Bijlage: Bestemmingsplan Westerhonk (21-0339259)
Tekst van het document
Door vernatting van het landschap trad grootschalige veengroei op. In eerste instantie bevond deze veengroei zich in de lager gelegen delen van het strandwallenlandschap, later zullen ook de hoger gelegen delen afgedekt zijn met veen. Op de flanken van deze strandwallen en in het veen zijn in de omgeving resten en sporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen aangetroffen. Het veen was bewoonbaar doordat aanwezige getijdengeulen het veenlandschap ontwaterden. Vanaf circa 1500 v. Chr vinden er verschillende fases van mariene invloed plaats. De getijdegeulen die hierdoor ontstaan, zorgen in eerste instantie voor ontwatering van het veenlandschap. Het veen klinkt vervolgens in en vanuit de getijdegeulen wordt het land grotendeels bedekt met klei vanuit het krekenstelsel dat ontstaan is. De oeverwallen en kreekruggen die ontstaan vormen op hun beurt weer hoger gelegen delen in het landschap. Dergelijke fasen van grotere mariene invloed komen ook nog voor vanaf circa 300 v. Chr tot het jaar 0. Een derde fase van overstromingen vindt plaatst in de 11e - 13e eeuw. Na dichtslibbing van de kreeksystemen treedt telkens vernatting op waardoor er weer ruimte is voor veengroei. Tegelijkertijd zorgt het verstuivingsproces van nabijgelegen duinen voor de vorming van verschillende stuiflagen in het plangebied.
Tot in de Middeleeuwen zijn in de omgeving resten van bewoning aangetroffen (o.a. de Merovingische woonplaats op Molenslag, vondsten uit verschillende perioden in het Monsterse Geestje, Kasteel Polanen (13e eeuw). Op basis van historische kaarten is duidelijk dat er in het plangebied zelf op ten minste twee locaties historische bebouwing aanwezig kan zijn. Het overgrote deel van plangebied Westerhonk blijft de afgelopen eeuwen echter onbebouwd. Uitzonderingen hierop zijn de buitenplaats zoals afgebeeld op Kruikius (1712) en de molen zoals afgebeeld op de kadastrale minuut (1811). De huidige bebouwing is in stappen gerealiseerd vanaf 1979. Het gehele plangebied ligt in de zone van de Atlantikwall. Het erfgoed van de Atlantikwall kan in twee groepen worden gesplitst: het bouwhistorische erfgoed (bunkers, tankversperringen e.d.) en de meer archeologische component die bestaat uit (de resten van) loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, barakken e.d. Deze verdedigingslinie van de Atlantikwall bestond uit meerdere onderdelen. Eén van die onderdelen betreffen Widerstandsnesten (bunkers). Een dergelijk Widerstandsnest stond direct ten zuidwesten buiten het plangebied.
74
Archeologische medebestemming Binnen het gehele plangebied komen archeologische resten voor, of is sprake van een verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten. Aan het gehele plangebied wordt dan ook een archeologische medebestemming toegekend. Er is sprake van 3 verschillende archeologische verwachtingszones. Omdat aan deze zones verschillende vrijstellingsgrenzen worden gekoppeld, is er ook sprake van drie archeologische medebestemmingen (afbeelding 1). Indien bodemverstorende ingrepen de gestelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, kan archeologisch onderzoek als een voorwaarde worden gesteld bij het verlenen van een omgevingsvergunning. De bestemmingszones en daaraan gekoppelde vrijstellingsgrenzen wijken af van zowel de gemeentelijke archeologische beleidskaart als van het voorgaande bestemmingsplan. Hieronder volgt een toelichting. Sinds het vaststellen van de gemeentelijke beleidskaart en de voorgaande versie van dit bestemmingsplan, heeft op een aantal locaties in (de omgeving van) het plangebied archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft tot nieuwe inzichten geleid. Waarde - Archeologie I Deze zone omvat de gebieden waarvan op basis van historisch kaartmateriaal is vastgesteld dat er
75
bewoning plaatsvond tijdens de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Het huidige beeld is opgebouwd op basis van 2 historische kaarten (de kaart van Kruikius uit 1712 en de kadastrale kaart, 1811-1832). Daaruit blijkt dat er binnen het bestemmingsplangebied twee zones zijn waar in historische tijden bebouwing voorkwam. Resten van deze bebouwing kunnen nog in de ondergrond aanwezig zijn. De westelijke zone betreft een buitenplaats en de oostelijke zone een voormalige molenplaats, waarvan de oudste molen dateert uit de periode vóór 1811. Deze zones dienen bij toekomstige plannen en eventuele sloop van huidige bebouwing ontzien te worden. Binnen deze zone zijn bodemingrepen tot 50 m2 en 30 cm -maaiveld op voorhand vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Voor deze zone wordt afgeweken van de wettelijk gestelde 100 m2 omdat hier een zeer hoge dichtheid aan archeologische resten wordt verwacht. Hierdoor kunnen kleine bodemingrepen al leiden tot een grote verstoring van het bodemarchief en kunnen relatief kleine onderzoeken al veel waardevolle informatie over het verleden opleveren. Ook valt hier een aandachtszone in het noordoosten onder (afbeelding 2). Tijdens booronderzoek (Molenaar, 2007) is in deze zone een oud duinenlandschap aangetroffen vanaf een diepte van 85 cm -mv. In de top van deze duinen zijn archeologische indicatoren aangetroffen (houtskool, natuursteen).
Mogelijk bevindt zich hier een vindplaats die valt te dateren vanaf het laat-Neolithicum. Dergelijke vindplaatsen zijn kleinschalig en voor de gemeente Westland uniek. Het kan gaan om (tijdelijke) nederzettingen, maar ook grafvelden en off-site structuren. Bij toekomstige plannen moet deze zone, qua bodemingrepen, indien mogelijk worden ontzien. Indien dit niet mogelijk blijkt, en werkzaamheden overschrijden de grenzen van 50 m2 en 30cm, dan dient er aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Hierbij wordt afgeweken van de wettelijk gestelde 100 m2 aangezien er een hoge verwachting bestaat voor de aanwezigheid van een vindplaats. Ook hier geldt dat relatief kleine onderzoeken al veel waardevolle informatie over het verleden opleveren. Waarde - Archeologie II Deze zone omvat de locaties waarvan op basis van booronderzoek bekend is dat het oude duin- en strandwallenlandschap zich ondiep in de ondergrond bevindt. Voor dergelijke hoger gelegen locaties geldt in het plangebied een archeologische verwachting vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen, met een nadruk op vindplaatsen vanaf de IJzertijd. Het gaat daarbij voornamelijk om nederzettingen, maar ook grafvelden kunnen worden aangetroffen. Verder bestaat er een kans dat zogenaamde off-site structuren, zoals ontwateringsgreppels aanwezig zijn.
In de omgeving zijn verschillende resten van bewoning uit met name de IJzertijd en later aangetroffen. De trefkans van dergelijke sporen is echter iets kleiner dan die van de archeologische resten die worden verwacht in de zones met bebouwing die is afgebeeld op historische kaarten. Daarom wordt voor de zone Waarde Archeologie II vastgehouden aan de wettelijke grens van 100 m2 voor de oppervlakte van het plangebied. Uit de verschillende booronderzoeken is gebleken dat de bouwvoor circa 40 cm dik is. Archeologische waarden worden in deze zone verwacht op zeer uiteenlopende dieptes, te beginnen direct onder de bouwvoor. Voor deze bestemmingszone wordt daarom een diepte van 40 cm -maaiveld gehanteerd voor vrijstelling van bodemverstorende werkzaamheden. Waarde - Archeologie III Deze zone omvat de gebieden met het lagergelegen duin- en strandwallenlandschap en de strandvlakte die grotendeels is opgevuld met getijdenafzettingen tijdens de overstromingsfasen. Ook hoort hierbij het veenlandschap, dat met name tegen de flanken van de hoger gelegen duinen een relevant niveau is. Verder bevinden zich lokale duin-opduikingen in de diepere ondergrond. Er bestaat dan ook een verwachting voor archeologische niveaus op meerdere dieptes. Voor deze zones bestaat een (middel)hoge kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen.
Voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten op de duinafzettingen van Ypenburg en Voorburg. Op de gemeentelijke beleidskaart valt deze zone grotendeels binnen de zone met vrijstellingsgrenzen
76
van 500 m2 en 50 cm. Sinds het vaststellen van de kaart is er op verschillende locaties in de omgeving van het plangebied onderzoek uitgevoerd. Tevens is voor de gemeente Westland in 2017 een nieuwe, gedetailleerdere geologische kaart opgesteld. Daaruit blijkt dat er binnen deze zones lokale duinopduikingen aanwezig kunnen zijn. Deze opduikingen waren in het verleden aantrekkelijke woonlocaties. Gezien de minder gunstige ligging in vergelijking met de hoger gelegen duinlandschappen, is de verwachte dichtheid aan archeologische resten lager dan in de zone Waarde Archeologie II. Voor wat betreft de oppervlakte van de verstoring wordt daarom een vrijstellingsgrens van 250 m2 gehanteerd. Ook de kans dat in deze zone archeologische resten worden verstoord bij werkzaamheden tot 250 m2 is klein. Voor deze bestemmingszone wordt in verband met de gemiddelde dikte van de bouwvoor een diepte van 40 cm -maaiveld gehanteerd voor vrijstelling van bodemverstorende werkzaamheden. 3.11.3
Conclusie
In het gehele bestemmingsplangebied is sprake van een archeologische verwachting. Om een zorgvuldige omgang met deze (mogelijk aanwezige) archeologische waarden te waarborgen dient in het bestemmingsplan de waarde "Medebestemming - Archeologie" te worden opgelegd aan het plangebied. Omdat er sprake is van een gevarieerde archeologische verwachting, is er ook sprake van een gedifferentieerd vrijstellingsbeleid (zie afbeelding 1). Er dienen in dit bestemmingsplan 3 medebestemmingszones opgenomen te worden. Binnen de gebieden met een medebestemming is het uitvoeren van bodemverstorende werkzaamheden die de aan bestemmingszone gekoppelde vrijstellingsgrens overschrijden, gebonden aan een vergunningstelsel. In de afweging die ten grondslag ligt aan het verlenen van een omgevingsvergunning wordt het belang van het archeologisch erfgoed meegewogen conform het doel van de Erfgoedwet. Daarnaast is te alle tijden, binnen het gehele bestemmingsplangebied, de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (om praktische redenen, bij de gemeente Westland).
Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit.
77
78
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
4.1
Planvorm
4.1.1
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010. 4.1.2
Aanvullingen geoorloofde afwijking van de SVBP 2012
De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012. 4.1.3
Systematiek van de planregels
Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels Begrippen (Begrippen) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Wijze van meten) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bestemmingsregels De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: doeleindenomschrijving (gebruiksregels); bouwregels; nadere eisen;
79
afwijkingsregels. Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening.
De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: het aanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen. Algemene gebruiksregels In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod vanartikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen: het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; en het onderdeel "Citeertitel". 4.1.4
Systematiek van de planverbeelding
Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.MONWESTERHONKobp-VA01 De dataset bestaat uit:
80
het GML-bestand van de planverbeelding; het XML-geleideformulier; de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond.
Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen.
Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.
4.2
Bestemmingsregeling
De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).
81
4.2.1
Bestemming 'Groen'
De openbare groenvoorzieningen het plangebied zijn bestemd als Groen. Op deze gronden zijn ook water, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden toegestaan. In de bestemming is een specifieke regeling opgenomen voor de aanwezige muziekkiosk. 4.2.2
Bestemming 'Groen-2'
De strcuturele groenvoorzieningen, welke dienen als landschappelijke inrichting van het terrein, zijn voorzien van de bestemming 'Groen-2'. Op deze gronden zijn alleen onverharde wandelpaden toegestaan. 4.2.3
Bestemming 'Maatschappelijk-Welzijnsinstelling'
De gronden welke in gebruik zijn door de zorginstelling voor de huisvesting van mensen met een lichamelijke- en/of verstandelijke beperking inclusief de daarbij behordende activiteiten gericht op dagbesteding, religieuze functies, van (para)medisch-sociale functies en van culturele functies, gelieerd aan de woonvormen , inclusief overige bijbehorende voorzieningen, zijn voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk- Welzijnsinsteling'. Voor de verschillende typen aan gebouwen zijn aparte bouwregels opgenomen. De gewenste herinrichting van het terrein is, binnen deze bestemming mogelijk gemaakt. Op bepaalde locaties zijn wel aanvullende bouwvoorwaarden gekoppeld, zoals een minimale groenopgave. 4.2.4
Bestemming 'Tuin'
Op de gronden bij de woningen die onder de bestemming “Wonen” zijn geplaatst, hebben de tuinen de bestemming “Tuin” (T) gekregen. Naast beperkt bouwen is het bouwen van erkers op die gronden onder voorwaarden toegestaan. Bij deze bestemmingslegging is deels aangesloten bij de regels die vóór het van kracht worden van dit bestemmingsplan golden. 4.2.5
Bestemming 'Verkeer'
Daar waar een weg een stroomfunctie heeft, zijn de gronden bestemd als Verkeer. Binnen deze bestemming zijn een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren, groen- en waterpartijen en nutsvoorzieningen. 4.2.6
Bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied'
Het openbaar gebied in de woonwijken heeft een verblijfs- en verplaatsingsfunctie. Deze gronden zijn bestemd als Verkeer - Verblijfsgebied. Binnen deze bestemming is ontsluiting toegestaan met daarbij behorende voorzieningen zoals parkeren, groen- en waterpartijen, nutsvoorzieningen, speeltoestellen en reclame-uitingen. 4.2.7
Bestemming 'Water'
Waterpartijen, structuurbepalende watergangen en locaties die van belang zijn voor de waterberging zijn bestemd voor Water. 4.2.8
Bestemming 'Wonen'
De bestaande burgerwoningen in het plangebied zijn bestemd met de bestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming zijn bouwvlakken opgenomen voor de hoofdgebouwen. Naast en achter de woning is een erfbebouwingsregeling opgenomen. 4.2.9
Dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie'
Op de gronden waarin mogelijk archeologische waarden liggen is de dubbelbestemming Waarde-Archeologie neergelegd. Aan deze bestemming is een aanlegstelsel verbonden. 4.2.10
Dubbelbestemming 'Waterstaat-Beschermingszone''
De gronden zijn mede bestemd voor waterkering en waterhuishouding, met de daarbij behorende voorzieningen. Voordat gebouwd mag worden, moet advies bij de waterbeheerder worden ingewonnen.
82
4.2.11
Dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterstaatswerk'
De gronden zijn mede bestemd voor het beheer en onderhoud van waterkering en waterhuishouding, met de daarbij behorende voorzieningen. Voordat gebouwd mag worden, moet advies bij de waterbeheerder worden ingewonnen.
83
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht bij vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluit waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1. Bro, een exploitatieplan vast te stellen. Er hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden, of doordat de gemeente zelf eigenaar is van bedoelde gronden. Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied zijn de exploitatiekosten beoordeeld en is een exploitatieplan niet nodig omdat op andere wijze reeds in kostenverhaal is voorzien. Tussen gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin de anterieure kosten zijn opgenomen. Tevens is tussen gemeente en initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten krachtens art.6.1 Wro teneinde de uitvoerbaarheid van het plan te waarborgen.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Overleg
In de periode van 22 maart 2021 t/m 3 mei 2021 heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: Veiligheidsregio Haaglanden Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Delfland Gasunie De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage 8 BRO overleg van deze toelichting. 5.2.2
Participatie
De initiatiefnemer heeft in 2019 aan 240 adressen een uitnodigingsbrief verstuurd voor de informatiebijeenkomst op 20 feb 2019. De 59 aanwezige omwonenden zijn geïnformeerd over de gebiedsvisie en het proces van het bestemmingsplan. De avond bestond uit een korte presentatie en een informatiemarkt per thema. De genodigden zijn woonachtig aan de Vijverweg, Groenendaal, Santhorsthof, Haagweg, het Veld, Hoevelaan, het Eiland en Madeweg. De reactie van de omwonende uit de informatiebijeenkomst zijn meegenomen in het voorontwerp van het bestemmingsplan. In 2021 heeft de initiatiefnemer dezelfde adressen benaderd als in 2019 voor een digitale informatiebijeenkomst op 14 april 2021. De 64 omwonenden, 6 raadsleden en overige belanghebbenden zijn geïnformeerd over het voorontwerpbestemmingsplan en een terugblik op de gebiedsvisie. De plannen zijn door middel van een presentatie waarin tekeningen, kaarten en een planning zijn getoond aan de omwonenden toegelicht. Tevens was er een mogelijkheid om te reageren op de plannen en om vragen te stellen. De ingediende vragen zijn, mits ze niet gelijk beantwoord konden worden, later per email van een antwoord voorzien. Zie Bijlage 10 voor de samenvatting en beantwoording. Na afloop van de informatiebijeenkomst 2021 hebben de initiatiefnemers positieve reacties ontvangen over de uitleg en het verloop van de avond.
84
5.2.3
Inspraak
In het kader van de Inspraakverordening Westland 2004 heeft er voor het voorontwerpbestemmingsplan Westerhonk inspraak plaatsvinden. Het plan heeft vanaf 2 april 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. De ontvangen inspraakreacties zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de reacties wordt verwezen naar Bijlage 9 Inspraakreacties van deze toelichting. 5.2.4
Zienswijzen
Van 8 oktober 2021 tot en met 18 november 2021 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn geen zienswijzen ingediend.
85
86
Regels
87
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
Het bestemmingsplan Westerhonk met identificatienummer NL.IMRO.1783.MONWESTERHONKobp-VA01 van de gemeente Westland. 1.2
bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aanbouw
Een aparte ruimte die via het hoofdgebouw toegankelijk is en ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.6
aan-huis-gebonden-onderneming
Een onderneming welke gevestigd is of kan zijn in een woning en die toebehoort aan een natuurlijk persoon, welke in de betreffende woning woont en die geen personeel in dienst heeft, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de onderneming de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie niet aantast. 1.7
achtererf
De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8
antenne-installatie
Een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in één of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.9
archeologische waarde
Een aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit de oude tijden. 1.10
bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.11
bebouwingsgebied
Achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw.
88
1.12
bed & breakfast
Een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een woning, niet zijnde vrijstaand bijgebouw, en wordt gerund door de eigenaar/gebruiker van de betreffende woning. Onder een bed en breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur 1.13
bedrijfsvloeroppervlak
De totale vloeroppervlakte van alle bouwlagen van een bedrijf met inbegrip van alle daartoe behorende ruimten, waaronder ontvangsthal, dienstruimten en magazijnen. Niet inbegrepen zijn inpandige dienstwoningen en gebouwde parkeervoorzieningen voor personenauto`s. Wat betreft inpandige parkeerruimte valt een overdekte stallingsruimte voor een busje of een vrachtwagen wel hieronder. 1.14
bestaand
Bestaand bouwwerk Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig is of nog kan worden gebouwd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, daaronder vallen niet de bouwwerken die reeds instrijd waren met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Bestaand gebruik Het gebruik van de gronden en bouwwerken dat aanwezig is op het tijdstip van in werking treding van het plan of zoals dat kan worden gebruikt krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het gebruik, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Bestaande afmetingen Afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, daaronder vallen geen afmetingen die reeds in strijd waren met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 1.15
bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.16
bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17
bevoegd gezag
Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.18
bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.19
bijgebouw
Een (vrijstaand of aan een hoofdgebouw aangebouwd) gebouw dat in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en geen rechtstreekse toegang tot het hoofdgebouw heeft.
89
1.20
bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.21
bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 1.22
bouwlaag
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat wordt begrensd door vloeren of balklagen die op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggen. Het dient hierbij te gaan om horizontale bouwlagen. 1.23
bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.24
bouwperceelgrens
De grens van een bouwperceel. 1.25
bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.26
bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.27
bouwwijze
De wijze waarop het op een bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet is verbonden met het hoofdgebouw op een aansluitend bouwperceel; dit kan zijn: vrijstaand, twee-aaneen, gestapeld of aaneen gebouwd. 1.28
boveninsteek
De snijlijn van het maaiveld en het beloop van een watergang. 1.29
consumentenvuurwerk
Vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. 1.30
cultuurhistorische waarde
Het cultuurpatroon van een gebied, dat kenmerkend is voor het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van de gronden gemaakt heeft, zoals ondermeer tot uitdrukking komend in de kavelindeling, de waterhuishouding, het bodemreliëf, de graften, de wallen en de beplanting en bebouwing, archeologische waarden zijn hierdoor mede begrepen. 1.31
dagrecreatie
Het recreëren op een recreatieterrein al dan niet met behulp van kampeermiddelen, zonder dat overnachting in die kampeermiddelen of anderszins op het recreatieterrein is toegestaan. 1.32
dakkapel
Een constructie, welke ondergeschikt is aan het dakvlak, ter vergroting van een gebouw, die vrij ligt in het hellend dakvlak. 1.33
daknok
Het hoogste punt van een schuin dak.
90
1.34
dakopbouw
Een toevoeging aan het dakvlak van een bouwmassa die niet vrij in het dakvlak ligt, maar ten minste de nok-, gootlijn of zijkant van het dakvlak raakt van het desbetreffende gebouw/de betreffende woning. Het plaatsen van een dakopbouw gaat ten koste van de karakteristiek van het profiel van het gebouw/de woning. 1.35
dakvoet
Het laagste punt van een schuin dak. 1.36
dienstverlening
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen. 1.37
duurzaam gemeenschappelijke huishouding
Een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen. Er is sprake van een economisch-consumptieve eenheid en bloedverwantschap, huwelijksbinding of een daaraan in intensiteit en continuïteit gelijk te stellen mate van binding tussen de bewoners. 1.38
erf
Al dan niet bebouwde gronden, of een gedeelte daarvan, die direct gelegen zijn bij een hoofdgebouw en die in feitelijk opzicht zijn ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, die deze inrichting niet verbieden. 1.39
erfscheiding
De scheiding tussen twee onroerende zaken die niet aan dezelfde eigenaar behoren, niet door dezelfde gebruikers worden benut, dan wel louter kadastraal gescheiden zijn. 1.40
erker
Een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van het hoofdgebouw, gelegen aan een verblijfsruimte (woonkamer of keuken) en strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan en zorgt voor een verbijzondering van de voor en/of zijgevel, zonder de architectuur van het hoofdgebouw wezenlijk aan te tasten. 1.41
gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.42
groenvoorzieningen
Groenscherm(en) van opgaande beplanting, berm-beplantingen en andere beplantingen voor openbaar of particulier gebruik welke beplanting in planologisch opzicht een ruimtelijk structurerend effect hebben. 1.43
hoofdgebouw
Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn aard, constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken exclusief de aan- en uitbouwen of bijgebouwen. 1.44
hoofdwatergang
Primair water als bedoeld in de ‘Leggerkaart Wateren’ van het Hoogheemraadschap van Delfland.
91
1.45
horeca
Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van een zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van een nachtverblijf. 1.46
huishouden
Een alleenstaande of twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren. 1.47
huisvesting in verband met mantelzorg
Huisvesting in, of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen van wie tenminste één persoon mantelzorg verleent aan, of ontvangt van een bewoner van de woning. 1.48
kamerbewoning
Onzelfstandige woonvorm waarbij een pand door meerdere personen die geen duurzame gemeenschappelijke huishouden vormen wordt bewoond, en waarbij sprake is van woonruimtes waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. 1.49
kamerwoning
Een wooneenheid die geen eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. 1.50
kantoor
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtsreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.51
kap
Een constructie van een of meer uitsluitend hellende dakvlakken met een helling van meer dan 20 en minder dan 65 graden. 1.52
laad- en losruimte
Dat gedeelte van het bedrijf waar het laden en lossen van producten plaats vindt (bijvoorbeeld in de vorm van een dockshelter), hieronder niet begrepen een laad- en loskuil. 1.53
maatschappelijke en culturele voorzieningen
Educatieve, (para)medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, onderwijs- en religieuze voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van kinderopvang, bejaardentehuizen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen. 1.54
mantelzorg
Intensieve zorg, of hulpverlening die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid, of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige, of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur, kan worden aangetoond. 1.55
nutsvoorzieningen
Voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten.
92
1.56
ondergeschikte detailhandel
Detailhandel behorende bij de bestemming, waarbij de openings- en sluitingstijden van het detailhandelsgedeelte hetzelfde zijn als de hoofdfunctie (of begint later en/of eindigt eerder dan de hoofdfunctie). Het detailhandelsgedeelte is (ruimtelijk) ondergeschikt aan de hoofdfunctie en het gegenereerde financiële resultaat uit de detailhandel maakt niet meer dan 10% van het totale bedrijfsresultaat uit. 1.57
ondergeschikte horeca
Horeca behorende bij de bestemming, waarbij de openings- en sluitingstijden van het horecagedeelte hetzelfde zijn als de hoofdfunctie (of begint later en/of eindigt eerder dan de hoofdfunctie). Het horecabedrijf staat uitsluitend open voor degenen die primair komen voor de hoofdfunctie. 1.58
ondergronds bouwwerk
Een voor mensen toegankelijke ruimte onder maaiveldniveau, met uitzondering van kruipruimten. 1.59
oorspronkelijke achtergevel
De achtergevel van het oorspronkelijk vergunde hoofdgebouw, dus exclusief de aan- en uitbouwen of bijgebouwen. 1.60
openbaar toegankelijk gebied
Een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. 1.61
overig bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.62
overkapping
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand, welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.63
pand
De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.64 a. b.
1.65
peil voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, waarbij plaatselijke, niet bij verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw ervan buiten beschouwing blijven. Het bouwwerk wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt maaiveld het hoogst is. recreatie
Aan de Westlandse glastuinbouw en/of het buitengebied gerelateerde activiteiten gericht op ontspanning en vrijetijdsbesteding.
93
1.66
seksinrichting:
Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop of sekstheater, een sekswinkel, een seksautomatenhal en een seksclub of parenclub al dan niet in combinatie met elkaar. 1.67
showroom
Een vaste (afgebakende) en voor klanten toegankelijke ruimte in een bedrijfsgebouw waar producten ten toon worden gesteld, waaronder geen detailhandel wordt verstaan en geen verkoopfunctie (kassa) ter plaatse aanwezig is om ter plaatse goederen of diensten te betalen, met als doel dat klanten deze producten beter kunnen bekijken. 1.68
standplaats voor detailhandel/ horeca
Een op een openbare en in de open lucht gelegen plaats om gopederen, diensten, drank en/of etenswaren te koop aan te bieden, te verkopen, of af te leveren, gebruik makend van mobiele middelen zoals een boot, een kraam, een wagen of een tafel. 1.69
straatmeubilair
Bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-) voorzieningen, zoals: verkeersgeleiders, verkeersborden, informatieborden, zitbanken, bloembakken, telefooncellen, abri's, kunstwerken, bushaltes, speeltoestellen, fietsenrekken en draagconstructies voor reclame; kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorzieningen en brandkranen; afvalinzamelsystemen en hiermee gelijk te stellen bouwwerken. 1.70
supermarkt
Een grote zelfbesdieningswinkel waar je veel verschillende levensmiddelen en huishoudelijke producten kunt kopen. 1.71
uitbouw
Uitbreiding van een tot het hoofdgebouw behorende ruimte tot buiten het bestaande oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld een erker) en welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.72
veranda
Een overkapping aan de voorzijde van een woning met maximaal 2 wanden. 1.73
verzorgingswoning
een woonruimte, zijnde een niet zelfstandige woning, al dan niet met gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking; 1.74
voldoende parkeergelegenheid
parkeergelegenheid voor personenauto's, bestelauto's, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland', zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan en – indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd – aan die wijziging of de nadere afspraken die gemaakt zijn met de perceelseigenaar. 1.75
voorerf
De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn voor de, met een gevellijn op de planverbeelding aangegeven, voorgevel van dat hoofdgebouw of voor een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.
94
1.76
voorgevel
De naar het openbare gebied gekeerde gevel(s) van de hoofdbebouwing, of waar deze op de planverbeelding is aangegeven met een gevellijn. 1.77
voorgevelrooilijn
De naar de weg gekeerde zijde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of waar deze op de planverbeelding is aangegeven met een gevellijn. 1.78
waterberging
Een berging voor het bergen en opslaan van water. 1.79
watergang
Een secundaire watergang als bedoeld in de ‘Legger Wateren (15 maart 2011)’ van het Hoogheemraadschap van Delfland. 1.80
webwinkel
Een specifieke vorm van detailhandel zonder uitstalling, waarbij de goederen via internet worden aangeboden en zowel per post worden geleverd als ter plaatse afgehaald worden. 1.81
windturbine
Een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van de windkracht als aandrijfbron van bewegende delen met een maximaal energie opwekkend vermogen van 15 MW. 1.82
wonen
Het gehuisvest zijn in een woning. 1.83
woning
Een complex van ruimten, uitsluitend bestemd voor de huisvesting van één huishouden. 1.84
woongroep
Een groep van twee of meer meerderjarige personen die de bedoeling hebben om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te aan. Een woongroep is georganiseerd in een formele rechtspersoon (opgericht bij notariële akte en met inschrijving bij de Kamer van Koophandel) en beschikt over een gezamenlijke rekening waarvan de vaste lasten worden betaald. Bij nieuwbouw van een woning voor een woongroep is er sprake van een initiatiefgroep waarvan de leden het recht van eerste bewoning krijgen. Elke vorm van bedrijfsmatige kamerverhuur valt hier niet onder. 1.85
zijerf
De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel van dat hoofdgebouw.
95
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand
De loodrechte afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is. 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouwd of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 a. b.
2.4
de bouwhoogte van een antenne-installatie ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. de breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5
de dakvoet
Het laagste punt van een schuin dak. 2.6
de dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.7
de daknok
Het hoogste punt van een schuin dak. 2.8
de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.9
de hoogte van een windturbine
Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.10
de inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.11
het hart van de weg
Het midden van de rijbaan of, bij gescheiden rijbanen, het midden van de middenberm. 2.12
de lengte van een aanlegsteiger
De afstand tussen de boveninsteek van het water en het deel van de aanlegsteiger dat daar het verst vanaf gelegen is.
96
2.13
de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
97
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. 3.1.1
groenvoorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - oprit', tevens een oprit ten behoeve van de ter plaatse aanwezige woningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - ontsluitingsweg/inrit - 1', tevens een ontsluiting ten behoeve van de ter plaatse aanwezige woning; ter plaatse van de aanduiding 'muziektheater, een muziektheater, waarbij tevens activiteiten uitgevoerd mogen worden welke gekoppeld zijn aan artikel 5.1 onder b; ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen- 1', parkeervoorzieningen; natuurvriendelijke oevers en water; speelvoorzieningen; nutsvoorzieningen; voet en fietspaden; één doorgaand ruiterpad. Waterberging
Ten aanzien van waterberging gelden de volgende aanvullende regels: a. b. c.
3.2
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water -2 dient minimaal 700m2 aan oppervlaktewater aanwezig te zijn; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water -3 dient minimaal 585m2 aan oppervlaktewater aanwezig te zijn; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water -5 dient minimaal 3610m2 aan oppervlaktewater aanwezig te zijn; Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b. c.
op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'muziektheater' mag een muziektheater worden gebouwd in de vorm van een kioskoverkapping, welke een maximale bouwhoogte heeft van 5 meter; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Voorwaardelijke verplichting
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de parkeervoorzieningen ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen- 1 ' aangewezen gronden conform artikel 3.1.d is alleen toegestaan als de verhardingen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen-2’ uiterlijk 1 januari 2025 verwijderd zijn en verwijderd blijven.
98
Artikel 4 4.1
Groen-2
Bestemmingsomschrijving
De voor Groen-2 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. 4.2
groenvoorzieningen; natuurvriendelijke oevers en water; onverharde voet en fietspaden. Bouwregels
Op deze gronden mag niet worden gebouwd.
99
Artikel 5 5.1
Maatschappelijk - Welzijnsinstelling
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk - Welzijnsinstelling ' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
verzorgingswoningen voor mensen met een lichamelijke- en/of verstandelijke beperking; het uitoefenen van activiteiten gericht op dagbesteding, van religieuze functies, van (para)medisch-sociale functies en van culturele functies, gelieerd aan de woonvormen zoals genoemd onder a.; c. kantoordoeleinden behorende bij de verzorgingswoningen en bij de uitoefening van de activiteiten en functies die zijn genoemd onder b.; d. ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie', maximaal één zend-/ontvangstinstallatie; e. ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij', een zorgboerderij; f. ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' een zwembad; g. ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt', een supermarkt, met een maximum bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 600m2, welke dienst doet als dagbesteding, gelieerd aan de woonvormen zoals genoemd onder a.; h. ter plaatse van de aanduiding 'horeca', een horecagelegenheid, welke dienst doet als dagbesteding, gelieerd aan de woonvormen zoals genoemd onder a., waarbij tevens de mogelijkheid bestaat voor de huur van zalen ten behoeve van de onder b. en c. genoemde activiteiten alsmede ten behoeve van overige maatschappelijke en culturele voorzieningen; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk-dierenverblijf', een dierenverblijf; j.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk- zorgkwekerij', een zorgkwekerij; k. ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs', tevens een school voor speciaal onderwijs, met een bedrijfsvloeroppervlak van 1500m2, exclusief bijbehorend schoolplein; l. ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen', tevens (regulier) wonen; m. wegen en paden; n. groenvoorzieningen; o. speelvoorzieningen; p. parkeervoorzieningen; q. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen. 5.1.1
Waterberging
Ten aanzien van waterberging gelden de volgende aanvullende regels: a. b.
5.2 5.2.1 a. b. 5.2.2
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water -1' dient minimaal 650m2 aan oppervlaktewater aanwezig te zijn; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water -4' dient minimaal 285m2 aan oppervlaktewater aanwezig te zijn. Indien uit de terreininrichting blijkt dat de benodigde wateropgave niet realiseerbaar is binnen de 'specifieke vorm van water -4' kan deze wateropgave ook gerealiseerd worden binnen de 'specifieke vorm van water -5'; Bouwregels Bouwwerken, geen gebouwen zijnde van erfafscheidingen 1 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. Algemeen
Indien het bestemmingsvlak niet is voorzien van een specifieke bouwaanduiding gelden de volgende bouwregels: a. b. c.
gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van straatverlichting bedraagt 7m; het bouwvlak mag volledig bebouwd worden, tenzij op de verbeelding een maximum bebouwingspercentage is aangegeven;
100