
Grondwaterbeschemingsgebieden Waterwingebied
Natuur Netwerk Neder and
Maassluis'
Bestaande en nieuwe natuur Ecologische verbinding
Tauw SerAîÜyer Credits Esri Nederland. Community Map Contributors
Figuur 4.2 Overzicht provinciale beschermingsgebieden binnen de gemeente Westland
^
Tijdelijke uitname: Er is sprake van tijdelijke uitname bij het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie als deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, ‘op of nabij' dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, wordt, indien gevraagd, door het -
bevoegd gezag (gemeente Westland) per geval beoordeeld of sprake is van 'op of nabij' In het geval van tijdelijke uitname hoeft de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem of van de terug te plaatsen grond of baggerspecie niet te worden aangetoond en is er geen meldingsplicht in het kader van het Besluit bodemkwaliteit
22/31
ŵ Tauw Kenmerk
-
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
In het kader van andere wet- en regelgeving, zoals de Wet bodembescherming en de CROW 400, is het wel noodzakelijk om vast te stellen of op de locatie sprake is van een locatiespecifieke, niet-gebiedseigen verontreiniging. Indien dat het geval blijkt te zijn, kunnen de werkzaamheden niet zonder aanvullende maatregelen plaatsvinden
^
Tijdelijke opslag: In tabel 4.1 is een samenvatting gegeven van de voorwaarden die bij de verschillende vormen van tijdelijke opslag horen. Indien aan deze voorwaarden voldaan wordt is geen vergunning nodig op grond van de Wet milieubeheer (Wm) -
Wanneer niet aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld omdat de kwaliteit niet voldoet of de maximale duur van de opslag wordt overschreden, is een vergunning op grond van de Wm noodzakelijk
Tabel 4.1 Overzicht verschillende vormen van tijdelijke opslag
Vorm van tijdelijke opslag
Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
opslag Kortdurende opslag
6 maanden
-
Ja
Tijdelijke opslag op
3 jaar
Kwaliteit moet voldoen
Ja, met voorziene duur
landbodem
Opslag bij tijdelijke uitname
Looptijd van de
aan de kwaliteit van de
van opslag en
ontvangende bodem.
eindbestemming
-
Nee
werkzaamheden
4.1.2 Stap 2. Uitvoeren vooronderzoek Voorafgaand aan het toepassen van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart dient zowel op de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie een vooronderzoek uitgevoerd te worden volgens NEN 57255, aanleiding F. Indien er grond wordt toegepast op een waterbodem dan dient het vooronderzoek op de toepassingslocatie uitgevoerd te worden volgens NEN 57176. In het vooronderzoek volgens NEN 5725, aanleiding F dienen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord te worden. Een toelichting op deze vragen specifiek voor de gemeente Westland is cursief weergegeven. 1. Is de bodemkwaliteitskaart nog geldig? Motiveer het antwoord. De geldigheid van de bodemkwaliteitskaart is 5 jaar. Daarna is verlenging of actualisatie nodig 2. Vallen het ontgravingsprofiel en/of het toepassingsgebied volledig binnen de afbakening van de bodemkwaliteitskaart (horizontaal en verticaal vlak)? Motiveer het antwoord. De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland is horizontaal begrensd door de gemeentegrenzen. Daarnaast zijn de Natura 2000-gebieden uitgesloten.
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de laag tot 2,0 m -mv, maar in de nota bodembeheer is ook beleid opgesteld voor de laag dieper dan 2,0 m -mv (zie paragraaf 4.1.1 5 NEN 5725 Bodem — Landbodem — Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017 6 NEN 5717 Bodem — Waterbodem — Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, december 2017
23/31
ŵ Tauw Kenmerk
3.
4.
5.
6.
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Dit kan worden bepaald door middel van de ontgravingskaarten in bijlage 5. Is de bodem asbestverdacht? Voor meer informatie over asbestverdachte deellocaties kan bijlage A uit de NEN 5725 geraadpleegd worden Is het op basis van activiteiten, ontgraving of ongewoon voorval aannemelijk dat de bodemkwaliteit ter plaatse is veranderd sinds het vaststellen of actualiseren van de bodemkwaliteitskaart? Motiveer het antwoord. De meeste activiteiten zijn te vinden via bodemloket.nl. Daarnaast zijn er afhankelijk van de locatie nog diverse andere bronnen die geraadpleegd kunnen worden Zijn puntbronnen aanwezig of is ernstige bodemverontreiniging te verwachten binnen het ontgravingsprofiel? Licht het antwoord toe. Raadpleeg bodemloket.nl om een antwoord te vinden op deze vraag. Indien er bodemonderzoeken op de locatie zijn uitgevoerd dienen deze opgevraagd te worden bij de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) om een volledig beeld van de situatie op de locatie te krijgen. In het vooronderzoek is speciale aandacht nodig voor erven en laantjes/puinpaden. Deze staan niet als aparte locaties op de bodemkwaliteitskaart aangegeven, terwijl de kwaliteit van de grond (sterk) kan afwijken van de diffuse bodemkwaliteit van de betreffende bodemkwaliteitszone.
Veelal zit onder een asfaltverharding een puinfundatie, waardoor de
7.
onderliggende bodem in principe als verdacht moet worden beschouwd. Er zijn binnen de gemeente Westland ook diverse ophooglagen aanwezig. Meer achtergrondinformatie over deze ophooglagen is te vinden in bijlage 2 Kan de bodemkwaliteitskaart als basis dienen voor een milieuhygiënische verklaring voor de vrijkomende grond binnen het beheergebied of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord. De bodemkwaliteitskaart kan niet gebruikt worden indien de vraag 4, 5 en/of 6 met ja’ beantwoord is en/of vraag 1 en/of 2 met ‘nee’ beantwoord is
Indien uit het vooronderzoek blijkt dat een locatie verdacht is, is de bodemkwaliteitskaart niet geldig voor de desbetreffende locatie. De kwaliteit van die locatie moet dan met een andere milieuhygiënische verklaring worden vastgesteld. Zie voor meer informatie stap 3. 4.1.3
Stap 3. Bepaal de bodemkwaliteitsklasse van de toe te passen grond
Indien er sprake is van het toepassen van grond met een oorsprong binnen de gemeente Westland, kan de kwaliteit van deze grond als volgt worden bepaald: ^ Bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) op onverdachte locaties ^ Op overige locaties een (in situ) partijkeuring ^ Waterbodemonderzoek (indien sprake is van bagger) Indien er een partijkeuring aanwezig is op een locatie dan is de bodemkwaliteitskaart niet langer geldig als bewijsmiddel, aangezien de partijkeuring een meer betrouwbaar beeld van de kwaliteit op de locatie geeft.
24/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
De kwaliteit van grond/bagger van buiten de gemeente Westland wordt bepaald door een milieuhygiënische verklaring conform Besluit bodemkwaliteit: ^ (In situ) partijkeuring ^ Waterbodemonderzoek (indien sprake is van bagger) ^ Erkende kwaliteitsverklaring ^ Fabrikant-eigenverklaring Belangrijk voor grond van buiten de gemeente Westland is om tevens vast te stellen of de Japanse Duizendknoop op de ontgravingslocatie aanwezig was. Dit kan tijdens de uitvoering van de partijkeuring worden vastgesteld. Meer informatie in paragraaf 3.6. Meer details over de verschillende bewijsmiddelen is weergegeven in paragraaf 4.2. 4.1.4 Stap 4. Bepaal de toepassingseis op de plaats van toepassing Voor de toepassing geldt de strengste eis van de bodemfunctiekaart en de ontvangende bodemkwaliteit (dubbele toets).
Indien er sprake is van het toepassen van grond met een oorsprong binnen de gemeente Westland, kan de toepassingseis als volgt worden bepaald: ^ De toepassingenkaart (bijlage 6) ^ Verkennend bodemonderzoek of in situ partijkeuring ^ Voor toepassen van grond die voldoet aan de achtergrondwaarde, is het vaststellen van de ontvangende bodemkwaliteit niet nodig Indien er een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring aanwezig is op een locatie dan is de bodemkwaliteitskaart niet langer geldig als bewijsmiddel, aangezien deze onderzoeken een meer betrouwbaar beeld geven van de situatie op de locatie. Indien er sprake is van het toepassen van grond met een oorsprong buiten de gemeente Westland, geldt het gebiedsspecifieke beleid niet, maar moet de grond voldoen aan de generieke normen. Dat betekent dat de lokale maximale waarden niet geldig zijn. Indien er bijvoorbeeld sprake is van een toepassingseis ‘klasse wonen' voor een bepaalde toepassingslocatie, dient dus aan de generieke maximale waarden voor de klasse wonen te worden voldaan. De grond die vanuit andere gemeenten binnen de gemeente Westland wordt toegepast dient minimaal te voldoen aan de waarden voor de bodemfunctieklasse “Wonen”.
Dat betekent dat ook in gebieden waar op basis van de ontgravingskwaliteit en functie industrie, maximaal klasse wonen toegepast mag worden als de grond van buiten de gemeente Westland afkomstig is. In de grondverzetsmatrix in bijlage 9 is dit ook nader uitgewerkt. 4.1.5
Stap 5. Toetsen van de grond I bagger aan de toepassingseis
Indien de toe te passen grond / bagger een gelijke of schonere kwaliteitsklasse heeft in vergelijking met de toepassingseis, dan mag de grond worden toegepast onder voorbehoud van de PFAS-kwaliteit. Indien de toe te passen grond een slechtere kwaliteitsklasse heeft dan de toepassingseis, kan de grond niet op deze locatie worden toegepast.
25/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
4.1.6 Stap 6. Toetsen PFAS-kwaliteit In de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland is PFAS niet opgenomen. Op het moment van schrijven van deze nota wordt er gewerkt aan een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFAS. Tot die gereed is, dient de PFAS-kwaliteit separaat bepaald te worden door middel van een partijkeuring of andere milieuhygiënische verklaring. Indien blijkt dat de toe te passen partij voldoet aan de landelijke normen voor PFAS7, kan de grond worden toegepast. Indien de partij niet aan de landelijke normen voldoet kan de partij niet worden toegepast op de gewenste plek. Nadat de regionale bodemkwaliteitskaart gereed is, dient er getoetst te worden aan het regionale beleid en is het uitvoeren van een partijkeuring voor PFAS bij het toepassen van grond uit de regio waarschijnlijk niet meer noodzakelijk. 4.1.7 Stap 7. Toepassen van de grond De grond kan worden toegepast. Als tijdens grondverzet afwijkende zintuiglijke verontreinigingen (bijvoorbeeld puin, koolas, asbest, afwijkende geur) worden aangetroffen, dient de toepassing te worden gestaakt. De grond moet terug naar de ontdoener tenzij uit partijkeuring(en) blijkt dat de grond voldoet voor de toepassing.
4.2
Overzicht bewijsmiddelen bodemkwaliteit
Wanneer geen gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Voor de toe te passen grond is dat: ^ •
Partijkeuring Erkende kwaliteitsverklaring
•
Waterbodemonderzoek
Voor de ontvangende bodem is dat een verkennend bodemonderzoek. Navolgend zijn korte toelichtingen opgenomen. 4.2.1
Partijkeuring
Een partijkeuring betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit, en daarmee de toepassingsmogelijkheden, van een partij grond of (gerijpte) baggerspecie die al dan niet is ontgraven.
7 Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (Geactualiseerde versie 2 juli 2020). Aangezien het beleid voor PFAS nog volop in ontwikkeling is, is het van belang om te controleren wat de meest recente versie van het beleid is.
26/31
ŵ Tauw Kenmerk
R001-1271310ESM-V03-sal-NL
Eisen Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld (zoals onder andere ook blijkt uit artikel 4.3.3 van de Regeling bodemkwaliteit): ^ Een partij kan worden gekeurd in depot of in situ ^ Voorafgaand aan de partijkeuring dient een vooronderzoek conform NEN 5725 (landbodem) of NEN 5717 (waterbodem) te worden uitgevoerd ^ De partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden •
bemonsterd conform SIKB BRL 1000: VKB-protocol 1001 De voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AP04 door een hiervoor erkend laboratorium
Te onderzoeken parameters Is de herkomstlocatie van de grond of baggerspecie onverdacht dan dienen de monsters van de partij te worden onderzocht op tenminste de parameters van het vigerende standaard NEN 5740pakket aangevuld met bestrijdingsmiddelen (OCB). Welke stoffen deel uitmaken van dit standaardpakket is na te gaan op de websites van Bodems of het SIKB. Wanneer de grond of baggerspecie afkomstig is van een verdachte locatie, dan dient de partij, naast de parameters van het standaard analysepakket, tevens op de desbetreffende kritische parameters, bijvoorbeeld asbest of VOCl. 4.2.2 Erkende kwaliteitsverklaring Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit 2 delen: ^ Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificerende instelling (zoals bijvoorbeeld KIWA, Intron of BMC). Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (klasse AW2000, klasse 'wonen' of klasse 'industrie') ^ Het tweede deel betreft de afgegeven erkenning De eisen die aan een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.6 van de Regeling bodemkwaliteit. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+.
4.2.3 Waterbodemonderzoek Een waterbodemonderzoek betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit, en daarmee toepassingsmogelijkheden, van een partij baggerspecie die al dan niet is ontgraven. Eisen Aan een waterbodemonderzoek worden de volgende eisen gesteld (zoals onder andere ook blijkt uit artikel 4.3.4 van de Regeling bodemkwaliteit): ^ De partij grond (bij oevergebieden) of baggerspecie dient onderzocht te worden volgens de NEN 5720 ^ Dit onderzoek dient voorafgegaan te worden door een vooronderzoek conform NEN 5717 ^ De partij grond of baggerspecie dient door een erkende monsternemer te worden bemonsterd conform SIKB BRL 2000: VKB-protocol 2003