Bestemmingsplan Noord-Lierweg 40A te De Lier
Tekst van het document
Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5
de dakvoet
Het laagste punt van een schuin dak. 2.6
de dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.7
de daknok
Het hoogste punt van een schuin dak. 2.8
de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.9
de hoogte van een windturbine
Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.10
de inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.11
het hart van de weg
Het midden van de rijbaan of, bij gescheiden rijbanen, het midden van de middenberm. 2.12
de lengte van een aanlegsteiger
De afstand tussen de boveninsteek van het water en het deel van de aanlegsteiger dat daar het verst vanaf gelegen is.
58
2.13
de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
59
Hoofdstuk 2
Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. 3.2
het wonen; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven en water. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1
Hoofdgebouwen
a. b.
per bestemmingsvlak mag maximaal 1 woning worden gerealiseerd; in afwijking van het bepaalde onder a. mag het aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' toenemen tot en met het genoemde aantal; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten-1', zijn geen hoofdgebouwen toegestaan; d. het hoofdgebouw, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen -3' mag pas worden vervangen, indien ter plaatse van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen- water' water is gegraven; e. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 10 meter; f. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 7 meter; g. de goothoogte mag alleen worden overschreden door een kap; h. de maximale inhoud van het hoofdgebouw bedraagt 1,5x de oppervlakte van het bestemmingsvlak, met een maximum van 1.000m3; i. in afwijking van het bovenstaande mag de maximale inhoud van het hoofdgebouw, ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding -2',1.500m3 bedragen; j. de afstand van het hoofdgebouw tot aan de bestemmingsgrens bedraagt minimaal 3 meter, met uitzondering van aaneengebouwde woningen aan de zijde waar hoofdgebouwen aaneengebouwd worden; k.
de afstand van het hoofdgebouw plus aan- en uitbouw tot aan de bestemmingsgrens bedraagt, voor zover deze grenst aan gronden die op grond van het daarvoor geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" hebben, minimaal 12,50 meter; l. de afstand van het hoofdgebouw tot wegen, zoals opgenomen in Bijlage 1, bedraagt tot: a. het hart van een weg uit categorie 1 ten minste 22,50 m.; b. het hart van een weg uit categorie 2 ten minste 17,50 m.; c. het hart van een weg uit categorie 3 ten minste 12,50 m.; d. de boveninsteek van een vaarweg ten minste 4 m.; m. de afstand an het hoofdgebouw tot wegen of watergangen, niet opgenomen in Bijlage 1, bedraagt tot: 1. het hart van een weg ten minste 7,50 m.; 2. de boveninsteek van een hoofdwatergang in boezemgebied ten minste 1 m.; 3. de boveninsteek van een hoofdwatergang in poldergebied ten minste 4 m.; 4. de boveninsteek van een watergang tot 2 m. breed ten minste 1,50 m.; 5. de boveninsteek van een watergang tussen 2 m. en 5 m. breed in boezemgebied ten minste 1,50 m.; 6. de boveninsteek van een watergang tussen 2 m. en 5 m. breed in poldergebied ten minste 1 m.; 7. de boveninsteek van een watergang meer dan 5 m. breed ten minste 1 m.; 3.2.2 a.
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor het bouwen aan- en uitbouwen en bijgebouwen op het erf (zij-, achter- en voorerf) gelden de
60
volgende bouwregels: maximale goothoogte
maximale bouwhoogte
maximale oppervlakte
50% van het zij- 300m3* en achtererf, mits niet groter dan de oppervlakte van het hoofdgebouw
- aan, uit en bijgebouw
aan-, uitbouw 3m, of 0,30 m 3m, of 2/3e van en aangebouwd boven de eerste de bouwhoogte bijgebouw verdieping van het (bovenkant hoofdgebouw vloer) van het met een hoofdgebouw maximum van 5 met een meter maximum van 4 meter vrijstaand bijgebouw
3 meter
specifieke regeling * de inhoudt telt mee in de maximale inhoud voor een woning
bij aaneen gebouwde hoofdgebouwen bedraagt de diepte vanaf de achtergevel maximaal 3 meter
5 meter 3 m, of 0,30 ,m max. 2/3e van boven de eerste de breedte van verdieping het (bovenkant hoofdgebouw vloer) van het en 1,50 meter hoofdgebouw diep (zowel met een voor- als maximum van 4 zijgevel)** meter.
erker
maximale inhoud
** bij aaneen gebouwde hoofdgebouwen bedraagt de afstand tot de aaneen gebouwde zijnde minimaal 1 meter, tenzij erkers aaneen gebouwd worden
- ondergronds bouwwerk
b. c. d. e.
3.2.3 a. b. c.
binnen de *** de inhoud telt gevels van het voor 50% mee in de hoofdgebouw, maximale inhoud aan- , uitbouw voor een en hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw *** indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd, bedraagt de afstand tot de perceelsgrens ten minste 1m; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen -4', mogen bijbehorende bouwwerken ook voor de voorgevel worden opgericht. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding -1' mag de maximale inhoud van aan-, uit- en bijgebouwen 450m3 bedragen; indien er sprake is van een voorerf zijn hierop onder de volgende voorwaarden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan: 1. ten hoogste 50% van het voorerf mag worden bebouwd; 2. de bebouwing mag over ten hoogste de helft van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw worden gesitueerd; 3. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 meter. 4. de bebouwing mag er niet toe leiden dat de volgens 3.2.2 onder a. en b ten hoogst toelaatbare bebouwing op het erf wordt overschreden. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde de bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en 2 meter achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1 meter; de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt 2 meter; de maximale bouwhoogte van overkappingen bedraagt 3 meter;
61
d. e. f. g. h.
3.2.4
het maximum oppervlak aan overkappingen bedraagt 50m2; de afstand van een overkapping tot de bestemmingsgrens bedraagt minimaal 1 meter, tenzij in de bestemmingsgrens wordt gebouwd; een (vrijstaande) overkapping dient minimaal 2 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd; de afstand van een vrijstaande overkapping tot het hoofdgebouw bedraagt minimaal 3 meter; een vrijstaande overkapping dient in zijn geheel maximaal 15 meter van het hoofdgebouw te worden gebouwd; hoofdwatergang
Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch-hoofdwatergang', is het verboden te bouwen, tenzij toestemming is verkregen van de waterbeheerder, waar uit blijkt dat het waterhuishoudingsbelang niet wordt geschaad. 3.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken de afstand van het hoofdgebouw plus aan- en uitbouw dichterbij de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" mits: a. b. c. d.
3.4
de aan te houden afstand ertoe zou leiden dat herbouw of vergroting van een woning onmogelijk zou zijn; de bestaande afstand - zoals aanwezig ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan niet wordt verkleind; dit niet op stedenbouwkundige bezwaren stuit; dit geen onevenredige hinder, gevaar en/of schade veroorzaakt in relatie tot de aangrenzende percelen. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen omtrent de plaatsing en de goot- en boeibordhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 m in de zij erfafscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de te bouwen gebouwen geen onnodige nadelige veranderingen teweegbrengen in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat: a. b. c.
3.5
daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig worden geschaad; de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 m; geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in 3.2.2 onder a of d ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden.
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 3.5.1
Aan-huis-gebonden ondernemingen
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits; a. b. c. d. e. f.
g. h.
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m²; het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; de onderneming uitsluitend door een van de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend; voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en de inrichting valt onder het begrip type A van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd
62
bijgebouw.
3.5.2
strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor: a. b. c. d. e. 3.5.3
kamerbewoning; zelfstandige woonruimte van een bijgebouw; zelfstandige kantoorruimte; horeca; detailhandel. voorwaardelijke verplichting
Ter compensatie van de verharding en bebouwing, zoals mogelijk gemaakt ter plaatse van de bouwaanduiding specifieke bouwaanduiding - 1, is het realiseren van bebouwing en verharding uitsluitend toegestaan indien instemming is verkregen van de waterbeheerder inzake de benodigde watercompensatie.
63
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 4.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd, met dien verstande dat indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de archeologische waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen, de bestemming "Waarde - Archeologie" prevaleert. Tevens de volgende bouwregels ten aanzien van: 4.2.1
Onderliggende bestemming
Op de gronden mogen ten behoeve van de onderliggende bestemming(en) bouwwerken, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw-)regels, binnen de beschermingszone worden gebouwd, mits voor de verlening van de omgevingsvergunning burgemeester en wethouders schriftelijk advies hebben gevraagd aan de archeologische deskundige van de gemeente Westland of een daarvoor in de plaats gestelde deskundige, tenzij geen archeologisch onderzoek benodigd is. 4.2.2
Uitzonderingen onderliggende bestemming
De verplichting voor een archeologisch onderzoek geldt niet voor: a. b.
c. d. e. f.
4.2.3
kassen; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-1)". Hiervoor geldt enkel een meldingsplicht voor werkzaamheden, zodat, als onderdeel van de nazorgfunctie, de verwachting getoetst kan worden. Deze nazorg mag geen belemmeringen opleveren voor de utivoer van de werkzaamheden; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-2)" met een maximale oppervlakte van 500 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-3)" met een maximale oppervlakte van 250 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-4)" met een maximale oppervlakte van 100 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-5)" met een maximale oppervlakte van 50 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 30 cm. Voorwaarden
Indien uit het in lid 4.2.1 genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988; de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
64
4.3 Omgevingsvergunningvoor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1
Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden te verrichten: a.
b. c. d. e.
4.3.2
grondwerken dieper 50 cm, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven of dempen van (hoofd-)watergangen en waterpartijen en het aanleggen van drainage; het verlagen en verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; Uitzondering op het uitvoeringsverbod
Het verbod van lid 4.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. b. c. d. e.
4.3.3 a. b.
c.
die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het van kracht worden van het plan; die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning; die archeologisch onderzoek betreffen of daarop zijn gericht; welke betrekking hebben op: kassen; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-1)". Hiervoor geldt enkel een meldingsplicht voor werkzaamheden, zodat, als onderdeel van de nazorgfunctie, de verwachting getoetst kan worden. Deze nazorg mag geen belemmeringen opleveren voor de utivoer van de werkzaamheden; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-2)" met een maximale oppervlakte van 500 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-3)" met een maximale oppervlakte van 250 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-4)" met een maximale oppervlakte van 100 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-5)" met een maximale oppervlakte van 50 m² en maximale diepte beneden maaiveld van 30 cm Voorwaarden voor een omgevingsvergunning de werken of werkzaamheden die onder het verbod vallen, zijn
slechts toelaatbaar indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet worden verstoord; indien uit het onder a. genoemd archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988; de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; voor de verlening van de omgevingsvergunning hebben burgemeester en wethouders schriftelijk advies gevraagd aan de archeologische deskundige van de gemeente Westland of een daarvoor
65
in de plaats gestelde deskundige, tenzij geen archeologisch onderzoek benodigd is.
66
Artikel 5 5.1 a. b.
5.2
Waterstaat- Beschermingszone
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat- Beschermingszone' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering. de bestemming 'Waterstaat- Beschermingszone' is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen. Voor zover deze dubbelbestemming samenvalt met andere dubbelbestemmingen is de voorrangsregeling in artikel 11.3 van toepassing. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
5.3
op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 5.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.
67
Artikel 6 6.1 a. b.
6.2
Waterstaat - Waterstaatswerk
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterstaatswerk' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering. de bestemming 'Waterstaat - Waterstaatswerk' is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen. Voor zover deze dubbelbestemming samenvalt met andere dubbelbestemmingen is de voorrangsregeling in artikel 11.3 van toepassing. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
6.3
op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 6.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.
68
Hoofdstuk 3 Artikel 7
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
69
Artikel 8
Algemene bouwregels
8.1
Algemene regels voor afstanden
8.1.1
Afstandsmaten tot kruisingen en aansluitingen
Bij de kruising dan wel aansluiting van/op wegen dienen de uitzichthoeken ten behoeve van het wegverkeer te worden vrijgehouden van bebouwing, dit ter beoordeling van de verkeerskundige. 8.2
Afwijken van de algemene regels voor afstanden
8.2.1
Afwijken van afstandsmaten tot kruisingen en aansluitingen
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.1.1 ten behoeve van situaties waarin een afwijkende situering uit stedenbouwkundig oogpunt de voorkeur verdient en de verkeersveiligheid voldoende is gewaarborgd, dit ter beoordeling van de verkeerskundige. 8.3
Algemene regels voor ondergronds bouwen
8.3.1
Ondergrondse werken
Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden geen beperkingen. 8.3.2
Ondergrondse bouwwerken
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. b.
c. d.
8.4
de bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,30 meter onder peil; ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw, aan-, uitbouw en/of aangebouwd bijgebouw bij een woning, een bedrijfsgebouw en/of een kas, met uitzondering van rioolwaterbuffers; ondergrondse bouwwerken worden, voor zover binnen de bestaande bebouwing gelegen, bij het berekenen van het bebouwingspercentage en/of bebouwingsoppervlak niet meegerekend; ondergrondse bouwwerken worden, voor zover buiten de bestaande bebouwing gelegen, bij het berekenen van het bebouwingspercentage en/of bebouwingsoppervlak uitsluitend meegerekend bij een bouwdiepte van minimaal 1,50 meter. Afwijken van de algemene regels voor ondergronds bouwen
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.3.2 onder a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 6,6 meter onder peil onder de voorwaarde dat: a. b. 8.5
de waterhuishouding niet wordt verstoord; geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing: a. b. c. d. e. f. g.
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter waarborging van de ontwikkeling van de glastuinbouw; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; ter waarborging van de waterhuishouding.
70
8.6
Overschrijding van hoogte-aanduidingenop de planverbeelding
8.6.1
ondergeschikte bouwdelen
De in hoofdstuk 2 bedoelde hoogten mogen worden overschreden door antenne installaties, mits deze overschrijding niet meer bedraagt dan 5,00 m en door schoorstenen, trappenhuizen, alarminstallaties en andere ondergeschikte bouwdelen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 1,00 m. bedraagt, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald. 8.6.2
liftkokers
De in hoofdstuk 2 bedoelde hoogten mogen worden overschreden door liftkokers, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt. 8.7
Overschrijding bouwgrenzen
De op de planverbeelding aangegeven bouwgrenzen mogen uitsluitend worden overschreden door: a. b.
c. d. e.
f. 8.8
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden en funderingen; bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt; rookkanalen, indien de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt putten, leidingen, goten en inrichtingen voor de watervoorziening of de afvoer of verzameling van water rioolstoffen; hijsinrichtingen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt. bestaande dakopbouwen, bestaande luifels en bestaande uitbouwen aan de voorzijde. Dakkapellen
Voor het bouwen van dakkapellen gelden de volgende regels: a.
b.
Maatvoering achterzijde: 1. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5 m vrij in het dakvlak; 2. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 3. de dakkapel mag niet meer dan 1 meter uit de onderkant van het dakvlak staan. Maatvoering voorzijde: 1. de dakkapel is niet breder dan 50% van de breedte van het dakvlak; 2. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5 m vrij in het dakvlak; 3. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,5 m; 4. de dakkapel mag niet meer dan 1 meter uit de onderkant van het dakvlak staan.
71
Artikel 9 9.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 2.1 lid 1 onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval verstaan: a. b.
c.
d. e.
9.2
het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken; het gebruik van niet-bebouwde grond en/of water als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden; het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken; het gebruik van niet-bebouwde grond als opslag, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met de verwerkelijking van de bestemming of met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; het gebruik van bouwwerken of het laten gebruiken van bouwwerken als seksinrichting; het gebruik van bouwwerken of het laten gebruiken van bouwwerken en gronden voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk. Geen strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan: a. b. c.
het gebruik van niet-bebouwde grond voor evenementen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland; het gebruik van niet-bebouwde grond voor standplaatsen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland; het gebruik van bouwwerken of het laten gebruiken van bouwwerken en gronden voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - vuurwerkverkooppunt'.
72
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1
Algemene afwijkingsmogelijkheden
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woon- en werksituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en er op grond van de regels in hoofdstuk 2 niet eerder kon worden afgeweken, bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan, voor: a.
b.
c. d.
e.
f.
g.
h.
10.2
afwijkingen van voorgeschreven maten, waaronder percentages, met ten hoogste 10%. Het moet hierbij primair gaan om het oplossen van knelpunten waar het bestemmingsplan niet in voorziet en waartegen in planologisch opzicht geen bezwaar bestaat en niet om de bouwmogelijkheden bij voorbaat al te vergroten; het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes met een goothoogte van ten hoogste 3 m ten behoeve van openbare nutsbedrijven of voor andere naar doelstelling daarmee vergelijkbare gebouwtjes mits de inhoud van deze gebouwtjes niet groter is dan 60 m³ zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, toiletgebouwtjes en wachthuisjes voor verkeersdiensten; het bouwen van een tweedelijns dakkapel aan de achterzijde boven een bestaande dakkapel; het bouwen van straatmeubilair of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die om waterstaatkundige of verkeerstechnische redenen noodzakelijk zijn, zoals duikers en keermuren met een bouwhoogte van ten hoogste 6 meter; geringe veranderingen in de tracés van wegen en de aanpassing daaraan van de ligging en de vorm van bestemmingsgrenzen indien bij de definitieve uitmeting blijkt, dat een weg als gevolg van de werkelijke toestand van het terrein slechts kan worden aangelegd als op ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken, met dien verstande dat de
veranderingen ten hoogste 2 m mogen bedragen; afwijkingen van het bestemmingsplan, ten einde de uitvoering van een bouwplan mogelijk te maken, indien op grond van een definitieve uitmeting of in verband met de verkaveling of situering blijkt, dat aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk zou zijn en de afwijking van zo ondergeschikte aard blijft, dat de structuur van het bestemmingsplan niet wordt aangetast; overschrijding van bouwgrenzen, voorzover zulks van belang is voor een technisch of ruimtelijke kwaliteit i.p.v. esthetisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voorzover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen. het bouwen van zonnecollectoren, beeldende kunstwerken (waaronder begrepen follies), riool-overstortkelders, boven- en ondergrondse containerruimten, informatie- en reclameborden. Afwijking niet verlenen
Afwijking wordt in ieder geval niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
73
Artikel 11 Overige regels 11.1
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 11.2
Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde in artikel 9.1 is een economisch delict in de zin van artikel 1a, sub 2°, van de Wet op de economische delicten en als zodanig strafbaar op grond van deze wet. 11.3
Voorrangsregeling
Indien en voor zover de in het plan aangegeven bestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen zijn, voor zover de voor de dubbelbestemmingen geldende regels ten aanzien van bebouwing of gebruik niet met elkaar verenigbaar zijn, de regels van toepassing die gelden voor de dubbelbestemming met de hoogste prioriteit volgens de volgorde die is aangegeven in onderstaand schema: Bestemming
Artikelnummer
volgorde van toepassing
Waterstaat - Waterstaatswerk
6
1
Waterstaat- Beschermingszone
5
2
Waarde - Archeologie
4
3
11.4 1.
2.
3.
Voorwaardelijke verplichting parkeren Bij nieuwe ontwikkelingen (oprichting van een bouwwerk, verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik) is het gebruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk 1 van deze regels. Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 1 indien: a. het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. er een bijzonder gemeentelijk belang mee is gemoeid; of c. op andere wijze dan op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland' en - indien deze beleidsregel gedurende de planperiode worden gewijzigd - aan die wijziging; of d. door de aanvrager van een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat de van toepassing zijnde parkeernorm(en) of aanwezigheidspercentages niet overeenkomen met de feitelijke situatie en kan worden volstaan met het realiseren van minder parkeergelegenheid. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning zoals genoemd bij lid 2 voorschriften verbinden ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeergelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeergelegenheid ten behoeve van invaliden.
74
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht 12.1 1.
2. 3.
12.2 1. 2.
3.
4.
Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 12.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1.1 met maximaal 10%; Lid 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; Indien het gebruik, bedoeld in lid 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; Lid 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
75
Artikel 13 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Noord-Lierweg 40A te De Lier'
76