Kust Westland_Toelichting
Tekst van het document
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.3.2
Onderzoek
De functiewijzigingen zoals mogelijk gemaakt met deze bestemmingsplanherziening in relatie tot hetgeen reeds toegestaan was, plus de voorziene uitbreiding van het strandrecreatiepaviljoen dragen niet in betekenende mate bij in relatie tot de luchtkwaliteit. 3.3.3
Conclusie
De Wet luchtkwaliteit staat aan de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.
3.4
Externe veiligheid
3.4.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico
25
en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.4.2
Onderzoek
In het plangebied waar ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt of binnen daartoe relevante zones t.o.v. het plangebied zijn geen gevaarlijke inrichtingen of buisleidingen aanwezig die een risico vormen. Er is ook geen sprake van ligging in een zone van een route waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Tenslotte is er geen sprake van vermeende aanwezigheid van explosieven die eventueel een gevaar zouden kunnen vormen. Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen. 3.4.3
Aanwezige risicovolle locaties en leidingen
Onder de noordwestelijke berm van de Haagweg (buiten het plangebied) ter hoogte van waterwingebied Solleveld bevindt zich één hoofdtransportverbinding voor aardgas met een werkdruk van 80 bar en een diameter van 324 mm. Deze leiding heeft een belemmeringstrook van 5 meter en is opgenomen op de planverbeelding met een dubbelbestemming 'Leiding - gas'. In de regels is bepaald dat binnen de belemmeringstrook geen (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan. Het invloedsgebied is 180 meter aan weerszijden van de buisleiding. Aangezien sprake is van een conserverend bestemmingsplan en een zeer geringe populatiedichtheid, waarbij er geen veranderingen optreden in bebouwing of bezoekers, is er geen wijziging van het groepsrisico.
figuur 11: aardgastransportleiding Haagweg (bron: Risicokaart Geoweb) In het plangebied zijn een achttal locaties voor propaantanks aanwezig:
26
figuur 12: locatie propaantanks kust Westland (bron: Risicokaart Geoweb) Voor de propaantanks geldt een risicocontour van 15 meter. Binnen deze risicocontour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten worden gebouwd, tenzij wordt aangetoond dat deze objecten voldoen aan de normen van plaatsgebonden risico en groepsrisico. Omdat dit bestemmingsplan consoliderend is wat betreft de in of nabij de risicocontour gelegen bebouwingsmogelijkheden en er geen nieuwe kwetsbare objecten kunnen worden gebouwd, vormt dit geen probleem voor dit bestemmingsplan. Net buiten het plangebied bevindt zich een route gevaarlijke stoffen. Het transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de verkeersweg N211 (Noordlandseweg, 's-Gravenzandseweg). Het bestemmingsplan is consoliderend wat betreft de bebouwing langs deze weg, zodat geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden. Daarbij ligt het plangebied buiten de 200 meter zone waarvoor een verantwoording van het groepsrisico zou gelden.
figuur 13: route gevaarlijke stoffen (N211) (bron: Risicokaart Geoweb) 3.4.4
Ondergrondse explosieven
In de gemeente Westland, waaronder in het plangebied, zijn op verschillende plaatsen munitie en explosieven gevonden. Er is een gemeentelijke kaart opgesteld met mogelijk verdachte locaties en vindplaatsen van explosieven. Ter plaatse van de eventuele vindplaatsen wordt in het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - munitie' opgenomen. Binnen deze gebiedsaanduiding is het niet toegestaan werkzaamheden uit te voeren of werken aan te leggen, tenzij uit nader onderzoek blijkt dat dit verantwoord is.
27
figuur 14: uitsnede explosievenkaart Westland 3.4.5
Conclusie
Er zijn geen aspecten van externe veiligheid die een belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan vormen.
3.5
Water
3.5.1
Wettelijk kader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water.
Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te
28
brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid.
Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda.
Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop:
29
de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie.
Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd. 3.5.2
Onderzoek
Veiligheid en waterkeringen Waar het gaat om ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt bij strandpaviljoens, kan worden gesteld dat het betreft strand/horecapaviljoens en een strandrecreatiepaviljoen waarvoor door het Hoogheemraadschap van Delfland o.g.v. de Keur, het Waterbeheerplan Delfland 2016-2021 en de Beleidsregel Medegebruik Zeewering van juni 2014 'watervergunningen' zijn verleend. Voor deze vergunningen is ook advies aangevraagd bij Rijkswaterstaat. In het plangebied van het bestemmingsplan zijn verschillende waterkeringen aanwezig. De duinstrook vormt de primaire waterkering die het achterland beschermt tegen de zee. Deze duinstrook bestaat uit min of meer aansluitende zandheuvels die hun waterkerend vermogen ontlenen aan de geometrie en de hoeveelheid zand binnen het dwarsprofiel. De primaire waterkering in het plangebied hebben een hoogte van 10 tot 15 meter boven NAP. Landinwaarts ligt op afwisselende afstanden de zogeheten Slaperdijk, die is aangelegd als extra versterking van de zeewering. Deze slaperdijk heeft een hoogte van 5 meter boven NAP. Het duingebied
30
is aangewezen als zwakke schakel, waardoor diverse malen zeewaarts een verbreding van de Basiskustlijn (BKL) heeft plaatsgevonden. Op deze primaire waterkeringen is het Delflands Algemeen Waterkeringenbeleid (2010) van toepassing. In de Keur heeft Delfland regels opgenomen met betrekking tot primaire waterkeringen, evenals in de legger. De keurzone van de zeewering is opgenomen in de legger, terwijl in dit bestemmingsplan deze zone is voorzien van de dubbelbestemming "Waterstaat waterkering" met als doel de zeewering te beschermen. De duinen hebben nog de aanduiding "vrijwaringszone - duin" gekregen.
figuur 14: uitsnede leggerkaart Delfland (rood = primaire waterkering) Waterkwantiteit Het bestemmingsplan is consoliderend van aard, hetgeen wil zeggen dat de huidige, bestaande situatie wordt bestemd met een enkele ontwikkeling die niet relevant is voor de waterkwantiteit. In het bestemmingsplan is het aanwezige oppervlaktewater als water bestemd. Waterkwaliteit en ecologie Het bestemmingsplan heeft geen negatieve invloed op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater. Afvalwater en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Beheer en onderhoud Het onderhoud van de hoofdwatergangen wordt verzorgd door het Hoogheemraadschap van Delfland. 3.5.3
Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de algemene waterbelangen.
31
3.6
Bodem
3.6.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.
het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.6.2
Onderzoek
De met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen gevolgen voor het strand en/of het duingebied en daar aanwezige zandbodem.
figuur 14: uitsnede provinciale b odemkaart 2019 (geel = kalkhoudende zandgronden)
32
3.6.3
Waterwingebied
Een groot gedeelte van het Natura 2000 gebied Solleveld is in gebruik door Dunea als waterwingebied. De bedrijfsactiviteiten richten zich op de productie en winning van water. Daar het water wordt gewonnen na de filterende werking van het duinzand, bevinden zich in het duingebied diverse infiltratiebekkens. De duinpassage zorgt ervoor dat ongewenste bacteriën en virussen op natuurlijke wijze onschadelijk worden gemaakt. Het water verblijft gemiddeld twee maanden in de duinen waarna het wordt opgepompt. De watertoren die aanwezig is zorgt ervoor dat er continu druk blijft staan op het waterleidingnet. 3.6.4
Conclusie
Het bestemmingsplan heeft geen gevolgen wat betreft de bodem.
3.7
Ecologie
3.7.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in 2017 de herziene Nota ecologische verbindingen in de provincie Zuid-Holland vastgesteld. De ecologische verbindingen zijn een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De prioriteit is komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.
Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden (art. 6.9e provinciale omgevingsverordening). Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied.
Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of
33
Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
achterwege gelaten worden, of noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
34
3.7.2
Onderzoek
Uit een eco-effect scan door Aqua Terra Nova (bijlage 2) blijkt dat wat betreft de soortbescherming geen negatieve gevolgen te verwachten zijn als gevolg van dit bestemmingsplan Kust. Dit geldt voor vaatplanten, vogels, zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën en vleermuizen. Bij het plaatsen van nieuwe verlichting moet rekening gehouden worden met overvliegende vleermuizen en de paviljoenhouders moeten zich onthouden van het afsteken van vuurwerk aan het einde van een evenement. Dit is als voorwaardelijke verplichting bij het gebruik van strandbebouwing opgenomen. Wat betreft de gebiedsbescherming is een Voortoets verricht naar eventuele negatieve effecten op (de instandhoudingsdoelstellingen van) het aangelegen Natura 2000-gebied als gevolg van de (beperkte) uitbreiding van het recreatiepaviljoen (bijlage 3). Hieruit blijkt dat negatieve effecten uitgesloten zijn. Voor dezelfde uitbreiding is ook een zogenaamde "Nee, tenzij toets" uitgevoerd vanwege de ligging in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook uit dit onderzoek blijkt dat geen significante aantasting van het NNN plaats zal vinden. De wezenlijke kenmerken en waarden worden niet aangetast (bijlage 3).
Omdat nabij de huidige strand/horecapaviljoens al strand- en watersportactiviteiten zijn toegestaan, eventueel georganiseerd door een extern evenementenbureau in samenwerking met dat strand/horecapaviljoen, zijn er geen extra verkeersstromen te verwachten als gevolg van de nieuwe regeling die ook opslag van materialen en kleedruimten e.d. bij de strand/horecapaviljoens mogelijk maken. Het is daarnaast moeilijk een inschatting te maken of deelnemers aan een strandactiviteit bij het ontbreken van die mogelijkheid niet zelf naar het strand zouden gaan om (al dan niet actief) van strand of zee te genieten. Wat betreft de mogelijkheid voor het recreatiepaviljoen om voortaan ook ondergeschikte horeca-activiteiten te ontplooien (dus alleen voor de deelnemers aan activiteiten) geldt dat deze gepaard gaat met een beperkte fysieke uitbreiding van het bouwwerk (in ieder geval in vergelijking met de vergunde situatie). Hiertoe is een stikstofberekening uitgevoerd, waaruit blijkt dat er mede als gevolg van een afname van vervoersbewegingen elders op het strand (als gevolg van het niet langer noodzakelijk zijn van het aan- en afvoeren van materialen bij de strand/horecapaviljoens) geen toename van de stikstofuitstoot als gevolg van dit bestemmingsplan optreedt (bijlage 4). 3.7.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan Kust Westland heeft geen negatieve gevolgen wat betreft de ecologische en natuurwaarden.
3.8
Cultuurhistorische aspecten
3.8.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan.
35
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan.
Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 3.8.2
Archeologische waarden
3.8.2.1 Bestaande situatie Vanuit de landelijke wetgeving geldt in principe een vrijstelling voor ingrepen tot een oppervlakte van 100 m2. Het is echter mogelijk om hier naar boven en naar beneden vanaf te wijken, mits dit goed onderbouwd is. De gemeente Westland maakt van deze mogelijkheid tot afwijken gebruik. Daartoe heeft zij in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld voor het gemeentelijk grondgebied. Voor het onderhavig bestemmingsplan is gekeken in hoeverre het beeld van de gemeentelijke beleidskaart nog actueel is. Vanwege nieuwe inzichten zijn er aanvullende archeologische medebestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan. 3.8.2.2 Landschappelijk kader Vanaf ca. 4000 jaar voor Chr. ontstonden er in het bestemmingsplangebied strandwallen met daarop lage duinen op de plaats van de kustbarrières. Deze worden de Oude Duinen genoemd. De lagune erachter slibde verder dicht. Door de aanwas van zand werden de strandwallen in westelijke richting uitgebouwd. Tussen de strandwallen raakten de lager gelegen strandvlaktes bedekt met veen. De uitbouw van de kust strekt rond het jaar 0 waarschijnlijk tot 1 km voor de huidige kust van Ter Heijde. Waarschijnlijk werd de maximale westelijke uitbreiding van de strandwallen in 250 v. Chr. bereikt. Toen zal er een kustbarrière aanwezig zijn geweest van wel 6 tot 10 km breed.
In een groot deel van het plangebied, en met name de noordelijke helft, zijn op grote schaal strandwallen, lage duinen en strandvlakten gevormd. Meer naar het zuiden was dit ook het geval. Wel is het mogelijk dat die strandwallen en lage duinen, maar ook de kwelders, door de tijd heen (deels) geërodeerd zijn, door overstromingen vanuit de Maasmonding. Sindsdien heeft kustafslag er voor gezorgd dat de gehele kustlijn tot de huidige ligging is teruggedrongen. Vanaf de elfde eeuw vond opnieuw duinvorming plaats: de Jonge Duinen. De strandwallen met daarop de Oude Duinen vormden een uitstekende plek om op te wonen. De meest landinwaarts gelegen strandwal is het oudste. Op die strandwal kon vanaf het Late Neolithicum bewoning aanwezig zijn. Resten van bewoning zijn ook daadwerkelijk aangetroffen op de rand van het plangebied bij het Monsterse Geestje en bij Madestein op Haags grondgebied. Later werd er ook gedurende de Brons- en IJzertijd, de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen intensief op de strandwallen gewoond. Het Jonge Duinzand is niet overal binnen het bestemmingsplangebied afgezet. Dit is met name bekend voor het noordelijke deel van het bestemmingsplangebied, waar de verstuivingen van de Jonge Duinen slechts in beperkte mate landinwaarts terecht zijn gekomen.
Doordat het afdekkende Jonge Duinzand binnen grote delen van het bestemmingsplan afwezig is, liggen oudere vindplaatsen soms vrijwel aan het oppervlakte (bijv. locatie Molenslag).
36
Op basis van historische kaarten is te zien dat er op verschillende locaties binnen het plangebied sprake is van bebouwing. In hoeverre deze resten nog aanwezig zijn in de ondergrond is niet bekend. Het betreft onder andere een deel van het dorpje Ter Heijde, maar ook geïsoleerde erven nabij de Vlugtenburg. Het is bekend dat het dorp Ter Heijde in de 15e en 16e eeuw verschillende malen is verwoest door de golven. In hoeverre er nog archeologische resten van de historische bebouwing in de ondergrond aanwezig zijn, is niet bekend. Voor een gedetailleerdere beschrijving van de vorming van het Oud Duinenlandschap, zie: Lanzing, J.J., J.J.W. de Moor & W.K. Vos, 2021. 3.8.2.3 Archeologische medebestemmingen Binnen het bestemmingsplangebied is sprake van uiteenlopende archeologische verwachtingen. Deze worden vertaald naar archeologische medebestemmingen in het bestemmingsplan. Omdat in dit geval verschillende typen archeologische vindplaatsen en verwachtingen tot hetzelfde regime leiden, worden de verschillende zones hieronder beschreven per medebestemming archeologie.
figuur 15: medebestemmingen archeologie Waarde - Archeologie 1 - 0 m2 en 30 cm Het noordelijk deel van het bestemmingsplangebied betreft een terrein van Provinciaal Archeologisch Belang (PAB-terrein, voormalig Archeologisch Monument). Op dit terrein zijn sporen van bewoning uit de Midden IJzertijd, de Late IJzertijd, de Romeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen en de Late Middeleeuwen aangetroffen. Conform de provinciale omgevingsverordening gelden voor deze locatie de ondergrenzen van 0 m2 en 30 cm. Ten zuidwesten van het PAB-terrein ligt de voormalige camping Molenslag, hier heeft in 2016 gedeeltelijk archeologisch onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een opgraving. Er is toen een vindplaats uit de
37
Vroege Middeleeuwen (de Merovingische periode) en een vindplaats uit de Midden IJzertijd onderzocht. Door continue verstuiving van het duinzand kwamen in de loop van tijd wederom vondsten aan het licht. In 2018 vond aanvullend archeologisch onderzoek plaats, ook toen is een vindplaats uit de IJzertijd aangetroffen. De vindplaats loopt zeer waarschijnlijk door naar het zuiden en het westen. Landschappelijk gezien is de directe omgeving vergelijkbaar met de vindplaats Molenslag. Ook die zone zal daarom gekarteerd worden als een locatie met een zeer strikte ondergrens (Waarde 1). Daarvoor gelden in dit geval ook de ondergrenzen van 0 m2 en 30 cm. Waarde - Archeologie 2 - 50 m2 en 30 cm Deze waarde omvat de gebieden waarvan op basis van historisch kaartmateriaal is vastgesteld dat er bewoning plaatsvond tijdens de Nieuwe tijd. Het huidige beeld is opgebouwd op basis van 2 historische kaarten (Kruikius (1712) en de kadastrale minuutkaart, 1811-1832). Binnen deze zone zijn bodemingrepen tot 50 m2 en 30 cm -maaiveld op voorhand vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Het gaat hier om twee locaties in het zuidwesten van het plangebied en een deel van het dorp Ter Heijde.
figuur 16: detailopname zuidwestelijk deel van het plangebied (recreatieterrein Vlugtenburg) Waarde - Archeologie 2 geldt ook voor het gebied dat qua bodemopbouw vergelijkbaar is met het Oude Duinenlandschap zoals dat ter hoogte van Molenslag en het PAB-terrein aanwezig is. Die zone strekt zich grofweg uit vanaf Molenslag tot aan de zuidwestelijke grens van Monster. Waarde - Archeologie 3 - 250 m2 en 30 cm In de zone ten zuiden van Ter Heijde wordt de geologische opbouw iets anders dan het noordelijke deelgebied. Op basis van de paleogeografische kaarten is bekend dat hier in de afgelopen millennia oude bewoonbare landschappen zijn geweest. Er was sprake van Oude Duinen, maar ook van kwelders binnen getijdengebied. Wel is er voor grote delen waarschijnlijk sprake geweest van erosie door overstromingen vanuit de Maasmonding. Ook vonden er in de Nieuwe Tijd opnieuw verschillende stormen plaats die mogelijk stukken duin en land hebben weggevaagd. Toch zijn er in dit gebied vondsten aangetroffen die dateren vanaf de IJzertijd - Romeinse tijd. Om aan te sluiten bij de beleidszone zoals deze ten zuiden van de Slaperdijk is vastgesteld, geldt voor dit gebied een medebestemming archeologie met de ondergrenzen 250 m2. Omdat archeologische resten op sommige plekken in de duinen heel ondiep onder het maaiveld liggen, geldt voor de diepte de ondergrens 30 cm.
Waarde - Archeologie 4 - 500 m2 en 50 cm In deze zone kunnen zich archeologische resten bevinden in de toppen van oudere kwelders. Grote delen zullen door erosie verloren zijn gegaan na de grote overstroming vanuit de Maasmonding. Geen voorschriften:
38
Op het terrein van het waterwingebied van Dunea zijn in het verleden infiltratieplassen gegraven en waterleidingen aangelegd. Voor de aanleg van deze plassen en leidingen hebben ontgravingswerkzaamheden plaatsgevonden tot circa 20 meter onder het maaiveld. Er zijn derhalve geen archeologische waarden meer te verwachten op deze locaties en behoeven dan ook niet te worden voorzien van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie". In dit bestemmingsplan heeft de zeebodem ook (nog) geen medebestemming archeologie. In het huidige archeologiebeleid van de gemeente Westland is daarvoor nog geen visie over gevormd. Daarnaast is altijd de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vind waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (om praktische redenen, bij de gemeente Westland). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit. 3.8.3
Cultuurhistorische waarden
Het plangebied maakt deel uit van de Atlantikwall, een verdedigingslinie die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog aanlegden om de kust te beschermen tegen een geallieerde aanval. Hoewel geen concrete informatie is gevonden over de aanwezigheid van (ondergrondse) bunkers of kelders van de Atlantikwall in het plangebied, wordt de aanwezigheid daarvan niet geheel uitgesloten. Op 1 februari 1953 vond de watersnoodramp plaats. Het werd veroorzaakt door de combinatie van extreem hoge waterstand met een zware noordwesterstorm. Door de stormvloed was op sommige plekken 30 meter duin weggeslagen. In de zomer van 1953 werden de duinen verstevigd, waarbij de aanwezige bunkers de werkzaamheden in de weg stonden. Er zijn toen veel bunkers opgeruimd. Ter hoogte van 's-Gravenzande was dit niet mogelijk, omdat er dan weinig duinregel over zou blijven. In dat gebied werd de duinvoet dusdanig breed gemaakt, dat de bunkers aan de binnenzijde van het duinenprofiel kwamen te liggen. De medebestemming Archeologie Waarde 3 met de ondergrenzen 250 m2 en 30 cm is ook opgelegd om per ingreep de afweging te kunnen maken hoe dit specifieke cultuurhistorisch erfgoed met archeologische waarden beschermd kan blijven (figuur 17).
figuur 17: locaties van b unkers b innen de Atlantikwall Aan de oostzijde van het plangebied, binnen het waterwingebied zijn de oude akkers en bijbehorende houtwallen van de vroegere boerderij Solvelt zijn nog goed herkenbaar in het landschap. De oude eiken op de wallen behouden door de zee-invloed een gedrongen vorm. Buiten het plangebied aan de Molenweg op de kruising met de Haagweg bevindt zich een uit 1882
39
daterende Korenmolen. Lang voor 1882 stond op dezelfde locatie reeds een molen. In 1311 gaf de eigenaar van die molen, Diederic van der Wale, de molen, met het windrecht te Voswijk, aan zijn neef. De molen heeft eeuwen gefungeerd als korenmolen en is momenteel in bezit van gemeente Westland. Het in de duinen gelegen complex van het Dunea bestaat uit een 40 meter hoge watertoren in eclectische stijl uit 1887, met de oorspronkelijke aanbouw. Het pompstation annex snelfiltergebouw in Dudok-stijl uit 1939 heeft een moderne aanbouw. Daarachter ligt een betonnen klaarbassin (als enige overgebleven exemplaar van de oorspronkelijke drie) dat uitgevoerd is in de stijl van het functionalisme uit het begin van de twintigste eeuw. Voor het ontwerp van de watertoren tekende N. Biezeveld. Het ontwerp van het pompstation en het klaarbassin is vanuit het waterleidingbedrijf tot stand gekomen. De watertoren met aangebouwde machine- en ketelhuizen is opgetrokken in stijlvormen die in de negentiende eeuw passend werden geacht voor het chateau d’eau. De concessie voor de waterwinning werd in 1885 verleend. Op het terrein bevinden zich ook naoorlogse bouwwerken. 3.8.4
Conclusie
Dit bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor cultuurhistorische of archeologische waarden.
3.9
Vormvrije m.e.r.
Wijzigingswet Wet milieub eheer De wijzigingen van de m.e.r.-richtlijn zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wijzigingswet Wet milieubeheer. In deze wet zijn alleen de noodzakelijke wijzigingen vastgelegd. Met name wordt géén gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ondergrenzen voor de m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten aan te geven. De procedurele en inhoudsvereisten voor de m.e.r.-beoordeling waren al grotendeels vastgelegd in de wetgeving tot nu toe. Zo was al geregeld dat de m.e.r.-beoordelingsbeslissing binnen 6 weken moet plaatsvinden. Nu is in artikel 7.16 een uitgebreide lijst van te overleggen gegevens opgenomen voor initiatiefnemers. Maar deze verschillen niet heel veel van wat gebruikelijk is. Aanpassing van het Besluit m.e.r. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden, dus in het geval van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het belangrijkste verschil met een m.e.r.-beoordeling voor gevallen boven de drempelwaarde is dat het bevoegd gezag geen mededeling hoeft te doen van zijn beslissing omtrent de vraag of een MER moet worden gemaakt door een kennisgeving en ter inzage legging niet nodig is.
De beslissing dat er (g)een MER moet worden gemaakt, maakt uiteindelijk deel uit van het m.e.r.(beoordelings)-plichtige besluit (omgevingsvergunning of bestemmingsplan). Gevolgen voor de b estemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijking of milieu Voor de formeel m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten boven de drempelwaarden is er qua procedure niet zo heel veel veranderd. Hier moest altijd al een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden gepubliceerd. Nieuw is wel dat eventuele mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen bij de beoordeling, maar dat moet dan wel worden vastgelegd in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Voor vormvrije m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten geldt nu, net als bij formele m.e.r.- beoordelingsplichtige projecten, dat bij besluiten op aanvraag (aanmeldingsnotitie) er binnen 6 weken moet worden beslist of een MER moet worden gemaakt. Waar het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is moet nu (net als bij een formele m.e.r.-beoordeling) ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing zijn genomen. Deze hoeft niet apart te worden gepubliceerd, maar zal in de praktijk wel meegaan bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan. Stedelijke ontwikkelingsprojecten
40
Dat een m.e.r-beoordelingsbeslissing moet worden gemaakt is een aandachtspunt voor een aantal activiteiten die in kolom 1 vallen. Een belangrijk voorbeeld is categorie D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r., stedelijke ontwikkelingsprojecten: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als de gevalsomschrijving (drempelwaarde) niet meer bepalend is voor de noodzaak van een m.e.r.beoordelingsbeslissing valt hier opeens heel veel onder. Samenvatting Uit voorgaande blijkt dat bij veel (meer) plannen een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase op basis van een zelfstandig document waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria: a. b. c.
de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Omdat er geen drempelwaarden meer gelden en er geen duidelijke definitie van stedelijke ontwikkelingsprojecten is opgenomen, is het bij het mogelijk maken van een paar woningen of extra strandbebouwing al snel een discussiepunt 'wel of geen stedelijk ontwikkelingsproject'. Door de omgevingsdienst wordt beoordeeld of voor de genoemde activiteiten welke in het Besluit milieueffectrapportage zijn opgenomen eerst een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden doorlopen. Daar is wel enige nuancering op zijn plaats. Uit uitspraken van de Raad van State volgt namelijk dat er wel sprake moet zijn van activiteiten met een zekere omvang. Er begint zich al wel een zekere lijn af te tekenen in de jurisprudentie, maar veel blijf afhankelijk van de aard en omvang van het concrete project en het gebied waarbinnen dit plaatsvindt. De Afdeling heeft daarin bijvoorbeeld expliciet overwogen dat dat het geval is voor de ontwikkeling van volumineuze detailhandel met een oppervlakte van 17.000 m2 (ABRvS 24 december 2014,201307608/1/R1, r.o. 20.3) en 95 woningen (ABRvS 27 mei 2015, 201404713/1/R3, r.o. 13.2). Onduidelijk is of een nieuw muziekcentrum (ABRvS 28 november 2012, 201112213/1/R4, r.o. 5), 14 woningen (ABRvS 19 december 2012, 201201154/1/R4, r.o. 8.3 en 17 woningen (ABRvS 20 februari 2013, 201208192/1/R3, r.o. 5.3) als een stedelijk ontwikkelingsproject laat kwalificeren.
Natura 2000 geb ieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Solleveld en Kapittelduinen maken deel uit van een aaneenschakeling van Natura-2000 gebieden die in het duinlandschap langs de Noordzee zijn gelegen. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan het Westduinpark, eveneens onderdeel van Natura-2000. Het onderhavige bestemmingsplan maakt echter geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die gezien moeten worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Conclusie Het bestemmingsplan Kust Westland betreft een actualisering van het huidige bestemmingsplan, waarbij zeer beperkt ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Die ontwikkeling is getoetst op de effecten voor de omgeving, waarbij vaststaat dat er geen significante (negatieve) gevolgen zijn voor die omgeving. Er is geen sprake van noemenswaardige ontwikkelingen die zodanige invloed op de fysieke leefomgeving hebben dat een vormvrije m.e.r. aanvraag (aanmeldnotitie) moet worden opgesteld.
41
Hoofdstuk 4 4.1
Planvorm
4.1.1
Inleiding
Juridische planbeschrijving
Het bestemmingsplan Kust Westland is een overwegend conserverend bestemmingsplan. De doelstelling van de herziening is de wens om het planologisch kader van de strandzone zodanig aan te passen dat bij strand/horecapaviljoens ondergeschikte recreatieve activiteiten mogen plaatsvinden, terwijl bij een recreatiepaviljoen ondergeschikte horeca-activiteiten plaats mogen vinden. Voor het overige zijn de regelingen van de geldende bestemmingsplannen Kust (2010) en Kust, 1e herziening (2014) zoveel mogelijk overgenomen, waarbij de planverbeelding voor het gehele Westlandse kustgebied gedigitaliseerd is. 4.1.2
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn opgesteld overeenkomstig de RO-standaarden 2012, versie 1.3.1, zoals wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (Staatscourant 2012, nr. 14821, en Staatscourant 2013, nr. 33375). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In het hierna volgende is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. 4.1.3
Regeling
De regels voor het plangebied zijn vooral verdeeld tussen een bestemming “Natuur” met de specificatie “Ecologische verbindingszone” en een bestemming “Natuur” met specificatie “Natuur”. Deze keuze is gemaakt, omdat de gronden onder eerstgenoemde bestemming minder bescherming nodig hebben vanwege het toelaten van het recreëren op strand en in zee, dan de gronden van het Natura 2000-gebied die geheel worden omvat door de tweede genoemde bestemming. Daarnaast zijn binnen deze bestemmingen functieaanduidingen gebruikt die als aanvulling op de functielijst van de SVBP 2012 gezien moeten worden, zoals 'specifieke vorm van horeca - strandpaviljoen' of 'specifieke vorm van natuur - fietspad'. Bestemming "Natuur - ecologische verbindingszone" De zee en het strand hebben een natuurbestemming gekregen en zijn in het bestemmingsplan bestemd als "Natuur" met specificatie "Ecologische verbindingszone". Deze bestemming laat scheepvaart en visserij, het recreëren op het strand en in de zee, de plaatsing van (tijdelijke) strandpaviljoens, strandhuisjes en voorzieningen ten behoeve van de recreatie toe. Op de planverbeelding is met specifieke aanduidingen aangegeven binnen welke bouwvlakken een bepaalde bebouwing (en gebruik) is toegestaan. In totaal zijn er 9 strand/horecapaviljoens mogelijk, waarvan er één jaarrond aanwezig is. Daarbij is er één recreatiepaviljoen mogelijk.
Voor het recreatiepaviljoen zijn bijzondere gebruiksbepalingen opgenomen om de horecafunctie daadwerkelijk ondergeschikt te houden. Zo is bepaald dat horeca-activiteiten alleen mogelijk zijn voor deelnemers (en begeleiders van deelnemers) aan de activiteiten, waartoe een register wordt bijgehouden. De sluitingstijd is 22.30 uur, waarmee ook laat in de avond nog activiteiten mogelijk zijn en afsluitend gebruik kan worden gemaakt van de horecavoorzieningen. Het bedrijf zal zichzelf duidelijk moeten profileren als recreatiebedrijf en al bij de ingang kenbaar moeten maken dat alleen deelnemers aan activiteiten gebruik kunnen maken van de voorzieningen. Verhuur van strandbedjes of een 'snackluik' voor strandgasten is niet toegestaan.
42
Alle strand/horecapaviljoens hebben een maximale bebouwing van 450 m2 met een terras van maximaal 300 m2. Van die 450 m2 mag maximaal 75 m2 gebruikt worden ten behoeve van opslag van materialen, kleedruimten e.d. voor recreatieve activiteiten. Het recreatiepaviljoen kent een maximale bebouwing van 250 m2 met een terras van 100 m2. De gebouwen moeten tenminste tien meter afstand hebben ten opzichte van andere strandbebouwing, worden met de lange zijde parallel aan de duinen gebouwd (waarbij een bebouwingsvrije zone van 2 meter wordt aangehouden tot de afrastering) en mogen maar uit één bouwlaag bestaan. Dakterrassen zijn niet mogelijk. Ze worden bovendien op het strand gebouwd (niet op een fundering), met uitzondering van een paviljoen op het strand Beukel. De beleving van strand en water is een belangrijke voorwaarde voor het functioneren van het gehele strandgebied van gemeente Westland. "Rust en ruimte" blijft voorop staan en een goed evenwicht tussen bebouwd en onbebouwd oppervlak is daarbij van groot belang. Op het strand zijn tevens twee reddingsbrigades en drie gebouwen voor watersportverenigingen toegestaan, evenals toiletgebouwen en strandhuisjes. De strandhuisjes zijn alleen mogelijk op de stranden van Vlugtenburg en Beukel, waarbij een maximum aantal is bepaald.
Bestemming "Natuur - Natuur" De duinen zijn in het bestemmingsplan bestemd als bestemming “Natuur” met specificatie “Natuur”. Deze bestemming omvat striktere gebruiksregels ter bescherming van de natuurlijke waarden van het Natura 2000-gebied “Solleveld & Kapittelduinen”. Binnen deze bestemming zijn voorts de volgende functies toegelaten mits deze de natuurlijke waarden van de duinen in stand laten: het provinciale duinfietspad F370 en bestaande duinfietspaden die zijn voorzien van de functieaanduiding “specifieke vorm van natuur – fietspad”, de bestaande wandelpaden in het natuurgebied die zijn voorzien van de functieaanduiding “specifieke vorm van natuur – wandelpad”, het bestaande ruiterpad in het natuurgebied dat is voorzien van de functieaanduiding “specifieke vorm van natuur – ruiterpad”, het bestaande opslagterrein ter hoogte van Ter Heijde is voorzien van de functieaanduiding ‘opslag’. Aan deze bestemming is tevens de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten gekoppeld. Binnen deze bestemming zijn ook de parkeerterreinen bij Vlugtenburg, Beukel en Molenslag met een specifieke aanduiding opgenomen.
In het Beheersplan bijzondere natuurwaarden Solleveld & Kapittelduinen is, ten behoeve van de bedrijfsvoering van het waterwingebied, een aantal onderhoudswerkzaamheden opgenomen die binnen het beschermde natuurgebied zonder vergunning zijn toegestaan. Voor deze werkzaamheden is derhalve ook geen omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten nodig. Binnen de stemming "Natuur - Natuur" zijn een aantal gebiedsaanduidingen opgenomen, namelijk 'vrijwaringszone - duin', 'milieuzone - waterwingebied', 'veiligheidszone - munitie', 'vrijwaringszone molenbiotoop' en 'geluidszone - industrie'. Deze aanduidingen geven extra voorschriften voor de ontplooiing van eventuele activiteiten in die zones. Bestemmingen "Recreatie" en "Horeca" Nabij de strandopgang Vlugtenburg ('s-Gravenzande) is een concentratie aan verblijfsrecreatie gevestigd. Het betreft campings, een strandpark en een bungalowpark. Deze zijn allen conserverend bestemd. Dat geldt ook voor de nabijgelegen horecavestigingen. In verband met ontwikkelingen rond het perceel Nieuwlandsedijk 43 waarvoor een aparte ruimtelijke procedure wordt gevolgd, is dat perceel uit dit bestemmingsplan gelaten. Dubb elbestemmingen Op de plankaart is een drietal dubbelbestemmingen opgenomen: "Leiding - Gas", "Leiding - Water", "Waarde - Archeologie" en "Waterstaat - Waterkering".
Deze bestemmingen geven extra voorschriften voor de eventuele ontplooiing van activiteiten in die zones.
43
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Aangezien onderhavig planvoornemen geen betrekking heeft op een specifiek bouwproject zoals genoemd in artikel 6.2.1 Bro is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. Aan de onderhavige herziening zijn, behoudens de kosten voor het opstellen van het plan en het begeleiden van de procedure voor de gemeente, geen kosten verbonden. Het plan is financieel uitvoerbaar.
5.2
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Overleg
In het voorjaar van 2022 heeft over het ontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: Omgevingsdienst Haaglanden. De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting. 5.2.2
Zienswijzen
Van 29 april tot en met 9 juni 2022 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn 6 zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 6 van deze toelichting.
44